Een echtpaar schrijft: We hebben nog eens de laatste hoofdstukken gelezen uit het prachtige boekje van ds. Koelman Natuur en gronden van het geloof herschreven door ds. van Vlastuin. Vooral de bladzijden 110-121 zijn zeer helder. Hij spreekt daar heel ruim en helder over het komen en aannemen van de Heere Jezus. Hoe moeten we dat zien? Als je in je hart voelt dat alles naar Hem uitgaat en je geeft je in het gebed aan Hem over, is dit dan juist? (Dit gebeurt de ene tijd met meer gevoel dan de andere tijd). Maar op die momenten is het er. Toch is het altijd weer de vraag of het echt is. Je smeekt dat de Heere het wil beantwoorden vanuit Zijn Woord. Over deze overgave en aannemen is ds. Koelman heel ruim!
Wie was Jacobus Koelman? Misschien vindt u het wel aardig om eerst iets over hemzelf en zijn tijd te lezen. Koelman pleitte voor een algehele reformatie van ons land. Deze moet beginnen in het gezin, daarna op de scholen en universiteiten, vervolgens bij de ambtsdragers en ten slotte bij de overheid.
Koelman en al de mannen van de Nadere Reformatie hebben geleden aan de kerk. Het verval was groot. Op profetische wijze hebben ze de zonden in het volksleven bloot gelegd en de weg gewezen tot herstel, te weten een bekering tot God.
Ook in onze tijd kunnen we genoeg leren van een man als Jacobus Koelman. Dat geldt voor zijn godsvrucht, zijn ijver voor de gemeente en zijn reformerend bezig zijn binnen de kerk.
Nu over het boekje Natuur en gronden des geloofs. In dit boekje maakt Koelman duidelijk wat de oefeningen en daden van het geloof zijn. Sterk wijst hij erop dat de zaligheid buiten de mens ligt; daarin ligt de bevrijdende kracht van het Evangelie. Koelman wijst er nadrukkelijk op dat wij onszelf nooit mogen koesteren in klachten of twijfels. Sommigen menen dat dit rechtzinnig is, maar het is de dood. Hij schrijft: Wacht u ervoor om te denken, zelfs om enig vermoeden in uw hart te koesteren, dat Christus niet aan allen aangeboden wordt, maar alleen aan degenen die zo’n diep inzicht in en gevoel hebben van hun gebrek, die alleen aan begenadigden door Gods Geest gegeven wordt. Christus wordt aan allen die het Evangelie horen, vrij aangeboden.
Verder lezen we: Een ziel kan Christus niet te vroeg aannemen en omhelzen en door Hem tot God gaan om vrede, genezing en zaligheid. Het is onmogelijk dat dit gebeuren zou, want God roept iedere zondaar heden tot Christus.
De vraagsteller heeft het over het laatste hoofdstuk van het boekje, getiteld ‘Twintig waarschuwende aanwijzingen’. Op bladzijde 110 vervolgens, staat het volgende:
Wacht u ervoor om te denken en te geloven, dat een zondaar te vroeg door het geloof tot Jezus kan gaan om alles van Hem en door Hem en omwille van Hem te ontvangen. Denk niet, dat men eerst een tijdlang moet liggen onder het gewicht van de zonden, en verbroken en verbrijzeld moet zijn. Denk niet, dat men eerst zijn ledigheid, nietigheid en verloren staat een tijd moet voelen, en dat men een hartelijk en oprecht voornemen en vast besluit heeft om alle zonden met afgrijzen te verlaten, voordat men Christus als Koning en enige Heerser wil gehoorzamen. Denk niet, dat men zolang moet wachten totdat men een ernstig verlangen en een onverzadigbare dorst naar Jezus heeft. Denk niet, dat men eerst zulk een dorst moet hebben die nergens door te lessen is dan door Christus alleen en die zulk een hoge achting van Jezus Christus voortbrengt, dat men alles niets zou achten ten opzichte van Christus.
Dit is een valse mening en stelling. Op het eerste gezicht heeft dit een goede schijn, maar het is zeer schadelijk en hinderlijk voor velen die de daad van het aanklevende geloof beoefenen. Het blijkt dat velen Christus niet met vrijmoedigheid op het woord van het gebod durven omhelzen en door Hem alle genade verzoeken en verwachten. Zij hebben de inbeelding dat de aanbieding niet terstond ingewilligd mag worden en dat Christus niet terstond omhelsd mag worden. Zij moeten naar hun gedachte, eerst een tijd onder de geest der dienstbaarheid gelegen hebben. Eerst moeten zij waarlijk verbroken en verslagen harten hebben. Eerst moeten zij behoorlijk gewond zijn door het gevoel van hun zonden. Eerst moeten zij gevoelig zijn voor Gods toorn en voor de onvermijdelijkheid daarvan. Bovendien moeten zij oprechte voornemens tegen het kwade en tot het goede hebben met een zeer ernstig hongeren en dorsten naar Christus en Zijn toegerekende gerechtigheid. Deze zielen worden door deze mening zo verduisterd en als het ware door mist omringd, dat zij niet goed zien hoe zij nog bij Jezus komen. Zij vrezen dat het hun aan de behoorlijke voorbereiding ontbreekt. Derhalve denken zij dat de aanbieding van de beloften en van Christus met het gehele verbond nog niet tot hen komt. Zij denken dat zij te vroeg zouden komen om Christus als hun Zaligmaker te omhelzen. Misschien hebben sommige predikanten hen daartegen gewaarschuwd. Ik hoop helder te spreken en deze hinderpaal van de beoefening van het geloof weg te nemen. Merk daarom de volgende dingen op:
Ten eerste. Dit is zeker dat een zondaar te vroeg kan geloven dat hij door Christus in een staat van zaligheid is. Men kan te vroeg menen en hopen dat men door de Zaligmaker zalig gemaakt zal worden, namelijk als men meent dat men door Christus zeker in de hemel en de heerlijkheid zal komen, terwijl men geen oog heeft voor een andere weldaad van Christus dan alleen voor de hemelse heerlijkheid. Zoekt iemand door Hem geen andere weldaden, die een ellendig zondaar ook nodig heeft en die ook voorgesteld worden in Christus, dan meent hij te vroeg dat hij door Christus zalig zal worden. Hij verwacht Christus niet en hij ziet niet naar Hem uit om verandering in zijn leven en praktijk te maken. Hij ziet niet naar Hem uit om een zodanige verzoening teweeg te brengen, waardoor hij met God in vrede komt en in vrede met Hem kan leven en wandelen. Hij neemt Christus niet aan en hij neemt zijn toevlucht niet tot Hem als tot een volkomen Zaligmaker, als hij niet tot Hem komt om geheel en volkomen door Hem zalig gemaakt en verlost te worden van allerlei kwaad, schuld en ellende, waarin hij verzonken is, Hebreeën 7 vers 25. Wanneer God Christus de Zaligmaker en de zaligheid in Hem aanbiedt, biedt Hij twee dingen aan. Hij biedt Christus aan om twee dingen te doen.
1. Hij biedt de zondaar verlossing van de schuld der zonde aan. Dat is: Hij biedt hem verlossing van de verbintenis tot straf aan. Zo biedt Hij hem de verzoening, vriendschap en vereniging met Hem door Christus aan. Daarom kreeg Christus Zijn Naam Jezus: “Gij zult Zijn Naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden”, Mattheüs 1 vers 21.
2. God biedt Christus aan om zondaren te behouden en zalig te maken of te verlossen van de besmetting der zonde: Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en voor Zichzelf een eigen volk zou reinigen, Titus 2 vers 14. Het bloed van Christus zal uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen, Hebreeën 9 vers 14. Een zondaar die Christus niet tot die twee bedoelingen aanneemt, neemt Hem in het geheel niet aan. Daarom kan men niet zeggen: “Hij neemt Christus te vroeg aan.” Wel kan men zeggen: Hij meent te vroeg dat hij door Christus ten hemel gebracht zal worden. Hij troost zich te vroeg, want hij heeft nog niet in Christus geloofd. Hij heeft Hem nog niet omhelsd tot dat doel, waartoe Hij voorgesteld en aangeboden is.
Ten tweede. Een ziel kan Christus niet te vroeg aannemen en omhelzen en door Hem tot God gaan om vrede, genezing en zaligheid. Het is onmogelijk dat dit gebeuren zou, want God roept ieder zondaar heden tot Christus. Hij gebiedt ieder zondaar heden te komen, zonder uitstel of verontschuldiging. Nu moet hij komen, op deze dag der genade en zaligheid, Hebreeën 3 vers 7; 2 Korinthe 6 vers 2. God gebiedt zondaren nu Christus als een Middelaar te omhelzen en in Zijn Naam te geloven, 1 Johannes 3 vers 23. Een zondaar kan Gods roeping niet te vroeg beantwoorden. Nu klopt de Heere aan hun hart. Zij moeten terstond openen. Toen de koning het volk tot de bruiloft van Zijn Zoon liet nodigen “Kom tot de bruiloft, alle dingen zijn gereed”, was hij zeer toornig dat zij Zijn roeping en nodiging verzuimden en niet onmiddellijk kwamen, Mattheüs 22 vers 2-8. Ook kan men niet te vroeg van onder Gods toorn, uit de vijandschap in een staat van vriendschap komen. Heden moet men daartoe komen. Men kan niet te vroeg komen tot de bekwaamheid en vatbaarheid om iets te doen dat God behaaglijk is. Heden moet men trachten in een gestalte te zijn om een aangenaam gebed te doen, dat verhoord wordt. Dat kan niet te vroeg gebeuren. De Heere eist het nu en zonder enig uitstel. Maar het kan niet gebeuren zonder zich door het geloof tot Christus te haasten. Daarom kan men niet te vroeg in Christus geloven.
Ten derde. De aanbieding van Christus en van alle beloften en zegeningen in Hem geschiedt zowel aan degenen die niet verbroken van geest zijn, als aan degenen die het meest verbroken en verslagen van geest zijn. Niemand zal Christus aannemen als hij zijn ellende niet ter harte neemt. Toch is het te allen tijde ieders plicht om Hem aan te nemen en tot Hem uit te gaan. Als iemand dan door een gezicht van zijn armoede, machteloosheid en rampzalige staat gewillig is tot Christus te gaan, mag hij niet denken en mag niemand hem zeggen dat hij Jezus te vroeg kan aannemen tot verzoening en genezing. Het gezicht en gevoel van de ellende zonder enige instorting van genade en zonder een krachtige trekking van God drijft niet naar Christus om rechtvaardiging of heiliging te ontvangen. Integendeel, alle gedachten aan God buiten Christus verschrikken en drijven de zondaar van God af, zoals bleek bij Adam en Judas. Judas bleef echter onwillig om die vervloekte wegen van vijandschap te verlaten en tot Christus te komen. Christus zegt: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekt”, Johannes 6 vers 44. Hoe meer men de uitwerkingen en vruchten van Gods rechtvaardigheid in het geweten voelt, hoe verder men van God weggaat. Totdat een ingestorte of ingeschapen besturing de zondaar dwingt om de aangeboden Christus te ontvangen. Als hij dan tot Christus komt en Hem aanneemt, kan hij nooit te vroeg komen en te vroeg in Hem geloven.
Die mening dat men Christus te vroeg aangrijpt en te vroeg aanmatigt, komt voort uit een dwaalbegrip betreffende de eigenlijke daad van het geloof. Men denkt dat het geloof een verzekerd vertrouwen is dat Christus de mijne is en voor mij gestorven is en mij zalig zal maken, hetgeen reeds weersproken is.
Ten vierde. Het is waar dat degenen die benauwde gewetens behandelen, niet te geneigd moeten zijn om deze mensen te troosten en te verzekeren dat zij deel aan Christus hebben, dat de beloften des levens in Jezus Christus hun toekomen en dat zij zeker aangenomen zijn in het verbond der genade, want dat kan te vroeg gebeuren. Men handelt dan zoals een arts die de zalf te vroeg op een gevaarlijk gezwel of een zweer smeert, zonder dat hij eerst ontsmettingsmiddelen gebruikt of de wond grondig zuivert. Hij zorgt er slechts voor dat er vel over de wond groeit, wat het leven van de patiënt alleen maar meer in gevaar brengt. Of men handelt zoals een dokter die, in plaats van zuiverende dranken, hartversterkingen en voedende middelen geeft, hetgeen sommige zieke lichamen tot verderf kan strekken.
Een wijze geestelijke medicijnmeester zal een benauwde ziel en een overtuigde zondaar aan de Heere Jezus tot zuivering en genezing aanbieden. Er zijn echter vele onverstandige kwakzalvers en zielenmoordenaars onder de geestelijke medicijnmeesters. Er is geen ander geneesmiddel, geen zalf of balsem te gebruiken, hetzij tot uitzuivering, hetzij tot heling, als Christus Zelf niet omhelsd wordt. Jezus Christus is de enige Medicijn en de enige Medicijnmeester. Hij is en heeft alleen de balsem van Gilead. Men mag het niet een ogenblik uitstellen om de aangeboden Jezus aan te nemen. Maar het is wat anders als men iemand gaat verzekeren dat hij met Christus verenigd is. Dat kan men niet doen, voordat men de gevolgen ziet van de aanneming van Jezus tot vereniging. Hier kan een zondaar zelf de verzekering veel vroeger ontvangen dan een ander die kan toepassen. Want hetgeen voor anderen onzichtbaar is, is zichtbaar voor de mens zelf, 1 Korinthe 2 vers 11. Een zondaar kan een hartelijke gewilligheid en verlangende begeerte hebben om Christus te omhelzen en Hem dadelijk omhelzen zoals Hij in het Evangelie voorgesteld wordt. Daardoor kan hij onder de medewerking van Gods Geest tot verzekering komen en geen ander oog dan dat van God kan het zien. Ik heb dit zo breed uiteen moeten zetten, omdat velen door deze verstrikkende gedachten opgehouden worden om rechtuit en terstond in geloof tot Christus te gaan, als zij hun ellende zien en wel tot Hem wensen te komen.
