Met ons gezin lazen we na het eten aan tafel uit de Bijbel uit de profeet Jesaja. In hoofdstuk 45 vers 17 het laatste gedeelte staat “tot in alle eeuwigheden”. Nu is onze vraag: Er is toch maar één eeuwigheid, maar wat wordt er dan bedoeld met eeuwigheden? We hebben de kanttekeningen er op na geslagen en daar staat dat er in het Hebreeuws staat tot in eeuwigheden der eeuwigheid.
We kwamen er niet uit. Kunt u ons vertellen wat hier bedoeld wordt?
Dat kan ik. Het Hebreeuwse woord “OLAAM” dat dikwijls is vertaald met “eeuwigheid” betekent zoiets als: onafzienbaar lange tijd, eindeloos lange tijd. Wanneer het dan ook nog eens in het meervoud staat, zoals in de aangehaalde tekst, wordt het duidelijk dat het echt onafzienbaar en eindeloos is.
De Hebreeuwse taal gebruikt dikwijls de meervoudsvorm om iets weer te geven dat heel groot of veel of lang is. Zo bedoelt de profeet ons duidelijk te maken dat er werkelijk geen einde komt aan wat in dat vers staat. Wat staat er dan? “Israël wordt verlost door de HEERE met een eeuwige verlossing; gij zult niet beschaamd en niet tot schande worden.” Om nu duidelijk te maken dat dit voor altijd geldt, voegt de profeet er aan toe, niet zomaar “voor eeuwig”, maar: “tot in alle eeuwigheden”.
Wat een heerlijke waarheid wordt hier gevonden. En dat voor een volk diep in ellende en schuld. De Heere is een gaarne vergevend God, zoals de Heilige Geest David gaf neer te schrijven in Psalm 86. Ons geweten kan het niet voor waar houden. Daarin is immers een overblijfsel van de kennis van Gods heiligheid en rechtvaardigheid. En door die kennis weten wij dat onze Schepper onze Wetgever is en onze Rechter, maar niet dat Hij een Vader en Ontfermer wil zijn. Hij moet de zonde straffen, zo getuigt ons geweten, in het bijzonder wel wanneer we door het licht van de Heilige Geest zijn overtuigd van ons Adamsbestaan. Maar dat Hij, Die zo rechtvaardig de zonden moet straffen en zo heilig de zonde moet haten, ook barmhartig en genadig de zonde kan vergeven en wil vergeven, dát vertelt ons geweten ons niet. Dat wéét het geweten niet en kán het geweten niet vermoeden.
Daarom moet het Evangelie, dat Blijde Nieuws van de zonde-uitdelging, wordt uitgebazuind. En daar is Jesaja, en daar zijn al Gods knechten, graag voor te vinden. Hij zegt het: “Israël wordt verlost door de HEERE.” Daar moeten we het van hebben, nietwaar? Vanuit ons is er slechts slavernij. Wij hebben ons in banden gebracht. Hoe zouden we ons nu dan in eigen kracht en vanuit eigen wil verlossen? Wij kunnen niet alleen niet, maar wij willen ook niet. Wanneer de natuurlijke mens, die een vijand is van God en van alles wat bij God hoort, beseft wat bekering/verlossing inhoudt, dan schrikt hij ervoor terug. De weg van bekering of verlossing lokt hem niet en het leven van bekering of van verlosten lokt hem ook niet. Van die weg der bekering, waarbij alleen verbroken harten worden geheeld, alleen vernederden worden verhoogd, alleen bedroefden en treurigen worden vertroost, alleen hongerigen worden verzadigd, alleen schuldverslagenen worden verzoend en alleen stinkend-vuilen worden gereinigd, – van die weg der bekering walgt hij. En dan het leven der verlossing… het leven ver van zonde, ver van onheiligheid, hoogmoed, lust, zelfzucht, rijkdom, schijn, wereld en alles wat God van Zijn plaats verdringt, dit leven verafschuwt een natuurlijk Adamskind hartgrondig.
Daarom moet en mag Jesaja schrijven: “Israël wordt verlost door de HEERE.”
En omdat deze verlossing ons toch niet tegen heug en meug wordt opgedrongen, maar in de weg van gewilligmakende genade wordt geschonken, staat er tot grote vreugde van het overgebogen gemoed bij: “met een eeuwige verlossing.” O lezer, dat is wat! Eindeloos, onafzienbaar lang zal deze verlossing duren – en niet vervelen. We hoeven er niet bang voor te zijn dat deze verlossing eens uitgeput raakt, of dat God “er mee stopt”, om Verlosser van Zijn volk te zijn. Nee, met een eeuwige, een eeuwigdurende verlossing. We lezen in de Dordtse Leerregels hierover dat het verlossingswerk door God gedaan even onveranderlijk is als Hij Zelf onveranderlijk is. Wij zijn veranderlijke mensen, aan allerlei grillen en nukken onderworpen. Maar God niet. Wat Hij Zich heeft voorgenomen (in volmaakte wijsheid en onuitsprekelijke goedheid) dat voert Hij onafkeerbaar uit. Daarom: een eeuwige verlossing! Dat wordt ook bevestigd in de volgende twee verzen: “Want zo zegt de HEERE, Die de hemelen geschapen heeft: …Ik ben de HEERE, en niemand meer. Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats der aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: “Zoekt Mij te vergeefs”; Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.” De almacht van Hem Die het gans heelal in een oogwenk uit het niets tevoorschijn riep… De almacht van Hem Die deze grote aarde met alles wat is en beweegt en leeft, onophoudelijk bestuurt…, Hij is Het Die deze beloofde verlossing mogelijk maakt, WERKELIJK maakt. Niemand kan Hem tegenhouden, niemand kan Zijn gang dwarsbomen, of Zijn Raad verijdelen. Hij gaat Zijn weg, volvoert Zijn Raad, vervult Zijn belofte, houdt Zijn verbond. Daarom kan er ook staan: een ééuwige verlossing, of zoals er meer letterlijk kan worden vertaald: een verlossing van eeuwigheden; een verlossing die – om zo te spreken – alle eeuwigheden meegaat. Alle eeuwigheden? Zijn er dan meer eeuwigheden?
Wel, omdat wij niet precies kunnen begrijpen wat eeuwig eigenlijk is, daarom zegt de Heere het op een kinder-manier: al zouden er vele eeuwigheden zijn, wees dan maar niet bang dat deze verlossing, deze genade, deze liefde na “twee of drie eeuwigheden” op is…; nee, ze blijft geldig, waardevol, fris, nieuw, goed voor “alle volgende eeuwigheden” na de “eerste eeuwigheid”…
Wat houdt nu deze verlossing zoal in? Dat staat erbij: “Gij zult niet beschaamd of tot schande worden.” Gods kinderen zijn de enige mensen op aarde die echt hebben geleerd zich te schamen. Zij zijn door Gods Geest voor Gods heilig aangezicht gebracht, in de geest, en hebben daar gestaan in de schande van hun geestelijke naaktheid, van het missen van Gods beeld van ware gerechtigheid en heiligheid. Zij alleen van alle inwoners der wereld hebben geleerd wat voor een schandelijk ding de zonde is. U ook? Zij schamen er zich zo voor. U ook? En nu kunnen ze maar één ding vrezen, namelijk dat ze op de grote Dag der dagen, de grote oordeelsdag, zich moeten wegschamen voor God. Maar de HEERE belooft hen dat ze daar echt niet bang voor hoeven te zijn, want dat zal niet gebeuren.
Waarom niet? Is er niet veel, heel veel, in het hart en leven van Gods kinderen en knechten waarvoor zij zich diep moeten schamen? Zeer zeker. En toch: zeer zeker NIET! Waarom wel, waarom niet? Het eerste is waar omdat ze vanuit zichzelf nog steeds grote zondaren zijn, vuile viezeriken zijn. Maar het tweede is om Christus’ wil en in Christus toch ook waar: ze staan straks in witte, reine, blinkende kleding voor de hartdoorzoekende ogen van de alwetende God, voor Wie niets verborgen is… Ze hoeven er niet over in te zitten, hoe ze op die dag toch voor God zullen kunnen verschijnen, omdat ze dan met Christus’ kleed bekleed, vlekkeloos voor God staan, zoals de apostel schrijft in Efeziërs 5 vers 26-27: “Opdat Christus Zijn bruidsgemeente heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; opdat Hij haar voor Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij heilig zou zijn en onberispelijk.”
Wat dunkt u, zou dit compleet zijn, genoeg zijn? Of zou u zich, ondanks dit alles, toch nog moeten schamen voor God? Al uw zonden zullen op die grote en vreselijke dag wel verschijnen, maar “bloedrood gekleurd”. Dus niet om u te beschamen, maar om Christus in Zijn uitdelgende genadekracht te verheerlijken.
Hoe lang zal dit duren? Zult u zich na de oordeelsdag nog weer bevuilen, zoals nu na de dag der bekering en der verlossing? U kunt er bang voor zijn, gezien wie u bent. U hebt immers zo’n onuitsprekelijk negatieve ervaring met uzelf opgedaan… Maar nee, na die dag van Christus’ wederkomst, wanneer satan, hel en zonde voor eeuwig geworpen zullen zijn in de poel van vuur en zwavel…, zal geen zonde ooit de nieuwe hemel binnendringen, nooit meer op de nieuwe aarde aanwezig zijn. Niet de minste zonde, nooit meer…!
“Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus onze Heere.”
