Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
1)1. EEn Psalm Davids, , voor den Opper-sang-meester.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
2. Doe de Prophete Nathan tot hem was gekomen, na dat hy tot Bath-Seba was ingegaen.
De psalmist bidt in het verdrietige besef van zijn schuld, om vergeving van zonden, met zijn oog op de grote genade des Heeren, vers 3—4, en vervolgt zijn smeekbede met een diepe en hartelijke belijdenis van zijn zondigheid, vers 5—8.
Hij bidt de tweede keer om vergeving van zonde, met een oog op het bloed van de Messias, vers 9, en vervolgt dit met een andere smeekbede om zijn gekwelde geest te troosten, vers 10.
Hij bidt de derde keer om vergeving van zonden, vers 11 en vervolgt dat met een nieuwe smeekbede om hernieuwde troost van de Heilige Geest, en om de gevoelde toorn te verwijderen, met een belofte om hiervan gebruik te maken, tot de opbouw van Gods volk, v. 12—15.
Hij bidt voor de vierde keer om vergeving van zonde, namelijk van die specifieke zonde waarmee zijn geweten voor het ogenblik het meest verontrust was, vers 16; en hij vervolgt het met een andere smeekbede om hem geschikt te maken voor een meer geestelijke en oprechte manier om God hierna te dienen, waarbij hij afstand doet van alle vertrouwen op de uitwendige ceremonieën van de wet, vers 17—19.
En als laatste bidt hij om genade voor de kerk, vs. 20—21.
Leer van het opschrift
- Hoe snel de meest gedode lust kan worden aangestoken en als een vuur in de sintels kan uitbreken wanneer het buskruit ontmoet; hoe zwak de sterksten der heiligen in zichzelf zijn, wanneer zij in de verleiding komen om te zondigen; en hoe nodig het is dat hij, die staat, zorg draagt om niet te vallen. Want de heilige profeet, de zoete zanger van Israël, is hier vreselijk verontreinigd door tot Bathseba in te gaan.
- Hoe vast in zondeslaap kan zelfs de meest waakzame wachter vallen, en dat hij helemaal niet van zichzelf kan ontwaken, totdat God in Zijn genade (Die in liefde voortvluchtigen achtervolgt) door enige middelen van Zijn eigen keuze, zijn geweten opwekt, zoals hier wordt bewezen in het geval van de psalmist, die nog steeds gerust in zijn zonde lag totdat Nathan de profeet tot hem kwam.
- Hoe getrouw dienaren in hun eigen ambtsbediening horen te zijn, de zonde bestraffend, zelfs van de meest voorname personen, wanneer God hen daartoe roept, en hoe aanvaardbaar hun bestraffing moet zijn voor het oprechte hart: zoals – nu Davids ziener, Nathan de profeet, tot David komt en hem berispt na de openlijke bekentenis van zijn zonde, en David zijn ambtsuitvoering accepteert, en de eervolle vermelding van zijn trouw hier – ons leren.
- Hoe weinig een ware boetvaardige aarzelt om tot schaamte van zichzelf (zijn zonde te belijden), wanneer zijn zonde God heeft onteerd, en hij ziet dat de belijdenis ervan God kan verheerlijken; en hoe ver de schrijvers van de Heilige Schrift verschillen op dit punt van de schrijvers van menselijke geschiedenissen, zoals David, in het opschrift van deze psalm, bewijst.
3. Zijt my genadich, o Godt, nae uwe goedertierenheyt: delcht mijne overtredinge uyt, nae de grootheyt uwer barmherticheden.
4. Wascht my wel van mijne ongerechticheyt: ende reynicht my van mijne sonde.
Leer van deze eerste gevoelvolle smeking om vergeving van zonden:
- Zoals het geweten, totdat het door God wakker is gemaakt, niet kan bevatten hoe onaangenaam de zonde voor God is; hoe het Zijn toorn verdient, en hoe ondraaglijke last het voor de zondaar is, wanneer hij ervan beschuldigd wordt; zo ook, nadat het geweten is ontwaakt, kan het geen toevluchtsoord zien totdat het overweegt dat genade bij God kan worden ontvangen, en dan: hoe meer het door de wet of de angst voor toorn wordt gedrongen, hoe meer het Gods genade zoekt, zoals we hier zien: wees mij genadig, o God.
- De overweging van de liefderijke goedheid des Heeren en Zijn bereidheid om de zondaar die tot Hem komt, te vergeven, moet de zondaar (hoe erg zijn belediging ook maar is geweest) ervan weerhouden om van Hem weg te lopen, ja, moet hem hoop geven om genade te ontvangen, wat ook zijn tekortkomingen zijn: wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw liefderijke goedheid.
- Zonde is een schuld die een mens verplicht tot een boete die hij niet kan betalen; maar ze moet vergeven worden, anders vergaat hij, zoals delg mijn zonden uit beduidt.
- Alle twijfels die voortkomen uit de veelheid van zonden die eerder al zijn vergeven, en uit het misbruik van vele weldaden die al zijn ontvangen, en uit de diepe onwaardigheden van vele gruwelijke zonden, zijn opgelost, wanneer Gods liefderijke goedheid en de veelheid van genade van God tegengesteld worden aan deze twijfels en angsten, en in de weegschaal ertegenover worden gesteld: in overeenstemming met Uw liefderijke goedheid, in overeenstemming met de veelheid van Uw tedere barmhartigheden, wis mijn overtredingen uit.
- Wanneer een heilige, die gerechtvaardigd is, iets doet tegen de wet van God, is zijn zonde, in plaats van verzacht of minder gemaakt, integendeel des te meer vermenigvuldigd, en wordt bevonden een veelheid van zonden in zich te hebben, wanneer ze recht wordt overwogen: wis uit, zegt hij in het meervoud, mijn overtredingen.
- Zoals zonde iemand bindt aan de straf, totdat hij vergeving ontvangt, zo verontreinigt ze hem ook en legt ze een verfoeilijke misvorming op hem, die zijn verlichte geweten niet kan aanzien zonder walging, totdat ze door vergiffenis en reiniging weggewassen is: was mij en reinig mij van mijn ongerechtigheid en mijn zonde.
- De vervuiling van de zonde gaat door al de krachten van de ziel en het lichaam, die daarvoor in dienst zijn geweest; door het gemoed, de wil, de genegenheden, de zintuigen, lichamelijk en alles; en niets kan de ziel hier tot rust brengen, tenzij ze vergevende genade vindt en heiligende genade die alle vuile voetstappen van de zonde volgt en die de vuiligheid ervan wegdoet: was mij grondig en reinig mij.
5. Want ick kenne mijne overtredingen: ende mijne sonde is steedts voor my.
6. Tegen u, u alleen, heb ick gesondicht, ende gedaen dat quaet is in uwe oogen: op dat ghy rechtveerdich zijt in u spreken, [ende] reyn zijt in u richten.
7. Siet, ick ben in ongerechticheyt geboren: ende in sonde heeft my mijne moeder ontfangen.
8. Siet, ghy hebt lust tot waerheyt in het binnenste: ende in’t verborgene maeckt ghy my wijsheyt bekent.
Hier doet hij belijdenis van zijn zonde en zondigheid, en verzwaart hij zijn schuld vanuit de wortel van de oorspronkelijke zonde, en onderschrijft hij al wat God in de Schrift heeft gezegd over de zondige aard van de mens en de verdiende straf, terwijl hij zichzelf aan God aanbeveelt voor de oprechtheid van zijn belijdenis. Leer hieruit:
- Wie genade en vergiffenis voor zijn zonde van God wil hebben, moet zijn zonde en schuld erkennen, en moet het eens worden met God en met het recht, tegen zichzelf. Want de psalmist geeft dit hier als reden van zijn hoop op vergiffenis: want ik erken mijn overtreding.
- Hoewel God aan een boetvaardige ziel de zonde heeft vergeven, en hoewel Zijn dienaren hem de vergeving hebben afgekondigd; toch zal het geweten het vonnis van de kwijtschelding niet uitspreken, maar de zonde nog steeds als onvergeven voorstellen, totdat God het door Zijn onmiddellijke aanduiding stilt; want nadat Nathan van de Heere David had verteld dat zijn ongerechtigheid vergeven was, ervaart hij nog steeds dat zijn geweten hem achtervolgt voor de schuld: mijn zonde is steeds voor mij.
- Het afscheiden van de schenking van vergiffenis ván de effectieve bekendmaking ervan aan het geweten, geschiedt in Gods wijsheid en genade met betrekking tot Zijn kind ten goede; want hier rijpt het berouw en brengt het deze diepe belijdenis voort: ik erken mijn ongerechtigheid, en mijn zonde is steeds voor mij.
- Het is het meest geschikt voor oprecht berouw om zich te richten op een bepaalde zonde, in de gemeenheid waarvan het kwaad van andere zonden kan worden opgenomen en betreurd: tegen U heb ik dit kwaad gedaan. Hij bedoelt het bijzondere waarvan Nathan hem beschuldigde in de zaak van Uria.
- Het materiële letsel en de pijn van een zondige daad kan zich op een schepsel uitwerken, maar de wezenlijke schuld van de daad is gericht op de wet of het bevel van God, en op Zijn soevereine autoriteit die de wet heeft gegeven: tegen U, U, heb ik gezondigd.
- Als de schade die aan het schepsel werd toegebracht, kon worden gescheiden van de belediging die God werd aangedaan, dan zou het geweten niet zozeer verontrust zijn over het eerste, als over het laatste. Of als de schade die God is aangedaan tegen zoveel verplichtingen, vergeleken wordt met de schade die het schepsel is aangedaan, dan is de schade die God is aangedaan, zo hoog dat die de beschuldiging omvat die het schepsel van zijn kant kan maken, en laat die het schepsel niets over om daarnaast nog te zeggen. Daarom zegt hij: tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en dit kwaad gedaan in Uw ogen.
- Al zou niemand verantwoording afeisen voor iets verkeerds gedaan door de één aan de ander, en in het bijzonder voor iets verkeerds gedaan door een prins of heerser aan een onderdaan, toch zal de Heere er verantwoording van afeisen, en de mens ertoe brengen om er rekenschap van af te leggen: tegen U, U alleen, heb ik gezondigd.
- Hoe stiekem de omstandigheden van een zondige daad ook worden verricht, zodat mensen de gemeenheid daarvan niet zien, toch is voor God de zaak duidelijk: ik heb dit kwaad gedaan voor Uw ogen, zegt hij.
- Wanneer het geweten op de rechte manier is gewekt tot het besef van de zonde, kan het alleen maar goedkeuren wat God heeft gezegd in Zijn Woord over de zondigheid van de mens en over de straf op de zonde, en over alles wat God heeft gedaan of zal doen in het straffen. Want David maakt deze diepe belijdenis van zonde tegen zichzelf, dat God gerechtvaardigd/goedgekeurd zal worden wanneer Hij spreekt, en rein zal zijn wanneer Hij oordeelt.
- Hoewel een aanmatigend mens niet zal terugdeinzen om God te onderzoeken, te beoordelen en een vonnis over Hem en over Zijn woorden en werken te vellen, toch zal niemand in staat zijn om een smet op God te leggen; maar elk geweten, wanneer het wakker is, zal de mens beschuldigen en God rechtvaardigen in al Zijn woorden en handelingen, zoals David hier gedwongen wordt zichzelf de schuld te geven: dat God gerechtvaardigd wordt wanneer Hij spreekt, en rein is wanneer Hij oordeelt.
- Omdat de oorspronkelijke zonde door natuurlijke voortplanting bij alle mensen hetzelfde is, daarom is ze ook uit de heiligste in dit leven niet weggedaan. En zoals deze zich blijkt te vertonen in de kinderen van God door daadwerkelijke overtredingen, zo moet het kwaad daarvan door hen ook worden erkend, en dat niet om hun zonde te verzachten maar om ze te verergeren, zoals David hier laat zien, zeggend: zie, ik werd gevormd in ongerechtigheid en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.
- Geen belijdenis van zonde, of enig ander onderdeel van Gods aanbidding, geeft rust aan de geest, of is aanvaardbaar voor God, behalve als het in oprechtheid en waarheid wordt gedaan; en wanneer het in geest en waarheid wordt gedaan, is het acceptabel voor God en geeft het aan het geweten rust. Zie, zegt David na zijn diepe belijdenis, U begeert waarheid in de binnenste delen.
- De minste werking van Gods genade in ons is het waard om te worden geobserveerd, erkend en gebruikt, als een bewijs dat God enig werk in ons heeft, waarin Hij behagen schept: zie, zegt David tegen God, U begeert, of geniet van, waarheid in de innerlijke delen.
- Wanneer iemand enige vonken van genade in zichzelf gevonden heeft, mag hij verwachten nog meer genade van God te vinden, zoals David, na deze genade-ervaring hem gegeven om een oprechte belijdenis van zijn zonde te doen, verwacht dat God hem op een krachtige manier meer wijsheid zal onderwijzen, of wijs gedrag in zijn ogen: in de verborgen delen zult U me wijsheid doen weten; dat wil zeggen: U zult mijn geweten nog onpartijdiger doen oordelen over mijn aangeboren zondigheid, en U zult mij leren om voorzichtiger voor U te wandelen, in het besef van mijn slechtheid.
9. Ontsondich my met ysop, ende ick sal reyn zijn: wascht my, ende ick sal witter zijn als snee.
10. Doet my vreuchde ende blijtschap hooren; dat de beenderen sich verheugen, [die] ghy verbrijselt hebt.
Hij bidt voor de tweede keer om vergeving van zonden, met zijn oog op het bloed van de Messias Christus, en voegt er een smeekbede aan toe tot troost van zijn gekwelde geest. Leer hieruit:
- Niet minder walgelijk dan melaatsheid is het zien van de zonde, wanneer die wordt beschouwd als onvergeven. En niets minder dan het bloed van Christus, afgebeeld door het bloed van de reine vogel, gedood om de melaatse te reinigen, kan iemand ervan zuiveren. Want David ziet op de manier van reiniging van de melaatse, zoals beschreven in Leviticus 14, waar twee vogels werden genomen en een ervan werd gedood. De levende vogel, gedoopt met hysop in het bloed van de gedode vogel, werd losgelaten om weg te vliegen, om van de melaatse zondaar de bevrijding van verdoemenis aan te duiden door het bloed van het reine offer van Jezus Christus: reinig mij met hysop, zegt hij.
- Welke toepassing van Christus’ bloed ook in de rechtvaardiging van zijn persoon aan iemand is geschonken, het verhindert niet, maar opent eerder de weg naar de hernieuwde daden van toepassing daarvan, zoals nieuwe zonden nieuwe schuld meebrengen: want hier bidt de gerechtvaardigde David om opnieuw met hysop gereinigd te worden.
- Vernieuwde daden van vergeving van zonden die door een nieuwe toepassing van de kracht van Christus’ bloed worden geschonken, reinigen het geweten van de schuld van de zonde, en maken de man vrij voor Gods rechtvaardigheid: zuiver mij met hysop, en ik zal rein zijn, zegt hij.
- Hoezeer ook vergeving van schuld om Christus’ wil niet is te scheiden van de toerekening van gerechtigheid om Christus’ wil, toch mogen deze twee worden onderscheiden en apart worden bekeken tot troost van de gelovige. Want terwijl David kijkt naar het wegnemen van de schuld van de zonde door de dood van Christus, zegt hij: zuiver mij met hysop, en ik zal rein zijn. En terwijl hij kijkt naar de toerekening van de gerechtigheid van Christus, of Zijn gehoorzaamheid tot de dood, zegt hij: was mij en ik zal witter zijn dan sneeuw. Nu, dat deze twee vertakkingen van genade te onderscheiden zijn, kan hieruit blijken, dat het één weldaad is om van de eeuwige pijn bevrijd te worden, (verondersteld dat een mens tot niet werd in zijn ontsnapping eraan) en om niet alleen bevrijd te zijn van eeuwige pijniging, maar ook gezegend te worden met de gave van het eeuwige leven, is een andere en een grotere weldaad. Dus, de bevrijding van de schuld van de zonde, in verband met het wegdoen van de straf, is één ding; en het toekennen van de gerechtigheid van Christus, in relatie tot het eeuwige leven, is een ander ding. En deze twee weldaden zijn beide gekocht door de volmaakte gehoorzaamheid van Christus tot de dood en worden voorgesteld in Leviticus 14. Want na de bevrijding van de melaatse uit de dood, voorgesteld en gesymboliseerd door het loslaten van de levende vogel gedrenkt in het bloed van de gedode vogel, wordt het aankleden van de melaatse met gerechtigheid voorgesteld en gesymboliseerd door het wassen van de man en hem schone kleren aan te trekken. Nu, het is niet de inklevende persoonlijke heiliging van de mens (die in eenieder gepaard gaat met veel vervuiling), die hem rein maakt, maar de toerekening van Christus’ gerechtigheid; dit maakt hem witter dan sneeuw.
- Al mogen we de verordeningen van God niet verwaarlozen, maar moeten we ze zorgvuldig gebruiken in gehoorzaamheid aan God en tot versterking van ons geloof, toch mogen we er niet op rusten, maar zoeken naar de betekenis, het wezenlijke en het doel ervan, namelijk Christus; zoals David hier volmaakte vergiffenis zoekt door het bloed van Christus en een volmaakte reiniging en wassing door Hem, onder de woorden zuivering met hysop en: wassen.
- Het verdriet en de kwelling die de zonde volgen en door een gewonde geest worden gevoeld, zijn groter, zelfs in de kinderen van God, in de tijd van hun berouw, dan ooit voor hen het genoegen van de zonde was, zoals David hier laat zien, die spreekt over zijn kwelling en gewonde geest, als over de meest pijnlijke ellende die het lichaam kan overkomen. Want door de beenderen die U gebroken hebt, bedoelt hij de kastijding van zijn geest door God toegebracht.
- Niets kan deze wond van de geest genezen, behalve de hand die ze heeft gemaakt. Niets anders dan Gods krachtdadige toepassing van Zijn Woord van genade en vergeving voor de schuldige zondaar kan het doen. Want David wil niet rusten in dat wat Nathan gesproken had, totdat God hetzelfde met kracht tot hem spreekt: doe mij vreugde en blijdschap horen.
- Zoals er geen smart zo diep is als het gevoel van Gods ongenoegen, zo is er ook geen vreugde zo verfrissend als de innerlijke troost van Gods Geest; want de gebroken beenderen van David zullen zich verheugen, als God vrede tot zijn ziel spreekt; doe mij vreugde en blijdschap horen, dat de beenderen, die U gebroken hebt, zich verheugen.
11. Verbercht u aengesicht van mijne sonden: ende delcht uyt alle mijn ongerechticheden.
12. Schept my een reyn herte, o Godt: ende vernieuwt in’t binnenste van my eenen vasten geest.
13. En verwerpt my niet van u aengesicht: ende en neemt uwen Heyligen Geest niet van my.
14. Geeft my weder de vreuchde uwes heyls: ende de vrymoedige geest ondersteune my.
15. So sal ick de overtreders uwe wegen leeren: ende de sondaers sullen sich tot u bekeeren.
Hij bidt voor de derde keer om vergeving van zonde, vers 11, en voegt daar een verzoek aan toe om zijn droevige toestand recht te zetten; ten eerste door vernieuwing van die genade die was verwelkt en als het ware verloren, voor zijn gevoel, vers 12; ten tweede door zijn verdiende en gevreesde scheiding van God en de gemeenschap met Zijn Geest te voorkomen, vers 13; ten derde door zijn vroegere genadige toestand te herstellen en te verlevendigen, en hem daarin te bevestigen door de Geest van aanneming, vers 14; en dan belooft hij er goed gebruik van te maken voor de vertroosting en de opbouw van andere zondaren, vers 15. Leer hieruit:
- Zonde is snel begaan en schuld en ellende worden snel meegetrokken, maar niet snel en gemakkelijk verwijderd. Heel wat geroep tot God kan er worden geuit, bij het gevoel van het ervaren ongenoegen van God en de angst voor meer en meer kwaad dat erop volgt, voordat de ziel er bevrijding van gevoelt; zoals deze vaak herhaalde smeekbede om vergeving, en de uitdrukkingen hier beschreven, duidelijk maken.
- Een ernstige gemoedsaandoening maakt frequente herhaling geen gebabbel, en wanneer datgene wat ons het meest drukt, door ons in ons gebed het meest wordt benadrukt, is het geen ijdele herhaling of nutteloze vermenigvuldiging van woorden, zoals hier te zien is.
- Zonde, gezien in haar eigen vorm, is een walgelijk gezicht voor God, en vreselijk voor de zondaar. Niets kan deze walgelijke aanblik verwijderen, tenzij de Heere ze vrijwillig vergeeft, en ze niet voor Zijn eigen aangezicht plaatst, om gestraft te worden in strenge rechtvaardigheid: verberg Uw aangezicht voor mijn zonden.
- Zoals één zonde het bewustzijn van vele andere zonden opwekt, zo kan ook niets het geweten geruststellen over een zonde, behalve wanneer zowel deze als alle andere zonden vergeven worden; daarom, zegt hij: delg al mijn ongerechtigheden uit.
- Een oprechte boeteling is niet minder verlangend naar vernieuwing en heiliging dan naar vergeving van zonden; want met neem weg mijn ongerechtigheden verbindt hij: schep in mij een rein hart en vernieuw een juiste geest in mij.
- Hoewel zonde tegen het geweten in een vernieuwd mens, het grondig verontreinigt en het werk van de Heilige Geest beschadigt, de sluisdeur van natuurlijke verdorvenheid opent, tot de vervuiling van de hele gesteldheid van een heilig hart, de weg opent naar, en het werk versterkt van, een boze en begoochelende geest; toch is geen beginsel van genade in de hernieuwde mens in staat om dit kwaad te verwijderen. Maar het verwijderen ervan moet gebeuren door het onmiddellijke werk van Gods eigen almachtige hand. Dit werk is niet minder dan een schepping. Daarom zegt hij: schep in mij een rein hart en vernieuw een rechte geest in mij; dat wil zeggen, het is niet in mijn macht mijn geweten en mijn verontreinigde hart te zuiveren of mijn perverse geest weer in een goede gesteldheid te plaatsen; maar Uw scheppende en vernieuwende kracht, die niets van het schepsel leent, moet het doen. Schep in mij duidt hierop.
- Hoewel een vernieuwde ziel niet geheel van God kan worden weggeworpen, of volledig kan worden beroofd van zaligmakende genade die hem ooit is geschonken; toch, als hij de Geest des Heeren bedroeft door brutaal te zondigen, kan zijn zekerheid dat hij in Gods gunst staat, sterk worden bedreigd, en kan hij bevreesd worden het bezit te verliezen van wat nog in hem is van het zaligmakende werk van Gods Geest, vooral wanneer hij bedenkt dat zijn belediging niets minder verdient uit Gods hand; daarom zegt hij: werp mij niet weg van Uw tegenwoordigheid, en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
- Niets is zo vreselijk voor een vernieuwde ziel, die soms Gods gunst heeft gevoeld en zeker was van de tegenwoordigheid van Zijn Geest, als om buitengesloten te worden van Gods gunst, en afgesneden van de gemeenschap van Zijn Geest, zoals dit gebed getuigt: werp mij niet weg, enz.
- Zoals een gelovige tot zekerheid van zijn eigen zaligheid kan komen, en, wanneer hij een goed geweten bewaart, zich daarin aangenaam kan verheugen; zo ook, wanneer hij merkt dat het genot van zonde voor hem deze vreugde heeft bedorven, dan kan hij niet stilletjes rusten totdat hij de zekerheid die hij had, weer ontvangt, en zijn gewone vreugde daarmee is verenigd: herstel voor mij de vreugde van Uw heil.
- De godvrezenden moeten door hun val hun eigen zwakheid leren erkennen, en dat zij de ondersteunende kracht van Gods Geest nodig hebben, en bedenken dat de banden van Zijn Geest die hen in orde en gehoorzaamheid houden, hun enige vrijheid zijn. Daarom voegt David, na het gebed om de vreugde van Gods heil aan hem terug te geven, uit vrees dat hij het opnieuw zou verliezen als hij aan zichzelf overgelaten zou worden, er een ander gebed aan toe: ondersteun mij met Uw vrije Geest.
- Zoals het doel van het zoeken naar genade voor onszelf zou moeten zijn, dat we in staat zullen zijn om God te verheerlijken en anderen te redden, zo bemoedigt het gevoelig ervaren van genade die gezocht is, iemand ook zeer om het werk te doen: dan zal ik de overtreders Uw wegen leren. Dan, dat is, wanneer de vreugde van Gods heil voor mij hersteld is, en ik enigszins bevestigd ben in de genade van God.
- Zoals de manier waarop God Zijn gerechtigheid handhaaft tegenover overtreders, en Zijn genade voor zelf-veroordeelde zondaren die tot Hem vluchten in Christus, vanuit de natuur niet bekend is aan zondaren, zolang zij op hun slechte weg verder gaan, of voordat ze krachtdadig geleerd zijn om beide te kennen; zo is ook niemand zo geschikt om die verborgenheid te onderwijzen en (mensen) ervan te overtuigen als degenen die door veelvuldige ervaring bekend zijn met de wegen van God: dan zal ik de overtreders Uw wegen leren.
- Het communiceren van de kennis en ervaring van Gods gerechtigheid en barmhartigheid, in overeenstemming met ieders plaats en roeping, is een goed middel om anderen te bekeren, die zulke dingen niet kennen: Ik zal anderen Uw wegen onderwijzen en zondaren zullen tot U bekeerd worden.
16. Verlost my van bloet-schulden, o Godt, ghy Godt mijns heyls: so sal mijne tonge uwe gerechticheyt vrolick roemen.
Hij bidt de vierde keer om vergeving van zonden, en in het bijzonder voor die vreselijke en bloedige overtreding in de zaak van Uria, die nu zijn geweten het meest verontrust. Leer hieruit:
- Wanneer het geweten, in het midden van verwarde beschuldigingen voor menigten van zonden, tot bijzonderheden overgaat, dan benadrukt het sommige details nauwkeuriger dan andere, naargelang het aan het werk is gezet, zoals hier de schuld in de zaak van Bathseba en Uria op David drukt: verlos mij van bloedschuld.
- Hoewel zonde in het begin aangenaam lijkt, wordt uiteindelijk ervaren dat ze een verslindende vijand is, waarvan niemand een ziel kan verlossen dan alleen God: verlos mij van bloedschuld, o God.
- Op de algemene gronden van het verbond van genade dat met ons is gesloten tot zaligheid door Christus, moet een ziel zoeken bijzondere genade te krijgen: verlos mij, o God van mijn heil.
- De gerechtigheid van God, die bestaat in de vergeving van de zonde en de toerekening van de gehoorzaamheid van Christus aan ons door het geloof, volgens de belofte van God, is de inhoud van onze vreugde en het lied van lof aan God. Dit lied kan een ziel die in slavernij is door ervaren schuldgevoelens, nauwelijks zingen, maar na de aangeving van vergeving zal ze het blijmoedig zingen: verlos mij van bloedschuld, dan zal mijn tong luid zingen van Uw gerechtigheid.
17. Heere, opent mijne lippen: so sal mijn mont uwen lof verkondigen.
18. Want ghy en hebt geenen lust tot offerhande, anders soud’ ickse geven: in brant-offeren en hebt ghy geen behagen.
19. De offerhanden Godts zijn een gebroken geest: een gebroken ende verslagen herte en sult ghy, o Godt, niet verachten.
Hij vervolgt deze vierde smeekbede om vergeving van zonden, met een verzoek om zijn hart te verwijden, en hem te voorzien van stof en bekwaamheid om God te prijzen; waarbij hij oprecht afziet van alle vertrouwen in uitwendige ceremonies van de wet, of in iets anders dat hij zou kunnen uitvoeren. Leer hieruit:
- Hoezeer trotse geesten ook denken dat ze alles kunnen doen wat ze willen in de dienst van God, toch weet een nederige ziel onder oefening, dat het God is Die zowel het willen als het doen geeft uit Zijn welbehagen. Zo iemand weet dat het hebben van genade een geschenk is en dat het in oefening brengen ervan opnieuw een geschenk is. Hij weet dat wanneer iemand de genade heeft gekregen om God te willen loven, hij ook genade moet krijgen om deze wil effectief in een daad om te zetten. Dit erkent de psalmist en hij bidt: open mijn lippen, en mijn tong zal Uw lof verkondigen.
- Welke heilige verordeningen en uiterlijke diensten God aan Zijn kerk ook voorschrijft, ze zijn niet vereist om te voldoen aan Zijn gerechtigheid, ook zijn zij niet de hoofdzaak waarin Hij behagen heeft, maar ze zijn slechts middelen om mensen tot Zich te brengen in Christus, in Wie alleen Zijn gerechtigheid genoegdoening vindt, en in Wie alleen de mens kracht vindt om de eredienst te verrichten, zodat God Zelf alle lof van onze diensten mag hebben. Daarom geeft David het als een reden van zijn vorige smeekbede: want U verlangt geen, of U hebt geen behagen in, offerande.
- Datgene waarop God doelt, moeten we het meest begeren, en wat Hem welgevallig is, het meest nastreven: U verlangt geen offerande, anders zou ik die geven.
- Het hoofddoel van de offers onder de wet was, dat iemand onder het besef van zonde en verdiend oordeel, en onvermogen om voor zijn fouten te voldoen, zou komen om zich voor God leeg te maken, en alleen zou vertrouwen op het ene verzoenende offer, afgebeeld in die uiterlijke offers: de offers van God zijn een gebroken geest; dat wil zeggen, de juiste manier om te offeren is, dat de geest van een mens wordt ontdaan van zijn eigen zelfvertrouwen als het gaat om het offeren aan God van de uiterlijke offers die God anders niet aanziet.
- Iemand die het meest afstand doet van zijn eigen werken, waardigheid of verdiensten, en al zijn eigen doen en laten veracht, als een gebroken aarden vat, is het meest aanvaardbaar in zijn naderen tot Gods vrije genade in de Middelaar: een gebroken en verslagen hart, o God zult U niet verachten; en dat niet om enige waardigheid in het berouw zelf, maar omdat door berouw alle verbeelding van eigenwaarde wordt uitgedreven, en iemand zo het meest geschikt is om genade en gratis vergeving van God te ontvangen.
20. Doet wel by Zion nae u welbehagen: bouwt de mueren van Jerusalem op.
21. Dan sult ghy lust hebben aen de offerhanden der gerechticheyt, aen brant-offer, ende een offer dat gantsch verteert wort: dan sullen sy varren offeren op uwen altaer.
In het laatste vers bidt David voor het volk des Heeren; dat de breuk (welke ook maar) die door zijn en hun zonden was gemaakt in de muren van Gods bescherming voor hen, hersteld mocht worden; en dat God in de komende tijd heiliger en hartelijker aanbeden zou worden, zowel door hemzelf als door hen. Leer hieruit:
- Zoals elk echt lid van de kerk de toestand van het geheel in zijn hart moet dragen en het aan God moet aanbieden, wát de persoonlijke toestand van de man ook is; zo moet in het bijzonder hij die door zijn zonden God ertoe heeft gebracht om Zijn bescherming terug te trekken van de gemeente waarin hij is, de ernstigste voorspraak doen voor het welzijn van het geheel, zoals David hier doet: doe goed in Uw welbehagen aan Sion, bouw de muren van Jeruzalem.
- De rijke genade van God, Zijn vrijmachtige liefde en onveranderlijke welbehagen voor Zijn volk, zijn de oorzaak van al het welzijn van de kerk: doe in Uw welbehagen goed aan Sion.
- Zij die het meest behulpzaam zijn geweest bij het bouwen van Gods kerk, moeten op de een of andere manier worden ontdaan van de glorie van dit werk, zodat het allemaal kan worden toegeschreven aan God alleen, Die de enige Bouwer is van Zijn eigen kerk; zoals David zich hier ontdoet van deze eer en het aan God toeschrijft, zeggende: Bouwt U de muren van Jeruzalem op.
- Wanneer God Zijn Geest van genade en smeking, en andere gepaste gevolgen van Zijn welwillendheid op Zijn volk uitstort, dan, en niet eerder, zijn ze geschikt om Hem op een acceptabele manier te eren en te dienen: doe in Uw welbehagen goed aan Sion, dan zult U welbehagen hebben aan de offers, enz.
- Geen offer is aanvaardbaar voor God behalve de offers van gerechtigheid. Nu, de offers van gerechtigheid zijn ten eerste, het verzoenende offer van Christus, waar elke gelovige, wanneer hij tot God komt, op moet zien, als gebracht in zijn naam; vervolgens, de offers van dankbaarheid en nieuwe gehoorzaamheid, aangeboden uit kracht van Christus’ offer, om aanvaard te worden. Het eerste soort offer werd in het bijzonder vertegenwoordigd door het brandoffer en het algehele brandoffer. En de andere soort door vredeoffers en andere offergaven: dan zult U behagen scheppen in slachtoffers van gerechtigheid, in een brandoffer en een heel-brandoffer. Dan zullen zij stieren op Uw altaar brengen.
