Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
1)1. EEn Psalm Davids, voor den Opper-sangmeester, op de Gitthith.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Om de glorie van Gods genade voor mensen te prijzen
- looft de profeet eerst Zijn glorie in de werken van schepping en voorzienigheid, die de mond van alle God lasterende atheïsten kunnen stoppen, vers 2-3;
- in de tweede plaats looft hij de liefde van de Heere tot de mens boven alle andere, zelfs de meest glorieuze, schepselen, vers 4-5;
- ten derde stalt hij deze genade van God voor mensen uit in de vleeswording, vernedering en verhoging van Christus omwille van de mens, en om verloste mensen in Christus te herstellen in hun rechten op en over de zichtbare schepselen, vers 6-9;
- en hij besluit de Psalm met de lof van Gods glorie over heel de aarde, vers 10.
2. ô HEERE, onse Heere, hoe heerlick is uwen Naem op de gantsche aerde! die ghy uwe Majesteyt gestelt hebt boven de hemelen.
3. Uyt den mont der kinderkens, ende der suygelingen, hebt ghy sterckte gegrontvest om uwer tegenpartyen wille; om den vyant ende wraeck-gierigen te doen ophouden.
Leer uit de bewondering van Gods glorie in de werken van schepping en voorzienigheid:
- De godvrezenden worden niet altijd door moeite neergedrukt. Soms hebben zij vrijheid om te gaan en zich te vermaken in het aanschouwen van Gods glorie en goedheid voor hen, zoals heel de Psalm toont.
- De verborgenheid van Gods glorie in Zijn werken van schepping en verlossing is zodanig, dat niemand, behalve het geestelijk door Zijn Geest verlichte oog dit kan zien. En die het ziet, kan niet anders dan er opgetogen door worden, wanneer hij het onderscheidt. En niemand kan het voldoende begrijpen of tenvolle in zich opnemen, dan God Zelf. Daarom richt de profeet in heel de Psalm zijn rede vol verwondering geheel tot de Heere.
- De glorie van de Heere wordt in de tijd dat zij Zijn Majesteit prijzen zeer zoet voor de godvrezenden wanneer zij bedenken dat ze zelf deel hebben aan Hem als hun eigendom. Daarom zegt hij: o HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam!
- Er zijn geen woorden te vinden om de glorie van de Heere uit te stallen, niet alleen zoals ze in zichzelf is, maar ook zoals ze aan een geestelijk verstand wordt geopenbaard. Daarom moet hij in verwondering uitroepen: hoe heerlijk is Uw Naam!
- De hemelen en de hemelse lichten die van boven schijnen, spreken veel over Gods glorie, maar in wezen is Zijn glorie groter dan zij kunnen tonen, want Zijn glorie is gezet boven de hemelen.
- Al is het dat de glorie des Heeren de wereld vervult, toch heeft Hij vijanden van Zijn glorie, namelijk onheilige en God-loze mensen, atheïsten, epicureërs [die Gods voorzienigheid ontkennen, WP] en vervolgers van Zijn volk en waarheid. Want hier is sprake van vijanden en wraakzuchtigen, die lasterlijke monden openen tegen Hem en Zijn volk, alsof God en Zijn volk hen hadden beledigd.
- Niet alleen Gods voorzienigheid bij pasgeboren baby’s – door hen in de moederschoot te vormen en hen van voeding te voorzien wanneer ze zijn geboren en hen de borst te doen zuigen –, maar ook door sommigen van hen in hun jonge jaren zaligmakende kennis te geven, is in staat om alle atheïsten en goddeloze verachters van de glorie des Heeren te weerleggen, want uit de mond van kinderen en zuigelingen heeft Hij sterkte gegrondvest, of een sterke overtuiging, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden en hem tot zwijgen te brengen, Mattheüs 21 vers 16.
4. Als ick uwen hemel aensie, het werck uwer vingeren, de mane, ende de sterren, die ghy bereydt hebt;
5. Wat is de mensch, dat ghy sijner gedenckt? Ende de sone des menschen, dat ghy hem besoeckt?
Leer van zijn verwondering over Gods aandacht en liefde voor de mens boven alle andere schepselen:
- De zwakheid en onwaardigheid van de mens – zowel op zichzelf beschouwd als vergeleken met Zijn glorieuze schepselen gemaakt voor zijn gebruik – prijzen Gods gulheid voor de mens en maken deze een zaak van grote bewondering. Want wanneer de profeet de glorieuze hemelen enz. overdenkt, vraagt hij: wat is de mens enz.
- Van alle schepselen wordt de mens door God het hoogst geschat en het meest verzorgd, want Hij denkt aan hem en bezoekt hem dagelijks.
6. Ende hebt een weynich hem minder gemaeckt dan de Engelen, ende hebt hem met eere ende heerlickheyt gekroont?
7. Ghy doet hem heerschen over de wercken uwer handen; ghy hebt alles onder sijne voeten gesett:
8. Schapen ende ossen, alle die; oock mede de dieren des velts,
9. ’Tgevogelte des hemels, ende de visschen der zee; ’tgene de paden der zeen doorwandelt.
In de derde plaats beschouwt hij de mens in zijn schepping voor de zondeval, en zoals hij in Christus, zijn Hoofd (Die God in het vlees is, vernederd en verhoogd omwille van de mens na de zondeval), is hersteld tot wat hij verloor door de zondeval. Leer hieruit:
- Zie de mens in zijn schepping: God heeft hem namelijk, in orde van waardigheid, de plaats gegeven boven alle zichtbare schepselen, net onder de hemelse engelen: Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen.
- Zie de mens na zijn val, door Christus hersteld op zijn plaats: op dit punt is hij bevestigd in die waardigheid om direct na de glorieuze engelen te zijn: Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen.
- Zie de mens in ons Hoofd Christus Jezus, God in het vlees: daar is de mens wonderlijk verhoogd in dit opzicht dat uit achting en liefde voor de mens de Man Christus, werkelijk God, werd vernederd tot de kruisdood. En in deze zin neemt de apostel in Hebreeën 2 vers 7 en 9 deze plaats: Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen vanwege het lijden des doods.
- Zie de mens in Christus Jezus na Zijn opstanding en in Zijn verheerlijking: God heeft hem met eer en majesteit gekroond.
- Het is geen kleinigheid van de verwaardiging voor de mens, dat alle gelovigen door Christus deze aanspraak op erfgenaamschap hebben, met het wettige gebruik en het bezit van de schepselen, aan hem teruggegeven en hersteld: Gij doet hem heersen over de werken van Uw handen.
- Zoals er niets is dat de mens goede dienst kan doen waar God hem in en door Christus geen heerschappij over heeft verleend, zo is er niets dat hem kan beschadigen, of Hij heeft het onder Christus’ voeten en, in en door Christus, onder de voeten van de gelovigen gesteld, namelijk zonde en satan, en al onze vijanden, en de dood, de laatste vijand: Hij heeft alle dingen aan zijn voeten onderworpen, zoals de apostel concludeert in 1 Korinthiërs 15 vers 26-27 [De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. Want Hij heeft alle dingen aan zijn voeten onderworpen].
- Christus zal Zijn koningschap dat Hij in Zijn gemeente en over al haar vijanden heeft, niet neerleggen, voordat Hij alle heerschappij en macht en kracht tegen Hem en Zijn gemeente heeft neergeworpen en alle vijanden onder Zich heeft onderworpen. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij alle dingen onder Zijn voeten zal gelegd hebben, zoals de apostel opmaakt, 1 Korinthiërs 15 vers 25.
- Niets is uitgezonderd of ontheven van het onderworpen zijn aan Christus als mens, nee, ook niet de heilige engelen (die gedienstige geesten zijn gemaakt, om gelovigen te dienen), behalve God, Wezenlijk beschouwd, Hij alleen is uitgezonderd. Want Hij heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat aan Hem alle dingen onderworpen zijn, dan is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die aan Hem alle dingen onderworpen heeft, zoals de apostel uit deze plaats bewijst, 1 Korinthiërs 15 vers 27.
10. ô HEERE, onse Heere, hoe heerlick is uwen Naem op de gantsche aerde!
Hij sluit de Psalm af, zoals hij hem begon, met verwondering. Leer hieruit:
- De lof van onze Heere en de uitnemendheid van ons verbondsrecht en aandeel in Hem zijn het waard om keer op keer te worden overwogen, en dat God wordt uitgeroepen als Heere van ons, die Hij tot zulk een hoge heerschappij heeft verheven. Daarom wordt dit vers herhaald.
- Wanneer iemand is begonnen enige redenen te geven van zijn verwondering over de glorie van God, geopenbaard in heel de wereld en speciaal in Zijn gemeente, moet hij toch van de volledige ontvouwing van deze glorie afzien en moet hij afsluiten, zoals hij begon, met zich nog steeds te verwonderen. Zoals dezelfde uitroep van verwondering voor de uitnemendheid van Gods glorie de Psalm afsluit zoals hij begon: O HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!
