1 maart
Er was een man van Ramathaïm Zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jeroham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
1 Samuël 1 vers 1
In de donkerste tijden weet God wonderen te doen; juist dan is het wonder een wónder; juist dan komt des te helder uit, dat het van God is, omdat het niet kon en niet werd verwacht!
God Die wonderlijk is van Raad en machtig van daad, volvoert zelfs in tijden die dubbel-duister zijn Zijn Raad. Tijden waarin niet alleen onbekeerlijkheid der mensen een droevig dieptepunt heeft bereikt, maar waarin vooral de dienst des HEEREN zonder God schijnt te zijn. Wanneer satan in des HEEREN Tempel de dienst uitmaakt en het volk van God zo droevig ver bij Hem vandaan is gezworven. Nu, in zo’n donkere tijd verplaatst 1 Samuël 1 ons.
Tegelijk worden we erbij bepaald dat de situatie toch niet hopeloos is. Dat lezen we in de rij van voorouders van Elkana. Elkana is het vijfde geslacht. Dit eerste vers omvat dus een periode ± 150 jaar. Dit houdt in, dat zo tussen de regels door des HEEREN trouw wordt bezongen!
Hij is in de loop der jaren, waarin het ene geslacht kwam en het andere ging, niet van Zijn volk geweken. Misschien zijn er geweest, die zeiden: “Het is nu zo’n donkere tijd… Vroeger, toen waren er nog richters. O ja, ook toen was er veel zonde, maar de HEERE betoonde nog steeds van ons af te weten en Zich met ons te willen inlaten. Want Hij verwekte in die voorgaande jaren richters, die het volk terugbrachten tot God. Maar nu?” Zo wordt er veel geklaagd, omdat het alles zo intens donker is! Nochtans is God getrouw; Hij komt terug in Israël juist in deze allerdonkerste tijd!
Lezen: 1 Samuël 1 vers 1 tot 8; zingen: Psalm 105 vers 5
2 maart
En hij had twee vrouwen; de naam van de ene was Hanna en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geen kinderen.
1 Samuël 1 vers 2
Tegen de ordening van God onze Schepper in, had Elkana twee vrouwen genomen. De ene had hij meer lief, Hanna; de andere had hij meer nodig, Peninna. De tweede had hij genomen om kinderen te krijgen, want de eerste was onvruchtbaar. Wat een bron van twist en jaloersheid! En waarom? Omdat Elkana God niet vertrouwde. Hij meende zelf voor nageslacht te moeten zorgen. Op God wachten, Die de baarmoeder opent? Nee, liever zelf aan het werk gaan. Zo zijn we. Sinds de zondeval hebben we geen greintje vertrouwen in God. We durven niets aan Hem over te geven. Maar we hebben niet in de gaten, dat we bezig zijn op die manier ons eigen graf te graven.
Waarom gaf de HEERE aan Hanna geen kinderen? Had Hij niet Zelf aan de godzaligen beloofd dat Hij ze kinderen zou geven?, zie Deuteronomium 28 vers 2 tot 4. God schijnt Zijn belofte te verbreken…
Wat een beproeving moet dat zijn geweest voor de godvrezende Elkana en Hanna. De HEERE werkt echter naar het wonder toe. Dat wat niet kan, wat onmogelijk is bij de mensen… Daar waar wij voor een muur staan en absoluut niet verder kunnen… Maar we hebben met een almachtig God te doen. Zou u op weg naar de openbaring van Zijn almacht wel uw onmacht pijnlijk, schrijnend willen inleven, zoals Elkana? Om de luister van Gods Majesteit hoger te hebben van de berekening van ons verstand en het genot van ons vlees!
Lezen: Deuteronomium 28 vers 1 tot 11; zingen: Psalm 113 vers 5
3 maart
Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om aan te bidden en om te offeren aan de HEERE der heerscharen te Silo; en daar waren priesters des HEEREN Hofni en Pinehas, de twee zonen van Eli.
1 Samuël 1 vers 3
Ondanks de grote goddeloosheid, die in Elkana’s dagen heerste, juist ook in de tabernakel te Silo, ging deze godvruchtige vader elk jaar volgens Gods bevel naar het heiligdom. Hofni en Pinehas waren zeer goddeloos en onbeschaamd, maar dit weerhield Elkana er niet van om te gaan.
Daaruit kunnen we leren, hoe belangrijk het is om een recht zicht op de kerk en op de inzettingen van God te hebben. We moeten onze plaats in Gods huis niet leeg laten, omdat de prediker goddeloos is. Hij is van zijn plek en hoort niet op die plek, maar wij horen onze plek niet te verlaten, want God heeft er recht op, dat wij daar zijn! We gaan op dat moment misschien met tegenzin, met walging en afschuw naar Gods huis, maar we gaan.
Niet om onszelf, veel minder om die knecht van God – die meer een knecht van de duivel is –, maar we gaan voor de HEERE, omdat Hij er recht op heeft, omdat Hij het geboden heeft en omdat Hij niet van Hofni’s en Pinehassen afhankelijk is in het vervullen van Zijn belofte: “Aan alle plaats waar ik Mijn Naam gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen en zal Ik u zegenen.”
Van Wie verwacht u de zegen op de zondagse kerkgang? Van een mens, een godzalig mens? Of van de HEERE, door middel van een mens en ondanks een mens? Geve de HEERE ons getrouwheid. Daar rustte in Elkana’s dagen bijzondere zegen op en die God leeft nog.
Lezen: Exodus 20 vers 18 tot 26; zingen: Psalm 26 vers 8
4 maart
En het geschiedde op de dag dat Elkana offerde, dan gaf hij aan Peninna zijn vrouw en aan al haar zonen en haar dochters delen.
1 Samuël 1 vers 4
God had in het Oude Testament meer dan één offer ingesteld. In de eerste plaats het schuldoffer. Dit bracht tot uitdrukking, dat de zondeschuld betaald moest worden; ook dat God een plaatsvervangende betaling toestond in de vorm van een dier, dat heen wees naar het grote Lam Gods Jezus Christus; en vervolgens dat God verzoeningsgezind was, zodat de schuldige niet behoefde te sterven.
In de tweede plaats het brandoffer, waardoor de offeraar beleed dat hij zich geheel en al toewijdde aan die God Die hem zo genadig tot Zijn kind had aangenomen.
Ten derde (in de dagtekst) het spijsoffer. Dit beeldde de gemeenschap tussen de heilige, verzoende God en de schuldige, verzoende zondaar af. Daarom werd van dit offer gegeten.
Aan ons de dringende vraag: versta ik de taal van het Offer? Beleef ik de noodzaak, heerlijkheid, kracht, verzoening en gemeenschap, die in het Offer op Golgotha is geschonken? Is dit Lam Gods mij dierbaar? Smaak ik, dat de HEERE goedertieren is? Heb ik het Leven Gods in mij door Zijn Heilige Geest?
Bij het altaar in de tabernakel werd gegeten. Ook brood en wijn van het Heilig Avondmaal beelden de verzoende gemeenschap met God af en zijn het middel in Gods hand om deze gemeenschap ook metterdaad te schenken.
Slechts waar schuld en schuldverslagenheid worden gevonden, wordt schuldvergeving geschonken en genóten!
Lezen: Leviticus 1 vers 1 tot 9; zingen: Psalm 40 vers 4
5 maart
Maar Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; doch de HEERE had haar baarmoeder toegesloten.
1 Samuël 1 vers 5
Waarom toch? Gods bestuur schijnt voor het ongeloof een waanidee. “Als God dan liefde is, waarom krijg ik dan zoveel tegenslag, zoveel beproevingen?”, zo kun je vaak horen. Wij begrijpen Gods liefdeskastijdingen niet, al hebben we in ons eigen leven de voorbeelden van des HEEREN gunst in beproeving en nood. We begrijpen er soms niets van, al heeft de HEERE ons al meermalen duidelijk gemaakt dat Hij ons niet straft uit lust tot plagen, maar tot ons nut, o kind van God. We vragen ons af: kon de HEERE het niet anders doen in het leven van Elkana en Hanna? Nee, de HEERE wilde het zo doen en zo is het goed!
Hebben wij reeds onder het raadsel van Gods voorzienigheid leren bukken en buigen? Zijn we het er reeds mee eens geworden, dat wat deze hemelse Vader doet, altijd goed is? Of zou u liever willen, dat de HEERE een ‘medezeggenschapsraad’ oprichtte, waarin uw inbreng ook meetelde?
Zalig, die de vloek eerbiedig en ootmoedig mag leren mijnen, mag leren dragen. De HEERE bedoelt er iets groots mee, wat u verwonderd zal doen staan.
De Almachtige mag toch van uw lichaam, tijd, geld en gezin wel gebruik maken om Zijn heerlijke deugden te doen schitteren, om Zijn Naam te verheerlijken en Zijn genade te doen gloriëren? Al kost het ons alles; láát de HEERE mij dan in de diepte werpen, dan gelooft het geloof nog, dat Hij mij liefheeft en dat Zijn handelingen Vaderlijk zijn…
Het geloof is een Gods-wonder, dat is wel zeker.
Lezen: Psalm 13; zingen: Psalm 93 vers 4
6 maart
En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging om haar te vergrimmen, omdat de HEERE haar baarmoeder toegesloten had.
1 Samuël 1 vers 6
De goddelozen haten Gods kind. Niet omdat er aanleiding wordt gegeven, maar omdat satan als ruiter het paard (onze ziel) berijdt. Laat ons bij alle terging van mensen eraan denken, dat die mensen zijn te vergelijken bij het paard, terwijl de ruiter die uiteindelijk deze vijandige en tegenpartijdige mens ophitst en op ons aan stuurt, de duivel is.
Laat ons het ‘paard’ niet haten, maar trachten door te zwijgen en door vriendelijk te zijn te winnen, zodat zijn zwarte ‘ruiter’ wordt afgeworpen en deze geen macht meer heeft om je te plagen door middel van vijanden. Wie weet, mag Peninna reeds eeuwen lang de lof des HEEREN zingen. Het zou toch kunnen zijn, dat ze tot bekering is gekomen?
Ondertussen zien we in Peninna ons eigen beeld. Al doen we het dan niet met de daad, we zijn altijd geneigd onze naaste te haten! Herken ik mij echter wel in deze slechte vrouw? Is de wortel van mijn bestaan uit Adam werkelijk net zo als van haar? Is het dan enkel Gods wederhoudende genade dat het bij mij nog niet eruit is gekomen?
Het is een gave van het genadeverbond, als we onze verdorvenheid mogen gaan inleven, boven niemand meer uit kunnen komen en zo voor onze ergste vijanden nog kunnen bidden.
De weg des HEEREN is vaak heel moeilijk, maar we zien in deze geschiedenis dat Hij een duivelin nog weet te gebruiken om Zijn kind Hanna aan Zijn Troon te krijgen. Zo werkt satan eraan mee, om in de weg van druk en kruis Gods kind Thuis te brengen!
Lezen: Mattheüs 16 vers 13 tot 18; zingen: Psalm 27 vers 1
7 maart
En zo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis des HEEREN, tergde zij haar alzo; daarom weende zij en at niet.
1 Samuël 1 vers 7
Wat moet het moeilijk zijn geweest voor deze begenadigde vrouw om haar mond te houden en geen wraak te nemen! Zij was een rechte discipelin van Christus, Die als Hij gescholden werd niet wederschold en als Hij leed, niet dreigde. Maar Hij gaf het over aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt. Hanna mocht geduld oefenen. En dat is dan ook de reden, waarom God in het leven van Zijn geliefde kinderen zulk een tegenpartijdige zet. De HEERE doet het niet zomaar. We moeten het leven beschouwen als een oefenschool. Het huwelijk, de gezinsverhouding, de omgang met onze naaste op school, op het werk, in de straat, op verenigingen en in de kerk – alles is te beschouwen als een oefenschool.
Welk ‘vak’ wordt op die school geleerd? Het vak ZELFVERLOOCHENING. Het gaat er om, dat we steeds weer leren te sterven aan onze eigenzinnigheid, hoogmoed en vleselijkheid. Dit is niet eenvoudig. We zijn tot in het diepst van ons bestaan vergiftigd met zelfliefde en daarom hebben we als kinderen van God nodig, dat we gedurende het hele leven in aanraking komen met mensen, die ons geduld en onze zelfbeheersing op de proef stellen…
Dat is Gods bedoeling: we moeten in de praktijk der godzaligheid geoefend worden tot gehoorzaamheid, zachtmoedigheid en nederigheid. Zo worden we aan het beeld van Christus gelijkvormig. Hij immers zei: Leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.
Moge de verzoeking van satan en van onze vijanden ons dienen tot een middel om de heiligmaking metterdaad te betrachten.
Lezen: Psalm 120; zingen: Psalm 38 vers 13
8 maart
Toen zei Elkana, haar man: “Hanna, waarom weent gij en waarom eet gij niet en waarom is uw hart kwalijk gesteld? Ben ik u niet beter dan tien zonen?”
1 Samuël 1 vers 8
Het huwelijksformulier leert ons, dat de man het hoofd is van zijn vrouw. Voor velen is deze positiebepaling niet meer dan een leeg woord, maar voor de godvrezende echtgenoot is deze plaats een taak. Deze omschrijving betekent immers volgens de uitleg van datzelfde formulier, dat de man zijn vrouw moet onderwijzen, troosten en beschermen.
Dat doet Elkana bij zijn treurende vrouw. Hij spreekt haar aan met een tedere klank in zijn stem en probeert haar te troosten. Dat het hem niet lukt, is een andere zaak, maar dat hij het probeert, zien we nadrukkelijk vermeld in dit Schriftwoord.
Voor ons een onderwijzing: hoe ga ik met mijn naaste om? Is het mijn wens om ten nutte van mijn naaste te leven? Ben ik getrouwd voor mijzelf, om er zelf beter van te worden? Of heb ik een innig verlangen om in Gods hand een middel te zijn ten nutte van mijn naaste? Dat ik mij in mijn huwelijk inzet om mijn vrouw te onderwijzen, om in Gods hand een middel te zijn om haar te troosten en te beschermen!
Zo is het huwelijk bedoeld het gehele leven.
Elkana vraagt of hij voor Hanna niet beter is dan tien zonen. Zij wilde zo graag een kind, dat ze niet zag welk een rijk bezit ze nog had: een liefhebbende en trouwe echtgenoot.
Dat euvel overkomt ons vaak: dan zien we wel wat we missen, maar niet wat we bezitten. En het is goed om daarop te worden gewezen, opdat we opnieuw leren waarderen, wat God ons bij alle gemis toch nog geeft. We hebben immers ook op die gave geen recht!
Lezen: 1 Samuël 1 vers 1 tot 8; zingen: Psalm 103 vers 1
9 maart
Toen stond Hanna op, nadat hij gegeten en nadat hij gedronken had te Silo. En Eli, de priester, zat op een stoel bij een post van de tempel des HEEREN.
1 Samuël 1 vers 9
We lezen in deze tekst over een oude priester van ± 75 jaar. Zijn naam is Eli. Hij zat op een stoel bij de tempel. Hij kon misschien niet meer actief dienstdoen, maar hij wilde er toch wel graag bij zijn. Zijn hart ging ernaar uit. De tempeldienst met de bloedstorting van de dagelijkse offers is immers het van God gegeven middel waardoor de verzoening met Hem wordt afgebeeld en verzegeld! Daarom wilde hij ondanks zijn hoge jaren daar zijn, waar een gezicht op het slachtoffer zijn matte ziel zou verkwikken en zijn verflauwende geloof zou versterken.
Waar zijn onze bejaarden? Zijn ze in ontspanning en vermaak hun tijd aan het verkwanselen, hun dagen aan het slijten? Waar gaat uw hart naar uit, grijsaard? Waar brengt u uw kostbare genadetijd mee door? Veelal zien we bejaarden bezig met lege of zondige ontspanning. Er moeten allerlei activiteiten worden ontwikkeld om de oude mensen bezig te houden. Anders duren de dagen zo lang…
De oude hogepriester Eli zat op een stoel bij een post van de tempel des HEEREN. Dat is de beste plek. Daar immers beeldt de HEERE af, hoezeer Hij genegen is om al de zonden van uw lange leven, Eli, af te wassen door het hartebloed van Jezus Christus, het Lam Gods. Daar verzegelt Hij Zijn belofte, dat een ieder die zich gelovig verlaat op de God van het offer, vergeving der zonden ontvangt.
Wat kunnen onze ouden van dagen beter begeren, dan in de Bijbel en de prediking God in Zijn hart te zien en daar de gedachten der verzoening te lezen?
Lezen: 1 Samuël 1 vers 9 tot 16; zingen: Psalm 86 vers 3
10 maart
Zij dan van ziel bitterlijk bedroefd zijnde, bad zij tot de HEERE en zij weende zeer.
1 Samuël 1 vers 10
Wat leert de Heilige Geest ons in dit voorbeeld van Zijn handelingen met Hanna? Dat we – wanneer we net als zij waarlijk begenadigd zijn! – in al onze nood des HEEREN aangezicht mogen en moeten zoeken door middel van een ernstig smeekgebed. Al is Gods kind nog zo bitterlijk bedroefd, de weg tot God staat voor hem altijd open. Wat heeft Gods volk een groot voorrecht gekregen! Wat zouden we er allen jaloers op moeten zijn! De weg van het gebed, de weg van het geween, brengt ons binnen het bereik van de belofte die Christus uitspreekt in Mattheüs 5: zalig zijn, die treuren, want zij zullen vertroost worden.
De HEERE laat het bij de Zijnen ver komen. Hij weet dat het bitter bedroefd zijn een heilzaam middel is om ons in de eerste plaats van alles af te brengen buiten God en ons in de tweede plaats Gods genadegave te doen waarderen. De HEERE is geen zachte heelmeester, maar een verstandig en kundig Arts.
In de weg des HEEREN met Hanna zien we een voorbeeld hoe Hij Zijn kinderen leidt: door de druk naar de verlossing; door de engte naar de ruimte. Voor ons is het een toetssteen om ons nauwgezet te onderzoeken: Herken ik mij in de gang van de Kerk des HEEREN? Ga ik een Bijbelse weg, of wandel ik buiten het ‘schapenspoor’?
Slechts langs de weg der Schrift komen we Boven, komen we Thuis. Zo immers alleen wordt de genade ons onmisbaar en wonder-schoon. Moge de HEERE ons zo bearbeiden, dat er plaats komt in ons hart voor het wonder.
Droefheid gaat voor de blijdschap uit en bereidt de weg ervoor. Bitterlijk bedroefden alleen worden verwaardigd tot een eerlijk gebed!
Lezen: Mattheüs 5 vers 1 tot 9; zingen: Psalm 102 vers 1
11 maart
En zij beloofde een gelofte en zei: “HEERE der heerscharen, als Gij eenmaal de ellende van Uw dienstmaagd aanziet en mij gedenkt en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, dan zal ik dat aan de HEERE geven al de dagen van zijn leven en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.
1 Samuël 1 vers 11
Hanna wijdt haar kind toe aan de HEERE en aan Zijn dienst. Dat is het recht en dat is de plicht van godvrezende ouders. We ontvangen immers onze kinderen niet voor onszelf, maar voor de HEERE. Hij heeft recht op het zaad des verbonds. Elk kind dat op het erf der kerk wordt geboren, behoort Hem toe. Niet alleen uit kracht van de schepping, maar ook uit kracht van het verbond.
Bij Hanna gaat het nog verder. Ze wijdt haar toekomstig kind aan de HEERE toe op een bijzondere manier, als Nazireeër. Daarom zegt ze ook, dat er gedurende heel zijn leven geen scheermes op zijn hoofd zal komen. In onderscheid met de andere jongens zou Samuël lang haar dragen. Dit was een teken van de bijzondere toewijding aan God. Dit teken is oudtestamentisch en opgeheven, maar de afgebeelde zaak is nog steeds van groot belang.
Wijden wij onze kinderen ook aan de HEERE toe? Baden we: “HEERE, laat ons kind geen duivelskind zijn, geen werelds kind, niet slechts een adamskind”? We geven het van voor zijn geboorte, ja van voor zijn ontvangenis!, aan zijn Eigenaar terug.
In dit heilige kader geschiedt de huwelijksgemeenschap bij godvrezende echtelieden. Niet alleen hartelijke liefde, maar ook tedere godsvrucht staat voor de wieg van ons nageslacht…! Heilige de HEERE zo in onze gezinnen ontvangenis en geboorte door een eerbiedig gebedsleven: “Uw Koninkrijk kome.”
Lezen: Psalm 128; zingen: Psalm 115 vers 7
12 maart
Het geschiedde nu, als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht des HEEREN, toen gaf Eli acht op haar mond.
1 Samuël 1 vers 12
Wanneer ons hart ernaar verlangt om metterdaad Gods vriendelijk aangezicht te aanschouwen en de HEERE te ontmoeten in het gebed, dan bidden we niet gedachteloos en ook niet kort. Daar vermenigvuldigen we ons gebed. Niet op bijgelovige wijze, alsof God een kort gebed niet zou horen en een lang gebed wel; maar uit de overvloed van het hart spreekt dan de mond. En omdat het hart vol is van verlangen naar verhoring, blijven we aanhouden met eerbiedig smeken, pleiten, roepen, zuchten.
Deze vrouw was vol van bittere droefheid. En die moest ze kwijt. En die mocht ze ook kwijt. Dat is het voorrecht van Gods ware kerk, dat zij haar droefheid kwijt mag. De oren des HEEREN staan voor hun smartelijke gebeden open. Maar het schijnt niet altijd zo. Hanna schijnt van God vergeten te zijn, zo merken we in haar gebed. Immers zegt zij in het voorgaande vers: “Als Gij Uw dienstmaagd niet vergeet…”
O, wat kan het benauwd worden, als we menen dat de HEERE ons vergeet. Dan bedriegt ons gevoel ons wel, want de HEERE zal Zijn volk en erfdeel nooit vergeten. Maar niettemin kan het er toch wel heel benauwd om worden, als we ons verlaten vóelen. Het geloof echter laat zich door dit smartelijke gevoel niet van Gods Troon afhouden. Het nadert, het gebruikt vrijmoedigheid, het blijft aanhouden, het smeekt en tracht in deze worsteling God te overwinnen. En de HEERE laat Zich niet onbetuigd. Hij laat Zich genadig overwinnen! Heb daarom goede moed en blijf de ganse dag biddende voor het aangezicht des HEEREN.
Lezen: Lukas 11 vers 1 tot 13; zingen: Psalm 77 vers 1
13 maart
Want Hanna sprak in haar hart; alleen bewogen haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken.
1 Samuël 1 vers 13
We dienen te bidden met ons hart. Of wij met onze mond geluid voortbrengen of niet, altijd dient ons hart bij het gebed te zijn betrokken. Wanneer we niet met ons hart bidden, bidden we in het geheel niet. Alleen het bidden met ons hart is echt bidden.
Wat is ‘bidden met ons hart’? Dat betekent in de eerste plaats dat we het eerlijk menen en geen schijn, geen vormendienst hebben. Dat we oprecht en waar zijn gemaakt door en voor God. Dat we dus bedachtzaam spreken en menen wat we zeggen. Ook dat onze gedachten niet afdwalen onder het bidden, maar dat we ons geheel en al richten op de Hoorder der gebeden.
Innig is het gebedsleven van deze vrouw geweest, die in haar hart sprak met God; om jaloers op te worden.
Kennen ook wij deze verborgen omgang met de HEERE en weten wij van een open toegang tot de Troon der Genade?, zoals Paulus in Efeze 3 vers 12 schrijft over Christus: in Wie wij vrijmoedigheid hebben en de toegang met vertrouwen door het geloof aan Hem. Daarom kan hij ook in Hebreeën 4 vers 16 nodigend en dringend roepen: “Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de Troon der Genade opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.”
Hanna had bij God een luisterend oor. En een ieder die met zijn of haar ganse hart de HEERE aanroept, mag zich verzekeren een open oor te hebben bij God. De HEERE laat een ootmoedige smekeling niet staan! Nooit zult u te hoog van God kunnen denken. Hij zal aan uw smeken geen verhoring doen ontbreken.
Lezen: Psalm 142; zingen: Psalm 25 vers 7
14 maart
En Eli zei tegen haar: “Hoelang zult gij u dronken gedragen? Doe uw wijn van u!
1 Samuël 1 vers 14
Het is droevig, dat Eli deze conclusie trok uit het prevelend bidden van Hanna. Wat moet het met de openbare eredienst in Israël laag zijn afgelopen, dat de hogepriester een biddende vrouw aanzag voor een dronken persoon! Verbijsterend!
In díe tijd leefde Hanna en in dát gezelschap zou zij binnenkort haar zoon Samuël brengen…
En in díe vreselijke tijd begon God opnieuw met Zijn volk. Dat volk, dat zover was afgegleden en dat zo diep was weggezonken; maar dat desondanks nog niet geheel en al door God was verlaten. De HEERE heeft toch opnieuw aan Zijn verbond met Abraham gedacht. Zijn eedzwering aan de vader der gelovigen deed Hij getrouw gestand en zo ging Hij door in de loop der eeuwen met Zijn afhoererend volk.
We zien hierin Wie God is voor slechte mensen. We zien, dat we het er nooit te laag vanaf hebben gebracht, als we letten op de grote getrouwheid van de HEERE en op de onmetelijke ruimte in Zijn genade. O, mochten we ons eens diep verwonderen!
Tegelijk moeten we in deze spiegel ook zien, wie wij zijn geworden. We zijn niet beter dan de Joden van Eli’s tijd, die dronken van wijn bij het heiligdom kwamen. Zijn wij niet vaak dronken/vervuld met de wereld, met onze hartstochten? Is er in ons hart wezenlijke eerbied voor de HEERE en Zijn dienst? Of zijn ook wij traag en lui, zodat er in diepste wezen geen haar verschil is tussen ons en hen die God in het openbaar bespotten en verachten?
Lezen: Handelingen 7 vers 41 tot 54; zingen: Psalm 106 vers 4
15 maart
Maar Hanna antwoordde en zei: “Neen mijn heer, ik ben een vrouw bezwaard van geest; ik heb geen wijn en geen sterke drank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des HEEREN.
1 Samuël 1 vers 15
Dit voorrecht, om je ziel uit te gieten voor het Aangezicht des HEEREN is voor Gods kinderen verdiend door de Middelaar, Die aan het kruishout van Golgotha Zijn ziel uitgoot voor het aangezicht van Zijn God, maar Die geen verhoring en geen ontferming vond en Die zo onze Zaligmaker is geworden. Mocht het ons een wonder van onwaardeerbare prijs worden om te vernemen, dat het in Gods gunst is om onze ziel met al haar bezwaardheid en nood voor Hem uit te gieten. De HEERE wordt daardoor niet vertoornd.
Wat houdt het in om dit genadig voorrecht in praktijk te brengen? In de eerste plaats, dat we niets achterhouden. Uitgieten is leeggieten. Ten tweede dat we geen verwachting meer hebben van het schepsel, we kunnen niets en niemand te hulp roepen. Ten derde vooral ook: we zijn afgebracht van onszelf! Hoe groot is het voorrecht om in onszelf geen hulp meer te hebben; alleen in God. Dat is immers tot eer van Zijn grote Naam en dat is ook tot grote troost voor uw aangevochten gemoed.
De HEERE liet gedurende eeuwen en eeuwen deze geschiedenis tot op onze generatie overleveren, dat Hanna zo bad; en het staat niet in de Bijbel als een verhaaltje, maar als een verkondiging, als een belofte. Zo wil de HEERE benaderd worden door al Zijn volk, door alle tobbers en klagers, door allen in smart en rouw en zondenood.
Blijf van de wijnfles af! Vraag daarentegen om vervuld te worden met de Heilige Geest. Zo zal de Almachtige uw uitgegoten ziel in Zijn boezem opvangen. Hij zal u koesteren in Zijn liefde.
Lezen: Hooglied 1; zingen: Psalm 5 vers 1
16 maart
Acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials; want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet.
1 Samuël 1 vers 16
Wat betekent ‘Belial’? Het is een naam voor de duivel. Hanna zegt dus: beschouw mij niet als een duivelskind. Ze was geen dronken vrouw, geen hoer en ze diende geen afgod, maar ze vreesde de HEERE oprecht en nauwgezet, ze was een dochter van Abraham en leefde volgens de wet des HEEREN.
Wanneer u oprecht zo leeft, mag u met Hanna zeggen: ik ben geen duivelskind. Ik ben een kind van God en ik dien de HEERE.
We mogen eerlijk vermelden welke vruchten der genade er in ons leven zijn. Wel moeten we ons ervoor hoeden, dat we ons zouden verheffen op die geschonken genade. Maar anderzijds hoeven we ze ook niet te ontkennen. We eren er God mee, wanneer we in ons dagelijks leven bewíjzen, dat we geen belialskinderen zijn. We eren er God ook mee, wanneer we eerlijk mogen ontkennen een duivelskind te zijn.
Wanneer iemand u vraagt: “Bent u een kind van God?” Dan zou u moeten kunnen zeggen: “Ja, ik ben Gods kind en Hij is mijn Vader.” Dan hebt ook u de taal van Hanna in uw hart en wenst u in geen enkel opzicht meer iets met de duivel te maken te hebben!
Ook zien we bij Hanna, dat ze niet boos wordt op Eli. Ze blijft nederig en onderworpen, hoewel dat lang geen kleine zaak was om voor een dronken vrouw versleten te worden… Laten ook wij zo ootmoedig en zachtaardig reageren op beschuldigingen die ons (on)terecht worden aangedaan. Dan pas blijkt werkelijk dat we geen belialskind zijn.
Lezen: 1 Samuël 1 vers 9 tot 16; zingen: Psalm 26 vers 5
17 maart
Toen antwoordde Eli en zei: “Ga heen in vrede en de God Israëls zal uw bede geven, die gij van Hem gebeden hebt.”
1 Samuël 1 vers 17
Als hogepriester mocht Eli zegenen. De HEERE heeft hem in dat ambt gesteld. En al had hij heel wat zonden en zwakheden – waarvoor hij trouwens ook gedurig moest offeren! –, hij is toch de van God aangestelde bemiddelaar tussen God en Zijn volk. De HEERE deelt de zegen mee door de woorden van deze door Hem gezalfde priester. De woorden van deze ambtsdrager zijn geen wensen, maar ze zijn geladen met de kracht van de Geest van Christus. En dan zal ook metterdaad geschieden, wat Eli zegt.
De woorden van zegen, die Eli met Goddelijk gezag uitspreekt, brengen niet alleen de verhoring, maar ook de zekerheid der verhoring mee, zoals we in het volgende vers mogen lezen. Zo bedoelt God ook in onze dagen de zegen door middel van de ambtsdrager op de gemeente te leggen. Daadwerkelijk zegent Hij een ieder die met Hanna de ziel uitgiet voor Zijn aangezicht; én u mag onder die woorden, die met volmacht worden uitgesproken, daadwerkelijk verzekerd zijn, dat de HEERE Zijn zegen geeft.
‘De God van Israël’, zo noemt Eli de HEERE. In deze Naam ligt de nabijheid van God verklaard. Hij verbond Zich aan Zijn volk. Hij bedriegt ons niet, als Hij ons belooft, dat Hij onze gebeden zal verhoren. Daarom durft Eli het aan om te zeggen, dat de HEERE deze bede van deze bedroefde vrouw zal geven!
We mogen staat maken op Gods genade en hoeven niet bevreesd te zijn, dat Hij ons zal teleurstellen. Heb goede gedachten en hoge verwachtingen van de HEERE, Die aan u Zijn belofte tot grond gaf om op te steunen in uw gebed en Die Zich vrijwillig verplichtte om uw bede te verhoren. Welk gebed? Zoals Jezus ons leert: Uw Naam worde geheiligd…!
Lezen: 1 Samuël 1 vers 17 tot 28; zingen: Psalm 132 vers 5
18 maart
En zij zei: “Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen.” Zo ging die vrouw haars weegs en zij at en haar aangezicht was haar zodanig niet meer.
1 Samuël 1 vers 18
Hanna kan het bijna niet geloven: zou het werkelijk waar zijn, wat deze man Gods haar zegt? Ze stamelt het uit: “Laat mij genade vinden in uw ogen!” Daarmee zegt ze als het ware: “Laat dat waar mogen zijn!” Ze wenst in de voortdurende voorbede van Eli te zijn begrepen.
Dat is een goede zaak om bij Gods volk, bij Gods knechten in de voorbede te zijn begrepen. Och, dat we er meer behoefte aan hadden om voor de Troon der Genade te worden gebracht, zoals de vier vrienden hun verlamde vriend op een bedje door het dak neerlieten voor de voeten van Jezus en zoals enigen hun kindertjes tot Jezus brachten opdat Hij hen zou aanraken.
En laat ons aan de andere kant de vraag om voorbede te doen ten behoeve van onze naaste niet verachten, maar laat ons veel in het gebed gevonden mogen worden aan Gods voeten, worstelende om het heil van onze naaste. We leven toch niet voor onszelf, maar we kregen van de HEERE de taak om het goede van Jeruzalem te zoeken, om de vrede der ziel en het ware welzijn van onze naaste te bevorderen. We hebben toch grote lust gekregen om in de gemeenschap der heiligen onze gaven aan te wenden ten nutte en ter zaligheid van de andere leden der gemeente; en dat gewillig en met vreugde, of niet?
Hanna gaat naar haar man terug en is verblijd. Haar aangezicht is helemaal opgeklaard. Ze heeft hoop gekregen op de verhoring. Ze mocht het wonder beleven, wat de troost des HEEREN vermag: temidden van bittere droefheid en bezwaardheid van geest, gloort de morgen der blijde verwachting!
Lezen: Numeri 6 vers 22 tot 27; zingen: Psalm 13 vers 5
19 maart
En zij stonden des morgens vroeg op en zij baden aan voor het aangezicht des HEEREN en zij keerden weder en kwamen tot hun huis te Rama. En Elkana bekende zijn vrouw Hanna en de HEERE gedacht aan haar.
1 Samuël 1 vers 19
Het klinkt alsof God Hanna was vergeten. Zo staat het meer keren in de Bijbel: en de HEERE gedacht aan… God vergeet Zijn volk niet, maar Gods volk klaagt wel eens: “Zult Gij mij in eeuwigheid vergeten?” Dat leek ook in de verdrietige omstandigheden van Hanna: het was, alsof God vergat haar de kinderzegen te schenken. Maar nu maakt Hij het overvloedig goed en Hanna ontvangt de verhoring van haar bede en de vervulling van Eli’s zegen.
Wat is het een tedere zaak om de kinderzegen in de band van het heilig huwelijk te mogen ontvangen. Om God daarin te kennen, Die het zegt: “Ken Mij in al uw wegen en Ik zal uw paden recht maken.”
O, het scheen dat de weg des HEEREN krom was, maar toch was die ‘kromme’ weg recht. Want nu wordt in de weg der onmogelijkheid des HEEREN wondere kracht en goedheid des te helderder zichtbaar. Nu wordt in de weg van het wachten de gave der genade des te dierbaarder en rijker. Nu wordt in de weg der afsnijding de kinderzegen des te meer stof tot lof. Daarom is des HEEREN weg – ook als ze krom schijnt te zijn – altijd recht.
Ja, dan wordt de ware aanbidding geboren, zoals we in onze dagtekst lezen. Dan buig je diep in ‘t stof en verhef je met lof, het Eeuwig Opperwezen en wil je Hem eerbiedig vrezen. En dan kun je niet anders dan een biddende vader en een biddende moeder zijn bij het eerste begin van je kind. Dan zal het wezen: “Grote Schepper van alle dingen, laat ons gezin onder doorboorde handen mogen leven. Laat het aanvankelijke, prille leven aan U zijn toegewijd, door U zijn toege-eigend!”
Lezen: Lukas 1 vers 5 tot 25; zingen: Psalm 25 vers 6
20 maart
En het geschiedde na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd en baarde een zoon en zij noemde zijn naam Samuël; want ik heb hem van de HEERE gebeden.
1 Samuël 1 vers 20
In onze tekst lijkt het, alsof er nog weer enige tijd overheen was gegaan, voordat Hanna daadwerkelijk in verwachting raakte. Hoewel de Hebreeuwse woorden ook een ander betekenis toelaten, is het toch heel goed mogelijk, dat de HEERE op weg naar de vervulling van Zijn belofte, enige tijd van beproeving inlaste (volgens een joodse verklaring wel een heel jaar!). Het geloof wordt immers vaak beproefd. Zo is het duidelijk dat niet Elkana en Hanna hebben gezorgd voor de vervulling van de Goddelijke zegen uit Eli’s mond. Nee, de HEERE alleen heeft het gedaan en altijd is Hij Degene, Die zorgt voor Zijn werk. Daar komt uiteindelijk de mens niet tussen.
Niettemin bewandelt de HEERE gewoonlijk de weg der middelen, ook van de liefde en het huwelijk. Maar als wij overeenkomstig Zijn bevel gebruik maken van de middelen, zal toch steeds weer bedacht moeten worden, dat alleen de Almachtige voor de volvoering zorgt. Laat ons daarom in ernst ons kwijten van onze taak en tevens geheel en al afhankelijk wensen te zijn van de HEERE en Zijn zegenende kracht.
In de naam die Hanna aan haar kindje geeft, blijkt dat ze de lofprijzing en de eer aan de Schepper toebrengt: het kind is van God gebeden en van Hem gekregen en wordt daarom Samuël genoemd. Wat is het een grote zaak, wanneer we ouders mogen hebben of zijn, zoals Hanna en Elkana, die de eer voor de geboorte geven aan Hem, Die de eer toekomt.
Lezen: Jesaja 44 vers 1 tot 5; zingen: Psalm 65 vers 1
21 maart
En die man Elkana trok op met zijn ganse huis om aan de HEERE te offeren het jaarlijkse offer en zijn gelofte.
1 Samuël 1 vers 21
Het schijnt dat niet alleen Hanna een gelofte aan God had beloofd, wanneer Hij haar een kind zou geven, maar dat ook vader Elkana dat deed. Het zou heel goed kunnen, aangezien hij het er vast ook heel moeilijk mee gehad heeft, dat ze geen kind ontvingen. In ieder geval gaat hij niet alleen met het jaarlijkse offer naar Gods huis, maar hij neemt meteen ook zijn gelofte mee. Wat dat precies was, staat er niet bij, maar het zou best een extra dier kunnen zijn.
De HEERE heeft er in Zijn wet (Leviticus 7 vers 16) in voorzien, dat Zijn kinderen er innerlijke behoefte aan hadden om aan Hem iets te geven. Vrijwillig wijdden ze iets aan hun God en Vader toe. En de HEERE wil vrijwillig gediend zijn. Wanneer we een gelofte beloven, moeten wij die ook aan Hem betalen, want het is beter (zegt Salomo) om niet te beloven dan te beloven en niet te betalen.
Elk jaar ging Elkana op met zijn hele huisgezin. Daaruit kunnen wij leren, dat we in de dienst des HEEREN onze kinderen niet alleen moeten voorgaan, maar dat we ze ook jong al moeten meenemen. Het is niet waar, dat we de religieuze opvoeding moeten uitstellen totdat het kind ‘groot’ is geworden. We mogen het vanaf de eerste dag trachten onderricht te geven in de dingen van de HEERE. O, mocht het in onze gezinnen met ernstig gebed gepaard gaan om des HEEREN onmisbare zegen. Geve de HEERE ook, dat de kinderen dit ouderlijk onderwijs niet verachten, maar eerbiedig aanvaarden en zich overeenkomstig de wil van God aan hun ouders onderwerpen!
Lezen: Prediker 5 vers 1 tot 6; zingen: Psalm 56 vers 5
22 maart
Maar Hanna trok niet op, maar zij zei tegen haar man: “Wanneer de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des HEEREN verschijnt en daar blijft tot in eeuwigheid.
1 Samuël 1 vers 22
De opvoeding van onze kinderen moeten wij niet overlaten aan anderen, maar zelf ter hand nemen. Wij zijn als ouders eerst verantwoordelijk. Tegelijk moeten we bedenken, dat de gehele familie mede verantwoordelijk is voor de opvoeding van kinderen. Dat geldt voor grootouders en voor ooms en tantes en voor verdere familieleden. Voor zover wij met kinderen – ook van buren, vrienden of kennissen – in aanraking komen, dienen wij godzaligheid uit te stralen, opdat zij door ons godzalige voorbeeld en door onze godzalige getuigenis de HEERE mogen leren vrezen en Zijn dienst liefhebben.
Hanna achtte terecht de tijd van de eerste indrukken dermate belangrijk dat zij gedurende die tijd haar kind niet aan anderen wilde geven, maar zelf wilde opvoeden.
Gevoelen wij het gewicht van kinderzielen? Wegen die ons zwaar? Gaat het ons ter harte, dat ze schepselen van God zijn en dat Hij er daarom recht op heeft dat onze kinderen de meest ernstige, nauwgezette en godvruchtige opvoeding krijgen? Beseffen we dat de HEERE eenmaal van onze hand zal eisen, hoe wij onze kinderen zijn voorgegaan? Hebben wij enigszins ingeleefd, dat wij met onze kinderen op reis zijn naar de eeuwigheid-zonder-einde?
Dat we dan toch niet lichtvaardig over deze hoogst-ernstige zaak zouden denken. Moge God het ons opbinden, opdat, wanneer moeder moet thuisblijven uit de kerk, het tot eeuwig nut van het kind mocht zijn.
Lezen: Psalm 22 vers 1 tot 12; zingen: Psalm 34 vers 6
23 maart
En Elkana, haar man, zei tegen haar: “Doe wat goed is in uw ogen; blijf, totdat gij hem zult gespeend hebben; de HEERE bevestige maar Zijn Woord. Zo bleef de vrouw en zoogde haar zoon, totdat zij hem speende.
1 Samuël 1 vers 23
Wat een voorrecht om in de band van het heilige huwelijk zo eensgezind te zijn als Elkana en Hanna waren. Ze waren het in de zaak des HEEREN geheel met elkaar eens. Elkana verdacht zijn vrouw niet van bijbedoelingen, toen ze zei thuis te willen blijven van de jaarlijkse gang naar het heiligdom om Samuël te kunnen voeden en te kunnen opvoeden. Hij voelde, dat Hanna waarlijk wel graag ging.
Maar de HEERE heeft liever gehoorzaamheid aan Zijn heilige bevel, dan offeranden; liever, dat wij onze kinderen godzalig opvoeden, dan dat wij elke avond ‘godsdienstig’ op sjouw zijn, terwijl we onze kinderen langs de straat laten lopen.
Opvoeding is ook dienst aan God!
Moge het onze lust zijn om op te gaan naar des HEEREN huis, maar tegelijk: moge het onze lust zijn om onze kinderen met de moedermelk ook de onvervalste melk van Gods Woord mee te geven. Het behoeft immers geen verloren tijd te zijn, wanneer we de kerkdienst moeten verzuimen om op onze kleintjes te passen. Dit moeten we niet steeds aan oudere broers of zussen overgeven. Dit is immers ook opvoeding en ouder-taak. Waarom? Omdat op zo’n stille zondagmorgen de voorbereiding op de kerkdiensten van later moet plaatsvinden.
Zo zal uw kind, wanneer het mee kan naar de kerk, niet voor de eerste keer Gods Woord horen. Maar u mag het in die prilste jeugd thuis reeds onder de ‘prediking’ brengen. Ademt de zondagmorgen bij u thuis reeds iets van de kerkgang?
Lezen: Markus 10 vers 13 tot 16; zingen: Psalm 78 vers 2
24 maart
Daarna, toen zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich opwaarts, met drie stieren en een efa meel en een fles met wijn; en zij bracht hem in het huis des HEEREN te Silo; en het jongetje was jong.
1 Samuël 1 vers 24
Ziet u ze gaan, moeder Hanna met haar kleine Samuël aan de hand? Ze komen van Rama. Het is best een indrukwekkende gang, die ze maken. Voor het eerst mag de kleine peuter Samuël mee naar Silo, waar de tabernakel, het huis van God staat. En voor het laatst is deze kleine man bij zijn vader en moeder thuis geweest. Hij gaat verhuizen, al is hij nog maar drie jaar. In het vervolg zal hij bij de tabernakel in Silo wonen bij de hogepriester Eli en bij zijn zonen Hofni en Pinehas.
Hanna neemt niet alleen haar jongetje mee, maar ook drie varren, drie stieren. Wat moeten die jonge, krachtige dieren hier? Ze zijn erg kostbaar en voor het voortbestaan van het bedrijf van Elkana van groot belang. Waarom neemt zij deze drie prachtige stieren mee naar de tabernakel?
Om ze te offeren aan de HEERE. Ze geeft niet alleen haar kind aan God, maar ze wil ook bij deze heilige dienst een offer brengen. Ze denkt niet: wat goed van mij, dat ik Samuël helemaal aan God geef, daar moet de HEERE nu genoegen mee nemen. Nee, ze denkt: het zal een wonder zijn, wanneer de HEERE mijn kind van mijn hand zal willen aannemen. Daarom brengt ze meteen een offer.
Al onze gaven aan God moeten worden geheiligd door het grote Offer van Christus. Wij maken nooit God tot onze Schuldenaar, maar wij staan altijd voor Hem schuldig, ook als we ons kind aan de HEERE toewijden.
Deed u dat ook, met vurig verlangen, dat het Gode-welbehagelijk mocht leven?
Lezen: Lukas 1 vers 57 tot 66; zingen: Psalm 61 vers 7
25 maart
En zij slachtten een var; alzo brachten zij het kind tot Eli.
1 Samuël 1 vers 25
Om nu in alles het bloed der verzoening nodig te hebben! Ook in onze heiligste verrichtingen. O, dat we het eens mochten zien: ook wanneer we de HEERE eerbiedig vrezen en oprecht dienen, is al het onze nog met zonden bevlekt. Nooit brengen wij voor Gods heilig aangezicht iets anders voort dan zonde. Nooit kunnen wij voor Hem bestaan, al hebben we het kostbaarste en dierbaarste gegeven. Al hebben we met de meest oprechte bedoeling en in waarachtige godsvreze ons hart aan Hem gegeven. Nog steeds blijft waar: wij staan schuldig voor God en hebben verzoening nodig voor de zonden, die in die meest heilige en plechtige dingen van de dienst des HEEREN ons aankleefden. Daarom slachtten Elkana en Hanna een var, een stier.
De roomse leer van de verdienstelijkheid der goede werken wordt door het offer van Hanna grondig afgebroken. Als er ooit een goed werk was, was het toch wel van Hanna, die haar kind aan God gaf. En ze deed dit niet met bijbedoelingen of met een onwillig, ongelovig hart. Maar ze deed dit vol overgave, in liefde en geloof. En toch moest er een offer bij. Toch moest deze daad verzoend worden. Anders zou het voor de heilige God nooit kunnen bestaan.
En, o wonder! dat offer neemt God ook aan. Zo beschouwt Hij de daden van Zijn volk altijd in Christus. Dat betekent: de HEERE laat het verzoenend bloed van Zijn Zoon over al de daden en al de woorden en al de gedachten van Zijn kinderen gaan, zodat ze volkomen rein voor Hem zijn en door Hem kunnen worden aanvaard. Niet om onze bekering, maar om het volkomen Lam Gods, op Golgotha geslacht!
Lezen: 1 Petrus 2 vers 1 tot 10; zingen: Psalm 79 vers 4
26 maart
En zij zei: “Och, mijn heer, zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, ik ben die vrouw, die hier bij u stond om de HEERE te bidden.
1 Samuël 1 vers 26
Hanna vertelt aan de hogepriester Eli wat er vier jaar geleden is gebeurd. Nee, ze berispt deze oude man niet. Ze brengt hem niet in herinnering, hoe onheus hij haar toen behandeld had.
We dienen onze naaste, en zeker een oude man of vrouw en in het bijzonder een ambtsdrager des HEEREN, vriendelijk te behandelen. Wanneer we geleerd hebben hoeveel zonden in gedachten, woorden en werken ons aankleven, dan hebben wij er geen behoefte meer aan om een ander zijn fouten en gebreken in herinnering te brengen. Dan brengen we in praktijk: de liefde bedekt alle dingen.
Laten we het eens nakijken in ons leven: hoe gaan wij in de dagelijkse praktijk om met onze naasten? Verwijten we ze graag, wat zij vroeger ons misdeden? Of bedekken we graag met de mantel der liefde de misslagen en misstappen en misdaden van onze naaste? Niet om zonden goed te praten, maar omdat we inleven zelf nog veel slechter te zijn en nog veel dwazer te hebben gehandeld.
Hanna was natuurlijk niet vergeten, wat er was gebeurd, maar ze wilde het wel graag vergeten.
Dat betekent niet, dat we ons geheugen kunnen schoonwassen, zodat we aan geheugenverlies lijden, maar het betekent in de eerste plaats, dat we het onze naaste graag vergeven wat hij of zij ons misdeed, en dat we het in de tweede plaats nooit meer ophalen ofwel, dat het bij ons absoluut geen wrok heeft gegeven!
Hanna vertelt aan Eli alleen maar wat er tussen God en haar was voorgevallen. Ze vertelt over haar gebed en over Gods verhoring van dat gebed. En zo dient een rechte christen te handelen.
Lezen: 1 Korinthe 13; zingen: Psalm 133 vers 3
27 maart
Ik bad om dit kind en de HEERE heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb.
1 Samuël 1 vers 27
Zou u ook iets kunnen vertellen over de verhoring van uw gebed? Doe dat dan maar. Maak maar bekend aan uw vrouw, aan uw man, aan uw kinderen, aan jullie ouders, broers en zussen, dat God een horend en een gebed-verhorend God is. Vertel het maar, dat Hij het waard is om aangeroepen te worden en dat Hij te vertrouwen is!
Deze geschiedenis van Hanna’s gebed en Gods verhoring van dit gebed is een belofte. De ganse geschiedenis van Gods Woord in het Oude en Nieuwe Testament is één aaneenschakeling van beloften. God beschrijft in die geschiedenissen hoe Hij met mensen omgaat en hoe Hij is. En door middel van die geschiedenissen openbaart Hij Zich aan ons, opdat wij zouden weten, Wie God is. Opdat wij zouden weten Wie Hij ook nu is en Wie Hij ook voor ons is: een gebed-verhorend God.
Vertel het maar, kind des HEEREN, hoe goed God is, opdat ook uw naaste voor Christus gewonnen wordt! Lees deze geschiedenis maar en herlees haar maar, al bent u nog onbekeerd, opdat u zou mogen leren geloven en opdat u deze God zou leren vertrouwen, Die Zich in deze geschiedenis zo oneindig lieflijk aan u bekend maakt. Kent u Hem niet, Die zo goed voor u was? Lees en herlees met een biddend hart. Opdat Hij u bekend zou worden en u Hem leert roemen.
“De HEERE heeft mij mijn bede gegeven”, zegt deze godzalige vrouw. Dat doet God altijd, geliefden! Nooit laat Hij u beschaamd van Zijn Troon terugkeren… Steeds weer geeft Hij u stof tot juichen en verblijden. O, Hij is het zo eeuwig waard, dat wij goed van Hem spreken.
Lezen: 1 Samuël 1; zingen: Psalm 31 vers 1
28 maart
Daarom heb ik Hem ook aan de HEERE overgegeven al de dagen die hij wezen zal; hij is van de HEERE gebeden.” En hij bad daar de HEERE aan.
1 Samuël 1 vers 28
Hanna vertrouwde de HEERE. Ze kende Hem. Al is de situatie in des HEEREN huis te Silo nog zo slecht (en het volgende hoofdstuk vertelt ons daar iets over), ze durft toch haar kind Samuël over te geven aan deze bange en slappe hogepriester Eli en aan zijn beide goddeloze zonen, Hofni en Pinehas. Hoe kwam dat? Omdat ze haar kind aan de HEERE heeft overgegeven.
Ze noemde Hem in dit hoofdstuk (vers 11) HEERE der heerscharen. Deze Naam van God komt in dit hoofdstuk voor de eerste keer in de Bijbel voor. Wat betekent deze Naam? De heerscharen zijn de legerscharen. God is Koning over de hemelse en over de aardse legers. In de eerste plaats over de engelen, die allemaal Hem ten dienste staan om gewillig Zijn bevelen uit te voeren. Daarom durft Hanna haar kind Samuël in de tabernakel te laten. Want daar zijn niet alleen de boze geesten en de goddeloze priesters, maar daar zijn ook de engelen. Verder betekent de Naam HEERE der heerscharen, dat Hanna gelooft (dus zeker weet), dat God de Almachtige is, Die over alles regeert en Die ruimschoots bij machte is om haar kindeke, al is Samuël nog maar drie jaar!, veilig te bewaren.
Wij denken altijd dat wij reformatorisch onderwijs nodig hebben. En het is een groot voorrecht dat zulk onderwijs aan zulke scholen nog gegeven mag worden. Maar geliefden, we hebben onze kinderen niet aan reformatorische leerkrachten over te geven. We moeten onze kinderen eerst en vooral aan God overgeven. Anders gaat ook op een reformatorische school alles mis, hoor!
Lezen: 1 Samuël 2 vers 12 tot 20; zingen: Psalm 91 vers 1
29 maart
Daarom heb ik Hem ook aan de HEERE overgegeven al de dagen die hij wezen zal; hij is van de HEERE gebeden. En hij bad daar de HEERE aan.
1 Samuël 1 vers 28
Voor hoelang deed Hanna afstand van haar kind? Niet voor enige dagen of weken; zelfs niet voor enige maanden of jaren; maar voor zijn ganse leven. Deze overgave van Hanna aan de HEERE is een lening. Zo vertaalt de oude Engelse vertaling het. En die betekenis zit ook in het Hebreeuwse woord. Wat wil dat zeggen? Dat Hanna toch nog eigendomsrecht laat gelden en toch nog Samuël een beetje vast houdt? Dat ze hem toch niet onvoorwaardelijk en totaal aan de HEERE afstaat? Nee, dat betekent het niet. Maar de HEERE geeft ons uit genade, dat wij niet armer worden wanneer we ons met al de onzen en met al het onze aan Hem hebben mogen leren overgeven. Dan beschouwt de HEERE deze restloze overgave aan Hem als geleend. Hij zal ons een ruimschootse vergoeding terug betalen, zoals ook uit het volgende hoofdstuk blijkt, waar Hanna er nog vijf kinderen bij krijgt.
Dus, als we iets aan God geven in de gulheid van de radicale overgave aan Hem en daarvan niets voor onszelf behouden als Ananias en Saffira, dan zullen we bemerken, dat de HEERE de hoogste rente geeft. Steeds weer krijgt u meer terug, dan u gaf. Als het ons er maar niet heimelijk om gaat om iets terug te krijgen…
Zo wijdt Hanna haar kleine, onmondige jongetje voor de rest van zijn leven aan de HEERE en het is een groot, heel groot voorrecht, als onze ouders zo met ons zijn omgegaan. Dat ook wij in de gedurige gebeden zijn toegewijd en overgegeven aan de HEERE, ons leven lang. Dat levert louter winst op en nooit verlies.
Lezen: Spreuken 19 vers 14 tot 18; zingen: Psalm 22 vers 5
30 maart
Daarom heb ik Hem ook aan de HEERE overgegeven al de dagen die hij wezen zal; hij is van de HEERE gebeden. En hij bad daar de HEERE aan.
1 Samuël 1 vers 28
Nogmaals komt de naam Samuël terug en een ieder die Hebreeuws kent, hoort dat. Eli heeft meteen gehoord, wat de betekenis is van de naam van dit kind: hij is van de HEERE gebeden. Hanna verklaart daarmee nogmaals, dat de overgave aan Hem geen prestatie van haar is, want als het ware zegt ze: “Dit kind is helemaal niet van mij. Het is van de HEERE.” En daarom zal ze het ook aan Hem toewijden.
Ze belijdt van Wie haar kind is. Niet van een onbekende god, niet van de god der Kanaänieten of van de Filistijnen. Maar dit kind heb ik gebeden en gekregen van JEHOVAH, de HEERE. De God van Abraham, Izak en Jacob is de God van mijn kind.
Hoe groot is het om als ouders de kinderen in de doop ook aan deze God over te geven! Dat we van deze verbonds-God ons kind zouden afbidden en ook uit Zijn hand ons kind ontvangen.
Dat veronderstelt, dat u een verbondsrelatie kent met deze HEERE. Dat Hij geen vreemde meer voor u is. Maar dat u in waarheid mag zeggen: “De God van mijn kinderen is Hij, Die Zich aan mij en mij aan Zich heeft verbonden door belofte en geloof. Hij zond Zijn Heilige Geest in mij, zodat ik een kind der belofte mocht worden en uit Hem geboren mocht worden en Hij schonk mij het waar, zaligmakend geloof, zodat ik mij vrijwillig mocht overgeven aan Hem. En nu mag ik aan deze míjn God mijn kind overgeven…”
Lezen: Genesis 17 vers 1 tot 8; zingen: Psalm 81 vers 12
31 maart
Daarom heb ik Hem ook aan de HEERE overgegeven al de dagen die hij wezen zal; hij is van de HEERE gebeden. En hij bad aldaar de HEERE aan.
1 Samuël 1 vers 28
En dan lezen we aan het slot in dit hoofdstuk hoe dit kleine ventje de HEERE aanbidt. Dat is een groots moment, vol plechtige en heilige eerbied. Ik wens en bid, dat de jonge lezers van dit dagboek het ook hebben geleerd of mogen leren om de HEERE, de God van je doop te aanbidden. Dat is: met diepe eerbied je voor Hem neer te buigen en met kinderlijk ontzag je hart aan Hem te geven, Die het elke dag weer tegen je zegt: “Mijn zoon, geef Mij je hart!”
Is ook jóuw beste plek je slaapkamer en binnenkamer, waar je de verborgen omgang met God zoekt en smaakt? Niemand ziet jou daar. O, daar worden zeer veel zonden gedaan. Maar daar kan ook juist de plaats van de stille aanbidding zijn. Buig je voor Hem neer, zoek Zijn aangezicht, smeek Hem om Zijn bewarende en bekerende en verzoenende genade.
Moge het ons aller sterke verlangen zijn zelf en met onze geliefden die plek in te nemen bij Gods altaar, om te buigen bij de gekruisigde Heere Jezus Christus. Dat is een schoon en goed leven om van jongsaf de HEERE te mogen aanbidden en dagelijks Zijn aangezicht te zoeken. Daar krijg je zeker geen spijt van.
Heb je het geleerd om God te aanbidden? Hebben je ouders je dat voorgedaan? Samuël was nog maar drie jaar. Al ben jij ook nog maar heel jong, bid dan maar: “HEERE, maak mij net als Samuël!”
De lijdende en stervende Heere Jezus Christus schenke jong en oud door Zijn Heilige Geest de genade, die Hanna had, die Elkana had en die Samuël had, om zo samen de Drie-enige God eeuwig te beminnen!
Lezen: Lukas 10 vers 38 tot 42; zingen: Psalm 105 vers 3

Heel mooi!