De poort is nauw, de weg is smal ─
Een diept’ aan beide zijden.
O zeg het, mijne ziel, wie zal ─
U van de dood bevrijden?
U dreigen machten van rondom ─
Die naar uw afval haken;
hier roept de wereld: “Ziele, kom! ─
En leef in mijn vermaken.”
Ginds legt de duivel klem en strik ─
En netten voor uw voeten,
Opdat in ieder ogenblik ─
Het kwaad u zou ontmoeten.
Weer elders lokt de eigen lust ─
Om van de Heer’ te wijken.
O ziele, zeg, waar vindt gij rust ─
Wie hoedt u voor bezwijken?
Gij Heere, Gij behoudt mijn ziel ─
Gij hebt haar uitverkoren;
Schoon zij ook vele malen viel ─
Toch gaat zij niet verloren.
Uw schapen zijn in Uwe hand ─
Geen macht kan z’ U ontroven.
Gij schonk m’ Uw Woord als onderpand ─
Doe dát mij steeds geloven.
