Website van Ds. W. Pieters

Dagboekmeditaties uit verleden jaren, 1992

D

1992

1 mei

Voorts op de vierentwintigste dag van deze maand verzamelden zich de kinderen Israëls met vasten en met zakken; en aarde was op hen.

Nehemia 9 vers 1

De diepte der verdorvenheid, verlorenheid en strafwaardigheid wordt door het teruggekeerde volk der Joden enigszins ingeleefd. Ze vasten immers. Ze kunnen niet meer eten, niet meer vrolijk zijn. Alles is bedekt met een grauwe rouwsluier. Steeds weer knaagt dat smartelijke gevoel van hun menigvuldige zonden aan hun ziel. Zonden, die ze hebben gedaan tegen die hoge God in de hemel. Beleefden wij dit ook reeds?

Zo bekeert God ons. Niet anders. Wie anders bekeerd is, is schijn-bekeerd. Het moge ons diep verootmoedigen, wanneer we bedenken hoe oppervlakkig wij zijn in deze ernstige en zeer gewichtige zaak! Wie meent buiten deze verootmoediging om toch te kunnen geloven in de vergeving der zonden en het eeuwige leven, mag zijn geloof wel eens nauwgezet onderzoeken en zich afvragen of hij niet bezig is zich voor eeuwig te bedriegen.

Staan wij voor God schuldig? Een ieder zal zeggen: “Ja!” Hebben we die schuld ook leren bewenen? Hebben wij ons vanwege die schuld leren verfoeien? Zo nee, dan vragen we er om dat we onverzoend buiten het Verbond blijven. O mens, het komt aan op waarheid in het binnenste!

Lezen: Nehemia 9 vers 1-6; zingen: Ps. 6:1

2 mei

En het zaad Israëls scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden en deden belijdenis van hun zonden en van de ongerechtigheden van hun vaderen.”

Nehemia 9 vers 2

Wie het grote werk der schuldbelijdenis onderneemt, zal zich van alle zonden moeten afscheiden. Doen we dit niet, dan vragen we erom dat onze belijdenis onzuiver en vals is. Dan maakt die ene gekoesterde zonde onze schuldbelijdenis geheel waardeloos. Daarom is het van groot belang om ons van de ‘vreemden’ af te scheiden. Die vreemden waren de afgodendienaars, de heidense vrouwen die met hun zondige praktijken waren binnengehaald in menig Israëlietisch huisgezin.

God wil, dat we ervan scheiden. Dat betekent: we dienen er resoluut en radicaal afscheid van te nemen. O, wie ene zonde toelaat in zijn leven, overtreedt de ganse wet en vermoordt zijn ziel. Wie niet gewillig is om voor God alle zonden te haten is niet oprecht en kan dus nimmer delen in de uitgestorte liefde des Vaders of in de onpeilbare genade des Zoons of in de vertroostende barmhartigheid des Heiligen Geestes!

Laat dat eerlijk tot u doordringen, want God ziet het hart aan en niet de uitwendige belijdenis.

In dit vers wordt ons geleerd, dat de ongerechtigheden van ons voorgeslacht onderdeel van onze schuldbelijdenis moeten zijn. Wie onder ons heeft daarmee te stellen? Moge het ons ondragelijk zwaar gaan wegen!

Lezen: Ezra 9 vers 1-4; zingen: Ps. 102:1

3 mei

Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek des HEEREN huns Gods, een vierde deel van de dag; en op een vierde deel deden zij belijdenis en aanbaden de HEERE hun God.

Nehemia 9 vers 3

Om onze schuld enigszins te kunnen gevoelen hebben we ontdekking en overtuiging nodig. God moet ons als vertoornd Koning boden des doods zenden – zoals Salomo ons zegt –, voordat we bedroefd zijn over onze ongerechtigheden.

Van nature hebben we immers smaak in de zonde en vermaak in de uitgieting der ongerechtigheid! Dan verheugen we er ons in om ongestraft verder te kunnen zondigen. Maar als de Heere met Zijn heilige wet binnen komt in ons geweten en ons verschrikt, wordt alles anders. Dan leren we beven en sidderen. Dan kan het niet anders of we buigen in het stof.

Weet u daarvan? Of hebt u nog ene zonde, die u niet haat? Hebt u slechts een algemene overtuiging van zonden, waarmee u gerust door kunt leven?

Als de Heere ons Zijn wet gaat voorhouden zien we pas dat we hebben gezondigd tegen een heilige God. Dat maakt ons zeer bevend en beschaamd.

Van harte beveel ik u aan om de wet Gods ernstig, met een biddend hart veel te onderzoeken; opdat we een blijvende indruk mogen hebben van onze zonden tegen God. Zo alleen kunnen we leren Hem aanbidden. En dat is toch het doel van de zielsvernedering: dat we weer Hem leren loven, wat we in het paradijs konden en deden.

Lezen: Romeinen 7 vers 7-13; zingen: Ps. 38:6

4 mei

(Zij) stonden op het hoge gestoelte der Levieten en riepen met luide stem tot de HEERE hun God.

Nehemia 9 vers 4

Wat een heerlijk wonder om te mogen roepen tot de HEERE! Dat God dat goed vindt! Dat Hij ons er zelfs toe uitnodigt! Dat Hij ons niet bij voorbaat het zwijgen op legt!

We mogen nog roepen, en wel met een grote, luide stem. Dit voorrecht moeten we ook naarstig waarnemen en daarin niet verslappen.

Als we niet roepen tot God in de nood van ons verloren leven, terwijl we wel mochten roepen, kunnen we het Hem niet verwijten dat we verloren gingen. Dan is het onze eigen schuld.

O benauwde, bekommerde, tobbende lezer, roep maar met luide stem tot God, want Hij hoort het geroep der jonge raven en daarom mag u er zeker van zijn, dat Hij u ook hoort, wanneer u bitter klaagt over uw hemelhoge schuld.

Wie echter zijn oor afwendt van de wet en die niet wil horen – zo waarschuwt Salomo ons –, diens gebed zelfs zal voor de HEERE een gruwel zijn. We moeten dus de volgorde goed in acht nemen: eerst naar de wet horen, ons laten gezeggen, ons laten beschuldigen, ons laten overtuigen, ons laten veroordelen en verdoemen om daarna te roepen tot de HEERE.

Waarom moeten we zo bitter klagen over onze zonden? Om ons voor Hem met eigen mond te beschuldigen, om God recht en gerechtigheid toe te schrijven, zoals uit het vervolg van dit schone gebed overduidelijk blijkt. En om zo genade van Hem te ontvangen!

Lezen: Psalm 142; zingen: Ps. 142:1

5 mei

En de Levieten zeiden: Staat op, looft de HEERE, uw God van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love de Naam Uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven alle lof en prijs.

Nehemia 9 vers 5

Waarom moet de vergadering worden opgeroepen te gaan staan? Ze stonden toch al, zoals uit vers 2 blijkt? Omdat ze waren neergevallen op hun aangezicht vanwege schaamte, diep berouw en besef van grove schuld; omdat er een indruk van die vreselijke Majesteit was.

Waarom moeten ze gaan staan? Om de HEERE uitbundig en eerbiedig te loven vanwege Zijn onuitsprekelijke goedheid, die Hij aan hen had bewezen, hoe zondig ze ook waren. Wat een wonder om Gods weldaden te ontvangen, terwijl wij niet anders doen dan Hem tergen.

Waarom moet Hij vooral worden geprezen? Omdat Zijn Naam boven alle lofprijzing is verheven. En de reden ervan is: omdat zij hoop mochten koesteren op de genadige vergeving van hun zonden. Omdat ze mochten hopen, dat de Heere hen in ontferming wilde gedenken, niettegenstaande hun gruwelijke ongerechtigheid. O, wat een allerzoetste reden om Hem te loven, te prijzen, te eren en te aanbidden!

God kan door ons niet zo worden geprezen, als Hij waard is. Daarover weent een volk met heimwee naar het verloren paradijs. Nochtans ontvangt Hij de Hem toekomende eer, omdat Hij Zelf heeft gezorgd voor die verheerlijking in Zijn Zoon Jezus Christus.

Gods volk mag Hem straks eeuwig loven. U ook?

Lezen: Psalm 130; zingen: Ps. 130:2

6 mei

Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt de hemel, de hemel der hemelen en al hun heir; de aarde en al wat er op is, de zeeën en al wat er in is; en Gij maakt die alle levend; en het heir der hemelen aanbidt U.

Nehemia 9 vers 6

Waar wij voor Gods Aangezicht worden gesteld worden we klein, nietig. Dan verschrompelen we helemaal tot niets. Dan is God zo oneindig hoog verheven! Zal dan het nietig schepsel zich tegen God verzetten? Zal ik opstand plegen tegen zulk een machtige, zulk een majesteitelijke God? Zal ik het wagen om Hem te weerstaan, te beledigen, te krenken, uit te dagen? O, God is zo oneindig groot en heerlijk, dat alle schepselen Hem dienen te aanbidden, te gehoorzamen en te dienen.

De engelen (het heir der hemelen) doen het ook, gewillig, ijverig, vurig. Maar wij? Hoe staat het met ons betreffende dit aanbidden?

Het is opmerkelijk, dat de schuldbelijdenis begint met de lofprijzing, vindt u niet? Het is opmerkelijk, dat eerst Genesis 1 komt en dan pas Genesis 3 met alle gevolgen daaruit. Dat dit zo is, komt voort uit het besef, dat onze zondeschuld pas echt onbegrijpelijk en afschuwelijk groot wordt, wanneer we die verstaan tegenover de het Wezen van God en Zijn heerlijkheid. Laat ons ernstig smeken om een gezicht der heerlijkheid, aanbiddelijkheid en dienenswaardigheid Gods! Daar zal smart geboren worden, dat we zó tegen onze eigen Schepper hebben gezondigd.

Lezen: Psalm 33; zingen Ps. 33:7

7 mei

Gij zijt die HEERE, de God, Die Abram hebt verkoren en hem uit Ur der Chaldeeën uitgevoerd; en Gij hebt zijn naam gesteld Abraham.

Nehemia 9 vers 7

God is een verkiezend God. Hij kiest uit wie Hij hebben en redden wil. Abram had niets gedaan om zijn verkiezing waardig te zijn. Verdiensten had hij niet of alleen verdiensten der zonde, waarmee hij eeuwige toorn Gods verdiend had. Toch koos God hem uit. Waarom? Louter omdat Hij het zo wilde.

Dit gegeven stuit op weerstand bij ons, die het maar niet kunnen zetten, dat God daar vrijmachtig en soeverein over beschikt. Wij mensen zijn zo hoogmoedig, dat we vinden dat God wel eens wat rekening met ons kan houden. Maar de HEERE kiest Zelf. De één neemt Hij aan, de ander gaat Hij voorbij. Mag Hij dat met het gevallen Adamsgeslacht niet doen? O mens, waarom buigt u niet voor deze heerlijke God neer?

Dat de Levieten in Nehemia’s dagen mochten spreken en weten van een verkiezend God is een groot wonder. Dit betekent immers dat de HEERE het heil geeft zonder verdienste van onze kant. Dit houdt tevens in dat een zondaar, een vijand van God nog kan zalig worden.

God maakt Abram tot Zijn kind. Hij stelt diens naam tot Abraham. Dit is een eenzijdig Godswerk. Zo doet Hij nog: mensen, die Zijn kinderen niet zijn, maakt Hij tot Zijn kinderen en Hij verbindt ze aan Zich met eeuwige banden der Goddelijke liefde.

Lezen: Genesis 12; zingen: Ps. 105:4

8 mei

En Gij hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht en hebt een verbond met hem gemaakt, dat Gij zoudt geven het land der Kanaänieten…; dat Gij het zijn zaad zoudt geven; en Gij hebt Uw woorden bevestigd omdat Gij rechtvaardig zijt.

Nehemia 9 vers 8

God is een gevend Wezen, Dat gaarne weg schenkt. Hij gaf aan Zijn schepsel Zijn beeld, Zijn zaligheid, Zijn liefde. Na de zondeval, waarin wij al Gods gaven hebben veracht en verworpen, kwam God ons nieuwe gaven schenken. Zo kwam Hij ook tot Abram in Ur en later bevestigde Hij Zijn aanbod en gave meermalen. Hij zou aan Abram en aan zijn nakomelingen het land Kanaän geven als onderpand van een beter land, namelijk het eeuwig Koninkrijk van de Messias. En God doet wat Hij belooft. Waarom? “Omdat Gij rechtvaardig zijt”, zo belijdt de Schrift. Gods rechtvaardigheid staat er borg voor, dat Hij Zijn toezegging omzet in daden. Zou God dat niet doen, dan was Hij onrechtvaardig.

Het gebruik van het woord ‘rechtvaardig’ is in deze lofprijzing heel anders dan wij gewend zijn. Wij denken bij ‘rechtvaardig’ aan een streng God. De Schrift belijdt in jubeltonen, dat de rechtvaardigheid God alles te maken heeft met Zijn trouw, zoals ook Johannes dat getuigt: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve.” Hebt u zich in uw verlorenheid ook reeds beroepen op Gods onwankelbare gerechtigheid? Hij zal u dan niet teleurstellen.

Lezen: Nehemia 9 vers 6-11; zingen: Ps. 143:1

9 mei

En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee.

Nehemia 9 vers 9

O, wat een wonder dat de HEERE omziet naar een vijandig mens! God ziet in mededogen naar zondaren. Hij aanschouwt de ellende van Zijn volk niet in hardheid of onbewogenheid, maar in tedere liefde en bereidvaardigheid om te helpen. Hij heeft dat vele malen bewezen in de Heilige Schrift aan Zijn volk in nood, onder andere ook in Egypte. En dat, terwijl er zoveel reden was om ze te verlaten, te verdelgen. Het volk deed immers zoveel goddeloosheid, afgoderij! En de HEERE wist dat het direct daarna weer in dezelfde zonden zou vervallen. Nochtans ontfermt Hij Zich…

Dat bleek heel bijzonder in de uitreddingen Gods die aan het volk werden bewezen, toen Hij het verloste uit Egypte en door de Rode Zee, de Schelfzee, heen leidde. Daar waren de volgende geslachten steeds weer vol van: wat is onze God groot van daad en groot van genade! Dat halen de Levieten op deze algemene bede- en boetedag weer aan, opdat het volk er des te dieper van zou zijn doordrongen dat ze het wel heel slecht er van af hadden gebracht om tegen zulk een goeddoend God te zondigen…

Drukke de Heere het diep in ons hart hoe goed Hij alle jaren is geweest voor ons en hoe schandelijk wij ons hebben gedragen jegens Hem. Daar zal vernedering, verootmoediging, beschaamdheid in ons worden gevonden.

Lezen: Exodus 3 vers 1-10; zingen: Ps. 105:20

10 mei

En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao en aan al zijn knechten en aan al het volk zijns lands; want Gij wist dat zij trots tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.

Nehemia 9 vers 10

Ongestraft zondigen zal niet gaan. Dat heeft de koning van Egypte moeten ondervinden. Wie God verlaat, heeft Zijn ongenoegen te vrezen en wie tegen Gods volk strijdt, strijdt tegen God Zelf en zal het dus een keer verliezen.

Het verstandigste is dan ook om uit de vreselijke wonderen Gods, gedaan aan koning Farao en aan zijn volk, de lering te trekking (en goed te onthouden), dat het veel beter is om ons nimmer tegen God of Zijn volk te verzetten, want dat zal ons eens bitter berouwen.

In de ondergang van Gods vijanden wordt de Heere verheerlijkt. Het zal een vreselijk iets zijn, wanneer de Heere Zich verheerlijkt in uw verdoemenis, maar toch zal dan blijken dat het niet onrechtvaardig is om diegenen te verdelgen die zich tegen Hem hebben verzet en die al de ernstige waarschuwingen in de wind hebben geslagen. De Heere heeft immers vaak gewaarschuwd! En ze hebben toch niet geluisterd. Daarom komt het oordeel, want ‘wie niet horen/gehoorzamen/geloven wil, moet voelen/moet verloren gaan’.

Nog is het tijd. Ook de ijzingwekkende geschiedenis van Farao’s verharding en verdelging wordt ons daartoe gepredikt dat we ons zouden bekeren. Laat u het nog steeds na, dan hebt u uw eeuwige hel uzelf te verwijten.

Lezen: Exodus 10 vers 21-29; zingen: Ps. 136:10,11

11 mei

En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.

Nehemia 9 vers 11

Hoe groot zijn Gods daden! Hij heeft wonderen ter beschikking, waarvan wij niet kunnen denken of durven hopen, dat ze mogelijk zijn. De HEERE doet altijd het onmogelijke. Daar pas wordt het wonder een wonder. Daar vergaat de macht, het inzicht en de hoop van het schepsel. Daar zal het 100% alleen van de Heere, de Almachtige kunnen komen. En dat is ook geschied aan de Schelfzee.

Er was nog wel een andere weg naar Kanaän, maar de Heere deed het volk Israël déze weg gaan, omdat Hij Zijn grote daden wilde tonen tot verheerlijking van Zijn Naam, tot troost van Zijn aangevochten volk en tot verschrikking van alle mogelijke vijanden.

De Heere regeert over wind en water en Hij gebruikt allerlei natuur-elementen om Zijn kinderen te redden. Zo staat Gods algemene besturing – die over alle dingen gaat – in dienst van Zijn bijzondere besturing, die het tijdelijke en eeuwige welzijn van Zijn volk betreft.

Wat bent u veilig, o gelovige! Vertrouw u maar toe aan Hem, Die nimmer in de steek laat. Juist wanneer de nood het hoogst is, is Zijn redding nabij en doet Hij Zijn machtige daden. Wantrouw Hem niet in Zijn bijzondere zorg voor uw lichaam en uw ziel. Hij kent uw nood en zorgt voor u.

Lezen: Exodus 14; zingen: Ps. 136:13,15

12 mei

En Gij hebt hen des daags geleid met een wolkkolom en des nachts met een vuurkolom om hen te lichten op de weg waarin zij zouden wandelen.

Nehemia 9 vers 12

De Levieten worden het niet moe om steeds weer te bezingen hoe goed God voor het volk Israël is geweest. Allerlei voorbeelden halen ze aan en ze sommen maar op: Dit heeft God gegeven en dat heeft Hij gegeven. Waarom doen ze dat? Om Hem te verheerlijken en om des te duidelijker te doen verstaan, dat Hij tot de vreselijke afgoderij van later eeuw niet de minste aanleiding heeft gegeven en er nog veel minder de oorzaak van is geweest. Het is zeer schandelijk dat het volk zo heeft gehoereerd, terwijl ze zo’n goede Man had!

De HEERE wordt niet onterecht door Mozes in Deuteronomium 1 vergeleken met een vader, die het allerbeste voor zijn kind uitzoekt, die alles voor hem over heeft en die zich ook geheel en al voor het welzijn van zijn kind inzet.

Gods aanwezigheid werd zichtbaar in de wolk- en vuurkolom. Hij gaf aan het wankelmoedige volk daardoor het bewijs van Zijn veilige geleide. Toch heeft het volk deze ontzagwekkende aanwezigheid van de heilige God zich niet vaak voor ogen gesteld. Dan zou het immers niet zo ondankbaar en brutaal hebben gezondigd, maar zich bewust zijn geweest, dat God alles ziet en weet.

En heeft God u ook niet veilig geleid? Hebt u reden om over Hem te klagen? O, dat we Hem dan niet zouden krenken met onze ondankbaarheid.

Lezen: Nehemia 9 vers 12-17; zingen: Ps. 78:7

13 mei

En Gij zijt nedergedaald op de berg Sinaï en hebt met hen gesproken uit de hemel; en Gij hebt aan hen gegeven rechtmatige rechten en getrouwe wetten, goede inzettingen en geboden.

Nehemia 9 vers 13

God heeft Zich over Zijn volk neergebogen. Het voorrecht daarin is voor ons niet te bevatten. Zien we op onze zonden, dan klaagt alles ons aan en blijft er slechts één verwachting over: God zal nimmermeer tot mij spreken. Hij is mij moe wegens mijn zonden, die ik niet laat en niet haat, maar koester.

Toch wil Hij tot mij spreken. Al heb ik mij in Adam van Hem afgekeerd met een eeuwigdurende afkering, Hij laat Zich niet weerhouden om mij op te zoeken. O, hier verbreekt ons hart! Hoe is het mogelijk, HEERE, dat Gij zo met mij omgaat? Dat Gij zo lankmoedig zijt met mij, die niet anders doe dan U tergen en vermoeien? Ik begrijp het niet dat Gij zo’n zorg en liefde aan mij besteedt. Dat Gij mij Uw wet geeft, waarin Gij Uw wil bekend maakt.

Waarom geeft God Zijn wet? Vijandig als we zijn, denken wij van nature altijd dat de wet hard en moeilijk, naar en zwaar is. Maar dit is niet waar. De HEERE heeft ons Zijn wet gegeven ons ten goede! Zijn bedoeling is geenszins om ons een zware last, een ongemakkelijk juk op te leggen, dat ons knelt en vermoeit. Maar Zijn wil en wet is heilzaam. Zijn wet is bederfwerend. Door de bekendmaking van Zijn wil geeft Hij inhoud en doel aan ons leven, dat anders zinloos was. Wie zo Gods wet beziet, verheugt er zich in.

Lezen: Deuteronomium 4 vers 1-9; zingen: Ps. 147:10

14 mei

En Gij hebt aan hen Uw heilige Sabbath bekend gemaakt en Gij hebt aan hen geboden en inzettingen en een wet bevolen door de hand van Uw knecht Mozes.

Nehemia 9 vers 14

De heugelijkste dag voor een rechte christen, waarnaar hij uitziet, is de Rustdag. Hierop mag hij alle beslommeringen van zijn dagelijks leven verlaten om zich geheel en al in de dienst van zijn God te geven. Hij bemint zijn Heere zo, dat hij graag een dag in Zijn gemeenschap doorbrengt. Hij beknibbelt daar niet op en misbruikt deze Dag des Heeren niet voor wereldse, vleselijke genoegens.

Hebt u God niet lief, dan is deze dag zwaar en vervelend. Een hele dag aan God geven en niet voor jezelf gebruiken is pijnlijk.

De Sabbath wordt genoemd ‘een teken tussen God en Zijn volk’. In welke zin is dat bedoeld? God bedoelt er dit mee te zeggen: “Als je op Mij vertrouwt voor je levensonderhoud, het voortbestaan van je bedrijf, ja: voor heel je bestaan, dan hoef je niet zeven dagen te zwoegen en slaven, maar dan mag je blijmoedig één dag op de zeven ongebruikt laten. Dan hoef je niet krampachtig te denken, dat dit economisch niet kan of financieel verkeerd gaat. Dan zul je je geheel aan Mij overgeven en alles in Mijn handen leggen, want Ik zorg voor u. U gaat niet bankroet door op de Sabbath te rusten, want Ik zal uw inspanningen zegenen. Zet deze Dag voor Mij apart, heilig de Sabbath.”

De nauwgezette onderhouding van deze heerlijke dag is een proef van ons vertrouwen. Hoe kijkt u uit naar de Sabbath?

Lezen: Exodus 31 vers 12-17; zingen: Ps. 92:1

15 mei

En Gij hebt aan hen brood uit de hemel gegeven voor hun honger en voor hen water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophief, dat Gij het hun zoudt geven.

Nehemia 9 vers 15

De Levieten houden niet op de goedheid van God te roemen, die Hij heeft bewezen aan hun voorvaders. Het bestuderen van de geschiedenis is een impuls om God te danken. Immers is Hij goed voor ons volk geweest in verleden tijd. Wat heeft Hij al veel zorg aan ons besteed!

Zo is het ook met de Israëlieten in de woestijn. God schonk hen ook voor hun lichaam alles wat ze nodig hadden. Hierin gaf Hij ons een voorbeeld hoe ook wij hebben te zorgen. Niet slechts het Woord van God prediken, maar ook voor het broze bestaan zorg dragen.

God gaf manna, veertig jaren lang. Hij schonk water, steeds overvloedig genoeg voor het woestijnvolk. Hierin beeldde Hij sacramenteel af welk een God Hij is voor degenen die Hem vrezen. Namelijk, dat Hij trouw voor hen zorgt en ze lichamelijk zowel als geestelijk voor Zijn rekening neemt. Hebt u nog reden om slecht van God te denken? Is er niet alle reden om uw eten en drinken te zien als gaven vanuit Gods Váderhand?!

Als we ons dagelijks voedsel gebruiken, predikt dit ons dat we een almachtige en trouw-zorgende God hebben.

Zelfs gaf God in manna en water onderwijs aangaande Zijn Christus, het geestelijke Voedsel; opdat ze naar Hem zouden hongeren en dorsten. O, wat groot als wij zó eten en drinken: met ons hart gericht op Jezus!

Lezen: 1 Korinthiërs 10 vers 1-13; zingen: Ps. 81:12

16 mei

Maar zij en onze vaders hebben trots gehandeld en zij hebben hun nek verhard en niet gehoord naar Uw geboden.

Nehemia 9 vers 16

Met een vreselijk woordje begint onze tekst: maar. Het woord van tegenstelling. Een ontzaglijke tegenstelling. De tegenstelling tussen Gods onbegrijpelijk grote goedheid en onze onbegrijpelijk grote dwaasheid, trotsheid en ongerechtigheid.

God zorgde voor ons, elke dag. Hij verklaarde en betoonde ons Zijn grote en heerlijke liefde. Maar wij deden Hem smart aan, wij krenkten Hem met onze ondankbaarheid. Wij beledigden Hem. O, lezer of luisteraar, doet het u geen smart? Weent onze ziel niet vanwege zulk een ongehoorde brutaliteit? Hij, zo goed voor ons en wij, zo kwaadaardig en gemeen voor Hem! Nee, het is niet te verklaren, waarom we zo doen en hoe we zo kunnen zijn. De zonde is onlogisch, onredelijk. De zonde is onbegrijpelijk en onverklaarbaar.

In de Hof van Eden wel het allermeest, daar we goed en heilig waren geschapen. Er ontbrak niets aan. We waren voorzien met alle gaven, die we nodig hadden. Onuitsprekelijke zaligheid genoten we van onze Schepper. En dan…, onbegrijpelijk, onvoorstelbaar, maar toch helaas echt waar: de mens wantrouwt God, hoort niet naar Zijn gebod, overtreedt Gods goede en heilzame wet en luistert naar de leugenstem van satan.

Wat moet het God niet in Zijn diepste Wezen pijn doen; Hij is er verbroken van, zo lezen we in Ezechiël 6!

Lezen: Psalm 105 vers 37-45; zingen: Ps. 105:22

17 mei

En zij hebben geweigerd te horen en niet gedacht aan Uw wonderen die Gij bij hen gedaan hadt, en zij hebben hun nek verhard en in hun wederspannigheid hebben zij een hoofd gesteld om weder te keren tot hun dienstbaarheid.

Nehemia 9 vers 17a

Onvoorstelbaar, maar waar: het volk des verbonds, door God op het hoogst beweldadigd is van de HEERE afgeweken. Ze hebben Hem moedwillig en vrijwillig de rug toegekeerd. Uit ondankbaarheid – e n niets anders! – hebben zij de Heere veracht, Die zoveel goed aan hen had gedaan.

Zo is de mens. Zo bent u, zo ben ik. En geve God dat het beleefd wordt.

Wat moet de Heere veel verdriet van ons hebben! Het is geen wonder, dat Hij Zelf van ons zegt: Toen berouwde het de HEERE dat Hij de mens had gemaakt. Dit staat nimmer beschreven van het gedierte, zelfs niet van het meest roofzuchtige gedierte. Maar het staat wel beschreven van ons, mensen. Moge er diepe smart zijn bij ons allen, dat we onze goede Schepper zo hebben gekwetst. Het is immers onvoorstelbaar, dat het volk Israël in de woestijn zich zo heeft gedragen, terwijl het zo was bevoordeeld en van alle goed was verzadigd. Toch blijkt ‘t waar te zijn…

Als we uit de dienstbaarheid der zonde zijn verlost, begeren we daarheen toch nimmer weer terug te keren, of wel? Ja, Israël begeerde terug te keren tot de harde dienstbaarheid van Egypte! Zo onhandelbaar zijn wij.

Lezen: Numeri 14 vers 1-12; zingen: Ps. 106:4

18 mei

Doch Gij, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten.

Nehemia 9 vers 17b

Het is waarlijk een onbegrijpelijk groot wonder, geliefden, dat God met ons nog geen voleinding heeft gemaakt, daar wij Hem de ganse dag voortdurend tergen met onze afwijkingen. Het is niet voor te stellen, dat de HEERE zolang met ons geduld kan hebben. Toch blijkt het waar te zijn. En we kunnen alleen maar diep in het stof aanbidden! De Levieten durven God een Naam te geven van zeer rijke inhoud, onvoorstelbaar heerlijk. Waarom? Omdat de HEERE Zelf Zich zo heeft genoemd en wel in Exodus 34. Hij is een God van vergevingen. Wat betekent dat? Dat Hij gaarne vergeeft. Het is Hem eigen, het is Zijn liefste werk. Hebt u Hem zo nodig? Leerde u Hem zo zoeken? Begeert u Hem zo te kennen?

Vervolgens wordt Hij genadig en barmhartig genoemd, waarmee de Schrift ons leert hoe walgelijk vuil en vreselijk schuldig wij zijn. We zijn helwaardig en moeten daarom leven van genade alleen. We zijn walgelijk vanwege onze zonden en moeten daarom met afschuw worden weggeworpen.

God is lankmoedig. Letterlijk betekent dit: Hij is traag tot toorn. Hij straft niet graag en niet snel. Hij stelt de straf uit. Hij geeft ons de tijd tot bekering. O, wat een heerlijk wonder. Daarom bent u er nog, o onbekeerde zondaar!

Lezen: Numeri 14 vers 13-20; zingen: Ps. 86:5

19 mei

Zelfs toen zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden en gezegd: “Dit is uw God, Die u uit Egypte heeft opgevoerd”; en toen zij grote lasteren gedaan hadden…

Nehemia 9 vers 18

In het ernstige gebed van schuldbelijdenis gaan de Levieten voort met eerlijk te tekenen hoe slecht het volk zich tegenover de HEERE had gedragen. Nu gaan ze belijden dat het volk een gouden kalf, een afgodsbeeld, had gemaakt.

Weet u hoe ze er toe kwamen om al die zonden van het verleden nu te belijden? Omdat ze gebruik hadden gemaakt van het middel wat God ons geeft om tot zondekennis te geraken. Ze hadden volgens vers 3 een vierde deel van de dag doorgebracht met het nauwgezet bestuderen van Gods wet. En die wet alleen is het middel om onze zonde te doen kennen. Al kunnen wij onszelf geen zondekennis geven door het lezen van de wet, toch hebben wij de opdracht de wet wel als middel daartoe te gebruiken, omdat God Zelf heeft beloofd ons daardoor aan onze zonden te ontdekken. Maken wij ernstig en aanhoudend gebruik van de middelen? Dan kan de HEERE die gebruiken om ons zondekennis te geven zó, dat we er verslagen onder zijn. En dat is toch nodig om de HEERE recht te leren verheerlijken.

O, dat we ons leven eens aan de hand van de Heilige Schrift zouden nakijken, opdat we diep ervan overtuigd zouden raken, wie we zijn geweest, wat we hebben gedaan en welke straf we daarover hebben verdiend!

Lezen: Nehemia 9 vers 18-24; zingen: Ps. 106:11

20 mei

Nochtans hebt Gij hen door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn: de wolkkolom week niet van hen des daags om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts om hen te lichten; en dat op de weg waarin zij zouden wandelen.

Nehemia 9 vers 19

Hoe smartelijk God ook door Zijn volk Israël werd gekrenkt en beledigd, tóch heeft Hij in Zijn onbegrijpelijke barmhartigheid geen voleinding met hen gemaakt en Hij heeft hen niet verlaten. Waarom niet? “Door Uw grote barmhartigheid”!

Dit blijft over: God is goed voor een zeer slecht volk. Hebt u zich als zo één leren kennen? Dan schaamt u zich voor des HEEREN aangezicht weg en belijdt u: “Ik ben Uw gramschap dubbel waardig. Het is volstrekt verdiend dat Gij mij verdelgt. O, wat heeft U toch bewogen om naar mij om te zien? naar zo’n misbaksel, zo’n ellendeling!”

God bleef met de blijken van Zijn gunst en de tekenen van Zijn aanwezigheid het volk Israël begeleiden. Ik begrijp het niet! Louter verwondering blijft over. Laat ons dan diep buigen in het stof en ons ootmoedig neerbuigen in zelfverfoeien. Laat ons dan zeer goede gedachten koesteren van de HEERE, Die niet alleen zo’n geduld met ons heeft, maar zelfs zo trouw voor ons zorgt en in ‘zelfverloochenende’ Liefde, ja: GODDELIJKE Liefde beschermt. Hij leidde om Zijns Naams wil Zijn volk verder en hield Zijn Woord en vervulde Zijn Verbond en deed Zijn Zoon komen. En daarin kunnen we zien met welk een onuitsprekelijk goede God wij van doen hebben!

Lezen: 1 Korinthiërs 10 vers 1-12; zingen: Ps. 78:7

21 mei

En Gij hebt Uw goede Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw manna hebt Gij niet geweerd van hun mond en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst.

Nehemia 9 vers 20

In diepe verwondering mogen we het lezen: God gaf Zijn goede Geest. Waarom? Dat staat er niet bij, maar het is uit diezelfde barmhartigheid waarover in het voorgaande vers werd gesproken. Er was immers in het volk geen enkele reden. Daarom moet het wel ongegronde genade zijn die van eeuwigheid opwelt in het hart Gods… Woorden schieten waarlijk te kort om enigszins overeenkomstig de werkelijkheid te kunnen verklaren hoe het is: God zendt Zijn Geest, die góede Geest, door Wie Hij mensen brengt tot de zalige en allerheerlijkste gemeenschap met Zichzelf, hun Schepper.

Hebt u wel eens eerbiedig gezongen: “Leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden. Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand; Uw goede Geest besture mijn schreden en leide mij in een effen land!”?

En hebt u toen ook overwogen dat er absoluut geen reden voor God in u te vinden is om uw bede te verhoren? Hebt u mogen inleven en eerbiedig belijden: Het is alles verzondigd, want ook mijn leven lijkt op de woestijnreis der kinderen Israëls. Ook mijn leven, al heb ik belijdenis gedaan, al ben ik een getrouw kerkganger, al ga ik aan het avondmaal en al ben ik ambtsdrager…, ook mijn leven is één aaneenschakeling van zonden, gruwelijke schandelijkheden en daarmee heb ik Gods goede Geest dermate bedroefd, dat het mij geheel en al onmogelijk schijnt om ooit die Geest nog te kunnen ontvangen en in een effen land te worden geleid

Lezen: Exodus 16 vers 13-21; zingen: Ps. 143:10

22 mei

Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad: hun klederen zijn niet verouderd en hun voeten niet gezwollen.

Nehemia 9 vers 21

Juist in de woestijn, het land van dood en dorst, onderhoudt de HEERE Zijn volk. Daaruit blijkt het wonderlijke van Zijn macht. Niemand zou dat immers kunnen! Slechts door een almachtig ingrijpen van God kon zulk een groot volk in het leven worden gehouden. En dat Hij het al die veertig jaren met dit volk heeft volgehouden, hoewel Hij moest klagen: “Veertig jaren heb Ik van dit volk verdriet gehad”, is een wonder niet van Gods almacht maar van Zijn genade.

De HEERE heeft ze goed verzorgd. Wat dat betreft ben je nog steeds het beste verzekerd bij deze allerhoogste Instantie. Het betaamt ons op Hem te vertrouwen, waar alle steun en leun ons ontvalt. En laat ons mogen vragen: “Heere, leer Gij mij op U alleen te steunen en niets van mijzelf of anderen te verwachten.” We hebben het zo nodig om ook in dit kostelijk voorbeeld van lofprijzing te worden aangespoord om ons volledig aan de Heere over te geven, zodat ook wij zouden kunnen roemen: “God heeft mij doorgeholpen; Hij heeft voor mij Vaderlijk gezorgd. Het heeft mij aan niets ontbroken.”

Dan is het beter in de woestijn zonder verzekering met de Heere, dan in een vruchtbaar land, omgeven door alle zekerheden, maar zonder Hem. Wat is de keus van uw hart?

Lezen: Psalm 95; zingen: Ps. 95:6

23 mei

Voorts hebt Gij aan hen koninkrijken en volken gegeven en Gij hebt hen verdeeld in hoeken.

Nehemia 9 vers 22a

De HEERE gaf aan Zijn volk een rijke erfenis: het land Kanaän was een voorsmaak en afschaduwing van het hemelse Kanaän, waarin Jozua hen niet kon brengen, maar waarin de Meerdere Jozua, Jezus Christus, hen heeft gebracht. Dat geloof was er ook in de dagen van Jozua bij de intocht in het land reeds. En ze hebben zo het land Kanaän ingenomen, ziende op de erfenis van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Daarvan getuigde eeuwen later David: “De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen, een schone erfenis is mij geworden.” Hij bedoelt te zeggen, dat de Heere zeer goed voor hem is geweest voor zowel zijn lichaam als zijn ziel. En hij gebruikt in deze dichterlijke omschrijving een beeld uit de historie van het volk Israël en wel tijdens de inname van het land Kanaän. Ze werden toen in ‘hoeken’ verdeeld. Loten werden geworpen welk stuk land voor elk was. En ze maten met een meetsnoer af hoe groot elk stuk land zou worden voor de nieuwe bezitters. En dit is nu de betekenis van de hoeken in onze dagtekst. Daaruit kunnen we leren, dat we door Gods voorzienigheid worden bestuurd én dat alle aardse zaken voor Gods kinderen een geestelijke betekenis hebben. We moeten dan ook nauwgezet onszelf onderzoeken of ook wij zo hemelsgezind leven, of dat we alleen maar leven voor de aarde.

Lezen: Psalm 16; zingen: Ps. 16:3

24 mei

Gij hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd als de sterren des hemels; en Gij hebt hen gebracht in het land, waarvan Gij tot hun vaderen hadt gezegd, dat zij het zouden ingaan om het erfelijk te bezitten.

Nehemia 9 vers 23

In dit vers vertellen de Levieten met het samengestroomde volk in hun smeekgebed en schuldbelijdenis, dat de HEERE een trouw houdend God is, een God Die doet wat Hij zegt. Had Hij immers niet aan Abraham, hun stamvader, beloofd zijn nakomelingschap te zullen vermenigvuldigen als de sterren aan de hemel of als het zand aan het strand? Welnu, deze belofte heeft Hij ondanks al de zonden van het volk Israël trouw volbracht en Hij heeft zo de weg gebaand tot de grote belofte, de komst van Jezus Christus Zijn Zoon uit het volk van Abraham.

Zoals nu de HEERE de belofte van een letterlijk zaad heeft vervuld overeenkomstig Zijn macht en trouw, zo zal Hij het ook doen met betrekking tot het geestelijke nakomelingschap. De apostel Paulus spreekt daarover in zijn brief aan de gemeenten der Galaten, wanneer hij zegt, dat de belofte van Abraham tot de heidenen zou komen in Christus en dat er zo een vervulling van die belofte gaat plaatsvinden op een geestelijke wijze.

Al de beloften Gods aan Abraham gedaan gelden immers voor Zijn kerk, uit Jood en heiden. Hoort u geestelijkerwijze bij dit volk uit Abraham gesproten? Zijn de beloften aan hem gedaan ook aan u reeds vervuld? Hebt u Gods waarachtige beloften ook geloofd?

Lezen: Genesis 15 vers 1-6; zingen: Ps. 105:4

25 mei

Alzo zijn de kinderen daarin gekomen en hebben dat land erfelijk ingenomen; en Gij hebt de inwoners des lands, de Kanaänieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht en hebt hen in hun hand gegeven.

Nehemia 9 vers 24a

Welke erfenis hebt u? Hebt u met de dichter van Psalm 119 vers 111 eerlijk mogen instemmen: “Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid”? Of is het bij ons, ondanks onze degelijke belijdenis, een hangen aan het tastbare, het tijdelijke? Laat toch niet de geldduivel zijn winst doen met onze ziel, zodat we met Judas ons verkopen om Jezus te verraden. Maar laat toch gedood en versmoord mogen raken die kwade macht van bezit en luxe.

De Levieten getuigden in dit gebed van Gods trouwe zorg en ze stellen daar tegenover de steeds weer terugkerende zonden van hun voorvaders. Zo verheerlijken ze God op het hoogst. En daar moet het ons allen dagelijks om te doen zijn, is ‘t niet?

De HEERE heeft de heidenen van het Land der Belofte ten ondergebracht. Dat doet Hij in onze dagen ook. Wanneer we op reis zijn naar het Hemelse Kanaän en al die vijanden van buiten en van binnen gewaar worden, slaat de schrik ons om het hart. Hoe moet dat nu? Zal het ooit nog goed komen? Maar de HEERE zal de vijanden verdelgen en de weg banen. Hij doet ons straks jubelen, o volk Gods, van de overwinning, door Hem behaald. Wij deden het niet, maar Hij, die sterke Held, Die satans kop vermorzelde aan het kruishout van Golgotha.

Lezen: Psalm 44; zingen: Ps. 44:2

26 mei

En zij hebben vaste steden en een vet land ingenomen en zij hebben erfelijk bezeten: huizen vol van alle goed, uitgehouwen bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en bomen van spijze in menigte.

Nehemia 9:25a

God is niet karig; Hij geeft mild. Hoe rijk om dat te ervaren, wanneer we steeds dieper inleven dat wij vanuit onszelf verarmd zijn tot op de draad. De laatste duit hebben we verkwanseld, alles hebben we doorgebracht. Straatarm zijn we geworden in Egypte, het land der dienstbaarheid/slavernij; het land van zonde en knechtschap aan satan. Daar heeft de HEERE ons opgezocht; daar heeft Hij ons verrijkt, bevoorrecht, beweldadigd boven bidden en denken en lijnrecht tegen al onze verdiensten in. O, wat hebben wij veel reden om God te loven en prijzen, mede naar aanleiding van onze tekst, die ons uitbeeldt in welke mate de mildheid Gods blijkt. En wij kunnen in ons eigen leven toch van geen andere zaak getuigen, is ‘t wel? De HEERE is goed voor een slecht mens.

In deze overdaad beeldt de HEERE de heerlijkheid af van het komende en gekomen Messiaanse Rijk. Daarin zal alleen maar overvloed zijn.

De God van mildheid schenkt ons deze overvloed met een doel: opdat wij onze Schepper zouden dienen.

Ten slotte zien wij in deze mildheid een eigenschap van onze God: Hij is een gevend God. Zou Hij u dan afwijzen?

Lezen: Nehemia 9 vers 25-28; zingen: Ps. 23:3

27 mei

Maar zij zijn wederspannig geworden en hebben tegen U gerebelleerd en Uw wet achter hun rug geworpen en Uw profeten gedood, die tegen hen betuigden om hen te doen wederkeren tot U; alzo hebben zij grote lasteren gedaan.

Nehemia 9 vers 26

Gruwelijk is Israëls ondankbaarheid. Tegenover zoveel goed heeft nog nooit iemand zoveel kwaad bedreven!

In dit vers echter beschrijft de Heilige Geest precies onze toestand; zo zijn wij: rijk beweldadigd, en dan werpen we verachtelijk Gods wet achter onze rug. Hebt u dat ook gisteren niet gedaan? Als u eens nakijkt wie u bent geweest, moet u dan niet belijden: “Zo ben ik!”?

Wat wordt Gods geduld groot, wanneer we ons eigen zondige, ondankbare leven terugzien. Voor onze aandacht worden onze zonden zo vreselijk, dat we ons wegschamen voor Hem, Die ons zo beweldadigd heeft.

Of hebt u er geen smart over? Schreit uw ziel niet? Schrijnt van binnen geen grote wond? Wat hebben wij God ernstig beledigd, wat hebben wij Hem te kort gedaan! Hier wordt beschreven, hoe ernstig, hoe vreselijk gemeen, hoe onbegrijpelijk schandelijk ons zondigen is: wij zondigen tegen een God, Die goed is voor ons.

O, waarom doen we toch zo? Wat drijft ons toch? Waarom zo? Onuitsprekelijk is het wonder, dat de HEERE toch nog volhoudt om naar u en mij om te zien. De stroom van goede gaven houdt niet op. God trekt Zich nog steeds niet terug, maar Hij blijft doorgaan met weldoen. Wat zal de straf vreselijk zijn op het zondigen tegen zulk een goeddoend God…

Lezen: 2 Koningen 17 vers 6-17; zingen: Ps. 81 vers 13

28 mei

Daarom hebt Gij hen gegeven in de hand van hun benauwers die hen benauwd hebben; maar als zij in de tijd van hun benauwdheid tot U riepen, hebt Gij van de hemel gehoord en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand van hun benauwers verlosten.

Nehemia 9 vers 27

Het kon niet uitblijven: wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Wie zich tegen Hem verzet zal vroeg of laat bemerken, dat God Zich niet ongestraft laat beledigen en dat het kwaad en bitter is om tegen God te zondigen. Die zal bemerken, dat we in deze rebellie onszelf benadelen, onze eigen zaligheid en ons eeuwig geluk te grabbel gooien en verkwanselen. O, wat zijn we dwaas!

De Heere denkt echter in het midden des toorn nog des ontfermens. Daar waar Hij nu voorgoed met het zondige volk moest afrekenen, daar waar Hij nu Zijn bekomst wel van ons moet hebben en voor altijd en eeuwig ons van voor Zijn heilig aangezicht moet wegwerpen, dáár geeft Hij desondanks toch weer Zijn genade! Kunt u het vatten? Maar het staat er: Overeenkomstig Uw grote barmhartigheden…

En dat is het nu, wat een kind van God verbreekt: nooit heeft iemand zoveel kwaad tegen zoveel goed bedreven! Maar desondanks blijkt Hij voor mij, o allervuilst monster van ongerechtigheid… een barmhartig God te zijn. Is het gewoon? En dat de Heere nu het vol blijft houden met zulk een afkerig mens, als u… O, dat Hij steeds weer terug keert, als wij kwaad hebben gedaan en als wij Hem toch weer verlieten en toch weer onze lievelingszonde opzochten… O, het is zo onbegrijpelijk!

Lezen: 2 Koningen 17 vers 12-23; zingen: Ps. 106 vers 22

29 mei

Maar toen zij rust hadden, keerden zij weder om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet Gij hen in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden en U aanriepen, zo hebt Gij hen van de hemel gehoord en Gij hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.

Nehemia 9 vers 28

Naarmate we in dit hoofdstuk Nehemia 9 verder komen, naar die mate blijkt ons duidelijker hoe onvoorstelbaar hardnekkig slecht een mens is en wij ieder persoonlijk zijn. Verder blijkt ons, hoe eentonig goed God is, daar Hij het blijft volhouden met dit afhoererende volk, met zulk een afmaker en afwijker als ook wij zijn. Hoeveel genade we ook van Hem hebben gekregen en hoeveel keren Hij ook ons genadig is geweest… we wijken toch weer af, wanneer Hij ons niet dagelijks, ja van ogenblik tot ogenblik, bewaart.

Het is precies hetzelfde als in het vorige vers: God was goed voor Zijn volk. Maar juist Gods goedheid werd door dat volk gebruikt om er veel slecht mee te doen, men zondigde weer. Dus bracht God over dit afhoererende volk de vijand, die hen vreselijk martelde en op gruwelijke wijze benauwde. Het volk gaat dan in die omstandigheden weer roepen tot zijn God. En…? Wat doet de HEERE dan? Komt Hij weer terug? O, het lijkt alsof het volk Israël, alsof ook u en alsof ook ik een spelletje maken van God en Zijn genade. “Want God komt toch wel weer terug en Hij is toch wel weer genadig en Hij vergeeft toch wel weer de zonde…”, zo kun je uit deze verzen besluiten. Zo deed Hij: Hij kwam terug…

Lezen: Romeinen 2 vers 1-10; zingen: Ps. 106 vers 23

30 mei

En Gij hebt tegen hen betuigd om hen te doen wederkeren tot Uw wet, maar zij hebben trots gehandeld en niet gehoord naar Uw geboden; en tegen Uw rechten, daartegen hebben zij gezondigd – waardoor een mens, die ze doet, leven zal – en zij hebben hun schouder teruggetrokken en hun nek verhard en niet gehoord.

Nehemia 9 vers 29

“Zij bekeerden zich tot de HEERE”, zo lezen we in het voorgaande vers. Maar in onze dagtekst blijkt wel, dat die bekering niet veel waard was, want nauwelijks had God Zijn volk uit lijden en banden verlost, of weer gaat het oude refrein opnieuw beginnen, namelijk: wat God ook aan goede daden doet en aan goede gaven schenkt, ze luisteren niet naar Hem, ze wenden zich weer binnen de kortste tijd tot hun drekgoden, de afgoden, waarmee ze God beledigden.

Ze gaan weer in ongehoorzaamheid rustig aan God voorbij. Ze spelen met het vuur der hel, ze verwoesten hun zielen, ze tergen de HEERE, ze dagen Hem uit; ze blijven verder hollen op het pad naar eeuwige verdoemenis.

En wij? En wij? Hoe is het in uw en mijn leven? Ziet u in deze opeenvolging van verzen niet een vreselijke tekening van uw eigen omstandigheden?

Wie zichzelf leert kennen, verbergt zijn aangezicht van schaamte en zegt: “Mijn situatie is naar het leven getekend in deze afschuwelijke opeenvolging van misdaden… Zo is mijn hart, mijn zondezieke ziel, mijn verdorven adamsbestaan.” O, zalig worden is echt louter genade!

Lezen: Nehemia 9 vers 28-38; zingen: Ps. 106 vers 24

31 mei

Doch door Uw grote barmhartigheden hebt Gij hen niet vernield en hen niet verlaten, want Gij zijt een genadig en barmhartig God.

Nehemia 9 vers 31

God is barmhartig, zoals een moeder van haar kleine kind houdt, al heeft dat kind nog zo vaak iets verkeerds gedaan.

Ouders, het is goed als u uw afwijkingen van de levende God eerlijk en ernstig overdenkt, dan is het meest vervelende kind niet meer zo vervelend, omdat u nog veel meer vervelend bent tegenover God…

Maar de Heere houdt het vol, al zijn we nog zulke afgodendienaars. Ook in ons Nederland heeft God het volgehouden. Hij is uitermate genadig voor ons. Zijn geduld is zeer groot. Hij is uiterst traag om te toornen en de zonde te straffen. Daarom zijn we nog niet vernield, zo getuigen de Levieten.

En wie kan dit verstaan? Het is louter uit genade. De Persoon van de Middelaar staat vers na vers voor ons en Hij strekt Zijn doorboorde hand nog over Neêrlands volk en kerk uit, opdat wij niet vernield zouden worden.

Moge God ons uit genade doen verstaan, wat we Hem aandoen, met ons verzet tegen Zijn genade.

De roepstem, de waarschuwing gaat uit: verzet u niet, neem Zijn genade ootmoedig aan. Wie heeft zich ooit tegen God verzet en vrede gehad? Niemand! Schenke God ons uit genade waarachtige bekering en oprecht, zielzaligend geloof. En moge heimwee in ons hart leven naar dat land, waar geen zonde meer is en waar we ons nimmer meer zullen afwenden van de Volzalige, de Eeuwige, de Goedertierene, Die trouw bleef…!

Lezen: Psalm 85; zingen: Ps. 85

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën