Een belangrijke vraag: “Wat moet ik bidden?”
De Catechismus zegt in antwoord 117 en 118: wij mogen en moeten vragen om al díe dingen die God ons heeft voorgeschreven/bevolen. Wij mogen niet zelf bepalen wat we wel of niet bidden, maar God bepaalt wat we van Hem zullen vragen. Wel heeft ons gebed enigszins te maken met onze nood, maar uiteindelijk wordt het gebed niet door onze nood, maar door Gods bevel bepaald.
Als de Heere wil dat ik bid om een nieuw hart, dan is de vraag niet of ik het als een nood ervaar dat ik nog geen nieuw hart heb. Al is het wel heel belangrijk dat ik die nood ga ervaren, omdat ik anders er niet eerlijk of vurig om zal bidden.
Duidelijk is dus: wat Gód beveelt, dát mag en moet ik bidden. God heeft ons in Zijn Woord bekend gemaakt wát Hij dan wil, dat we zullen bidden. Om dit te weten te komen, moeten we de Bijbel grondig bestuderen. Een korte samenvatting heeft de Heere Jezus ons geleerd in het ‘Onze Vader’ of ‘Het gebed des Heeren’, dat we ook wel noemen: het volmaakte gebed.
Daarin besteedt Hij aandacht aan de openingszin, aan de beden zelf en aan de slotzin. De opening bedoelt ons te doen beseffen, tot Wie wij in het bidden naderen: tot God. Wat een ernstige zaak, hoe gewichtig! God is in de hemel en wij zijn op de aarde. Met diepe eerbied dienen wij te zijn vervuld. Tegelijk mogen we grote dingen verwachten van zulk een God Die in de hemel woont en boven alles troont. Hij is groot van macht en heerschappij en heeft alles in Zijn hand.
Daarna leert Jezus ons welke dingen dan gevraagd mogen/moeten worden. Het eerste is, dat Gods Naam geheiligd wordt. Dat is het belangrijkste. De vraag aan ons is of wij dit ook het belangrijkste vinden. Gaat deze zaak ons werkelijk ter harte? Achten wij het onze grootste vreugde wanneer de Naam des Heeren wordt geheiligd, geëerd? Hebben we daarover de meeste smart wanneer die heilige Naam smaad wordt aangedaan?
Als de vraag wordt gesteld, wat we moeten/mogen bidden, kunnen we geen antwoord vinden in ons hart, in onze noden en behoeften. Maar dan kunnen we een antwoord vinden in de Bijbel. Toch schrijf ik nu ook: als het nu goed ligt, kunnen we een antwoord vinden in ons hart, als tenminste ons hart overeenstemt met Gods Woord. Niet alleen Jezus, maar ook wij vinden de heiliging van de Naam van Zijn Vader de meest belangrijke zaak. Ook wij zeggen van ganser harte: dit gaat mij boven alles, als Uw Naam maar geëerd en geprezen wordt. Alle andere dingen komen voor mij op de tweede plaats.
Vervolgens werkt de Heere Jezus uit, hóe dan de Naam van Zijn Vader geëerd wordt, namelijk doordat Zijn heerschappij op aarde gevestigd wordt. Daarom leert Hij ons bidden om de komst van Gods Koninkrijk. In het paradijs waren wij onderdanen van God. Door te luisteren naar de verleiding van satan zijn wij opstandelingen en Konings-moordenaars geworden. Nu zijn wij afvalligen en rebellen en moeten we opnieuw met God verzoend worden, onze nek onder Zijn heerschappij buigen. Dat is de bede die Jezus ons leert: Heere, geef ons toch dat wij onder Uw heerschappij buigen. Dat wij hoe langer hoe meer ons aan U overgeven om door U geregeerd te worden.
De vraag komt naar mij toe: wil ik dat ook? Begeer ik dit net zo sterk als Jezus het ons voorzegt?
En zo gaat het met al de beden van het ‘Onze Vader’: steeds weer stelt Gods Zoon aan de orde wat we mogen en moeten bidden. Steeds weer onderwijst Hij ons in de inhoud van ons gebed. Wat is het een groot voorrecht als onze verlangens zijn afgestemd op de Zijne. Dat we net zoals Hij het voorzegt, het ook van ganser harte nazeggen. Wat is het een voorrecht om werkelijk erom bekommerd te zijn dat God geëerd wordt, dat Zijn koningsheerschappij over het rond der aarde erkend wordt ─ te beginnen in ons eigen hart en gezin ─ en dat Zijn wil onvoorwaardelijk en in liefde gehoorzaamd wordt. Dat we niet meer onze begeerten en verlangens laten doorklinken, ook niet als we vragen om wat nodig is voor het onderhoud van ons broze, lichamelijke bestaan: eten, drinken, kleding, gezondheid, werkgelegenheid. En niet minder geldt dat ook, wanneer we ernstig bezet zijn met de bede om vergiffenis van al onze zonden. Dat we daarbij maar één bedoeling hebben: Gods Naam eren.
De eerste bede van het ‘Onze Vader’ bepaalt de gezindheid van ons hele bidden. Die eerste bede leert ons te zien wat het doel is van al die andere gebeden.
Ik zal een voorbeeld geven. Als we bidden om ons brood, moet het ons niet te doen zijn om ons eten, maar om Gods eer. Hoe dan? Op twee manieren. In de eerste plaats: als we bidden, belijden we onze afhankelijkheid en Gods goedheid. We kunnen zelf niets, we kunnen geen korenaar laten groeien. We belijden ook, dat we volledig op God vertrouwen wat betreft de instandhouding van ons vergankelijke lichaam en dat we niet vertrouwen, ook voor het minste niet, op mensen of dingen om ons heen. Al maken we gebruik van allerlei dingen, toch is er het sterke bewustzijn dat God alleen de kracht en het nut eraan geeft!
Ten tweede vragen we om eten, niet om daardoor verder te kunnen zondigen, maar om daardoor tot eer van God te kunnen leven. We eten niet om te leven en we slapen niet zonder doel, maar eten en drinken en trouwen en slapen en leren en ons ontspannen is er allemaal om des te meer God te kunnen eren. Als dat niet het hoogste doel is, doen we het verkeerd!
Dus: waarom eet u? Waarom kleedt u zich? Waarom werkt u? Waarom neemt u een dag vrij? Uiteindelijk zijn al die dingen maar op één doel gericht: dat God geëerd zou worden. Ja, dat geldt ook van geld. Ik werk niet om geld te verdienen (nog veel minder om rijk te worden en mij in overdaad te baden), maar ik werk om God te dienen, te eren, te gehoorzamen. Ik werk, omdat God het mij gebied. En het geld dat ik voor mijn werk krijg? Dat is voor God en Zijn dienst! Daarvan onderhoud ik mijn broze bestaan, daarvan onderhoud ik mijn gezin, daarvan onderhoud ik Gods kinderen, daarvan steun ik de zaak des Heeren op deze aarde.
Ten slotte komt aan het einde van het voorbeeldgebed dat Jezus aan Zijn jongeren voorhoudt de lofprijzing: voor eeuwig is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid van U. Daarmee prijzen en loven wij God en spreken we ons vertrouwen in onze goede Koning en trouwe Vader nog een keer uit, tot versterking tegen alle mogelijke twijfel. U moet rekenen: als het gebed gebeden is, zijn er veel redenen tot twijfel. In de eerste plaats de grootheid van de zaak die ik heb gebeden. Ten tweede de macht van vijanden en tegenstand in de wereld om ons heen. Ten derde en als ergste de onwaardigheid en verkeerdheid in mij, de bidder! Hoe zou God al deze dingen kunnen geven, mijn gebed kunnen verhoren? Er is reden te over om aan de verhoring te vertwijfelen. Maar nee, nu eindigen wij het gebed met te betuigen dat God Koning is, dat Hij machtig is en dat het Zijn eer is om een Hoorder der gebeden te zijn.
Kunt u niet bidden? Weet u niet wat of hoe u bidden moet? We mogen het aan de Heere vragen om te leren bidden. God is daartoe machtig. Hoe groot is het om smekeling aan Zijn troon te zijn, vertrouwend op Hem in Zijn macht en goedheid. Hoe groot is het om in alles Zijn eer te bedoelen!
