Website van Ds. W. Pieters

Wel een kind van God, maar geen vergeving van zonden?

W

Pas hadden wij huisbezoek. De ouderling vertelde dat hij wist een kind van God te zijn. Ook zei hij dat hij niet wist dat zijn zonden vergeven zijn. Ik vroeg toen hoe dit kon: “Horen bekering en vergeving van zonden dan niet bij elkaar?” Hij antwoordde: “Van Gods kant wel”, maar hij kon zelf niet zeggen dat zijn zonden vergeven zijn.

Wilt u hier iets over schrijven in uw rubriek? Als bekering en vergeving van zonden uit elkaar getrokken worden, heeft dat dan gevolgen voor de beleving van de ellendestaat?

In de Bijbel lezen we bij mijn weten niets van hetgeen de ouderling op het bovenvermelde huisbezoek zei: wel te weten een kind van God te zijn, maar niet te weten vergeving van zonden te hebben ontvangen.

Wie niet weet of zijn zonden zijn vergeven, moet maar niet zeggen dat hij Gods kind is, in ieder geval niet op een zaligmakende manier. We zijn uit kracht van de schepping allemaal kind van God, want Adam is Gods zoon. En uit kracht van het verbond zijn ook alle verbondskinderen kind van God, op een andere manier dan alleen uit kracht van de schepping, want God noemt in Exodus 4 vers 22 Israël Zijn (eerstgeboren) zoon.

De kanttekening hierbij maakt duidelijk dat het gaat over heel het volk of al de nakomelingen van Israël: Zij worden Gods eerstgeboren zoon genoemd, omdat zij uit genade uit alle heidenen eerst uitgekozen waren om Gods volk en kinderen te wezen; en zij waren voor God zo aangenaam, als een eerstgeboren kind voor zijn ouders is.

Maar uit kracht van de wedergeboorte een kind van God zijn, op zaligmakende manier dus, is alleen door geloof in Christus, of – anders gezegd – is alleen omwille van de Persoon en het werk van Christus. Zo belijden wij het met vraag en antwoord 33 van de Heidelbergse Catechismus: Waarom wordt Hij Gods eniggeboren Zoon genoemd, aangezien wij toch ook Gods kinderen zijn? Omdat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon van God is, maar wij zijn omwille van Hem uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

Wat betreft de vergeving der zonden leren wij met de Catechismus in antwoord 21 dat het ware geloof – en zonder dat ware geloof zal toch die ouderling zich niet een kind van God durven noemen, vermoed ik – vertrouwt dat vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid niet alleen aan anderen, maar ook ‘aan mij’ geschonken is van God, uit louter genade, alleen omwille van de verdiensten van Christus.

Dit ‘geschonken zijn’ gaat over: in de belofte geschonken.

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we over de vergeving van zonden (in artikel 22): De Heilige Geest ontsteekt in onze harten een oprecht geloof, dat Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst [zoals Hij ons in de belofte geschonken wordt], Hem eigen maakt [zoals Hij in het Evangelie ons aangeboden wordt], en niets anders meer buiten Hem zoekt… Dit geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap van al Zijn goederen houdt; welke, de onze geworden zijnde, ons meer dan genoeg zijn tot vrijspreking van onze zonden.

Daarom is het in strijd met de Drie Formulieren van Eenheid om het kindschap Gods te veronderstellen zonder vergeving van zonden.

Dat het ondertussen bij sommigen of zelfs velen van Gods kinderen moeilijk kan liggen, wil ik aannemen. Al Gods kinderen kennen, denk ik, wel eens de aanvechting: zouden mijn zonden wel echt vergeven zijn?

Pas las ik daarover een stukje van Luther. Het ging over Johannes 20 vers 23. Daar zegt de Heere Jezus tegen Zijn discipelen: “Als u iemands zonden vergeeft, aan hen worden zij vergeven; als u iemands zonden houdt, aan hen zijn zij gehouden.” Luther legt uit dat het daar gaat over de bediening der verzoening door de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Onder andere bestaat dat hierin dat een knecht van God tegen een treurende, berouwvolle zondaar, die zich op Christus alleen verlaat, mag zeggen: “Namens God verklaar ik u dat uw zonden zijn vergeven.” Het gaat hier dus over wat de Heidelbergse Catechismus verwoordt in vraag en antwoord 84. Daar lezen we: Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilige Evangelie ontsloten en toegesloten? Op deze manier: als volgens het bevel van Christus aan alle gelovigen samen of aan een enkele gelovige persoonlijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt dat, zo dikwijls als zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, al hun zonden waarachtig door God, omwille van de verdiensten van Christus, vergeven zijn.

Luther zegt dan dat wij dit erg dierbaar en kostbaar moeten achten, “Want die lieve Man, de trouwe, hartelijke Opziener van onze zielen, Jezus Christus, heeft wel geweten dat Zijn lieve christenen gebrekkig zijn en daarbij veelvuldig en zonder ophouden worden aangevochten door de duivel, het vlees en de wereld; en dat zij soms zullen vallen en zondigen.”

Even verder zegt hij tegen bestreden zielen: “Wanneer u niet de vergeving zoekt in het Woord, zult u tevergeefs naar de hemel opzien om genade of naar de inwendige vergeving – zoals sommigen dat noemen. Wie niet gelooft dat zijn zonden vergeven zijn, zal het gaandeweg wel ervaren hoe zeker zijn zonden hem al vergeven waren, hoewel hij het niet wilde geloven. U kunt God geen grotere eer bewijzen dan Hem in dit Woord geloven. En u kunt Zijn Woord geen grotere oneer aandoen dan het niet te geloven. Dat is hetzelfde als wanneer u zegt: “God, U liegt, het is niet waar wat U zegt, ik geloof het niet.””

Hierop mag “… een angstig hart zich moedig verlaten, en tegen zijn eigen boze geweten in, in tijd van nood, zeggen: “Welaan, mijn zonden, hoe veel en groot zij ook zijn, toch zijn zij mij allemaal vergeven. Daar verlaat ik mij op, en ik wil van geen zonden meer horen, allemaal zijn ze vergeven en allemaal zijn ze vergeten! Is mijn berouw niet genoegzaam? Dan is toch Zijn Woord genoegzaam. Ben ik niet waardig genoeg? Dan zijn toch Zijn beloften waardig genoeg. Hij is getrouw en waarachtig.””

Met de Drie Formulieren van Eenheid belijden wij dat het ook voor die ouderling waar is, wat Petrus aan Cornelius verkondigt in Handelingen 10 vers 43: “Over Jezus Christus getuigen al de profeten, dat een ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden zal ontvangen door Zijn Naam.” En zoals Paulus in de synagoge te Antiochië zegt in Handelingen 13 vers 39: “Door Jezus Christus wordt een ieder die gelooft, gerechtvaardigd.”

De briefschrijver heeft nog een vraag: Als bekering en vergeving van zonden uit elkaar getrokken worden, heeft dat dan gevolgen voor de beleving van de ellendestaat?

Bekering en vergeving der zonden horen bijeen, ook volgens de opdracht van de Heere Jezus aan Zijn apostelen in Lukas 24 vers 47, waar Hij zegt dat in Zijn Naam gepredikt moet worden bekering en vergeving der zonden. Deze twee: bekering en vergeving van zonden, horen bijeen. Dat predikte ook Johannes de Doper, zoals we kunnen lezen in Markus 1 vers 4: “Johannes was dopende in de woestijn, en predikende de doop der bekering tot vergeving der zonden.” De kanttekening merkt op dat de doop zo wordt genoemd “…omdat hij bediend werd aan degenen die hun zonden beleden en bekering beloofden, en om voor hen een teken en verzegeling te wezen, dat hun zonden hen door God omwille van Christus vergeven waren.” Hier wordt duidelijk hoe bekering of berouw en vergeving verbonden zijn: wie zijn zonden belijdt, ontvangt vergeving. Nee, niet zonder geloof in de beloofde Verlosser en in de God aller genade, maar door middel van het geloof in de gekomen Zaligmaker en Zijn volbrachte werk aan het kruis.

Wie bekering en vergeving der zonden uiteen haalt, vraagt om moeilijkheden, op velerlei terrein, zowel ten aanzien van de beleving van de ellende, als de beleving van de verlossing en van de dankbaarheid. De Bijbel haalt bekering of berouw en vergeving van zonden niet uit elkaar, maar verbindt die twee onlosmakelijk aan elkaar. Daarom is de vergeving van zonden in de eerste plaats een zaak van geloof en daarna/daardoor een zaak van bevinding, zoals we lezen in vraag en antwoord 56 van de Heidelbergse Catechismus:

Wat geloof je van de vergeving der zonden?

: Dat God omwille van het genoegdoen/ de betaling van Christus al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmee ik heel mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus wil schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kom.”

Deze vergeving van zonden aan te nemen is nu de taak en het voorrecht van het geloof. En als u vergeving kreeg? Niet alleen kreeg aangeboden, maar door middel van geloof in de verkondiging van het heilig Evangelie mocht omhelzen? Dan komt dagelijks de bede aan de orde: “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren”, waarvan de Heidelbergse Catechismus zegt (in antwoord 126):

“Wil ons, arme zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, omwille van het bloed van Christus niet toerekenen.”

Zijn uw zonden allemaal vergeven? Zegt u: “Dat is zo ongelooflijk, want het is zo heel, heel erg wat ik al de jaren van mijn leven, dag na dag, heb gedaan…!” Dan sluit ik af met vraag en antwoord 69 van dat heerlijke troostboek van onze gereformeerde kerk:

“Hoe word je in de heilige doop vermaand en verzekerd dat de enige offerande van Christus, aan het kruis geschied, jou ten goede komt? Op deze manier, dat Christus dit uitwendig waterbad heeft ingezet en daarbij heeft beloofd, dat ik net zo zeker met Zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben, als ik uitwendig gewassen [= gedoopt] ben met water, dat de onzuiverheid van het lichaam wegneemt.”

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën