Iemand vroeg mij iets te schrijven over een boek tegen Maarten ’t Hart. Het boek dat tegen Maarten ’t Hart ingaat, heet Wie bij God blijft, heeft niets te vrezen. De ondertitel luidt: Het ongelijk van Maarten ’t Hart. Op de omslag van het boek lezen we dat het is geschreven door Thomas Jacobsen.
Maarten ’t Hart schreef in 1997 het boekje Wie God verlaat, heeft niets te vrezen. De ondertitel luidt: De Schrift betwist.
’t Hart is kerkelijk opgevoed in Maassluis. Het gezin hoorde bij de Gereformeerde Kerken. In zijn jonge jaren, als student biologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, brak hij met het geloof in de God van de Bijbel. Later ging hij ook tegen zijn opvoeding schrijven – en fel.
Van het boek van ’t Hart, dat iemand naar de redactie van ons blad stuurde, heb ik de eerste twee hoofdstukken gelezen. In het tweede hoofdstuk vraagt hij als doctor in de biologie zich af hoe in Genesis 1 vers 31 kan staan: “God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.” De vragen die hij vervolgens stelt, en de voorbeelden die hij ter tafel brengt, snijden hout. ’t Hart heeft een punt, en wel dit: wij begrijpen van God een heleboel niet. Wanneer we de natuur bestuderen, zijn er veel onbeantwoorde vragen. En des te meer je studeert, des te meer vragen er komen, die misschien ook wel allemaal onbeantwoord blijven. Hoewel ook door wetenschappers van naam veel steekhoudende antwoorden zijn geformuleerd! En de kerk moet blijven studeren in het Woord en in de natuur om antwoorden te zoeken.
Maar toch, toen ik dit hoofdstuk had gelezen, kwam bij mij de vraag op: zou Maarten graag willen dat hij een goed antwoord op al die moeilijke vragen kon vinden of krijgen? Ik kan me heel goed voorstellen, dat iemand door studie van de natuur of andere takken van de wetenschap vragen heeft over God, als Schepper of als Bestuurder van alles. We begrijpen lang niet altijd hoe iets kan of waarom iets gebeurt. Ook gelovigen hebben vragen, ook predikanten. Hoe gaan we nu met deze vragen om?
In het eerste hoofdstuk van het gewraakte boek blijkt dat Maarten al als kleine jongen tegenzin had tegen God, tegen de Bijbel. Dan is het niet verbazingwekkend dat hij als student aan de universiteit met alles breekt. Alleen, uit de felheid van zijn schrijven blijkt (als ik me niet sterk vergis) dat dr. ’t Hart helemaal niet heeft gebroken met God. Dat wilde hij wel, en dat probeerde hij ook, maar of het hem gelukt is…?
Het is verdrietig dat iemand door het onbegrijpelijke in God komt tot het standpunt, dat God dús niet bestaat, of áls Hij wel zou bestaan, dat Hij dan wel een verschrikkelijk negatieve God moet zijn.
Of het klopt of niet, weet ik niet, maar ik heb het sterke vermoeden dat ’t Hart niet graag zou hebben dat al zijn moeilijke vragen ondubbelzinnig beantwoord konden en zouden worden. Had hij verlangen om de God van zijn opvoeding, de God van de Bijbel, te leren kennen, te aanbidden, lief te hebben en te dienen, dan zou hij het heel verdrietig vinden dat hij zoveel moeilijke vragen heeft die hem tot de gedachte brengen dat God misschien niet bestaat. Maar dan zou hij in ieder geval niet zo spottend schrijven.
Het lijkt erop dat Maarten ’t Hart het prachtig vindt dat hij de Bijbel ‘onderuit kan halen’, dat hij met de God van de christenen kan spotten en het geloof van zijn voorgeslacht belachelijk kan maken. Dit geeft in mijn hart een diep medelijden. Ik gun het deze man zo graag dat hij de God van zijn moeder zou vinden, zou leren kennen en liefhebben. Wat zou het een eeuwig wonder zijn, als een man van zijn kaliber tot geloof gebracht werd en publiekelijk getuigde dat al zijn vragen, op theologisch of biologisch terrein of op nog andere terreinen, allemaal ‘beantwoord’ zijn in de machtige woorden van Job 36 vers 26: “Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet.”
De vragen die ’t Hart stelt, kan ik niet beantwoorden. Met zijn vragen worstelen velen, jong en oud. Maar als we wénsen dat er geen God is, en dat de Bijbel uiteindelijk een sprookjesboek is…, als we wénsen dat geloof niet meer is dan een hersenspinsel en dat heel de christelijke godsdienst niets anders is dan autosuggestie…, dan heeft het geen zin om de vragen van deze man te beantwoorden. Dan heeft het slechts zin om te getuigen: God leeft.
En ik geloof, dat is: ik weet, dat Hij volkomen wijs is – al begrijp ik vaak echt niet waarom God dingen heeft laten gebeuren, zoals Hij ze heeft laten gebeuren, en nog steeds laat gebeuren, zoals Hij ze laat gebeuren. Ik geloof, dat is: ik weet tot in het diepst van mijn innerlijk – ondanks alle twijfelvragen die ook in mij zijn – dat Hij volkomen goed is. Al schreeuw ik wel eens, dat het helemaal niet klopt…!
Van harte toegewenst dat u, jij, en Maarten ’t Hart, het Kind in de kribbe aanbidden, en aan de voet van het kruis (verzoening met) God vinden!
