Website van Ds. W. Pieters

Jezus’ angst in Gethsemané (2009)

J

Een lezer kreeg van zijn kleindochter de vraag: “Waarom was de Heere Jezus zo bang in de Hof van Gethsemané? Hij was toch God en Hij wist toch dat alles goed zou komen na de kruisiging?”

Dat kleinkind had gelijk, want volgens Paulus heeft Christus juist dáárom het kruis verdragen en de schande veracht, zie Hebreeën 12 vers 1 en 2: “Laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons licht omringt, en laat ons met lijdzaamheid (= volharding) de loopbaan/renbaan lopen die ons voorgesteld is; ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Die, voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand van de troon van God.”

Dus het is wel zeker, dat de Heere Jezus in de Hof van Gethsemané heeft geweten dat ‘alles goed zou komen’. Het was dan ook niet de angst van onzekerheid die Hem kwelde. Hij heeft ook geen tegenzin tegen het werk gehad. Nee, omwille van de vreugde van het loon der zielen die Hij tot de zaligheid zou leiden (een vreugde die Hem voorgesteld was), heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht. Hij telde het niet, het woog Hem niet te zwaar. Zo lief had Hij Zijn bruidskerk! O, laten wij ons bij deze gedachten verblijden in diepe ootmoed…

Nog veel minder mogen wij veronderstellen dat Hij onwillig was om het welbehagen van Zijn Vader uit te voeren en al de glorierijke deugden van Zijn Vader te verheerlijken. Hij had het immers  diezelfde avond, net voordat Hij gevangen genomen zou worden, nog gezegd in het Hogepriesterlijk gebed, dat Hij de Naam van Zijn Vader had verheerlijkt op de aarde en dat Hij had voleindigd het werk dat Zijn Vader Hem had gegeven te doen, Johannes 17 vers 4. En Hij bidt erom dat Hij nu door Zijn Vader verheerlijkt zal worden (vers 1). Deze verheerlijking gaat over zowel het bittere kruislijden, als de opstandingsglorie en hemelvaartsmajesteit. De kanttekeningen op onze Statenbijbel omschrijven deze verheerlijking zo: toon in Mijn diepste vernedering dat Ik Uw Zoon ben.

Dus dat was ook niet de reden, dat Hij zo terugschrok vol angst in de Hof van Gethsemané.

De reden was, omdat de last van de zonden en van Gods ondraaglijke toorn zo onnoemelijk vreselijk is! In de angst van deze gewillige, liefhebbende Borg zien wij duidelijk worden, dat het een onvoorstelbaar vreselijk iets is om tot zonde te worden gemaakt, om een vloek te worden, om onder de hitte van Gods gramschap te moeten liggen. Laten we dit ernstig overdenken! Laten we dit lijden aannemen met een gelovig hart, zoals de Heidelbergse Catechismus het zegt in antwoord 76, en laat ons daardoor vergeving van zonden mogen ontvangen.

De smarten van deze Borg doen ons stoppen met lichtvaardig over onze zonden te denken. Dat we een keer gevloekt hebben, dat we een keer driftig werden, dat we onbezonnen de naam en het goede gerucht van onze naaste hebben bevuild en hem wel eens hebben belasterd, dat we onze vijand hebben uitgescholden, dat we onze tegenstander een keer hebben geslagen, dat we ons dagelijks voedsel kunnen gebruiken zonder God de eer ervan te gunnen, enzovoort, enzovoort…

Christus gevoelde in Zijn heilige en tere ziel, hoe ontzaglijk erg het is om te zondigen. Nooit had Hij gezondigd, maar nu legde de heilige Rechter op Hem al de zonden van Zijn volk. De macht en vreselijke afschuwelijkheid der zonde kwamen in de Hof van Gethsemané op Hem aan en op Hem te liggen; de hitte van de eeuwige toorn van God, die volgens Deuteronomium 32 brandt tot in de onderste hel toe, heeft Hij voelen branden en daarvoor schrok Hij terug. Twee dingen: zonde en straf, vervulden Hem met heilige huiver, met afschuw.

O, wat een voorrecht als we Zijn beeld gelijkvormig worden gemaakt en het onder de vloek die de zonden meebrengen, niet langer kunnen uithouden en vooral: als we de zonden, zelfs onze boezemzonden, niet meer kunnen verdragen en niet meer kunnen koesteren!

Hoe groot was Zijn liefde voor mij, dat Hij – ondanks de huiver voor deze gruwelijke last van zonde en vloek – voor míj in het stof wilde neervallen, voor míj grote druppels bloed wilde zweten, voor míj in grote benauwdheid en zielenstrijd wilde zijn en voor míj de verlating van Zijn Vader wilde doorstaan…! Wat een grote liefde; en dat voor míj. O, voor mij…!

Vernedere de HEERE ons onder Zijn hand, opdat we ons laten zaligen, niet in onze zonden en met onze zonden, maar van onze zonden: losgemaakt van onze zonden.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën