Website van Ds. W. Pieters

Grote verzoendag en particuliere verzoening

G

Een lezer schreef:

In Leviticus 16 lezen we dat de hogepriester op de grote verzoendag verzoening moet doen voor de gehele gemeente van Israël (vers 17). En er staat dat de bok al hun ongerechtigheden zal wegdragen (vers 22). En in vers 30 zegt Mozes rechtstreeks tot het volk: Op die dag zal hij (Aäron, de hogepriester) verzoening doen om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des Heeren gereinigd worden. Twee vragen hierbij: hoe verhoudt zich dit met de particuliere verzoening zoals die in de Dordtse Leerregels wordt beleden? Hoe moeten de lijnen in de prediking vanuit dit gedeelte doorgetrokken worden naar de gemeente?

Tot zover de vraagsteller. U voelt: deze man heeft nagedacht over een belangrijk punt. Het gaat over verzoening. Dat het dus weer goed komt tussen God en ons. En de vraag luidt eigenlijk: is deze verzoening tussen God en mensen nu particulier of algemeen? Particulier betekent: persoonlijk. In Leviticus 16 gaat het niet zozeer over sommige mensen van het volk Israël, maar over heel het volk. Dus algemeen. Of toch niet? Hoe zit dat?

Wij lezen in de Bijbel meer dat Gods genade een heel volk of zelfs hele volken raakt. Denk aan Psalm 25 vers 22: “O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.” Ook Psalm 130 vers 7, 8: “Israël hope op de HEERE; want bij de HEERE is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.” Ook in Jeremia 50 vers 20 lezen we zoiets: “In die dagen en in die tijd, spreekt de HEERE, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze degenen vergeven die Ik zal doen overblijven.” Verder lezen we in Zacharia 3 vers 9: “Ik zal de ongerechtigheid van dit land op één dag wegnemen.” Denk ook aan het woord van Johannes de Doper in Johannes 1 vers 29: “Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!” En zo zijn er nog meer teksten aan te wijzen. Toch hebben onze vaderen in de Dordtse Leerregels de zogenaamde particuliere verzoening beleden. Hoe zit dat?

Toen Hitler Nederland aanviel, 10 mei 1940, viel hij niet iedere persoon in Nederland aan, maar het volk in zijn algemeen. Op het moment dat Nederland aangevallen werd, werd elke persoon in Nederland in die oorlog betrokken, voor zover als en doordat hij een onderdaan van het volk was.

Toen in 1945 de oorlog werd beëindigd, ondertekenden maar twee mensen: aan de kant van Duitsland een oppergeneraal, namens heel het Duitse volk en alle Duitse soldaten. En aan de kant van de geallieerden Prins Bernhard, namens alle geallieerde volken en soldaten.

Die twee mannen sloten niet voor zichzelf vrede. En ook was het niet nodig dat elke Nederlander apart deze verklaring ondertekende. Het was voor elke Nederlander geldig, omdat hij Nederlander was, bij het volk hoorde.

En zo ging het ook tussen Amerika en Japan. Maar meer dan twintig jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog gebeurde het dat een Japanse soldaat uit de rimboe van een of ander eiland in de Stille Oceaan tevoorschijn kwam. Hij was in de laatste dagen van de oorlog gevlucht en had zich weten schuil te houden in ondoordringbare gebieden. Eindelijk was hij ontdekt. En wat dacht hij? Dat er nog oorlog was. Hij wist niet dat er vrede was gesloten.

Was het nog oorlog? Nee. Was het voor hem nog oorlog, voor zijn besef? Ja. De vrede was collectief, algemeen, maar had toch ook een particuliere kant, moest persoonlijk worden beseft en verwerkt (en aanvaard).

Is het bij de verzoening ook zo dat we kunnen zeggen: heel Israël is op de grote verzoendag met God verzoend, maar ieder particulier/persoonlijk moet het ook leren beseffen dat hij met God verzoend is? En voor ons: alle gedoopten zijn in Christus’ bloed gewassen, maar nu moet elke gedoopte, elk lid van de kerk (het nieuwtestamentische Israël) nog leren verstaan dat hij rein is van al zijn zonden? En kunnen we zeggen: de prediking houdt in dat we tegen dat gedoopte gemeentelid (die Japanse soldaat), zeggen: de oorlog (tussen God en u) is allang ten einde. Er is allang vrede gesloten, verzoening aangebracht, namelijk op Golgotha en paasmorgen!?

Nee, zo liggen deze zaken net niet helemaal. Het voorbeeld van die Japanse soldaat verheldert wel enigszins, maar is toch nog misleidend. Ik ga het voorbeeld nader uitwerken. Stel u voor dat die Japanse soldaat niet alleen niet wist dat er vrede was gesloten, maar dat hij dit ook niet wilde. Stel u voor dat die soldaat, toen hem werd verteld: “Man, de oorlog is al twintig jaar geleden beëindigd”, zou zeggen: “Daar ben ik het niet mee eens. Amerika is mijn aartsvijand en ik haat alle Amerikanen tot in het diepst van mijn ziel en ik zal er alles aan doen om ook nu nog, al is er dan geen oorlog meer, Amerika te vernielen. Ik ben het niet eens met de vrede. Ik blijf doorvechten.”

Dit beeld is niet zo vreemd, want we kunnen het dagelijks om ons heen vernemen. Ik geef nu alleen door hoe het in Noord-Ierland al zo lang toegaat: er wordt een officiële wapenstilstand gesloten of een staakt het vuren. Of zoals onlangs: vrede tussen de Engelse regering en de Noord-Ierse opstandelingen. En wat zie je dan gebeuren? Dat een splintergroepering het er toch niet mee eens is en doorgaat met vechten, met bommen plaatsen enzovoort. Bij de Palestijnen zie je het ook.

Dit beeld nu moeten we bedenken, wanneer het gaat over de verzoening van het hele volk en van elke persoon afzonderlijk.

De HEERE gaf op grote verzoendag (en op Golgotha vooral) een algehele verzoening, voor heel het volk. Maar was er een Israëliet die de zonde niet beweende, niet bestreed, niet beleed, maar aan de hand hield? Dan gold de verzoening, die ook voor hem was(!), toch niet voor hem. Dan gold de verzoening wel voor hem, van Gods kant gesproken; en toch niet voor hem, wat hemzelf betreft. Elke Israëliet moest particulier of persoonlijk in de aangebrachte en aangeboden verzoening bewilligen. Dat lezen we ook in hetzelfde hoofdstuk van Leviticus, de verzen 29 en 31. We lezen daar: “En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen en geen werk doen, ingeborene en vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.” En in vers 31: “Dat zal voor u een sabbath van rust zijn, opdat u uw zielen verootmoedigt. Het is een eeuwige inzetting.”

Daar staat dus onder andere het bevel, dat elke Israëliet zijn ziel moest verootmoedigen. Als iemand dat niet deed, maar lijnrecht tegen het Goddelijk bevel in, toch aan het werk ging en zijn ziel niet verootmoedigde, dan deelde hij niet in de aangebrachte en aangeboden verzoening!

Zo lezen we het ook in 2 Korinthiërs 5 vers 19 en 20. In vers 19 staat: “God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende.” Dit is duidelijk algemeen geformuleerd. Blijft het daarbij? Nee, want nu gaat het ook om de toepassing. In de eerste plaats moet de verzoening (de vrede, het einde van de oorlog) worden afgekondigd. Daarom schrijft Paulus erbij: “…en Hij heeft het woord der verzoening in ons gelegd.” Wat doet Paulus nu? Zegt hij tegen de mensen: “U bent met God verzoend! Geloof dat nu!”? Nee, hij schrijft nu ten tweede ook: “Dus zijn wij gezanten van Christus wege, alsof God door ons bad. Wij bidden van Christus wege: ‘Laat u met God verzoenen.’”

Zo mag tot die verbitterde Japanse soldaat (in het voorbeeld) worden gezegd: “Er is vrede tussen Amerika en Japan. Aanvaard nu die vrede! Laat u met Amerika, uw vroegere vijand, verzoenen! Leg de wapens neer!”

Zo roepen we de mensen in de prediking niet op: “Verzoen u met God!” We zeggen niet: “Er is geen verzoening, u moet eerst zelf verzoening maken.” Nee, God zij dank is dat niet onze opdracht. Het zou vreselijk en hopeloos zijn. We roepen de mensen toe: “God heeft de verzoening aangebracht. En als u in Christus gelooft, dat is: als u zich met God laat verzoenen, deelt u erin!”

O, wat zal het erg zijn om verloren te gaan. Om als Moabiet en als Filistijn verloren te gaan, was al erg genoeg. Maar om als Israëliet, voor wie de grote verzoendag was ingesteld, toch nog door eigen schuld verloren te gaan…! Dat was veel en veel erger. Om als heiden verloren te gaan, is erg, maar om als gedoopte christen verloren te gaan, terwijl de verzoening voor u is aangebracht en u ook is aangeboden…, dat is veel en veel erger.

Dus we prediken een algemene verzoening, zoals de Schrift ons zegt in een hoofdstuk, als Leviticus 16. Maar we prediken er niet minder krachtig en niet minder duidelijk een particuliere toepassing van de verzoening bij, zoals de Schrift ons eveneens leert.

We eindigen met eenvoudig weer te geven wat antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus daarover schrijft:

Aan de gelovigen wordt verkondigd en openlijk betuigd, dat, zo dikwijls zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God omwille van de verdiensten van Christus vergeven zijn. Daarentegen wordt aan alle ongelovigen en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd dat Gods toorn en de eeuwige verdoemenis op hen ligt zolang als zij zich niet bekeren. En volgens dit getuigenis van het Evangelie zal God oordelen, zowel in dit als in het toeko­mstige leven.

Particuliere verzoening (2)

Ons wat nader te bezinnen op het belangrijke onderwerp van de verzoening is niet overbodig. Het gaat over de vraag: als in Leviticus 16 staat dat de zonde van heel het volk Israël verzoend is, is ze dan verzoend of niet? Kan er dan nog één Israëliet verloren gaan, of niet?

In Leviticus 16 staat één- en andermaal dat de verzoening van de grote verzoendag voor heel het volk en voor alle zonden van heel het volk is. Toch zijn niet alle leden van dat volk zalig geworden. Was die verzoening dan niet echt, niet compleet, niet genoeg? Was en is er dan een mogelijkheid om met een verzoende ziel verloren te gaan?

Vorige maal heb ik geschreven dat er onderscheid is tussen het aanbrengen van de verzoening (plus het aanbieden daarvan) én de toepassing of toe-eigening ervan door iemand persoonlijk. Het kan zijn dat iemand door ongeloof van geen verzoening wil weten (en voor ons allen geldt vanuit onze natuur: wij haten de verzoening en de God der verzoening…) Maar betekent dit dan dat mensen het verzoeningswerk van God krachteloos kunnen maken door hun ongeloof? Dat het verzoeningswerk uiteindelijk van nul en generlei waarde wordt? Is dan uiteindelijk de verzoening toch niet echt, niet krachtig, niet geldig?

Vele vragen bruisen hier naar voren. Vele eeuwen lang hebben grote mannen in het Koninkrijk Gods zich in deze vragen verdiept: “Hoe zit dat nu met de verzoening, de uitgestrektheid en de krachtdadigheid daarvan?” Want wat in het Oude Testament, Leviticus 16, in afbeelding in de tabernakeldienst geschiedde, is toch niet minder waarachtig waar in de grote Vervuller van al deze instellingen, Jezus Christus, het Lam Gods. Is Zijn bloed gevloeid voor heel Israël? Zijn alle Israëlieten dan dus ook zalig geworden? Of is Zijn bloed, Zijn verzoening, niet krachtig? Maar Christus heeft niet alleen voor Israël Zijn bloed gestort, ook voor de wereld. Lees eens, hoe de oude apostel Johannes het in zijn eerste brief, hoofdstuk 2 vers 1 en 2 schrijft: “Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.” Deelt heel de wereld er dan ook daadwerkelijk in? De kanttekenaar schrijft over de gehele wereld het volgende: Dat is, van alle mensen, die in de ganse wereld uit alle volken nog in Hem zullen geloven. Dus eigenlijk bedoelt Johannes te schrijven: Hij is een verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van alle gelovigen van de gehele wereld. Als deze uitleg juist is, zou je haast geneigd zijn te denken: wat jammer dat Johannes het dan zo ook niet heeft geschreven. Het wekt nu immers gemakkelijk misverstand. Maar als deze uitleg van onze statenvertalers juist is, kunnen we met teksten uit Leviticus op precies dezelfde manier omgaan en zeggen: “Mozes bedoelt alleen de ware gelovigen onder het volk Israël. Dus er staat wel in hoofdstuk 16 vers 17: “Hij zal verzoening doen voor zichzelf en voor zijn huis en voor de gehele gemeente van Israël.” Maar er wordt bedoeld: Hij zal verzoening doen voor zichzelf en voor de gelovige leden van zijn huis en voor de gelovigen in de gehele gemeente van Israël. En in vers 20 tot en met 22 staat wel: “Hij zal die levende bok toebrengen. En Aäron zal zijn beide handen op het hoofd van de levende bok leggen en zal daarop al de ongerechtigheden van de kinderen Israëls en al hun overtredingen, naar al hun zonden belijden; en hij zal die op het hoofd van de bok leggen. Zo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden wegdragen.” Maar hiermee wordt bedoeld: En Aäron zal zijn beide handen op het hoofd van de levende bok leggen en zal daarop al de ongerechtigheden van de gelovigen onder de kinderen Israëls belijden.”

Zo leggen de statenvertalers ook een tekst uit als 2 Korinthiërs 5 vers 19: “Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende.” Bij wereld staat: Namelijk de uitverkorenen en gelovigen in de wereld. Dus alle uitspraken die een algemene betekenis schijnen te hebben, zijn toch niet algemeen bedoeld, maar bijzonder, namelijk van de uitverkorenen of gelovigen onder die algemeen aangeduide groep. Hoe komen onze kanttekenaren bij deze schijnbaar zo gekunstelde uitleg? Ze verantwoorden het bij 1 Johannes 2 vers 2. Daar schrijven ze als reden om het woord ‘gelovigen’ tussen te voegen: Want dat Hij niet ieder mens in de hele wereld met God verzoent, blijkt zowel uit de ervaring, als ook daaruit dat Hij niet voor ieder mens de Vader heeft gebeden, Johannes 17 vers 9, maar alleen voor degenen die in Hem zullen geloven; Johannes 17 vers 20.

U begrijpt dat in de loop der eeuwen tegen deze uitleg heel wat protest heeft geklonken. Leerstellig ligt het niet zo eenvoudig. Want als we het zo uitleggen dat de verzoening voor heel de wereld is (en in Leviticus 16 voor heel het volk Israël), dan komt onweerstaanbaar de vraag naar ons toe: maar wat houdt een verzoening in, die geen eigenlijke, krachtige, eeuwig-geldende verzoening is?! Moeten we dan zeggen: het is alleen de verwerving van de verzoening, of alleen de mogelijkheid van de verzoening, of alleen de aanbieding van de verzoening?

Als de verzoening door middel van het offerdier op grote verzoendag geen spel was, maar Gods eigen bevel, dan is het dus een krachtige verzoening geweest, niet een krachteloze. En als deze door God bevolen verzoening werkelijk voor heel Israël gold, dan is dus ook heel Israël zalig geworden. Maar heel Israël is niet zalig geworden.

De beste oplossing van heel dit moeilijke vraagstuk is, dat we onderscheid maken tussen: genoegzaam en krachtig of effectief. Het offer, de verzoening, was genoegzaam/voldoende voor heel het volk, maar was effectief en krachtig in de gelovigen alleen. Zo is ook het offer van Christus en de verzoening daardoor voor heel de wereld genoeg, maar het is krachtig, effectief, in de gelovigen alleen. Dus kunnen we in de prediking blijven zeggen, zoals vorige keer is geschreven, naar aanleiding van 2 Korinthiërs 5 vers 20: “Wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.” Dat is, we roepen de mensen toe: “God heeft de verzoening in Christus aangebracht. En als u in Hem gelooft, dat is, als u zich met God laat verzoenen, deelt u er persoonlijk in!” Dus we prediken in zekere zin een algemene verzoening, namelijk zoals de Schrift ons zegt in een hoofdstuk als Leviticus 16. Maar we prediken niet minder krachtig en niet minder duidelijk een particuliere (toepassing van de) verzoening, zoals de Schrift ons eveneens leert.

Ten slotte: bent ú met God verzoend? Begeert u de verzoening die Christus heeft verworven voor arme zondaren van Adams geslacht? Dan hoeft u zich niet te bekommeren om al die moeilijke vragen rondom het algemene en het particuliere karakter van de verzoening, maar dan mag u luisteren naar de oproep van God de Vader in Psalm 2: “Kus de Zoon, opdat Hij niet toornt!” Dat betekent: “Eer Hem als Mijn eeuwige Zoon en neem Hem als uw Koning aan, geloof in Hem, wees Hem onderdanig.”

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën