Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
Psalm 36
Deze psalm heeft drie delen:
- in het eerste beschrijft David de verdorvenheid van de goddelozen in hun zondige gang en hun plannen tegen de godvrezenden en hemzelf, vers 2—5;
- in het tweede troost hij zichzelf en richt hij zijn geloof op de loflijkheden en eigenschappen van God, vers 6—10;
- in het derde bidt hij ten behoeve van Gods kinderen en voor zichzelf om van de goddelozen bevrijd te worden, vers 11—13.
1)1. [EEn Psalm] Davids, des knechts des HEEREN; voor den Opper-sang-meester.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
Leer van het opschrift dat het een eer is om een dienaar des Heeren te zijn en een voorrecht boven alle aardse voorrechten. En door aan het geweten een zoet getuigenis te geven, maakt het elke omstandigheid van het leven aangenaam, meer dan enig aards voordeel kan doen.
2. De overtredinge des godtloosen spreeckt in ’t binnenste van mijn herte: Daer en is geene vreese Godts voor sijne oogen.
3. Want hy vleyt sich selven in sijne oogen; alsmen sijne ongerechticheyt bevindt, [die] te haten is.
4. De woorden sijns monts zijn onrecht ende bedroch; hy laet na te verstaen tot weldoen.
5. Hy bedenckt onrecht op sijn leger; hy stelt sich op eenen wech, die niet goet en is; het quaet en verwerpt hy niet.
Leer van de waarneming van het gedrag van de goddeloze:
- Al kan niet worden bespeurd dat heel de wereld zonder genade is en onbekeerd, toch kan het vuile leven van sommigen tot het geweten van een onderscheidend mens, spreken dat zij onbekeerd in de staat van de verdorven natuur zijn: want de overtreding van de goddeloze zegt in mijn hart dat er geen vreze Gods is voor zijn ogen.
- Niet de onvolmaaktheid of tekortkoming in de vreze Gods, maar deze geheel en al te missen bewijst dat iemand een goddeloze is: er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
- Zoals iemand die God vreest, waakzaam is over zijn eigen wegen en kritisch is op zichzelf, zo is iemand die God niet vreest, zorgeloos en ingenomen met zijn eigen doen en laten: hij vleit zichzelf in zijn eigen ogen.
- Zoals iemand die God vreest, zijn best doet om zijn geweten goed te informeren om geen ongerechtigheid te bedrijven, zo houdt iemand die God niet vreest, zijn eigen geweten voor de gek en bedriegt het, totdat hij de ongerechtigheid voor elkaar heeft gekregen, en het nu onbewimpeld te zien is: hij vleit zichzelf in zijn eigen ogen, totdat zijn ongerechtigheid, die te haten is, ontdekt is, of: totdat ontdekt is dat zijn ongerechtigheid te haten is.
- Zoals iemand die God vreest, in zichzelf de zonde waardoor hij gevaar loopt, zal ontdekken voordat iemand anders ze bemerkt, zo zal iemand die God niet vreest, zijn eigen zonde niet zien, ook niet wanneer iemand die zijn wegen gadeslaat, ze kan zien: hij vleit zichzelf in zijn eigen ogen, totdat zijn ongerechtigheid bevonden wordt hatelijk te zijn.
- Zoals iemand die God vreest, gewetensvol is in wat hij zegt, en afkerig zal zijn om zijn zonde te camoufleren met lege voorwendsels en excuses, maar ze juist zal belijden, zo zal iemand die God niet vreest, er niet voor terugdeinzen – wat voor voorwendsels hij ook gebruikt om ongerechtigheid te doen en wat voor excuses hij ook maakt voor de ongerechtigheid, wanneer ze begaan is – om zowel anderen als zichzelf te bedriegen:de woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog.
- Zoals iemand die God vreest, er op alle manieren naar streeft om wijzer en heiliger te worden, zo zal iemand die God niet vreest, de middelen tot wijsheid en heiligheid minachten en verwerpen: hij heeft nagelaten wijs te zijn en goed te doen; wát hij ook vóór die tijd maar schijnt te hebben gehad, hij gaat er zelfs meer en meer van vandaan.
- Zoals iemand die God vreest, op zijn bed met zijn hart overlegt om niet te zondigen, zelfs niet in zijn hart, zo bedenkt iemand die God niet vreest, plannen hoe hij opzettelijk zonde kan verzinnen en uitvoeren: hij bedenkt onrecht op zijn bed.
- Zoals iemand die God vreest, verafschuwt wat kwaad is en er moeite voor doet om zeker te zijn dat de weg waarop hij gaat, goed is, zo slaat iemand die God niet vreest, niet verder acht op wat hij doet, dan wat het meest zijn doel bevordert. Ook verafschuwt hij niets wat kwaad is; en ook heeft hij geen voorkeur voor wat goed is. Maar als hij zijn doel in zich heeft opgenomen door het te overdenken en te besluiten, gaat hij hardnekkig voort: hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verafschuwt hij niet. En zo waren Davids vijanden, en zo zullen de vijanden van Christus en Zijn volk zijn.
6. O HEERE, uwe goedertierenheyt is [tot] in de hemelen; uwe waerheyt tot de bovenste wolcken toe.
7. Uwe gerechticheyt is als de bergen Godts, uwe oordeelen zijn een grooten afgront: HEERE, ghy behoudt menschen ende beesten.
8. Hoe dierbaer is uwe goedertierenheyt, o Godt! dies de menschen kinderen onder de schaduwe uwer vleugelen toevlucht nemen.
9. Sy worden droncken van de vetticheyt uwes huyes; ende ghy drencktse [uyt] de beke uwer wellusten
10. Want by u is de fonteyn des levens: in u licht sien wy het licht
Het tweede deel van de Psalm, waarin David zich troost in God en zijn geloof richt op de lofwaardige eigenschappen van God. Leer hieruit:
- Als een gelovige zijn oog afwendt van de goddeloosheid van zijn tegenstanders en kijkt naar Gods goedheid en wijze besturing, zal het zijn hart troosten tegen alles wat de vijand kan doen. En des te meer hij in hen atheïsme ontwaart, zal het hem aanzetten tot godzaligheid. Want wanneer David zijn vijand heeft uitgetekend, gaat hij over tot het prijzen van God, zeggend: Uw goedertierenheid, o HEERE, is in de hemelen.
- Hoewel het gedrag van de goddeloze tegenover God en de godvrezenden eraan bijdraagt om Gods glorie te verduisteren op het punt van rechtvaardigheid voor de ene en op het punt van ontferming voor de andere, toch zullen de werken van de schepping en de ononderbroken regering ervan getuige zijn van de gedurigheid van Gods ontferming en trouw en gerechtigheid en rechtvaardigheid, zoals hier wordt aangetoond.
- Al zouden voor de gelovige de uitwerkingen van Gods goedertierenheid niet zichtbaar zijn op aarde, toch zal geloof ze zien in hun bron en oorzaak: Uw goedertierenheid, o HEERE, zegt de gelovige, is in de hemelen.
- Laten de werken en het Woord van God met elkaar vergeleken worden, en de waarheid van Zijn beloften en bedreigingen zal zó worden nagespeurd en zó waar blijken te zijn, dat het ons tevreden zal stellen en ons zover zal laten zien dat ons oog het niet verder kan volgen: Uw betrouwbaarheid reikt tot aan de wolken.
- Wat vleselijke overwegingen ook mogen oordelen over Gods bedelingen met de godvrezenden en de goddelozen, toch is Zijn heiligheid en rechtvaardigheid vast en onveranderlijk: Uw gerechtigheid is als de grote bergen.
- Al kunnen we niet door dingen heen zien en ook tegenstrijdige gedachten niet met elkaar verzoenen, die soms tot ons komen vanuit de gronden van het geloof aan de ene kant of vanuit de gevolgen van de voorzienigheid die tot ons komen door het gevoel aan de andere kant, toch moeten we bedenken dat God wijzer is dan wij en dat Zijn diepe ontwerpen en werkingen door ons niet kunnen worden nagespeurd: Uw oordelen zijn een grote diepte.
- Deze ene overweging van Gods handelwijze in vriendelijkheid voor Zijn eigen schepselen, door Zijn zon te doen schijnen en Zijn regen te doen vallen over Zijn vijanden net als op Zijn vrienden, kan ons gemoed rust geven wat betreft dat God de goddelozen voor een tijd spaart en vrijgevig met hen omgaat: o HEERE, U behoudt mensen en beesten. Er is een koers van algemene bewaring en vriendelijkheid die tot allen gaat.
- Buiten en boven de algemene vriendelijkheid is er voor hen die in God geloven, een meer volkomen, bijzondere en kostbare liefde en vriendelijkheid, die onuitsprekelijk is en alle vergelijking te boven gaat: hoe voortreffelijk, of dierbaar, is Uw goedertierenheid, o God!, zegt David, wanneer hij het daarover heeft.
- Het geloof dat God klaarstaat om deze liefde te bewijzen, kan en moet en zal mensen ertoe opwekken om tot Hem te naderen, al is het dat zij op dit moment nog geen ervaring van de vruchten ervan hebben: daarom nemen de mensenkinderen toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels.
- Zonder iemand uit te zonderen tot wie Hij het evangelie zendt, en zonder iemand uit te zonderen binnen de zichtbare kerk, biedt de Heere aan verzoend te zijn door Christus Jezus. En dit aan iedereen die de toevlucht zal nemen tot het verzoendeksel of de genadetroon, opgericht in Jezus Christus, Die God-in-het-vlees is, zoals Hij werd uitgestald in de afbeelding van de gouden ark van het verbond en de uitgestrekte vleugels van de cherubs, zoals hier wordt gezegd: daarom nemen de mensenkinderen toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels.
- Zulken die God niet voor leugenaar houden, wanneer zij niet meteen ervaren wat zij hoopten, maar inderdaad Zijn Woord geloven, en blijven wachten totdat Hij Zijn Woord aan hen vervult…; zulken die God niet verzoeken of op de proef stellen, alsof zij wilden zien wat het geloof allemaal kan, en die dan hun houvast loslaten als hun verwachting niet wordt beantwoord…; maar die inderdaad God op Zijn Woord vertrouwen en vastbesloten zijn te sterven met in hun hand het houvast van Zijn vrijelijk aangeboden verbond van genade in Christus, en van Zijn beloften die gedaan zijn aan hen die tot Hem vluchten om bescherming …; — zulken zullen zeker bij God meer in achting zijn dan gewone onderdanen. Zij zullen bewoners van Zijn huis zijn, van de huishouding des geloofs, voor wie God een tafel zal houden, bedoeld voor hun geestelijk leven. Hij zal hen zo nu en dan, wanneer het etenstijd is voor de hongerigen, overvloedig voeden tot verzadiging toe: zij die toevlucht nemen onder de schaduw van Uw vleugels, zullen overvloedig verzadigd worden met het goede van Uw huis.
- In het gebruik maken van de middelen en de heilige instellingen door God aan Zijn kerk gegeven, zal God de mens die Hem inderdaad gelooft op het Woord van Zijn genade, gevoelig doen genieten dat de vreugde van de Heilige Geest onuitsprekelijk is en vol van hemelse heerlijkheid; en dat er voor ’s mensen ziel meer voldoening is te vinden in God, verzoend door Christus, dan de wereld daarnaast kan verschaffen; want U zult hen doet drinken uit de beek van Uw vermakelijkheden.
- Wat er maar in het schepsel gevonden kan worden, zelfs al zegent God het gebruik ervan aan Zijn eigen kinderen, is maar een druppel van de oceaan, is slechts een beetje water uit een wel, vergeleken met wat een gelovige zal zien en gevoelen wat er in God is, Die verzoend is door Christus. Want bij U is de fontein des levens.
- Geen licht dan het licht van Gods geopenbaarde Woord in de Heilige Schriften als de spiegel, geen licht dan het licht van Gods Geest dat de spiegel verlicht, kan een mens doen verstaan of geloven of gevoelig onderscheiden de wijsheid, troost en gelukzaligheid die in Zijn instellingen aan Zijn kerk worden voorgesteld en in Hemzelf bij ervaring worden gevoeld: in Uw licht, zegt hij, zien wij het licht.
11. Streckt uwe goedertierenheyt uyt over de gene die u kennen; ende uwe gerechticheyt over de oprechte van herten.
12. De voet der hoovaerdigen en kome niet over my; ende de hant der godtloosen en doe my niet omswerven.
13. Aldaer zijn de werckers der ongerechticheyt gevallen; sy zijn nedergestooten, ende en konnen niet weder opstaen.
Het laatste deel van de Psalm, waarin hij bidt voor alle gelovigen, zichzelf daarbij ingesloten, en dan voor zichzelf in het bijzonder. Leer hieruit:
- Het ware kenmerk van een godvrezende bestaat in de verbinding van geloof in God met de oprechte inspanning om Hem te gehoorzamen. Want hij is degene die God kent en oprecht van hart is.
- Al kan de gelovige wat hij bij ervaring heeft ondervonden van God, verwachten dat het aan hem zal worden voortgezet, zowel wat betreft zijn onthaal door God als de verdediging van zijn rechtvaardige zaak tegen zijn vijanden en de bevrijding van hen, toch moet hij zijn vertrouwen vervolgen met gebed: o, continueer [zie kanttekening SV] Uw goedertierenheid over degenen die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
- Omdat we geen recht hebben op enige weldaad, dan in zover we horen bij het getal van de gelovigen die oprecht van hart zijn, daarom moeten we ook elke weldaad zoeken die we wensen, als behorend bij dit getal, en als degenen die zich inspannen dat anderen er met ons in delen, zoals David hiervoor doet.
- Het is de Heere alleen Die trotse vervolgers kan afkeren, zodat zij Zijn kinderen niet schaden; en het is de Heere alleen Die Zijn kinderen in de koers van geloof en gehoorzaamheid kan bewaren, wanneer de goddelozen hun macht tegen hen aanwenden. Daarom bidt David: laat de voet van hoogmoed niet tegen mij komen, en laat de hand der goddelozen mij niet uit de weg ruimen.
- De ondergang van de vijanden van de godvrezenden is zo zeker alsof deze al geschied was, ja, geloof kan daarop zien door het vooruitzicht van het Woord van God alsof het al te zien was, en kan het aan anderen aanwijzen om het met hun ogen te aanschouwen: daar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen.
- De val van de goddelozen is niet gelijk aan de val van de godvrezenden, want hoewel de godvrezenden menig keer vallen, toch staan zij weer op, maar voor de goddelozen is een val bereid waarna zij zich niet zullen herstellen: zij zijn neergestoten, en zullen niet weer in staat zijn op te staan.
