Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
1)1. EEn onderwijsinge Davids: voor den Opper-sang-meester.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
2. Als Doëg de Edomiter, gekomen was, ende Saul te kennen gegeven, ende tot hem geseyt hadde: David is gekomen ten huyse van Achimelech.
Het doel van de psalmist is om te laten zien dat Doeg, zijn vijand, geen reden had om te roemen in de gunst van het hof, gekocht door zijn valse en wrede lasteringen tegen hem en de priesters des Heeren. Dit bewijst hij met vier redenen:
- ten eerste omdat Gods vriendelijkheid niet kon worden weggenomen door de wrede lasteringen van Doeg, vers 3;
- ten tweede omdat God Doeg uit de wereld zou uitroeien vanwege zijn goddeloze lasteringen, vers 4—7;
- ten derde, omdat Doeg tot een belaching en een spotzaak voor de godvrezenden zou worden gemaakt, vers 8,9;
- ten vierde, omdat ondanks zijn boosaardigheid, David gezegend moest worden als een gelovige in God, en een ware aanbidder van Hem, vers 10;
- waarna hij besluit met lof aan God, vers 11.
Leer van het opschrift:
- Het is geen nieuw beleid van slechte mensen om aan het hof en in de gunst van de vorsten groot te zijn door de godvrezenden te belasteren en het ongenoegen van de vorsten tegen hen te voeden; want Doeg klom vroeger op deze manier het koninklijke hof in.
- Zulke praktijken zijn het meest geschikt voor valse broeders; want deze Doeg is een Edomiet, van het nageslacht van Ezau.
- Wanneer goddelozen aan de macht en in het gevlei komen bij koningen vanwege hun vijandigheid tegen Gods volk, is het een benauwde beproeving en een pijnlijke verleiding voor de godvrezenden, zoals hier in Davids geval met Doeg te zien is.
- In dit geval is er niets zo nodig als naar God te gaan voor aanwijzing en troost. Want zo deed David en hij kwam terug met een psalm van instructie voor zichzelf en anderen.
- Het is geen voordeel voor een kwaadwillige lasteraar om te doen alsof hij niets anders dan de waarheid vertelde, en niet méér vertelde dan wat hij zag. Want het is waar dat David naar het huis van Achimelech kwam, maar het vertellen hiervan aan Saul bracht veel kwaad in de zaak, namelijk al het kwaad dat gebeurde. En dit alles wordt aan Doeg verweten, ervan uitgaande dat hij niet méér heeft gezegd dan hier wordt uitgedrukt, dat wil zeggen, dat hij Saul vertelde: David is naar het huis van Achimelech gekomen.
3. Wat roemt ghy u in’t quade, o ghy geweldige? Godts goedertierenheyt [duert doch] den gantschen dach.
David spreekt Doeg aan op het zinloze van zijn roem, dat hij nu zo’n machtig man was gemaakt, voor zijn slechte dienst bewezen aan de dienaren des Heeren. En hij wijst zijn dwaasheid af, omdat hij de vriendelijkheid van God niet zo gemakkelijk van de godvrezenden kon wegnemen als hij hun goede achting van hen zou kunnen stelen van onder de mensen. Leer hieruit:
- Voorspoed en succes volgend op een goddeloze gang, verbergen voor de zondaar de zonde en het kwaadaardige dat erin zit; zoals we hier zien, hoe de gunst die de dwaze Doeg aan het hof vond voor zijn belasteren van David en de priesters des Heeren, hem opblies.
- Er is weinig reden voor een goddeloze om te roemen in zijn goddeloosheid, welke winst of bevordering het hem ook brengt, want na onderzoek zal hij geen reden kunnen geven voor zijn lege roem: waarom roemt u op uw onheil, o sterke man?
- Hoewel de goddelozen denken dat God Zijn eenvoudige en zwakke dienaren vergeet, toch is het niet zo. En hoewel de Heere de oefening van de godvrezenden verandert, en hun voorspoed verandert in tegenspoed, toch verandert Hij niet Zijn genegenheid voor hen. Die blijft voor altijd vast, hoe het ook kan schijnen voor de vleselijke toeschouwer van de omgang van de Heere met Zijn volk: de goedheid van God blijft voortdurend bestaan.
- Zolang Gods onveranderlijke goedheid voortduurt, hebben de goddelozen geen reden om over de godvrezenden te juichen, ook hebben de godvrezenden geen reden om te bezwijken of ontmoedigd te zijn, want deze goedheid van God plaatst David tegenover zowel het opscheppen door Doeg als zijn eigen aanvechting: de vriendelijkheid des Heeren blijft altijd bestaan.
4. Uwe tonge denckt enckel schade: als een geslepen scheermes, werckende bedroch.
5. Ghy hebt het quade liever dan het goede: de leugen, dan gerechticheyt te spreken, Sela!
6. Ghy hebt lief alle woorden van verslindinge, [ende] eene tonge des bedrochs.
Het volgende argument om de dwaasheid van Doeg te weerleggen, is, omdat deze wrede laster Gods wraak op Doeg zou brengen en hem uit alle geluk zou uitroeien; en hier plaatst hij eerst zijn aanklacht-lied in deze drie verzen, voordat hij zijn ondergang uitspreekt, vers 7. Leer hieruit:
- Wanneer de tong wordt misbruikt, is ze een wereld van goddeloosheid, die de wereld in vuur en vlam zet, zoals zij zelf door satan in brand wordt gestoken uit de hel. Want wat voor onheil de duivel ook kan influisteren, of een goddeloos hart kan bedenken, de tong zal ervoor dienen om daar lucht aan te geven. Daarom wordt de tong beschuldigd van het bedenken van onheil: uw tong bedenkt onheil.
- Het glad vervoeren van een goddeloos plan verbergt niet het gemene ervan voor Gods ogen, ook verzacht het niet iemands schuld, maar het helpt het gemene juist sluwer en krachtiger: als een scherp scheermes, dat bedrieglijk werkt.
- Wanneer iemand niet méér vertelt over zijn naaste, dan wat kan dienen tot zijn schade en nadeel, en wanneer hij nalaat dát deel van het verhaal te vertellen dat de onschuld van de man duidelijk zou kunnen maken, of een juiste constructie van zijn daden zou kunnen geven (al zou dat deel van het verhaal dat verteld is, waar zijn áls de rest van het verhaal erbij verteld was), maar als dát alleen wordt verteld alsof het de volledige geschiedenis is, dan is het kwaad, het is een valse leugen. Het is een moordende en verslindende spraak en vol bedrog, en laat zien dat de spreker, tenminste op dit punt, iemand is als Doeg, tegen wie David zegt: jij hebt het kwade meer lief dan het goede, en liegen liever dan gerechtigheid te spreken; jij hebt alle verslindende woorden lief, o bedrieglijke tong!
- Des te meer plan, overleg en hartstocht er in een zonde is, des te zwaarder is de schuld, en des te juister is de aanklacht. Dat Doeg onheil bedenkt, dat Doeg het kwade kiest en niet het goede; dat hij voor liegen kiest en niet voor gerechtigheid; dat hij deze slechte en alles verslindende woorden liefheeft, maken zijn oordeelslied het meest beangstigend.
7. Godt sal u oock afbreken in eeuwicheyt: hy sal u wechrapen, ende u uyt de tente uytrucken: ja hy sal u uytwortelen uyt den lande der levendigen, Sela!
Nu volgt zijn vonnis. Leer hieruit:
- Zoals een goddeloze het middel is om tijdelijke vernieling over de godvrezenden te brengen, zo is hij ook het middel om eeuwige vernieling over zichzelf uit Gods hand voort te brengen: God zal u ook voor altijd vernielen.
- Wie zich wil vestigen, zichzelf wil vergroten, in de aarde wil wortelen en zijn positie in de wereld wil verlengen, door verkeerde middelen; en in het bijzonder, door de godvrezenden en hun goede naam en zaak te beschadigen, zal ervaren dat de uitkomst totaal tegengesteld zal zijn aan zijn verlangen, opzet en verwachting, zoals Doeg meemaakte, wiens vonnis vernietiging was voor zijn kwade overtredingen aan het hof gedaan tegen David en de dienaren van de Heere: God zal je wegnemen en je uit je woonplaats plukken en je uit het land der levenden uitroeien.
8. Ende de rechtveerdige sullen’t sien, ende vreesen: ende sy sullen over hem lacchen, [seggende]:
9. Siet den man, [die] Godt niet en stelde tot sijne sterckte, maer vertrouwde op de veelheyt sijns rijckdoms: hy was sterck geworden door sijn beschadigen.
Het derde argument om Doegs ijdel gepoch te weerleggen is dat zijn wijsheid belachelijke dwaasheid zal blijken, en dat zijn gepoch zijn schaamte en schande zal zijn. Leer hieruit:
- De opmerkelijke vijanden van Gods kinderen en dienaren mogen verwachten dat ze opmerkelijk gestraft zullen worden, en dat zij die hun zonde zagen, ook Gods wraak op hen zullen zien: de rechtvaardigen zullen het zien.
- Zoals de godvrezenden de enige wijze waarnemers zijn van Gods werk en de bedeling van Zijn genade en gerechtigheid; zo zijn zij ook de enige personen die daardoor geestelijk voordeel behalen: de rechtvaardigen zullen het zien en vrezen.
- Zoals het goede van godsvrucht door de godvrezenden wordt gezien en gevoeld in hun eigen ervaring van Gods zegen op henzelf, zo wordt het ook gezien en waargenomen in het tegenovergestelde kwaad dat de goddelozen overkomt: zie, dit is de man die God niet tot zijn Sterkte maakte, zeggen zij, maar vertrouwde op de overvloed van zijn rijkdom en die zich versterkte in zijn goddeloosheid.
10. Maer ick sal zijn als een groene olijf-boom in Godes huys: Ick vertrouwe op Godts goedertierenheyt eeuwichlick ende altoos.
Het vierde argument voor de weerlegging van het dwaze opscheppen van Doeg is: “Omdat ik”, zegt David, “zal bloeien in Gods gunst, ondanks Doeg.” Leer hieruit:
- Wat de godvrezenden ook kan overkomen door de boosaardigheid van hun vijanden, het zal hun geluk niet verminderen. Wanneer hun vijanden naar hun eigen vernietiging rennen, zal het goed zijn met de godvrezenden: zij kunnen ervan overtuigd zijn, want het voorbeeld van de psalmist moedigt hen ertoe aan: maar ik ben als een groene olijfboom.
- Zoals de olijfboom, geplant in een vruchtbare grond, vocht opzuigt, waardoor hij wordt gevoed en opgroeit: zo trekt de gelovige, geplant in de kerk, geest en leven van God door heilige verordeningen, waardoor hij opgroeit: ik ben als een groene olijfboom in het huis van God.
- De wijsheid van de godvrezenden en de grond van hun ware geluk is dit: zij maken grondig werk van hun eeuwige gelukzaligheid door geloof in God, en dit maakt hen als groene olijfbomen al de dagen van hun leven: want ik vertrouw op de goedertierenheid van God voor eeuwig en altijd wordt hier aangegeven als reden van zijn gelukkige groei in het huis van God.
11. Ick sal u loven in eeuwicheyt, om dat ghy’t gedaen hebt: ende ick sal uwen Name verwachten, want hy goet is voor uwe gunst-genooten.
Vertroost sluit hij de psalm af, met het besluit om God te prijzen en op Hem te steunen. Leer hieruit:
- Een overwinning op verzoekingen verkregen door geloof, is zeer glorieus, want geloof maakt iemand zo zeker van wat komen gaat, alsof het al volbracht was, en vult hem met lof voor de zekere hoop op het nakomen van beloften: ik zal U voor altijd loven, zegt David, omdat U het gedaan hebt.
- Geloof dat grondig bevestigd is, brengt hoop en stille verwachting voort van wat is beloofd: ik zal op Uw Naam wachten.
- Zoals het christelijke geduld van een van de heiligen een zaak is van goed voorbeeld en grote aanmoediging voor al de anderen die het aanschouwen, zo moet de overweging van het goede dat erin kan zijn voor anderen die getuigen zullen zijn van ons geduldig wachten op God, ons aansporen tot deze plicht van geduldige hoop op God: ik zal op Uw Naam wachten, want dat is goed voor Uw heiligen.
