Website van Ds. W. Pieters

Romeinen 14 en de christelijke vrijheid (2016)

R

Iemand vraagt mij iets te schrijven over Romeinen 14.

Gods Woord is een onuitputtelijke bron van wijsheid, niet alleen voor de leer, maar ook het leven, niet alleen voor onze verhouding tot God, maar ook tot onze naasten. Dat laatste is aan de orde in Romeinen 14.

Vers 1: “Neem degene die zwak is in het geloof, aan.” Het woord ‘aannemen’ betekent: accepteren, aanvaarden.

Gods Geest onderwijst ons om elkaar te aanvaarden. Het valt niet altijd mee om andere mensen in de gemeente van Christus te aanvaarden, zoals ze zijn. Iedereen is anders, denkt anders, gedraagt zich anders. Niet op alle punten, maar op sommige.

Er zijn in de gemeenten waar de meeste lezers van Om Sions Wil zich zouden thuis voelen, heel wat onderwerpen waarover de meningen kunnen verschillen. Dat was in Rome ook zo. Paulus gaat onder leiding van de Heilige Geest daarop in. Als eerste schrijft hij: jullie moeten elkaar accepteren en niet veroordelen. Al ben je het niet op alle punten met elkaar eens, dan moet je toch elkaar niet veroordelen.

Welke punten noemt de apostel?

Vers 2: “De één gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.” Dit kan betekenen: de ene gelovige meent dat hij zich niet meer hoeft te houden aan de ceremoniële voedselwetten van het Oude Testament, en de andere vindt dat het toch beter is om zich daar wel aan te houden. Het kan ook zijn dat het gaat over voedsel dat met de afgodendienst te maken heeft. De ene gelovige vindt dan dat je het vlees bij de slager, als dat van een afgodstempel afkomstig is, gewoon kunt gebruiken, maar een andere gelovige vindt dit toch niet terecht. Als je weet dat een stuk vlees eerst aan een afgod is geofferd, vervolgens aan de slager is verkocht en nu in zijn winkel te koop ligt, kun je dat beter niet kopen. Of nog iets sterker: dan mág je dat niet kopen en eten.

De ene gelovige heet ‘sterk’, de andere ‘zwak’. Sterk in het geloof heeft niet te maken met zekerheid aangaande zalig worden. Zwak in het geloof heeft niet te maken met twijfel aangaande zalig worden. Maar ‘sterk’ betekent hier: hij is ervan overtuigd dat de ceremoniële wetten niet meer gelden en dat hij met heel de afgodsdienst niets te maken heeft. En ‘zwak’ heeft te maken met twijfel of dat waar is.

In onze gemeenten zijn deze onderwerpen niet aan de orde. Maar wij hebben wel andere dingen: iets wat niet in Gods Woord uitdrukkelijk verboden is, maar waar sommige gemeenteleden toch moeite mee hebben óf om zelf te doen óf om bij anderen toe te laten. Denk aan de vragen als:

  • Mag iemand op de rustdag gebruik maken van een vervoermiddel om naar de kerkdienst te gaan?
  • Mag iemand op vakantie gaan?
  • Mag iemand zich verzekeren?

De rij is bijna eindeloos uit te breiden. Er zijn wat een meningsverschillen! Nu stelt Paulus de vraag aan de orde: hoe moeten we daar mee om gaan? Moeten we onze gedachten inruilen voor de mening van een ander? Of mogen we eisen dat de ander zijn gedachten inruilt voor onze mening? En wat moeten we doen, als iedereen bij zijn eigen mening blijft?

Als het over persoonlijke dingen gaat, kunnen we nog zeggen: ieder moet zelf verantwoorden wat hij doet. Maar gaat het over gemeentelijke activiteiten, zoals van een jeugdvereniging, dan wordt het moeilijker.

In vers 1 schrijft de apostel niet alleen om andere gemeenteleden te accepteren, maar hij schrijft er bij: “…niet tot twistige samensprekingen.” Dat betekent in hedendaags Nederlands: zonder persoonlijke meningen te veroordelen of over meningsverschillen te strijden.

De statenvertalers leggen het als volgt uit: ‘dat is, dat u niet te zeer en te heftig hierover met hem disputeert, twist en hem verwart, en tot grotere twijfel brengt, of: dat hij niet omwille van u iets tegen zijn geweten doet.’

Bij het luisteren naar elkaar, is het heel belangrijk om aandachtig te luisteren naar Gods Woord. Alleen Gods Woord immers heeft gezag; mensen niet. Maar, vergeet niet: onze uitleg van Gods Woord is niet zonder onze menselijke inbreng. ‘Ik denk dat Gods Woord bedoelt dat ik…’ Maar een broeder of zuster in het geloof zegt: ‘Ik denk dat Gods Woord juist niet bedoelt dat ik…’ We hebben beiden God lief. We hebben beiden eerbied voor Zijn Woord. Maar we hebben beiden niet hetzelfde inzicht in wat God in Zijn Woord van ons vraagt.

Neem die rustdag. Beiden lezen we dat God van ons vraagt om Zijn Dag te heiligen. Maar hóe je dat precies moet doen, staat er niet bij. Iedereen moet in gelovige onderwerping aan Gods gezag zelf bepalen wat bij een Bijbelse heiliging hoort en wat niet.

Vers 3. Als iemand meent dat hij vlees dat in de oudtestamentische wetten verboden was (bijvoorbeeld varkensvlees), of vlees dat via de afgodstempel bij de slager terecht was gekomen, mag eten, mag hij de zwakke gelovige niet verachten die dit vlees niet eet.

Andersom geldt ook: als iemand meent dat hij het vlees dat in de oudtestamentische wetten verboden was, of vlees dat via de afgodstempel bij de slager terecht was gekomen, niet mag eten, dan mag hij de sterke gelovige niet veroordelen die het wel eet.

Wat is de reden om geen verachting voor de zwakgelovige te hebben en om de sterkgelovige niet te veroordelen? Er volgt: “want God heeft hem aangenomen”. Wat betekent dit? De statenvertalers leggen het als volgt uit: ‘God heeft zowel de één als de ander tot het geloof gebracht en tot een van Zijn kinderen in de gemeenschap van Zijn kerk aangenomen. Daarom behoort hij door de mensen niet veracht of veroordeeld te worden.’

In vers 4 maakt Paulus de woorden ‘God heeft hem aangenomen’ duidelijk door een voorbeeld: “Wie bent u, die de huisknecht van een ander oordeelt?”

Een voorbeeld hiervan vinden we in Handelingen 10 vers 7. Nadat de engel, die tot Cornelius spreekt, weggaat, roept hij twee van zijn huisknechten, en stuurt hen naar Joppe om Petrus te vragen naar Cornelius te komen. Stel u nu voor dat een derde huisknecht van Cornelius tegen die twee zou zeggen: “Dat moeten jullie niet doen!” Of: “Waarom gaan jullie weg, ik vind dat jullie hier moeten blijven!” Dan zouden die twee huisknechten van Cornelius terecht kunnen zeggen: “Daar heb jij niets mee te maken; daar mag jij je niet mee bemoeien.”

Zo schrijft Paulus er bij: “Hij staat, of hij valt voor zijn eigen heer.” Dat is: of hij zijn werk goed of slecht doet, is ter beoordeling aan zijn heer.

Zo is het ook in de gemeente van Jezus Christus. Hij is de Enige Die mag bevelen en Die mag beoordelen. U en ik niet.

Moeten we dan alles goedkeuren? Nee, we moeten ons aan het bevel en het oordeel van onze Heere houden, zoals dat in Zijn Woord voor ons ligt. Is er echter meningsverschil over de uitleg van wat Hij beveelt of hoe Hij iets beoordeelt, dan moet u het bescheiden overlaten tussen hem en zijn Heere. En de ander moet het net zo bescheiden overlaten tussen u en uw Heere.

Paulus voegt er nog bij: “Maar hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.” Dit houdt in: ‘uw medegelovige zal in het geloof meer en meer toenemen en bevestigd worden.’ Hoe weten de kanttekenaren dit? Er volgt: ‘want God heeft niet alleen de wil, maar ook de macht om hem te versterken in het geloof, zodat u daar niet veel met hem over hoeft te disputeren of te twisten.’

Vindt u het allemaal moeilijk? Het gaat over de christelijke vrijheid. En dat is geen gemakkelijk onderwerp. In de volgende aflevering zal ik, zo God het geeft, daar iets over schrijven.

De christelijke vrijheid

Vorige keer hebben we gekeken naar Romeinen 14 waarin Paulus schrijft over verschil van inzicht binnen de gemeente van Christus. Over het algemeen vinden christenen het niet gemakkelijk om daar op een goede manier mee om te gaan. We hebben allemaal de neiging om te denken: wat ik zondig vind, moet een ander ook zondig vinden.

Waarom denken we zo? Heel eenvoudig, omdat we oprecht menen dat het zondig is. En als iets zondig is, moet toch iedereen het zondig vinden! En aan de andere kant: als iets niet echt zondig is, mag ook ik niet denken dat het zondig is.

Dus: iedereen moet over allerlei vragen van wat wel en wat niet zondig is, hetzelfde denken als ik…

Maar in de praktijk blijkt dat niet iedereen gelijk denkt over wat wel of niet toegestaan is. Over heel veel dingen wordt verschillend gedacht.

In Romeinen 14 geeft Paulus een tweede voorbeeld. Eerst had hij het gehad over eten en drinken, in vers 5 schrijft hij: “De een acht wel de ene dag boven de andere dag, maar de ander acht al de dagen gelijk.”

Waarschijnlijk gaat het hierbij over de vraag of oudtestamentische feestdagen nog onderhouden moesten worden. Als voorbeeld: Denk u in dat een wetsgetrouwe jood christen werd. Heel zijn leven lang had hij (overeenkomstig Gods gebod) op grote verzoendag gevast en zijn winkel gesloten gehouden. Maar nu hij christen is, zou dit niet meer hoeven? U kunt zich wel voorstellen, dat dit niet gemakkelijk was. Hoe moest hij nu toch handelen? Wat wilde God dat hij deed? Onderling was er meningsverschil: de ene christen geworden jood hield de grote verzoendag nog wel als een feestdag, en de andere christen geworden jood niet. Wie heeft (meer) gelijk?

Paulus zegt er in vers 5 bij: “Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.” Dit betekent: een ieder moet het zelf voor God uitmaken, en we mogen elkaar niet oordelen.

Het is ondertussen niet onbelangrijk hoe we dan die oudtestamentische feestdagen wel of niet houden. In vers 6 onderwijst de apostel de gemeenteleden als volgt: “Wie de dag waarneemt (volgens het oudtestamentische voorschrift houdt), die neemt hem waar voor de Heere.” Dus: wilt u op grote verzoendag, op Loofhuttenfeest of Pascha uw winkeltje niet open hebben? Best. Maar doe het dan op de goede manier: voor de Heere. Wat houdt dit in? Dat u het met geen andere bedoeling doet dan om de Heere te dienen.

Andersom is het precies hetzelfde: “…en wie de dag niet waarneemt (niet volgens het oudtestamentische voorschrift houdt), die neemt hem niet waar voor de Heere. Met welk doel stelt u uw winkeltje op grote verzoendag open? Om de Heere te dienen…

Paulus trekt in het volgende vers de conclusie: “Want niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf.” Wij leven voor God en onze naaste. Is dit niet zo, dan gebruiken we alles verkeerd. Eten we iets wat volgens de spijswetten verboden is, dan zondigen we. Eten we iets niet (omdat het in die wet verboden is), dan zondigen we ook. Houden we de ceremoniële wetten niet, dan zondigen we. Houden we ze wel, dan zondigen we ook. Daarom gaat het niet alleen over de vraag wat wel en wat niet zondig is, maar ook over de vraag hoe onze relatie tot God is. Als we er diep van overtuigd zijn dat iets niet zondig is, dan moeten we daarbij ook nog de vraag stellen: hoe ga ik dit nu doen? Voor mezelf of voor de Heere?

En zijn we in ons diepste innerlijk ervan overtuigd dat iets wel zondig is, dan moeten we daarbij ook nog de vraag stellen: om welke reden laat ik dit nu? Voor mezelf of voor de Heere?

In vers 8 lezen we de prachtige uitspraak: “Hetzij dat wij leven, wij leven voor de Heere. Hetzij dat wij sterven, wij sterven voor de Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn van de Heere.” Dit vers wordt door de Heidelbergse Catechismus aangehaald aan het eind van antwoord 1. Een onderdeel van de christelijke troost is dat we door de Heilige Geest in staat worden gesteld en gewillig worden gemaakt om voortaan voor onze Heere Jezus te leven. We eten voor Hem, we studeren voor Hem, we trouwen en we werken en we doen ontspanning en we kopen en verkopen en we…, alles voor Hem. We zijn van Hem en we zijn toegewijd aan Hem.

Dit is de christelijke vrijheid. Hij kocht ons, Hij zaligt ons. We hoeven de wet niet te houden om het eeuwige leven te verdienen of om onze zondeschuld bij God goed te maken, maar we staan in de vrijheid van het kindschap van God. We dienen God met een blij gemoed en met een vrij geweten. De kracht van Christus’ offer reinigt ons geweten van boze werken en we kunnen nu God dienen in kinderlijke liefdesgehoorzaamheid.

We hebben in ons gemoed de vrijheid om persoonlijk voor God verantwoord te leven en we hoeven ons niet te richten naar de wil of het inzicht van anderen. In vers 12 schrijft de apostel dan ook: “Een ieder van ons zal voor zichzelf aan God rekenschap geven/verantwoording afleggen.”

In dit verband herinnert de apostel ons eraan dat we straks voor de Rechter van hemel en aarde zullen staan (vers 10): “Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden.”

Maar in de christelijke gemeente hebben we niet alleen met God te maken, we hebben ook met elkaar te maken. Hoe moeten we nu met elkaar omgaan wanneer we al die verschillen hebben? Die medechristenen zijn er immers wel en zij zien ons ook en wij zien hen. Wat nu? Daar gaat de apostel in vers 13 op in: “Laten we dan elkaar niet meer oordelen, maar oordeel dit liever, dat u de broeder geen aanstoot of ergernis geeft.” Wat is een ‘aanstoot’, een ‘ergernis’? Een struikelblok, obstakel, hindernis op de weg waardoor iemand kan struikelen of vallen. In verband met het onderwerp dat de apostel aansnijdt, zeggen de statenvertalers in de kanttekening: ‘Namelijk opdat hij door uw ontijdig gebruik van de christelijke vrijheid, of door lichtvaardig veroordelen, niet vervreemdt van de christelijke godsdienst.’

We moeten dus wel rekening houden met onze naaste, die er anders over denkt. We hebben innerlijk de vrijheid om iets te doen of te laten, maar we doen dit niet zomaar zoals we zelf denken. Nee, we vragen ons af of onze broeders en zusters in de gemeente erdoor worden gesticht, worden opgebouwd in het christelijk geloof, of juist worden ontsticht, daarin worden afgebroken.

Bij het onderwerp van de christelijke vrijheid gaat het over de vraag of iets geoorloofd is of niet. De apostel heeft er tot en met vers 13 al heel wat over geschreven, maar hij is er nog niet mee klaar. In vers 14 schrijft hij iets heel opmerkelijks: “Ik weet en ben verzekerd in de Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf, dan wie acht iets onrein te zijn, voor die is het onrein.”

Het gaat hierbij niet over dingen die de Bijbel als zondig typeert, zoals hoererij en dronkenschap. Maar het gaat over de dingen die niet duidelijk in de Heilige Schrift zijn aangegeven en waarover dus meningsverschil mag zijn. Denkt u dat het zondig is om het te doen, dan moet u zich niet door een ander laten overhalen om het toch te doen. Het kan zijn dat die ander eerlijk meent dat het wel mag, terwijl u denkt dat het niet mag, dan moet u niet naar die ander luisteren, maar naar uw geweten. De apostel maakt duidelijk dat we nooit tegen ons geweten in moeten gaan.

Ten slotte: Laten we in liefde onszelf wegcijferen en de ander dienen! Dat geeft vrede in ons gemoed…

Over welke dingen gaat de christelijke vrijheid?

Er is voor een christen geen vrijheid om te zondigen. Geen enkele. Er is wel vrijheid om God te dienen; en dat alleen. Maar hoe kunnen we Hem dienen? Er is een veelheid van meningen, niet waar? We weten het: Gods Woord onderwijst ons. Wat onze Wetgever gebiedt, willen wij doen; wat Hij verbiedt, willen wij juist niet doen. Dit is in ieder geval wat een christen beaamt en betaamt.

Als we vervolgens ons verdiepen in de vraag wat God ons gebiedt, komen we bij allerlei gebieden die niet zomaar duidelijk zijn.

Laten we als voorbeeld een paar geboden behandelen. In het eerste gebod verbiedt Hij ons andere goden te hebben voor Zijn aangezicht. Dat betekent: we mogen niets en niemand godsdienstig eren, vrezen, aanbidden, liefhebben, in plaats van God.

De Heidelbergse Catechismus legt dit uit in antwoord 94 (het eerste stukje):

Wat gebiedt God in het eerste gebod?

Dat ik, zo lief als mij de zaligheid van mijn ziel is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, vermijd en ontvlucht.

Een vraag die bij u kan opkomen, is: wat is precies bijgeloof? Een paar voorbeelden zijn: bang zijn op vrijdag de dertiende; iets afkloppen; klokluiden bij een begrafenis; een hoefijzer (als gelukamulet) bij de voordeur hangen.

Mag iemand bijgelovig zijn? Valt dit onder de christelijke vrijheid? Duidelijk is dat het antwoord moet luiden: nee! Maar als iemand het niet als bijgeloof opvat om bij een begrafenis de kerkklok te (laten) luiden, mag een ander, die dit wel als bijgeloof opvat, het hem dan verbieden? Of als iemand wel een hoefijzer naast de voordeur hangt, maar er geen geluk van verwacht, mag dat?

Wij mogen over deze dingen in gesprek gaan met elkaar, maar onze mening aan een ander opleggen is niet goed.

Zo kunnen we ook het wel of niet meedoen met sinterklaasfeest in verband brengen met dit gebod. Vanouds was het een rooms feest, waarbij geloof en aanbidding van heiligen (de heilige Nicolaas) niet afwezig waren. Maar wanneer iemand van de lezers van Om Sions Wil op de een of andere manier sinterklaasfeest houdt, en het is in ieder geval niet met bijgeloof gemengd, liggen de zaken duidelijk anders. Het kan zijn dat er nog andere redenen zijn om er niet aan mee te doen, maar in ieder geval is het niet om reden dat we geen heiligen mogen aanroepen…

Het tweede gebod verbiedt ons een beeld van God te maken. Meteen komt de moeilijke vraag: mag Jezus worden afgebeeld? Hij is immers de Zoon van God en als zodanig mag en kan Hij niet worden afgebeeld. Maar Hij is ook de Zoon van Maria, en als zodanig kan Hij wel worden afgebeeld – maar niet om God hierdoor te vereren. Hierover is in de loop van de eeuwen veel strijd gevoerd. Hoort het bij de christelijke vrijheid of niet? Terecht kunt u stellen, dat we de mensheid en de Godheid van onze Zaligmaker niet kunnen en ook niet mogen scheiden, maar aan de andere kant is het overduidelijk, dat de mensen in de dagen van Jezus’ omwandeling op aarde Hem zagen naar Zijn menselijke natuur. Stel dat men toen foto’s had kunnen maken, dan had het kunnen zijn dat Hij naar Zijn menselijke natuur was afgebeeld.

Stel nu, dat het kerkgebouw van een roomse parochie aan een protestantse gemeente wordt verkocht (zoals nog niet zo lang geleden in Apeldoorn is gebeurd). Als er muurschilderingen van Jezus in dit gebouw zijn, moeten die dan worden verwijderd, of mag je ze laten staan? Al hebben de meeste lezers van dit blad er niet mee te maken, toch gaat het over de vraag: hoe wijd strekt zich de ‘christelijke vrijheid’ uit? Of anders gezegd: hoe precies kunnen en mogen we Gods geboden invullen – ook voor elkaar in de christelijke gemeente?

Bij het vierde gebod buitelen de vragen over elkaar heen wat je op de Dag des Heeren wel of niet mag doen:

  • Welke ontspanning is voor iemand persoonlijk en voor een gezin geoorloofd?
  • Wat voor boeken mogen wij en mogen de kinderen lezen, en met wat voor speelgoed mogen zij spelen?
  • Mag iemand zijn godsdienstrepetitie leren, of zijn catechisatievraag?

In verleden dagen hebben onze oudvaders er hele boeken over geschreven welk deel van dit gebod moreel en welk deel er ceremonieel is. Dat het de laatste dag van de week betreft, werd ceremonieel genoemd, en dat één dag van de zeven geheiligd werd, werd moreel (voor alle eeuwen geldend) geacht. Ik laat dit verder maar zitten – al is het niet onbelangrijk!

Het is in ieder geval niet verkeerd om als gemeenteleden ons erop te bezinnen wat een Bijbels-verantwoorde zondagsviering is, en om elkaar erop aan te spreken wanneer we hierover vragen hebben. Wij houden vast aan het beginsel dat ook in het Nieuwe Testament de sabbath – die van de zevende dag van de week werd verzet naar de eerste – nog steeds geheiligd en als rustdag gehouden moet worden. Maar toch moeten we erkennen dat hier de christelijke vrijheid een (grote) plaats heeft. We mogen elkaar niet veroordelen of verachten. We mogen onze mening niet aan een ander opleggen.

Om één ding te zeggen over het karakter van de nieuwtestamentische rustdag. In Psalm 118 vers 22-24 lezen we erover: “De steen, Die de bouwlieden verworpen hadden (op de dag van de kruisiging van Jezus), is tot een hoofd des hoeks geworden (op de dag van Zijn opstanding). Dit is van de HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen. Dit is de dag die de HEERE gemaakt heeft. Laten we daarop (elke week weer) ons verheugen en verblijd zijn.” De invulling moet bepaald niet strijden met het wezen van de rustdag: een dag van verheuging en blijdschap.

Zo zijn er honderden dingen die de Bijbel niet met zoveel woorden noemt en waarover we toch een mening moeten vormen. We moeten Bijbelse christenen zijn en ons steeds laten onderwijzen door wat God in Zijn Woord ons gebiedt. Daarbij moeten we niet alleen naar de letter kijken en maar één tekst of vers in ogenschouw nemen, maar steeds het geheel van de Schrift en de bedoeling van de Schrijver overwegen.

In een tijd waarin mensen buitenkant/vormen heel belangrijk vinden, is het goed om de vrijheid van een christen te benadrukken. In zo’n tijd leven wij echter niet. Over het algemeen vindt men vormen niet belangrijk en viert individualisme hoogtij: iedereen moet gewoon zelf weten hoe hij zich kleedt en wat hij wel of niet doet met zijn geld en met zijn tijd, met zijn lichaam en met… Ook de kerkmens is door deze leefstijl geïnfecteerd.

In zo’n tijd, als waarin wij nu leven, is het goed om ook de andere kant van de christelijke vrijheid te benadrukken: christenen willen hun broeders en zusters niet ergeren, maar zijn graag bereid zichzelf te verloochenen om andere gemeenteleden te behagen en te dienen. Paulus schrijft er in 1 Korinthiërs 8 vers 13 dit over: als het eten mijn broeder ergert/tot zonde verleidt/tot een valstrik wordt, dan zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet erger.

Wat houdt dit in? Dat we in ons geweten vrij zijn om iets te doen, wat niet tegen Gods Woord ingaat, maar dat we het om de gemoedsrust van onze naaste in de gemeente toch niet doen, maar graag willen nalaten.

Denk aan de kleur kleding. Voor God zijn alle kleuren gelijk, maar intuïtief voelen we aan dat we bij sommige gelegenheden kleding van een bepaalde stijl en kleur horen te dragen; bij voorbeeld bij de viering van het avondmaal.

Dit geldt te meer als er in een gemeente een meerjarige gewoonte is gegroeid. Dan moeten we niet dwars willen zijn, maar liever ons aan de gewoonte aanpassen – zo lang deze niet zondig is.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën