Website van Ds. W. Pieters

dagboekmeditaties uit verleden jaren, 1995

d

1 december

En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal voor Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël en Wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid.

Micha 5 vers 1

Wij leven in een moeilijke tijd: weinig mensen zijn godvrezend. De meesten in ons vaderland dienen de wereld en de afgoden. Het is voor Gods knechten om moedeloos van te worden.

In zo’n tijd leefde Micha ook. Er waren ook toen bijna geen godvrezenden. Ook Micha heeft het buitengewoon zwaar gehad! Maar hoor nu, hij mag door Gods genade zijn stem verheffen in een blijde profetie. De Messias zal toch komen, de verlossing zal doorbreken. En al wordt de situatie dan nóg zo hopeloos, toch werkt God door. Het kleine en verachte wordt door Hem uitgekozen om daaraan Zijn genade te bewijzen. Zo worden Zijn wonderdaden geëerd. Daarom is de Christus voortgekomen uit een kleine en onaanzienlijke familie: het geslacht van Isaï.

Maar hoe klein ook in afkomst en oorsprong, Hij Die daaruit is voortgekomen, is groot en hoog verheven, want Hij wordt genoemd: een Heerser in Israël.

En uiteindelijk stamt Hij niet uit dit onaanzienlijk geslacht te Bethlehem, maar Zijn oorsprong is van eeuwigheid. Hij is immers niet alleen Mens, maar ook God! En Hij zal in onze grootste onmogelijkheden Zijn almacht tonen.

De oudtestamentische gemeente is in blijde verwachting, hoe zwaarmoedig het hart soms ook is. Ziende op omstandigheden bezwijken de vromen, maar horende naar hun God, krijgen zij ademtocht. In onze tijd is het niet anders. Daarom: houd moed, o allen die op God hoopt!

Lezen: Micha 5; zingen: Psalm 80 vers 1

2 december

Zo zult gij de smaad van Mijn volk dragen.

Micha 6 vers 16b

Zwaar rust de dreiging op de afkerige Israëlieten. Zij hebben God verlaten en afgoden nagevolgd. Dan komt de straf zeker, want God laat niet met Zich spotten. Dat is ook in onze dagen zo. We moeten ons vooral niet inbeelden, dat de gruwelijke zonden van ons volk ongestraft zullen blijven, al is God traag tot toorn.

Als wij in de Heilige Schrift beloften lezen, weten wij dat Christus in die beloften verborgen is. Het gaat in die beloften steeds om Hem. Maar wanneer wij bedreigingen of bevelen lezen, is ons dat vaak niet zo duidelijk. Toch zijn al Gods bedreigingen en bevelen net zo vol van Hem, als Zijn beloften.

Een kind van God ziet: ik heb de plicht God te gehoorzamen, maar vanwege mijn val in Adam is er niets in mij dat naar God vraagt, ik sta schuldig aan al Gods bevelen. Toch moeten Gods bevelen volledig worden gehouden. Hoe kan dat? Door de Borg, de Plaatsvervanger, Jezus Christus. Zo roept elk bevel om de gehoorzaamheid van Christus.

En dat geldt ook van de bedreiging in onze dagtekst: Christus heeft ze alle aanvaard, op Zich genomen en volkomen gedragen. Ook dit oordeel: “Zo zult gij de smaad van Mijn volk dragen.” Heeft Hij niet al de smaad van Gods volk gedragen? En daarin wordt Hij ons dierbaar! Want al is het Hem nóg zo zwaar gevallen, omdat de toorn van Zijn Vader erachter stak, toch heeft Hij de smaad van satan, van spotters én van God over Zijn volk gedragen; omdat Hij Zijn volk heeft liefgehad met een eeuwige en Goddelijke liefde.

Lezen: Micha 6; zingen: Psalm 69 vers 9

3 december

Gij zult aan Jakob de trouw, aan Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onze vaderen van oude dagen af gezworen hebt.

Micha 7 vers 20

Het volk mag bij monde van de profeet Micha pleiten op Gods trouw. Dit pleiten is geen werk voor de naamchristen, maar voor Gods ware volk. Velen hebben het woord pleiten voor in de mond, maar laten we voorzichtig zijn om Gods volk na te praten, zonder geloofsoefeningen op de God van het verbond. Micha mag oprecht pleiten en hij doet dat ook namens Gods kinderen. Zij hebben geen grond meer in zichzelf overgehouden. Ze zijn werkelijk alles kwijt. Maar ze vestigen het oog op de waarachtige en trouwe God van de belofte, Die het heeft gezegd en zelfs gezworen; en Die het daarom ook zeker doen zal! Wij behoeven er niet aan te twijfelen; wij mogen er zelfs niet aan twijfelen. Toch twijfelt Gods volk er steeds weer aan, of het ooit nog goed zal komen. Er is zoveel tegenstand, van buiten en van binnen… Hoe moet het toch ooit goed komen? Maar nu wijst de Schrift ons de weg: er wordt gezegd: “Gij zult”!

Niets van ons erbij. Het is een eenzijdig werk van God alleen. Daarom kan het nog in de donkerste ogenblikken, want God is almachtig. En al hebben wij ons dan nóg zo ver bij God vandaan gezondigd, toch blijft Hij aan Zijn eed trouw. Hij zal Zijn belofte niet laten afhangen van iets in de mens!

Er daarin ligt al uw hoop, is ‘t niet?

Lezen: Micha 7; zingen: Psalm 105 vers 5

4 december

De HEERE is goed, Hij is tot Sterkte in de dag der benauwdheid en Hij kent hen die op Hem betrouwen.

Nahum 1 vers 7

Ook Nahum heeft veel reden om bevreesd te zijn, want de anti-goddelijke machten spannen samen. Nochtans getuigt hij door ingeving van Gods Geest dat het zeker niet verkeerd zal gaan met het volk van Gods onberouwelijke keuze. Wanneer Hij eenmaal in ons hart dat ootmoedig en kinderlijk vertrouwen heeft gewerkt, zal Hij ons nooit meer loslaten. Hij bewijst Zijn goedheid, juist in het heetst van de strijd, in de donkerste weg, in de zwartste nacht. O, laat het dan maar ellendig en bang worden…, de HEERE staat voor Zijn Eigen werk in. Hij kent allen die zich op Hem verlaten en tot Hem de toevlucht nemen. Hij vergeet hen niet, Hij stelt hen niet teleur, Hij verlaat hen niet, maar zoekt hen op en geeft hun kracht.

Hij is juist in de dag der benauwdheid tot Sterkte.

Onderzoeken wij ons nauwkeurig en vragen wij ons af: stel ik mijn vertrouwen op de HEERE? Geloof ik dat Hij in de dag der benauwdheid ook mij niet in de steek zal laten? Durf ik het in de donkerste uren op Hem te wagen en houd ik mij vergewist, dat Hij op tijd zal komen?

O, ziende op uzelf en op de vijanden, bezwijkt uw hart; maar steunende op uw God kan niets u aan het wankelen brengen. Kent u de HEERE nog niet? Dan hebt u in de dag der benauwdheid niets anders te wachten dan verderf en ondergang!

Lezen: Nahum 1; zingen: Psalm 9 vers 10

5 december

De wagens razen door de wijken.

Nahum 2 vers 4a

De verlossing is aanstaande. De verwoede vijand zal het van de Heere verliezen. Wat voor machten zich ook kanten tegen het verbondsvolk van God, Hij zal ze verslaan en Hij zal Zijn volk niet in hun handen laten vallen. Immers wachtte de belofte van het Vrouwenzaad op vervulling! De Christus moest geboren worden. En om nu deze belofte te vervullen, gebruikt de Heere ook de vijanden van Gods volk. Want wat gebeurt er? De dreiging van Ninevé wordt geheel krachteloos gemaakt, omdat een ander volk op het onverwachtst de stad Ninevé aanvalt en haar met de grond gelijk maakt. Twee vijanden van God raken met elkaar in oorlog en ze slachten elkaar af en zo wordt het amechtige volkje van God bevrijd!

Al dat vreselijke, al dat oorlogsgeweld, is er alleen maar om de belofte aan de kerk van God te vervullen. Dan gebruikt de Heere satan en zijn vijandschap ook wel om Zijn raad te volvoeren en Zijn Verbond te bevestigen.

Nahum beschrijft in blijde vrolijkheid dat de vijand geen overwinning zal behalen, maar ten onder gebracht zal worden. De strijdwagens, met paarden bespannen, razen door de straten en wijken van de grote en machtige stad Ninevé. De vijanden zijn al binnen de poort, de nederlaag is zeker. Nu zal deze gruwelstad Gods volk geen kwaad meer doen.

Zo zal God de vijanden van Zijn volk zeker straffen en Zijn belofte van de Christus zeker vervullen!

Lezen: Nahum 2; zingen: Psalm 68 vers 11

6 december

Allen die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen.

Nahum 3 vers 19

De ondergang van Gods vijanden is tot vreugde van Gods kerk. De Heidelbergse Catechismus vraagt: wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Geantwoord wordt: dat Hij al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis zal werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid zal nemen (vraag en antwoord 52).

Staat u in de handen te klappen als de vijanden van God en Zijn Christus verdelgd worden, of hoort u zelf nog bij die vijanden? Een kenmerk van het ware geloof is dat we aan de kant van God komen te staan en het met Hem hartelijk eens worden, ook wanneer Hij Zijn vonnis uitspreekt en uitvoert over al Zijn haters. Dan juichen al de Sionieten.

In het bijzonder geldt dit wel van de geestelijke vijanden in uw innerlijk. U worstelt tegen ze en zij strijden tegen u. De belofte van de Christus, Zijn komst in uw ziel, werd door deze boze doodsvijanden zo tegengestaan. Zijn vertroosting, het vruchtbaar zijn in Hem, wordt eveneens zo verhinderd. Zou u niet intens verblijd zijn, zou u niet vol vreugde in de handen klappen, wanneer deze vijanden werden uitgeroeid?

Dat belooft de HEERE aan Zijn bestreden volk: er komt een tijd, dat u overwinningen zult behalen, vreugde zult bedrijven. Waarom? Omdat de vijanden voor eeuwig zijn vernield. Wat zal dat een wonder-blijde dag zijn: al uw boosheden en goddeloosheden voor eeuwig ten onder gebracht!

Lezen: Nahum 3; zingen: Psalm 72 vers 2

7 december

Wij zullen niet sterven.

Habakuk 1 vers 12

Al is de macht van zonde en duivel nog zo sterk, zij zal nooit Gods kerk overwinnen, verdelgen. De Heere laat Zijn volk niet eindeloos in ‘t verdriet. De adventsjubel van de oudtestamentische kerk mag helder klinken. En dat was niet, omdat de omstandigheden zo blij stemden. Welnee, als we de profetie van Habakuk lezen, blijkt ons overduidelijk, dat deze man leefde in een zeer donkere tijd. Moedbenemend waren de omstandigheden. Niettemin belijdt hij in volle zekerheid van het geloof: “Wij zullen niet sterven.”

De vijanden hadden het wel op de dood en algehele ondergang van het verbondsvolk toegelegd; maar de HEERE, de trouwe Verbondsgod, zou het zeker niet toelaten. Immers is de waarheid en betrouwbaarheid van Zijn beloften en van Hem Zelf, als de Belover, in het geding! Daarom zucht de verdrukte kerk, het amechtige volk van God in Juda, met de profeet: “Bent U niet vanouds af de HEERE, mijn God, mijn Heilige?”

De Heere laat het niet toe, dat de vijanden Zijn kerk ten verderve sleuren. Het lijkt er vaak wel op, maar uiteindelijk zal het toch niet geschieden. Gods kinderen kunnen in de grootste noden en benauwdheden nochtans verzekerd zijn, dat Hij over Zijn Woord waakt en dat Hij Zijn beloften getrouw vervult. De beloofde Verlosser zál komen!

Ook wij vrezen in onze dagen misschien dat het verkeerd zal gaan. Zal Gods Koninkrijk van eeuwige vrede ooit komen? Zal mijn ziel niet voor eeuwig omkomen? Zullen de vijanden van Gods kerk in Nederland het niet winnen? Maar de kerk belijdt in zekerheid van geloof: “Wij zullen niet sterven.”

Lezen: Habakuk 1; zingen: Psalm 9 vers 18

8 december

Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, o ganse aarde!

Habakuk 2 vers 20

Wij zien het niet, maar het geloof weet: de HEERE is in Zijn heilige tempel. Dat is: in de hemel. En ook: bij verbrijzelde harten, zoals Jesaja 57 vers 15 ons leert. En dus in Zijn gemeente, de vergadering van al Zijn ware gelovigen. Daar is de HEERE, al schreeuwt alles van binnen en van buiten: “Waar is God op Wie u bouwde en aan Wie g’ uw zaak vertrouwde?”

De ganse aarde is vol geweld. Niet alleen in de dagen van de profeet Habakuk, maar nog meer in de dagen die vooraf gingen aan de komst van Gods Zoon te Bethlehem in het menselijk vlees. De ganse aarde was vol duisternis, afgoderij, vijandschap tegen de levende God. Toch…, deze ganse aarde moest zwijgen. Er is geen macht bestand tegen de almachtige en alomtegenwoordige kracht van God Die wegen baant, vijanden het zwijgen oplegt, verdoet; en Zijn volk verlost.

Hij is in Zijn heilige tempel, dat is: Hij aanschouwt het werk van Zijn Zoon als het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. De ganse aarde zal zwijgen, wanneer het dat offer zal aanschouwen. De ganse aarde zal Hem aanbidden, wanneer de dienst der verzoening door de geboren Koning der Joden en door middel van Zijn dienstknechten in de prediking van het heilig Evangelie over het aardrijk zal worden voltrokken.

En u? Hebt u Hem in Zijn tempel aanschouwd? Hebt u leren zwijgen voor Zijn aangezicht, vol schrik en vrees en later vol aanbidding en verwondering?

Lezen: Habakuk 2; zingen: Psalm 99 vers 1

9 december

God kwam van Theman en de Heilige van de berg Paran. Sela!

Habakuk 3 vers 3a

De geschiedenis van de wonderdaden van God met Zijn volk mogen niet vergeten worden. Om twee redenen niet: in de eerste plaats, omdat God door die geschiedenis wordt verheerlijkt; en in de tweede plaats, omdat Gods volk daardoor in zijn moeitevolle en benauwde omstandigheden wordt gesterkt in het geloof.

Daarom haalt Habakuk de twee plaatsen aan die in onze tekst staan: Theman en Paran. Habakuk heeft het over de tijd van de uittocht uit Egypte. De Heere schonk Zijn volk toen verlossing in die landstreek van de Sinaï, waar ongeveer Theman en Paran te zoeken zijn. En de profeet wijst met een bijzondere bedoeling terug naar die glorierijke uittocht uit Egypte. Omdat daarin duidelijk Gods waarheid blijkt, Zijn wijsheid, genade en almacht. En dat had het bekommerde volk in Habakuks dagen wel nodig.

Wat hadden ze nodig?

Dat ze herinnerd werden aan die heilrijke daden van de Almachtige. Want de omstandigheden riepen hen één voor één toe: nu is alles ten einde, nu zal de belofte geen vervulling krijgen, nu is de komst van het beloofde Vrouwenzaad geheel en al afgesneden!

Maar de profeet, in deze zwarte nacht vol wanhoop, krijgt een terugleiding in de geschiedenis van Gods verbondstrouw en hij roept het in de smeekbede uit: “HEERE, U bent toch Dezelfde van vroeger jaren en eeuwen?! O, zou U dan uit genade willen komen om uw arm en schuldig volk te verlossen en Uw belofte te vervullen!”

Daarom zegt hij erbij: “Sela!” Dat betekent: let op, het zal echt gebeuren!

Lezen: Habakuk 3; zingen: Psalm 136 vers 4

10 december

Die dag zal een dag van verbolgenheid zijn; een dag van benauwdheid en angst, een dag van woestheid en verwoesting, een dag van duisternis en van donkerheid, een dag der wolk en van dikke donkerheid.

Zefanja 1 vers 15

Velen verlangden naar de dag van Christus’ komst. Ze zagen reikhalzend uit naar de vervulling van Gods belofte, dat Hij de aarde in gerechtigheid zou richten. Maar de profeet waarschuwt met grote nadruk en klem voor zelfbedrog. Zij die zo naar die dag des HEEREN verlangen, weten heel niet wat die dag inhoudt. In het 15de vers zegt hij dan ook: “Die dag zal heel anders zijn, dan u denkt! U meent dat die dag vrolijk en blij zal maken, maar die dag is vol paniek!”

Waarom dan? Omdat God heilig is. Omdat Hij rechtvaardig is. Omdat Hij geen ledig toeschouwer is van al het onrecht en van al de zonde die wij doen. O, het zal voor zovelen zo bitter tegenvallen, wanneer die dag van advent komt, die dag waarnaar ze zo hebben uitgezien en waarom ze zo hebben gebeden. Het zal zo tegenvallen om buiten het verzoenend bloed voor de Rechter van hemel en aarde te moeten verschijnen.

Laten we ernstig, eerlijk overwegen, hoe het nu gesteld is tussen God en onze ziel. Hebben wij deel aan Christus, rusten wij door waar geloof in Zijn bloedgerechtigheid en vinden wij waarlijk allerlei vertroosting in Zijn wonden? Anders zal het straks een bittere ontgoocheling zijn…

Jezus waarschuwt ons: “Velen zullen te dien dagen tegen Mij zeggen: ‘Heere, Heere, doe voor ons open.’”

Lezen: Zefanja 1; zingen: Psalm 68 vers 17

11 december

… misschien zult u verborgen worden in de dag van de toorn des HEEREN.

…als de HEERE, hun God, hun zal bezocht en hun gevangenis zal gewend hebben.

Zefanja 2 vers 3b en 7b

De dag van de komst van Christus wordt hier genoemd: de dag van de toorn des HEEREN. Johannes predikte dat ook: “O, adderengebroed, wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? Breng dan vruchten voort…” Het is niet vanzelfsprekend dat wij in de dag van Gods toorn behouden, verborgen worden. Het is alleen in de weg van het wonder, wanneer wij de komst van Christus gerust en zonder vreze kunnen verwachten.

De komst van Christus als lijdende en stervende Middelaar is voor de oudtestamentische profeten altijd onlosmakelijk verbonden met Zijn komst als Rechter van levenden en doden. Daarom klinkt steeds die ernstige toon van het gericht, het oordeel, als het gaat over die heerlijke en glansrijke toekomst!

Toch getuigt deze zelfde knecht des HEEREN ervan dat een arm en verdrukt volk door de trouwhoudende God van het verbond zal worden opgezocht. Dat Hij hen uit hun gevangenis van ongeloof, zondekracht, satansmacht en wereldzin zal verlossen. Dat Hij hun in de kracht van de Naam Jezus zal doen delen: “Die ons zalig maakt en ons van al onze zonden verlost”!

Hoe is dat bij ons? Zijn wij graag van al onze zonden bevrijd? Zijn we in beginsel van de overheersing der zonde verlost? Is de macht van satan ook in uw hart gebroken? Anders zal die dag van Christus’ komst voor u zo vreselijk zijn.

Lezen: Zefanja 2; zingen: Psalm 126 vers 2

12 december

Van de zijde der rivieren der Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter van Mijn verstrooiden, Mijn offerande brengen.

Zefanja 3 vers 10

De heerlijke toekomst van Israël staat wel onder zware druk, maar tegelijk toch onder Gods gunst. Er zal een vreselijk oordeel komen over de naamchristenen, over de schijngelovigen. Maar over het ware volk van God, het echte Israël, zal de Heere uiteindelijk Zijn gunstrijk aangezicht doen lichten. Hij zal de grens tussen Israël en de heidenvolken verbreken en Zijn Geest uitgieten over het rond der aarde. Ook zwarte Moren zullen komen. Zij zullen verenigd met Gods volk uit Abraham Hem dienen met eenparige schouder, zoals het 9de vers belijdt.

Zult u erbij zijn?

Wie zijn er dan bij? De ernstige aanbidders van God. Wie is een ernstige aanbidder? Die zijn oppervlakkige verstandsgeloof en zijn even oppervlakkige ongeloofsuitvlucht is kwijtgeraakt. Die nu als een hoopje ellende, ontgrond en ontdekt, aan Gods voeten terecht komt.

Hoe pijnlijk deze gang ook is, wij zullen alleen zo een ernstige aanbidder worden. Anders blijven wij met onze mond vol van God uiteindelijk toch steunen op ons zelf. Dan aanbidden we maar één voorwerp, en dat voorwerp is niet God, maar ons eigen ik!

Daarom is het zo belangrijk, op weg naar de herdenking van de komst van de Middelaar op aarde in de nacht van Efratha, dat wij recht verloren zondaren zijn geworden. Nee, bedenk nu geen uitvluchten en verschuil u nu niet achter een ‘ja, maar’, want dat zal u straks ook niet baten!

O, zal dan de Moorman van Handelingen 8 u straks moeten veroordelen, omdat Hij kwam om aan te bidden te Jeruzalem, terwijl u buiten Christus verder leeft?

Lezen: Zefanja 3; zingen: Psalm 87 vers 3

13 december

Ik ben met u, spreekt de HEERE

Haggaï 1 vers 13b

De profeet Haggaï, die leefde in de dagen na de ballingschap, heeft het teruggekeerde volk Israël ernstig moeten berispen. Het volk verwaarloosde de dienst van God. Ieder was druk bezig met de dingen van hem zelf. Alle tijd, energie en geld werden in beslag genomen door bezigheden van hun eigen leven. Voor de HEERE en Zijn huis en dienst bleef dus niets meer over.

De HEERE is hierover vertoornd en het oordeel was reeds begonnen te komen, zoals in vers 11 staat.

Maar in de dagtekst staat een heel ander woord, een woord van bemoediging en troost. Hoe kan dat zomaar? Omdat tussen vers 11 en vers 13 vers 12 staat. Wat staat daar dan? Dat het volk met zijn leidslieden voor het aangezicht des HEEREN vreest, wanneer de ernstige berisping van de profeet in hun oren weerklinkt.

Zo gaat het nog. De beloften van Gods vertroosting en kracht, Zijn liefde en gunst, moeten we niet zomaar op onszelf toepassen. Dat is zelfbedrog. Eerst zal er een heilig vrezen en schrikken moeten worden gevonden in ons hart, willen ook wij deze zo heerlijke woorden uit Gods mond kunnen vernemen en de vervulling ervan kunnen ontvangen in ons hart.

Zo zal het kerst kunnen worden in de beleving der ziel: God met ons, Immanuël. Zo zal de HEERE met ons kunnen zijn, al zijn wij zeer zondig en verdorven en al gevoelen we ons te slecht voor de komst van Christus in ons hart.

Hebt u ook leren vrezen voor Gods aangezicht? Zo nee, zoek dat toch in de eerste plaats, opdat u Zijn belofte zou kunnen ontvangen.

Lezen: Haggaï 1; zingen: Psalm 65 vers 2

14 december

…en zij zullen komen tot de Wens aller heidenen.

Haggaï 2 vers 8

Wie is de Wens van alle heidenen? Het in Genesis 3 reeds beloofde Zaad van de vrouw: Christus, de Verlosser en Zaligmaker. Waarom wordt Hij de Wens van de heidenen genoemd? Hebben heidenen immers niet een hartgrondige afkeer van God en Zijn Zoon? Ja, ze hebben vanuit zichzelf alleen maar vijandschap tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde, zoals Psalm 2 ons duidelijk leert. En als het goed is, bent u deze vijandschap ook in uw eigen hart tegen gekomen.

Toch verlangden vroeger en verlangen nog steeds alle heidenen, alle volken en alle mensen, naar de Verlosser…! Hoe dan? Op de manier zoals Augustinus beschrijft: “Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U, o God.” Onbewust verlangt elk mens, overeenkomstig onze geschapen natuur, naar God. Dat is door de zondeval niet opgeheven, al richten wij ons helaas niet meer op God, maar op afgoden. Elk mens zoekt het geluk. Hij vindt het nergens, omdat hij het niet zoekt bij de ware God. Elk mens verlangt naar Christus, maar tegelijk is onze natuur zo vergiftigd door satan en ongeloof en ook zo vol vijandschap, dat wij deze gekomen Christus aan het kruis slaan, verwerpen, doden.

Maar zelfs de God-hatende heidenen dienen God in zekere zin, zoals Paulus in Athene getuigt, volgens Handelingen 17.

En wanneer de Geest in ons komt werken, gaan we verstaan wat we missen, en dat we altijd hebben gedorst naar het ware geluk, maar het hebben gezocht bij de gebroken bakken van eigengemaakte vroomheid of hartstochtelijke zondeliefde.

Lezen: Haggaï 2; zingen: Psalm 72 vers 10

15 december

Daarom zegt de HEERE zo: Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen.

Zacharia 1 vers 16a

De haat van de vijanden van God en Zijn volk zorgt ervoor dat de HEERE Zijn volk weer komt opzoeken. Zo staat het in de woorden van de dagtekst: dáárom… En dat slaat terug op vers 15, waar de HEERE zegt: “Omdat de vijanden Mijn volk zo kwalijk hebben behandeld en gehaat, dáárom zal Ik Mijn volk nu komen opzoeken.”

O zeker, dat die vijanden zoveel leed berokkenden aan Israël en Jeruzalem, was omdat de HEERE Zelf hen had doen komen als een oordeel over Zijn afhoererende volk. Maar nu zij Israël zoveel kwaad en leed hebben aangedaan en vooral: omdat zij alles zo gemeen hebben bedoeld, nu keert de HEERE weer tot Jeruzalem en Juda terug met ontfermingen.

Wat zijn de ontfermingen Gods? Het is te wensen dat elke lezer er een klaar antwoord op weet vanuit eigen ondervinding! Want wij dienen deze ontfermingen van God in ons eigen zielenleven te kennen… Namelijk, dat Hij ons in gunst aanziet, ons met Zijn liefde en schuldvergeving bezoekt. Dat Hij het weer in orde maakt tussen ons en Zich. Dus, dat Hij ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en ons niet meer in onze schuld en doemwaardigheid aanziet.

Hoe zwaar en lang wij ook Zijn wetten schonden – zoals Jeruzalem en het volk van het verbond deed!–, Hij is genadig en buigt Zich in mededogen neer over dat verloren en strafwaardige volk. Hij behandelt hen niet gelijk Hij door hen behandeld werd. Dat geeft stof tot verwondering en aanbidding, nu Hij bij mij is terug gekeerd!

Lezen: Zacharia 1; zingen: Psalm 122 vers 3

16 december

En Ik zal voor haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige Muur rondom; en Ik zal tot Heerlijkheid wezen in het midden van haar.

Zacharia 2 vers 5

Wanneer wij onze vijanden hebben leren kennen en onze onmacht om ons zelf te beschermen, dan vrezen we. We kunnen immers al die zonden, al die duivelse bestrijdingen en wereldse verlokkingen niet ten onder brengen! We kunnen ons voor niet één zonde hoeden. We zijn geheel en al weerloos. Onze ziel is een opengebroken stad. Geen verdediging tegen satan en zijn meest verwoede aanvallen. O, en dat gaat Gods volk nu inleven. Zij krijgen er last van. Ze beven voor hun verdorvenheid en voor de duivelse aanvallen die er dagelijks zijn. Ze wenen voor Gods aangezicht over deze smartelijke weg.

Maar nu zegt de HEERE: “Ik zal voor u wezen een vurige Muur rondom.” Hoor eens, arm volk van God. U hebt geen verweer in die strijd, satan is listig, uw verdorven natuur machtig, de liederlijke zondeverleiding der wereld sterk. Maar de HEERE is uw Muur. Hij beschermt u. Hij zal niet toelaten dat de vijand u dodelijk verwondt en ten verderve sleept. Hij zal het goed maken met u en zelfs zal Hij in uw hart – waarvan u zo vaak moet belijden dat het een kooi vol onrein gevogelte is! – heerlijkheid schenken.

Let nu goed op, o bestreden zielen, er staat niet dat u vanuit uzelf heerlijkheid zult hebben. Maar de HEERE is uw Heerlijkheid. Dat houdt in: alles komt buiten u te liggen. In een weg van dagelijkse afkeuring leert u vluchten tot Hem Die een genadige Beschermer en Ontfermer is.

Lezen: Zacharia 2; zingen: Psalm 68 vers 7

17 december

Ik zal Mijn Knecht de SPRUIT doen komen.

Zacharia 3 vers 8b

De heerlijkste beloften komen vaak na de donkerste ervaring. Jozua, de hogepriester, staat met bezoedelde kleding voor de heilige God. Hij staat daar als vertegenwoordiger van het volk: schuldig! En geen verweer, geen belofte van verbetering. Alles is werkelijk ellendig en hopeloos. En satan beschuldigt…

Herkent u dit?

De Engel des HEEREN, Jezus Christus, schenkt echter vrijspraak van schuld en bekleedt Zijn knecht en volk met reine klederen. En dan komt de belofte van de dagtekst. de HEERE zal een SPRUIT doen komen. Wat wordt bedoeld met deze aanduiding?

Reeds eerder hebben Gods knechten over deze toekomstige SPRUIT gesproken (Jesaja 4 en Jeremia 23). Nu wordt die belofte herhaald. En we weten dat de beloofde Messias is bedoeld. Hij is de Knecht des HEEREN, omdat Hij Zich vrijwillig heeft vernederd tot in de dienstknechtsgestalte. Hij boog onder het vonnis der wet en droeg haar vloek.

Een SPRUIT heet Hij, omdat Hij is voortgesproten uit de eeuwige liefde des Vaders. Ook, omdat Hij is voortgekomen uit de vrouw, Eva, overeenkomstig de belofte van Genesis 3 vers 15. Ook, omdat Hij een nieuwe vrucht zal voortbrengen. Hij zal recht en gerechtigheid doen uitspruiten. Hij zal immers, zoals in vers 9 staat, de ongerechtigheid van Gods volk op één dag wegnemen.

Wat een heerlijke toekomst voor het oude volk van God. En wij leven in de adventsweken met dezelfde belofte. Geloven we Hem Die het beloofd heeft? Begeren we Hem Die beloofd is? Beminnen we dit woord der belofte?

Lezen: Zacharia 3; zingen: Psalm 72 vers 8

18 december

Niet door kracht, en niet door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heerscharen.

Zacharia 4 vers 6b

Wij begrijpen vaak niet in welke wonderlijke wegen de Heere Zijn raad volvoert. Hij laat eerst allerlei moeilijkheden komen, ja: Hij laat het eerst geheel en al onmogelijk worden; en dan gaat Hij wonderen verrichten.

“Waarom toch?”, zult u vragen. Het antwoord is verstandelijk niet zo moeilijk. God wil Zijn almacht verheerlijken. En als het in uw leven niet eerst onmogelijk is geworden, zult u nooit uw God kunnen verheerlijken voor Zijn wonderdaden. Wees er maar mee tevreden om in een weg van afsnijding en afbraak te worden geleid.

Zo heeft de Heere de belofte van het Vrouwenzaad vervuld. En dan niet met behulp van mensenmacht of vindingrijkheid, maar door Zichzelf, door de krachtige werking van Zijn Geest. O, wees er maar eerbiedig mee tevreden, om te wanhopen aan al uw mogelijkheden, al valt dat werkelijk niet mee. Het verstand kan het niet meer bevatten, wanneer het bevindelijk wordt gewerkt in uw ziel. Maar toch: de Heere vergist Zich niet.

Zo gaat het in de ziel, zo gaat het ook kerkelijk. Wij zijn als het goed is adventsvolk. Het gaat heen naar die grote dag van de volkomen overwinning. Daar heeft de Heere ons niet bij nodig. Dat doet Hij alleen. O zeker, Hij maakt gebruik van mensen, maar wij zullen grondig leren er geheel en al buiten te vallen. Wij bouwen de kerk niet en wij houden haar ook niet in stand: door Mijn Geest zal het geschieden!

Lezen: Zacharia 4; zingen: Psalm 93 vers 4

19 december

Toen zei Hij tegen mij: “Dit is de vloek die uitgaan zal over het ganse land.”

Zacharia 5 vers 3

Wij zien uit naar de komst van Christus; in de gang van het kerkelijke jaar is de aandacht gevestigd op Zijn menswording. Maar laten we ons eens eerlijk afvragen: waarom heb ik Hem dan nodig? Waarom verlang ik eigenlijk naar Hem?

Hij is gekomen om een zware arbeid te verrichten. Welke? Niet het genezen van zieken en het vertroosten van ellendigen. O, dat doet Hij ook. Maar het betalen van de schuld en het dragen van de vloek en het gehoorzamen van Gods wet en het verheerlijken van Gods Naam.

Heeft mijn ziel Hem als Zodanig nodig? Verlang ik naar Hem met een sterk verlangen, omdat ik zo’n grote schuld heb bij God? Omdat Gods vervloekingen mij zo benauwen? Omdat ik er zo’n verlangen naar heb dat Gods Wet wordt gehoorzaamd en dit, terwijl ik er zelf niets van terecht breng? Omdat ik gevoel tot oneer van Gods Naam en deugden te leven op deze aarde en dat dit mij zo smartelijk is?

Kijk, dan krijgt Christus waarde. Dan ontvangt Hij van uw ziel de eer, die Hem toekomt. Daarom mogen we wel eerbiedig vragen om in oprechte onderworpenheid die vloek te aanvaarden, die wij over ons hebben gehaald en die we ons door onze zonden dagelijks waardig maken.

Dan alleen zal de plaatsvervangende Vloekdrager Die aan het kruishout tot een vloek is geworden – zoals Paulus schrijft in Galaten 3 vers 13 –, ons dierbaar zijn. Dan zullen we door Hem gezegend worden!

Lezen: Zacharia 5; zingen: Psalm 134 vers 3

20 december

Hij zal de tempel des HEEREN bouwen en Hij zal het sieraad dragen en Hij zal zitten en heersen op Zijn troon en Hij zal Priester zijn op Zijn troon.

Zacharia 6 vers 13

De belofte van de komende Messias wordt steeds vernieuwd. Steeds herhaalt de Heere, wat Hij al aan Adam en Eva beloofde. Waarom die herhaling? Omdat Gods kinderen die zo nodig hebben. Zij dreigen steeds weer te bezwijken onder de ongelukken; hun geloof kwijnt; het ongeloof is zo sterk!

Maar dat weet God wel en daarom draagt Hij er zorg voor dat het vlammetje van de hoop en het vonkje van het geloof niet geheel uitgeblust worden. Hij zal ze verwakkeren, aanblazen, verlevendigen. Hij verkwikt Zijn amechtig volk door niet slechts één keer iets te beloven, de Christus te beloven; maar daarna deze belofte ook vele keren te herhalen.

Ook in onze dagtekst vinden we zo’n herhaling van de belofte, waarin we de Christus getekend vinden in twee van Zijn ambten: als Koning en als Priester. Hij zal als Koning heersen en Zijn Kerk beschermen. Maar dat doet Hij, omdat Hij Priester werd, omdat Hij als Priester de dienst der verzoening heeft uitgericht.

Zo lezen we hier het heerlijk Evangelie van de verzoening der zondeschuld (en verheugt uw ziel zich nu?) én het heerlijk Evangelie van de bescherming van de verzoende zondaar.

Zo zal de tempel gebouwd worden. Zo wordt van eeuw tot eeuw de kerk van Jezus Christus vermeerderd en bewaard. Vrees al die vijanden maar niet, want de Priester-Koning zit op Zijn troon! Hij vreest voor geen enkele vijand…

Lezen: Zacharia 6; zingen: Psalm 103 vers 6

21 december

Verdruk de weduwe en de wees niet , ook de vreemdeling en de ellendige niet.

Zacharia 7 vers 10

De herinnering aan verleden zonde kan zeer nuttig zijn. Daardoor wordt onze ziel opnieuw verootmoedigd: zo ben ik geweest en zo heb ik gedaan en als de Heere het niet verhoedt, zal ik zo nog weer doen, omdat ik in mijn oude mens nog steeds zo ben!

Ook in de tijd van de profeet Zacharia geschiedt dit. De Heere verzoende de schuld van Zijn volk wel en dan komt Hij er nooit meer op terug om Zijn volk iets te verwijten. Maar Hij herinnert ze er wel aan, met opvoedkundige bedoeling. Gods kinderen zijn het weer zo gauw vergeten, hoeveel kwaad ze hebben gedaan. En dat zou betekenen dat ze ongemerkt weer in hetzelfde kwaad kunnen vervallen.

Daarom nu de herinnering: “Zo en zo had Ik jullie bevolen, maar jullie weigerden te horen. Daarom is dat oordeel, die straf gekomen.” En de bedoeling is dat we in verbrokenheid van hart, in verslagenheid van geest zouden neerliggen aan Gods voeten, met betuiging van onze onwaardigheid en met belijdenis van Zijn onbegrijpelijke goedertierenheid.

En ook om te bedenken, dat deze eisen van Gods wet nog steeds gelden. Willen we in Zijn gunst delen, dan moeten we de weduwe, de wees, de vreemdeling en de ellendige niet verdrukken, niet kwalijk behandelen, maar daarentegen helpen en ons over hen ontfermen. Alleen zo zal de weg vlak liggen tussen God en onze ziel.

Hoe is dat bij ons? Hebben wij oog voor onze naaste? Hebben wij ze lief als ons zelf?

Lezen: Zacharia 7; zingen: Psalm 82 vers 2

22 december

Ik zal u behoeden en u zult een zegen wezen.

Zacharia 8 vers 13b

Er komt een heerlijke toekomst voor het verscholen en uitgemergelde volk Israël. Nu worden ze nog benauwd en verdrukt; nu is er geen heerlijkheid te zien. Het is soms zo moedbenemend…! Maar straks, bij die glorierijke komst van de lang beloofde Verlosser, dan zal Israël wereldwijd tot zegen zijn. Zo had God het al aan Abraham beloofd: “In u zullen alle geslachten der aarde gezegend zijn.”

En in de gekomen Christus is dat ook vervuld. Vanuit Israël is Hij voortgekomen, Zoon van David. Hij is tot Zegen voor alle geslachten der aarde. Hij, de ware Juda, de ware Israël.

Dit geldt voor het volk Israël alleen in en door de Messias Jezus, ook wanneer het in het laatste der dagen opnieuw tot de Messias zal bekeerd worden. Israël zal dan weer een zegen zijn op de aarde door Gods behoedende genade. Verder: wat geldt voor Israël, geldt ook voor de heidenen die door het geloof in Christus, en zo in Israël, zijn ingelijfd en die uit vrije genade de naam van Sions kinderen mogen dragen. De kerk van Jezus Christus wordt door God behoed en zal zo tot zegen zijn.

Is dat ook uw wens en bede? Uw leven heeft als doel: tot zegen zijn. Gods volk, op reis naar de Bruiloft van het Lam, heeft verlangen om nuttig te zijn, gebruikt te worden door de Heere voor Zijn dienst. Gebruikt Hij ze niet meer, dan hoeven ze hier niet langer te zijn. U ook?

Lezen: Zacharia 8; zingen: Psalm 96 vers 2

23 december

Verheug u zeer, dochter Sion, juich, dochter Jeruzalem! Zie, uw Koning zal voor u komen, rechtvaardig en Hij is de Heiland; arm en rijdend op een ezel, enwel op een veulen, een jong der ezelinnen.

Zacharia 9 vers 9

Nog even, arm en verslagen volk, nog even en de heerlijke beloften van de Messias gaan in vervulling. Nog een korte tijd en God zal alles goed maken. Hij maakt het kerst!

Daarom klinkt de oproep tot een missende ziel: “Verheug u zeer en juich.” Nee, niet omdat u nu al iets hebt, maar omdat Gods vaste belofte onwrikbaar zeker vervuld zal worden. O, laten we niet zien op wat voor handen is; dat is moedbenemend. Maar laten we zien op wat bij God is; dat is moedgevend.

Als straks de lang beloofde Zoon van God komt, is Hij voor een arm en allesmissend volk dierbaar en aantrekkelijk. Hij is immers Zelf ook arm! Zij die het heilig, eisend en verdoemend recht van God leerden aanvaarden, zien in Hem hun onmisbare Borg; Die Zelf rechtvaardig is en dus plaatsvervangend voor onrechtvaardigen aan al Gods geboden kan voldoen en heeft voldaan.

Hij Die op een ezel rijdt, omdat Hij Vredebode is, wordt openbaar aan uw geloofsoog als de Heiland, de Heelmaker. De breuk tussen God en uw ziel wordt door Hem geheeld!

Hebt u zulk een Jezus lief? Hebt u Hem nodig? Hebt u werk voor Hem? Een ontledigd zondaar zal met Hem rijk verzadigd wezen! Maar een tevreden zondaar veracht deze Messias…

Lezen: Zacharia 9; zingen: Psalm 118 vers 13

24 december

En Ik zal hen sterken in de HEERE en in Zijn Naam zullen zij wandelen, spreekt de HEERE.

Zacharia 10 vers 12

In de GBS-uitgave van mijn Bijbel staat boven dit hoofdstuk: God zal Israël verlossen. O, als ons hart daarover peinst, verwondert het zich. Hoe kan de Heere immers ooit nog naar zulke monsters van ongerechtigheid omzien, als wij zijn? Maar ondanks alles wat bij ons is, dagelijks God tergende en dagelijks ons meer helwaardig makende, toch volvoert God Zijn raad, vervult Hij Zijn belofte en houdt Hij Zijn genadig verbond. Van al dat duur gekochte volk zal er niet één omkomen. Hoe machtig satan ook woedt, hoe venijnig de wereld ook verleidt, hoe vijandig ons vlees ook strijdt, de HEERE zal Zijn volk verlossen.

In die geestelijke strijd, waarin zoveel benauwers zijn, waarin Gods kinderen zo vaak verliezers zijn, waarin de dingen van God zo vaak onder liggen…, in die geestelijke strijd zal de HEERE hen sterken. In hen is geen kracht tegen deze grote menigte van verdorvenheden. Maar de HEERE zal hen niet vergeten en niet verlaten. Hij sterkt u door de openbaring van Jezus Christus aan uw hart. Hij schenkt overwinning en moed tot strijden. O, verliezend en amechtig volk van God, de Heere Zelf zal ervoor zorgen, dat u blijmoedig zult wandelen in Zijn Naam, u zult verheugen in Zijn tegenwoordigheid! Heel de dag, hoor! O, wat een heerlijke toekomst, wanneer Christus op de wolken zal terugkeren om die dag te doen aanbreken, een morgen zonder wolken…

Lezen: Zacharia 10; zingen: Psalm 89 vers 7

25 december

…omdat zij ellendige schapen zijn…

Zacharia 11 vers 7a

God ziet op Zijn volk met mededogen. Niet omdat dit volk het verdient, maar omdat God zo goed en genadig is. Hij is in Zijn Wezen immers barmhartig. Nu ontfermt Hij Zich over het ellendige. Hij ziet neer op een ziel die niets meer heeft dan schuld en ellende. Hij geeft barmhartigheid aan zulken die geen kerst kunnen vieren. Die nergens blijdschap hebben, nergens vermaak. Alleen als de HEERE komt en Zijn verzoend aangezicht toont. Alleen als vrede van Hem in het hart neerdaalt en Zijn liefde ons dronken maakt.

En, o wat een verrassing! Er staat in de tekst dat de Heere Zijn slachtschapen heeft geweid, verzorgd, gevoed, omdat zij ellendige schapen zijn.

Moet u eens over nadenken: niet omdat zij goede schapen zijn, winstgevende schapen, veelbelovende schapen, maar omdat zij ellendige schapen zijn…

Geen oog heeft medelijden met hen, behalve het ontfermende oog van de barmhartige Heere. En zo is het nog: een verscheurende leeuw heeft het op de ondergang van Gods kudde voorzien, maar de Goede Herder zorgt, Hij waakt, Hij verdedigt, Hij stelt Zijn eigen leven voor Zijn schapen. Hij heeft hen in Zijn hand, al zijn ze nog zo ellendig en verdorven, schurftig en vuil, al zijn ze door de zonde nog zo gehavend en gewond, ja geheel en al afgekeurd… Hij weidt hen en maakt alles wel, zodat zij kunnen zingen: De God des heils wil mij ten Herder wezen…

Lezen: Zacharia 11; zingen: Psalm 23 vers 1

26 december

Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden.

Zacharia 12 vers 10a

Om nu de geboren Koning der Joden lief te hebben, hebben wij de Geest der genade en der gebeden nodig. Die Geest is immers gezonden om Christus te verheerlijken. Hij maakt als de Geest der genade plaats voor de genade van Jezus Christus. Hij maakt als de Geest der gebeden behoeftig, verlangend en vertrouwend om deze genade van het Kind in de kribbe te ontvangen.

Hij is uitgestort. En op deze tweede kerstdag mogen we wel de verbinding leggen met Pinksteren. Nooit immers zullen wij de waarde van kerst verstaan buiten het werk van die uitgestorte Geest van Pinksteren! De wereld, buiten de kerk en erin, viert kerstfeest zonder het Kind van Bethlehem. Maar een genade-loos en gebed-loos mensenkind reikhalst naar deze Schoonste van alle mensenkinderen, gelegd in de voederbak der dieren, in armoede geboren en onder de vloek der wet gelegd.

Waarom reikhalst zulk een genade-loos en gebed-loos mensenkind naar Hem? Omdat de Geest der genade en der gebeden over en in hem is uitgestort. En deze Geest doet Hem als Gods Genadegeschenk liefhebben. Deze Geest doet aan de voeten van dit Kind neervallen om Zijn hulp in te roepen, als de Almachtige.

En dat mag!

U hoeft niet achter te blijven. Of werkt die Geest niet in u? Hoort u niet bij het huis van David, niet bij de inwoners van Jeruzalem? Wat let u om met de dichter mee te zuchten: Geef dat mijn oog het goede aanschouw, hetwelk Gij uit onbezweken trouw, Uw uitverkorenen toe wilt voegen…?

Lezen: Zacharia 12; zingen: Psalm 106 vers 3

27 december

Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid.

Zacharia 13 vers 1

U hoort niet bij het huis van David en de inwoners van Jeruzalem? U kon er niet bij, toen de vreugde van de herders werd gepreekt, toen de lofzang van de engelen werd overdacht? U leefde in een donkere nacht naar kerst toe en nu is het nog steeds net zo donker…? Wanhopende aan uw eigen kracht, inzicht of verdienste, o, wanhoop toch niet aan die Fontein Die God Zelf heeft geopend tegen zonde en onreinheid.

U denkt: maar er staat een adres bij en daar hoor ik niet bij… U moet dit goed lezen: er wordt niet bedoeld: alléén voor Jeruzalemmers, maar: zélfs voor Jeruzalemmers. Het slechtste soort wordt genoemd: mensen in Jeruzalem die de geboren Koning der Joden wel aanwijzen aan de wijzen uit het oosten, maar die Hem tegelijkertijd met hun ganse hart afwijzen… Mensen die hem dertig jaar later kruisigen! En dan zegt Jezus: “Juist tot hen moet het Evangelie worden gebracht, tot hen het eerst, want zij hebben dat Evangelie het meest nodig” (Lukas 24).

Daarom: juist voor de slechtste zondaren wordt deze bloedfontein van Jezus’ borgtocht geopend. Hoe vuil, walgelijk, afschuwelijk en onrein u ook bent. U wordt de toegang niet geweigerd, ook uw zonden zullen worden gereinigd. Maak vrijmoedig gebruik van deze belofte voor Gods volk, smeek de Heere om persoonlijke toepassing voor uw ziel. Werp u op Hem, al hoort u niet bij het huis van David. De Kananese vrouw hoorde er immers ook niet bij! En toch…

Lezen: Zacharia 13; zingen: Psalm 87 vers 3

28 december

Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vloeien…

Zacharia 14 vers 8a

Wij zijn gekomen aan het einde van een jaarkring. Terwijl ik deze meditatie schrijf, is het 8 juli 1994, maar de datum van deze meditatie is 28 december 1995. Wie zijn tussen de dag van schrijven en van lezen al niet gestorven?

De dood is in ons, want wij hebben de dood gekozen boven het leven. Wij hebben de God des levens verlaten. Nu roept de dood. Nu wacht ons allen de dood.

En toch: de Schrift spreekt van leven: levende wateren, levende rivieren. Waar komen ze vandaan? Niet uit ons, want in ons en vanuit ons is slechts de dood! Maar ze komen uit Jeruzalem, de Stad van de grote Koning, de Stad van Gods verzoenende liefde. De stad van het offer, de Stad van de schuldvergeving. O, dode zondaar, u die doodbrakende bent ook aan het einde van dit bijna voorbij gevlogen jaar… U wordt het gezegd, voorgehouden: er zijn levende wateren. De HEERE Zelf heeft ze doen ontspringen aan Zijn Vaderhart der eeuwige liefde. Kom, drink u vol uit deze stromen. U, die dood bent en niet weet hoe ooit het leven te verwerven… Doe als de verloren zoon, die terug keerde naar zijn vader en toen te horen kreeg: “Deze mijn zoon was dood, maar hij is weer levend geworden.”

Bij de HEERE alleen is het leven. Hij is uw Leven, zegt Mozes.

Wie u ook bent: dit Water des levens wordt u aangeboden, mét de Samaritaanse vrouw uit het stadje Sichar, in Johannes 4. Er is genoeg!

Lezen: Zacharia 14; zingen: Psalm 42 vers 1

29 december

Ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer?

Maleachi 1 vers 6a

God is teer op Zijn eer. Laat ons aan het einde van dit jaar, aan het einde van elke dag, terug zien: hoe sta ik tegenover de eer van mijn Schepper? Geef ik daar wel om? Leef ik daar wel voor? Of sta ik zelf met mijn belangen in het middelpunt?

Het is echt niet onbelangrijk om dit te overpeinzen, want niemand zal zalig worden, dan alleen die de eer van God bedoelt.

Nu noemt Hij Zich Vader. Zo is Hij voor ons allen geweest, dit afgelopen jaar, en al de dagen van ons leven. Hij is de Vadernaam zeker waardig. Wij mogen Hem die niet onthouden.

Maar bij een Vader hoort ook eer. Eer uw vader en uw moeder…

Hoe eert een kind zijn vader? Door hem te vertrouwen, lief te hebben en te gehoorzamen.

Hoe is dit jaar geweest tegenover onze hemelse Vader? Of bent u Zijn kind niet, hebt u satan tot uw vader gekozen? O, wat een schande en oneer voor Hem Die de Oorsprong van ons leven is en Die ons zo trouw verzorgd heeft… Toch noemt Hij Zich onze Vader! Laten we tot onszelf inkeren en ons afvragen: hoe heb ik mij jegens Hem gedragen? Vertrouw ik mij aan Hem toe naar ziel en lichaam beide, voor tijd en eeuwigheid beide? Zie ik af van alles en allen buiten Hem? Heb ik Hem lief, zoals een kind zijn vader liefheeft? Heb ik alles voor mijn Vader over? Erken ik Hem en gehoorzaam ik Hem als Vader dan ook in al Zijn geboden?

Lezen: Maleachi 1; zingen: Psalm 103 vers 7

30 december

Gij bedekt het altaar des HEEREN met tranen, met wenen en met zuchting.

Maleachi 2 vers 13a

De dienst van God is een liefdedienst, geen slavendienst. Hem te gehoorzamen is ware vreugde, geen zware last. Maar wanneer de liefde in ons hart ontbreekt, is het naar en ver­moeiend om tot Hem te komen.

Als we terug zien op dit jaar, op heel ons leven, hoe is het dan met ons gesteld in deze dingen van God? Is de dienst van God ons vermaak, is Zijn Woord onze verheuging? Of doen wij de dingen van God, op zondag en in de week, met zuchten, met tranen en met wenen?

Nee, nu is niet bedoeld het zuchten, wenen en schreien vanwege onze verdorvenheid en zondeschuld. Díe tranen keurt God niet af. Maar het gaat in onze dagtekst over het zuchten van de onwillige. Zoals een kind soms een diepe zucht slaakt, als het de jas aandoet om boodschappen te doen. Moeder heeft het bevolen, maar het heeft er heel geen zin in… Nee, zo niet. Zulke gehoorzaamheid doet je moeder verdriet. En zulke gehoorzaamheid aan God doet Hem ook verdriet! De Heere vraagt van ons een opgeruimd gezicht, een blij hart.

De dagen van Maleachi waren wat dat betreft al niet anders dan onze dagen. Hoe veel keren laten jongeren en ouderen niet duidelijk blijken, dat het nauwkeurig luisteren naar Gods bevel wordt ervaren als een last, een naar en zwaar leven…! O, wat kon het anders zijn. Waar liefde woont in ons hart, zullen we immers graag nauwgezet leven volgens Gods bevel.

Lezen: Maleachi 2; zingen: Psalm 100 vers 1

31 december

Want zie, die dag komt, brandend als een oven; dan zullen alle hoogmoedigen en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn en de komende dag zal hen in vlam zetten, zegt de HEERE der heerscharen, Die hun geen of tak laten zal. Maar voor u die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan en er zal genezing zijn onder Zijn vleugels.

Maleachi 4 vers 1 en 2a

Eenmaal zal het grote onderscheid tussen hen die God eerbiedig vrezen en hen die Hem niet liefhebben, duidelijk openbaar komen. Als de dag van afrekening komt en wij allen voor de grote Rechter van hemel en aarde zullen verschijnen. Gods kinderen zullen dan geborgen zijn onder de vleugels van de Zon der gerechtigheid. Gods vijanden zullen dan de dood sterven.

En u?

Waarschuwend eindigt het Oude Testament. O, laat u waarschuwen; verzet je niet, jongen of meisje. Buig toch voor de rechtvaardige Rechter van het heelal. Doe je het niet, dan moet het straks toch; maar dan zal het met eeuwige wroeging zijn…

Lokkend en nodigend eindigt Maleachi toch ook, wanneer hij ons voorstelt hoe goed het is om onder de vleugels van Jezus Christus te schuilen. Er is ook voor u plaats! Denk aan Ruth, de Moabietische. Boaz zegt tegen haar: “U bent gekomen onder de vleugels van de God van Israël om toevlucht te nemen.” En Jezus zegt: “Hoe menigmaal heb Ik u in 1995 willen bijeenvergaderen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels…

Op deze laatste dag van het jaar zegt God u nog een keer: “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden!”

Lezen: Maleachi 3; zingen: Psalm 86 vers 3

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën