Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
1)1. EEn’ onderwijsinge Davids: voor den Opper-sang-meester op Machalath.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
Net als in de veertiende psalm troost David zichzelf en de rest van de godvrezenden ook hier in hun droevig lijden dat zij voelden van godloze mensen, die van nature in de ellendige toestand liggen, vs. 2—4. Er zijn drie redenen voor troost:
- de eerste, omdat God betrokken was bij het lijden van de Zijnen, en hun geschil met de goddelozen zou bepleiten, vs. 5;
- de volgende, omdat Gods oordelen zouden komen over alle vervolgers van de godvrezenden, vs. 6;
- en de derde, omdat er hoop is op de volledige redding van de godvrezenden in Christus, vs. 7.
Uit een vergelijking van deze psalm met psalm 14, waarin de vijandigheid van de goddelozen tegen de godvrezenden en de troost van de godvrezenden in die omstandigheid dezelfde zijn in deze plaats, zoals die daar zijn beschreven, leren we dat, zoals de godvrezenden vaker dan eens kunnen vallen, in één situatie, onder een en dezelfde verleiding, de een of andere soort van harde oefening en verdriet: zo mogen en moeten zij ook gebruik maken van dezelfde vertroostingen en daartoe dezelfde leringen in herinnering brengen, zoals de kerk wordt geleerd te doen, psalm 14, en hier in deze psalm.
2. De dwaes seyt in sijn herte; Daer en is geen Godt: sy verderven’t ende sy bedrijven grouwelick onrecht, daer is niemant die goet doet.
3. Godt heeft uyt den Hemel nedergesien op de menschen kinderen, om te sien, of yemant verstandich ware; die Godt sochte.
4. Een yeder van hen is te rugge gekeert, t’samen zijn sy stinckende geworden, daer en is niemant die goet doet; oock niet een.
Leer uit de beschrijving van de ellendige toestand waarin de wereld en elk niet-vernieuwd mens in de zichtbare kerk ligt:
- Alle niet-vernieuwde personen zijn dwazen voor God, hoe wijs ze ook voor de mensen schijnen te zijn.
- Alle niet-vernieuwde mensen zijn innerlijk, in hun genegenheden en beslissingen, in feite atheïsten, en nooit houden zij rekening met God. Wát ze uiterlijk voor zichzelf of voor anderen ook lijken, ze zeggen in hun hart: er is geen God.
- Alle niet-vernieuwde mensen zijn totaal verrot in hun principes en drijfveren: ze zijn corrupt.
- De daden van niet-vernieuwde mensen zullen voor God een gruwel bevonden worden en zullen bewijzen dat zij verdorven zijn: ze hebben gruwelijke ongerechtigheid gedaan.
- Onder alle niet-vernieuwde mensen, hetzij buiten of binnen de zichtbare kerk, kan er niet één worden gevonden die ook maar één goede daad heeft gedaan, die in Gods rekening voor goed kan staan: er is niemand die goed doet.
- De waarheid van deze leer wordt door God Zelf onderzocht en bewezen, en het vonnis wordt uitgesproken over de natuurlijke afkeer van alle mensen van God, en hun onmacht om goed te doen: God keek neer uit de hemel op de mensenkinderen, om te zien of er iemand was die goed deed, en Hij vond er geen.
- Zoals het onmogelijk is dat zij die God niet zoeken, enig goed kunnen doen of wijs kunnen zijn; zo worden het bewijs en de proef van deze ondeugendheid van alle mensen, zolang ze onvernieuwd in hun natuur liggen, bevonden door hun niet-begrijpen, en het niet-zoeken van God: de Heere keek om te zien of er iemand was die het begreep, die God zocht.
- Ieder mens is van nature een afwijker van God en van de staat waarin God de mens eens gemaakt heeft: een ieder van hen is teruggekeerd/afvallig geworden.
- Er is niets schoon en onbesmet in de ziel of het lichaam van de onvernieuwde mens, maar des te langer hij leeft in zijn natuurstaat, des te afzichtelijker hij is: samen zijn zij stinkende geworden.
- Ziende dat alle mensen van nature zonder uitzondering onder de zonde zijn besloten, en er niemand is die goed doet, nee, niet één; is het geen wonder dat het beeld van God, dat in Zijn kinderen verschijnt, door natuurlijke mensen slecht wordt ontvangen, en dat Gods kinderen geen goede vruchten verwachten van zulke zieke bomen als alle mensen van nature zijn. Want dit wordt hier geleerd om de harten van de godvrezenden gerust te stellen, wanneer zij door de mensen van deze wereld gemolesteerd worden. Het zou de godvrezenden moeten troosten om de ellendige situatie te zien waarin alle mensen van nature zijn, terwijl zij uit deze ellendige staat geroepen zijn en bekeerd zijn. Want deze leer biedt grond voor vergelijking en voor vertroosting.
5. Hebben dan de werckers der ongerechticheyt geene kennisse? die mijn volck op-eten, [als of] sy broot aten? sy en roepen Godt niet aen.
Het eerste directe argument om de godvrezenden te troosten onder hun vervolging door de goddelozen in het midden van wie zij wonen, is dat God hun situatie aanschouwt en hun zaak zal verdedigen. Leer hieruit:
- De Heere merkt elk punt van vijandschap op dat de wereld tegen Zijn volk koestert. Hij neemt hun situatie ter harte en zal hun zaak verdedigen. En dit is een hechte grond van troost voor Zijn volk in al hun lijden: hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, enz.
- De gronden voor het verschil tussen de niet-vernieuwde en de vernieuwde of verzoende mensen, voorgesteld in deze tegenstelling van de ene soort tegen de andere, zijn deze: ten eerste, de niet-vernieuwden worden allemaal werkers van ongerechtigheid genoemd; maar zij die verzoend zijn, hoewel zij niet vrij zijn van zonde, worden door God toch niet beschouwd als de werkers van ongerechtigheid. Ten tweede, de Heere erkent de wedergeborenen en noemt hen Zijn eigen volk, maar erkent de anderen niet, als in werkelijkheid niet Zijn volk, maar Zijn vijanden. En ten slotte roepen de onwedergeborenen God niet aan, in ernst of in waarheid, maar de wedergeborenen, worden hier door de gemaakte tegenstelling verondersteld God aan te roepen en zich in waarheid op Hem te verlaten.
- Niets maakt méér de blindheid en beestachtige dwaasheid van het geweten van zondaren duidelijk dan de vervolging van de heiligen. Het zal goddeloze mensen niet voldoen om zelf een godloos leven te leiden, behalve als ze kwaadaardig en zeer onredelijk zich verzetten tegen de vroomheid in anderen: hebben de werkers van ongerechtigheid geen kennis? dat ze Mijn volk opeten zoals ze brood eten.
- De godvrezenden ergeren, neerdrukken en vernietigen, is een even groot genoegen voor de goddelozen als om hun voedsel te eten: zij eten Mijn volk op zoals zij brood eten.
6. Aldaer zijn sy met vervaertheyt vervaert geworden, [daer] geene vervaertheyt en was; want Godt heeft de beenderen des genen, die u belegerde, verstroyt: ghy hebtse beschaemt gemaeckt, want Godt heeftse verworpen.
De volgende grond van vertroosting voor de godvrezenden tegen vervolging is, omdat Gods oordeel hen die Gods volk overlast aandoen, zal achterhalen wanneer zij er het minst voor vrezen. Leer hieruit:
- Zoals vervolging het geweten vereelt en het gevoelloos maakt voor de zonde; zo maakt het de vervolgers ook onbevreesd voor het oordeel, wanneer zij Gods volk opeten als brood zonder vrees: want daar, zegt hij, was geen angst.
- Hoe onbezorgder een zondaar is, en in het bijzonder een vervolger van Gods volk, des te verschrikkelijker zal zijn ontwaken zijn, wanneer Gods oordeel over hem komt: daar waren zij in grote angst, waar geen angst was.
- De vijanden van Gods kerk doen er hun best voor en maken het hun belangrijkste werk om de godvrezenden omver te werpen en hen als het ware te omsingelen door hen te belegeren, zodat zij niet ontsnappen: zij belegeren u, zegt de psalmist, sprekend als het ware tot ieder van Gods volk.
- Toorn achtervolgt de vervolger, zowel levend als dood, en houdt niet op hem te volgen zolang er iets van hem in staat is om gestraft te worden. Want niet alleen belegert God de vijand en vernietigt Hij hem, en verteert Hij zijn vlees, maar ook heeft Hij de beenderen verstrooid van hem die u belegert.
- Wanneer er van het wezen van de vervolger niets meer is overgebleven in de wereld, achtervolgt de toorn van God zijn naam en gedachtenis; en het onrecht dat de onschuldigen is aangedaan, is de grootste schande van de vervolger: U hebt hen beschaamd gemaakt.
- Zoals ware eer, en het verlenen van respect van mensen aan iemand, de gaven van God zijn, Die hén eert die Hem eren; zo veroorzaken verdiende schaamte en schande voor begane zonde, wanneer uitgestort als gevolg van Gods rechtvaardigheid, het dat zij die Hem onteren, licht geacht worden: u hebt hen beschaamd gemaakt, omdat God hen veracht heeft.
7. Och dat Israëls verlossingen uyt Zion quamen! Als Godt de gevangene sijns volcks sal doen wederkeeren, [dan] sal sich Jacob verheugen, Israël sal verblijdt zijn.
De laatste grond van troost voor de vervolgde godvrezenden, is de hoop op volledige verlossing voor de kerk van God en van elk waar lid daarvan in Christus. Leer hieruit:
- Er is geen solide troost tegen vervolging of enige andere verdrukking, behalve in de verlossing die in Christus moet worden verkregen: Hij is de Verlosser en de verlossing van Israël.
- Zoals de komst van Christus om stukje voor stukje verlossing te bewerken, in Zijn eigen volgorde en tijd, zeer zeker geloofd en gehoopt moet worden: zo moet deze ook zeer ernstig gewenst, verlangd en afgesmeekt worden: zoals het voorbeeld van het volk des Heeren ons hier leert (dat verlangt naar Zijn komst naar Sion in Zijn vleeswording en het uitbreiden van Zijn genade en verlossing vanuit Sion voor de heidenen en de Joden): o, dat het heil voor Israël uit Sion zou komen.
- Zoals de gevangenschap van Gods volk in enige graad en maat blijft, waardoor Christus’ komst des te begeerlijker wordt en het voorwerp van wensen wordt en zaak van gebed, zo zal uiteindelijk elke soort en graad van gevangenschap van Gods volk worden weggedaan, totdat de verlossing volledig vervuld zal zijn: God zal de gevangenen van Zijn volk terugbrengen.
- Zoals van alle mensen die ooit de naam ‘volk van God’ hadden, de ellenden en gevangenschappen van de Israëlieten, vanwege hun brutaliteit tegen God, de meest opvallende en buitengewone zijn: zo zal van alle mensen op aarde, en van alle naties die met de titel ‘volk van God’ geëerd zijn, de bevrijding van Israël uit de gevangenschap bij uitstek en opvallend troostrijk zijn; want wanneer God de gevangenschap van Zijn volk terug zal brengen, zal Jakob zich verheugen en Israël zal blij zijn.
