God leidt de Zijnen vaak door diepe wegen.
En toch lacht hen een blijde toekomst tegen!
Eén blik daarop geeft hun weer nieuwe moed.
Wanneer de Heere hier iets van doet smaken
Dat Hij eens alle dingen nieuw zal maken,
Dan klinkt hun lied: “Wat is de Heere goed!”
* * *
Hij bracht hen geest’lijk uit de dood tot leven.
De oude mens is wel in hen gebleven,
Maar toch: dat nieuwe leven sterft niet meer.
Wel moeten ze steeds weer met smart belijden,
Dat d’ oude mens zo sterk is in het strijden,
Zodat z’ in zonde vallen telkens weer.
* * *
En toch, hoe lang dit nog zal kunnen duren,
De Heere weet het en Hij telt de uren:
Straks breekt voor hen het uur van sterven aan.
Dan is de oude mens voorgoed verslagen,
Dan wordt hun ziel door engelen gedragen,
Om zonder zonde voor Gods troon te staan.
* * *
Dan zullen zij met al de hemelingen
Tot eer van God Drie-enig eeuwig zingen.
De Vader had hen lief van eeuwigheid;
De Zoon heeft, naar Zijns Vaders welbehagen,
Voor hen de schuld en straf volmaakt gedragen;
Gods Geest heeft hen bearbeid in de tijd.
* * *
“Zie, Ik maak alle dingen nieuw”, die woorden,
Die d’ oren van Johannes eenmaal hoorden,
Zijn ook vandaag tot troost van ‘s Heeren kerk.
Nieuw maakt de Heere God straks alle dingen!
Dan zullen al Zijn lievelingen zingen,
Hem prijzend voor ‘t door Hem voltooide werk!
