Ik wou dat de kerk weer de kandelaar was – die ‘t licht van Gods heiligheid droeg.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas – en God om vergiffenis vroeg.
Ik wou dat de kerk weer het vuurbaken was – dat ieder de weg wees naar Huis.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas – en ‘t licht wierp op Golgotha’s kruis.
Ik wou dat de kerk weer de vissersboot was – die mensen zou vangen voor God.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas – en deed naar Gods grote gebod.
Ik wou dat de kerk weer de Koningsstad was – heel hoog op de bergen gebouwd.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas – en ‘t Woord bracht door God haar betrouwd.
Ik wou dat de kerk weer het ‘wereldlicht’ was – zo helder, zo vrolijk en blij.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas – de kerk?… Maar de kerk, dat zijn WIJ.
