Website van Ds. W. Pieters

psalm 38

p

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1)1. [EEn Psalm] Davids, om te doen gedencken.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

In deze Psalm, terwijl David in moeite is naar ziel en lichaam, als een voorbeeld van de moeilijkste beproevingen waarin de volgelingen van Christus kunnen komen,

  • bidt hij, ten eerste om verzachting van zijn moeite, en afwending van de toorn, vers 2;
  • en ten tweede ontvouwt hij dit gevoel van de moeite die hij direct van God ondervond, vers 3—9;
  • nadat hij zijn verwarde begeerten tot God heeft opgezonden als gebeden, in de zin van zijn ongeschiktheid om zich goed uit te drukken, vers 10, 11, ontvouwt hij, ten derde, zijn gevoel van het verdriet en de moeiten die hij van mensen ondervond en met groot geduld verdroeg, vers 12—15;
  • ten vierde beschrijft hij de worstelingen die hij in het gebed tot God had, vanwege de vervolging door zijn tegenstanders, vers 16—21;
  • en hij sluit de psalm af, terwijl hij voor die tijd geen troost heeft ontvangen, vers 22, 23.

Leer van het opschrift, dat de beproevingen van het geweten, des te zwaarder ze zijn geweest, des te meer herinnerd dienen te worden, en dat de gangen ervan des te zorgvuldiger dienen te worden opgemerkt, wanneer het gevoel ervan het meest vers is, opdat ze niet voorbijgaan zonder de vrucht die ervan ontvangen kan worden na de verlossing. Want zoveel worden wij onderwezen door het opschrift van deze psalm, waar staat: een psalm van David, om te doen gedenken.

2. O HEERE, en straft my niet in uwen grooten toorn; ende kastijdt my niet in uwe grimmicheyt.

Leer van dit gebed om verlichting van moeite en wegneming van toorn:

  1. Het is in overeenstemming met Gods vaderlijke liefde en met ons kindschap om vaderlijke toorn tegen onze zonden te ervaren, zoals deze plaats bewijst.
  2. Al is het waar dat het niet wettig is om onze natuurlijke verlangens in het gebed te volgen, of om te zoeken vrij te zijn van kastijding, toch mogen wij verlichting van onze moeite zoeken en verzachting van onze lot, zodat wij het kunnen verwerken; en ook mogen we bidden om wegneming van Vaderlijke toorn: straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw hete ongenoegen.

3. Want uwe pijlen zijn in my gedaelt, ende uwe hant is op my nedergedaelt.

4. Daer is niet geheels in mijn vleesch, van wegen uwe gramschap: daer is geen vrede in mijne beenderen, van wegen mijne sonde.

5. Want mijne ongerechticheden gaen over mijn hooft; als een sware last, zijnse my te swaer geworden.

6. Mijne etter-buylen stincken, sy zijn vervuylt, van wegen mijne dwaesheyt.

7. Ick ben krom geworden, ick ben uyttermaten seer nedergebogen; ick gae den gantschen dach in’t swart.

8. Want mijne dermen zijn vol van verachtelicke [plage]: ende daer en is niet geheels in mijn vleesch.

9. Ick ben verswackt, ende uyttermaten seer gebrijselt: ick brulle van het geruysch mijns herten

Hij geeft redenen voor zijn gebed vanuit de beklagenswaardige toestand in zowel ziel als lichaam. Leer hieruit:

  1. Wanneer het de Heere behaagt Zijn kinderen hun zonden en Zijn dreigende oordeel te doen beseffen, kan Hij de tekenen van Zijn ongenoegen tegen de zonde doordringend scherp maken en drukkend zwaar: Uw pijlen steken vast in mij, en Uw hand drukt mij zeer.
  2. Al zou de Heere ons als doelwit stellen om op te schieten en de zwaarste last van oordelen op ons leggen om onze zonden, toch moeten we geen verzachting ervan zoeken en ook kunnen we er geen verzachting van ontvangen, dan alleen door tot God Zelf te komen om onze ellende te betreuren, zoals dit voorbeeld ons leert.
  3. Zoals het gevoel van narigheid van ons lichaam, of op een andere manier, het bewustzijn van zonde zal wakker maken, zo zal het bewustzijn van zonde en het gevoel van toorn vanwege onze zonde, geen kleine verandering veroorzaken in ons lichaam zelf: er is niets heel in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.
  4. Eén zonde zal de herinnering aan meer zonden wakker maken, totdat zij zich als een ontelbaar groot leger daarstellen: mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd.
  5. Hoe licht zonde ook mag schijnen te zijn wanneer ze wordt bedreven, ze zal ondraaglijk zwaar blijken te zijn wanneer God daar iemand voor vervolgt: als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
  6. Wanneer de Heere het geweten slaat om de zonde, zal de roede zeker een wond maken, die de genezing van de Dokter nodig heeft, overeenkomstig de kwetsuur door Zijn hand gemaakt, of het diep indringen van Zijn pijlen. Want na pijlen en een drukkende hand noemt hij wonden, meer dan één.
  7. Wanneer een gewonde geest niet op tijd door een goede zorg wordt verbonden en genezen, worden de wonden hoe langer hoe erger; des te langer het duurt, des te meer de schuld, vuilheid en verwarring van geest toenemen: mijn wonden stinken en zijn vervuild.
  8. Zoals we door geen acht te geven op onze plicht en op het gevaar van zondigen, daadwerkelijk in zonde vallen en toorn over ons halen, zo vermeerderen we de maat van die beide door geen acht te geven op het juiste geneesmiddel: mijn wonden stinken en zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.
  9. Zolang als de bewustheid van zonde en het gevoel van toorn daarbij duren, zijn iemands scherpzinnigheid en zijn moed en zijn aangezicht en zijn blijdschap verslagen, zowel voor God als de mensen: ik ben ellendig, ik ben uitermate neergebogen; ik ben de ganse dag treurend.
  10. Om de snelheid te doen toenemen en het gevoel van zonde bitterder te maken, kan de Heere Zijn hand op het lichaam leggen, en de walgelijkheid van de ziekte doen lijken op de walgelijkheid van de zonde die de ziekte naar zich toe haalde, en om het geweten in zijn eigen taal de oorzaak duidelijk te maken waarom die ziekte tot hem gezonden is: want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plaag, en er is geen gezondheid in mijn vlees.
  11. Een gewonde geest zal het dapperste hart dat het kan ontmoeten, verbrijzelen en verslaan: ik ben verzwakt, en zeer verbrijzeld.
  12. Als de Heere iemands geweten achtervolgt om de zonde en jegens hem Zijn ongenoegen laat merken, en deze beproeving enige tijd laat duren, zal het iemands kracht te boven gaan om zijn smart te verbergen of te dempen, of de uitingen daarvan in te houden: ik heb gebruld om reden van de onrust van mijn hart.

10. Heere, voor u is alle mijne begeerte: ende mijn suchten en is voor u niet verborgen.

11. Mijn herte keert om end’ om; mijne kracht heeft my verlaten: ende het licht mijner oogen, oock sy selve, en zijn niet by my.

In de derde plaats – om de moeite voor te stellen die hij van mensen lijdt, en zijn geduld daartegenover – stelt hij zijn hart aan God voor, alsof het vol was van verwarde verlangens in plaats van uitdrukkelijke gebeden, omdat hij nu niet in staat was zich uitgebreider te uiten. Leer hieruit:

  1. Zoals zonde toorn veroorzaakt, en toorn zere slagen en smart, zo moeten deze kwaden, goed beschouwd, verlangens wakker maken om ze kwijt te raken, en moeten ze ons er op uit sturen om het ware geneesmiddel daarvoor in God te zoeken, zoals de psalmist hier doet.
  2. Omdat begeerten en verzuchtingen, als zij voor God worden gebracht, hun eigen taal hebben, die we in een tijd van verwarring niet kunnen uitspreken, daarom moeten we ze rekenen, niet als vluchtige uitingen van de natuur, maar als gebeden die door God zijn opgewekt en die voor Hem staan totdat zij hun antwoord ontvangen: HEERE, voor U is al mijn begeerte.
  3. Het is niet ons innerlijk worstelen met moeiten, of als natuurlijke mensen ons verdriet uiten, dat ons rust kan geven, maar het uitgieten van ons hart voor de Heere, dat het moet doen: al mijn begeerte is voor U.
  4. De kracht van het geloof in de godvrezenden is niet zo groot dat het alle zwakheden opslokt, maar wel zo groot dat het ermee worstelt en ze aan God belijdt, Die de Zijnen gewoonlijk voorziet van Zijn kracht en wijze instructie, wanneer hun eigen kracht is vergaan en zij voor God zijn vernederd. Want hier bonst zelfs Davids hart en zijn kracht begeeft hem en het licht van zijn ogen is van hem weggegaan, niet zozeer wat betreft het verval van zijn lichaam als in zijn geestelijke toestand, uitgedrukt in lichamelijke termen. En tot zover wat betreft de moeiten die hij onmiddellijk van Gods hand voelde.

12. Mijne liefhebbers, ende mijne vrienden staen van tegen over mijne plage; ende mijne nae-bestaende staen van verre.

13. Ende die mijne ziele soecken, leggen [my] stricken, ende die mijn quaet soecken, spreken verdervingen; ende sy overdencken den gantschen dach listen.

14. Ick daerentegen ben als een doove, ick en hoore niet, ende als een stomme, [die] sijnen mont niet op en doet.

15. Ia ick ben als een man, die niet en hoort, ende in wiens mont geene tegenredenen en zijn.

Leer van de moeiten die hij van mensen ondervond:

  1. Een gewonde geest is een ongemak, waar geen natuurlijk mens enige kunde voor heeft en waar hij niets mee te doen wil hebben, maar waar hij bij vandaan vlucht, als van melaatsheid of de pest: mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plaag.
  2. In een tijd van droevige verdrukking en nauwe beproeving van ons geloof zullen de natuurlijke banden tussen ons en onze bloedverwanten krimpen en ons ontvallen, zodat we weinig troost op de aarde zullen hebben: mijn nabestaanden/familieleden staan van verre.
  3. Zoals vrienden in een tijd van verdrietige oefeningen en zware beproevingen kunnen teleurstellen, zo kunnen vijanden zich breed maken. En door list en wreedheid, door laster en sluwe tactiek, openlijke vijandschap en stiekeme plannen kunnen zij tegen iemands goede naam en zaak en zijn leven samenspannen: ook zij die mij naar het leven staan, leggen strikken voor mij; en zij die mijn beschadiging zoeken, spreken gemene dingen, en overdenken heel de dag listen.
  4. Des te meer iemand ontledigd, verdrukt, ongetroost, door vrienden verlaten en door vijanden vervolgd is, als hij tot God gaat om verzoening en verlichting, heeft hij grond om te hopen dat hij geholpen zal worden en dat God Zich des te meer aan hem verbindt. Want hier maakt David dit gebruik van al zijn moeiten en hij legt ze open voor God.
  5. Het is mogelijk, ja vaak gebeurt het ook, dat er over de godvrezenden zo veel wordt gelogen en dat er zo veel roddels en lasterpraatjes tegen hen worden bedacht en geuit door zo veel monden, dat zij niet in staat zijn om op die allemaal in te gaan of ze te beantwoorden en te weerleggen, maar gedwongen worden om ze te ontkennen en zich geduldig stil te houden totdat God de zaken voor hen opklaart: maar als een dove hoorde ik niet, en als een stomme, deed ik mijn mond niet open.
  6. Wanneer de godvrezenden, overladen met een menigte lasteringen en een menigte vijanden die er steun aan geven, neerzitten in geduldig zwijgen, en niet zien met welk doel te spreken, worden ze al gauw als schuldig aangezien, of als zulken die niet kunnen weerleggen wat hen wordt aangewreven, en die de waarheid die zij belijden, niet kunnen handhaven. En dit is een toevoeging aan al de andere moeiten, zoals David aanduidt wanneer hij zegt: zo was ik als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.

16. Want op u, HEERE, hoop’ ick: ghy sult verhooren, Heere mijn Godt.

17. Want ick seyde; Dat sy hen doch over my niet en verblijden! wanneer mijn voet soude wanckelen, so souden sy hen tegen my groot maken.

18. Want ick ben tot hincken gereet: ende mijne smerte is steedts voor my.

19. Want ick make [u] mijne ongerechticheyt bekent: Ick ben bekommert van wegen mijne sonde.

20. Maer mijne vyanden zijn levende, worden machtich: ende die my om valsche oorzaken haten, worden groot.

21. Ende die quaet voor goet vergelden, staen my tegen; om dat ick het goede najage.

In de vierde plaats beschrijft hij zijn worstelingen tegen zijn vervolgers, die zowel hem als zijn rechtvaardige zaak zoeken te vernietigen. Leer hieruit:

  1. Het is een erge en hoge mate van beproeving van de godvrezenden, wanneer tegelijkertijd God hen vervolgt vanwege de zonde, en vrienden zich van hen terugtrekken in hun plichten van menselijkheid, en vervolgers hun leven schijnen te vernietigen, en in ieder geval in hun persoon de godsdienst hierdoor onderdrukken. En toch is dit het geval geweest bij velen van Gods kinderen, en kan het nog zijn, zoals dit voorbeeld ons onderwijst. Ja, ook de situatie van onze Heere Jezus was zo, toen Hij voor onze zonden leed.
  2. Erge beproevingen kunnen niet gedragen worden zonder het verbond der genade stevig vast te grijpen en te houden, omdat dit het geloof bevestigt en de hoop sterkt en geduld verschaft in de grootste moeiten. Want David geeft deze reden dat hij zijn genoemde harde omstandigheden geduldig heeft verdragen: op U, o HEERE, hoop ik. U zult verhoren, o HEERE, mijn God.
  3. Als het verbond wordt vastgehouden, waardoor we met recht God onze God kunnen noemen, kunnen we als het ware voor onszelf borg zijn dat we een goed antwoord van God zullen krijgen: U zult verhoren, o HEERE, mijn God.
  4. Wanneer de vijanden van de godvrezenden in hun rechtvaardige zaak, op het punt staan over de godvrezenden en hun zaak te triomferen, en wanneer de godvrezenden dus ontmoedigd zijn als de Heere niet helpt, dan mogen de godvrezenden er zeker van zijn dat de Heere zal horen en helpen. Want David geeft dit als reden voor zijn overtuiging dat God hem zou horen (vers 16), omdat de vijanden anders zouden triomferen en hij aan het wankelen gebracht zou worden en van de weg af zou raken (vers 17-18). Want hier is des Heeren eer bij betrokken.
  5. Wanneer de uitwendig voorspoedige omstandigheid van de godvrezenden veranderd is en hun voeten uitglijden en de hand des Heeren zwaar op hen ligt zonder verlichting, staan zelfs zij die sterk zijn in het geloof, op het punt moedeloos te worden en te bezwijken. Zo zwak zijn wij in het geloof wanneer er een harde beproeving komt: want toen de vijand zich tegen David groot maakte, toen zijn voeten uitgleden, toen zijn verdriet steeds voor hem was, zo belijdt hij, was hij op het punt om te wankelen; om zo de godvrezenden te waarschuwen om tegen deze verzoeking op hun hoede te zijn.
  6. Om ons ervoor te behoeden dat we ons onder moeilijkheden ergeren, is het gepast dat we onze zonden vergelijken met Gods Vaderlijke kastijdingen van ons, en dat we de weg inslaan tot vergeving van onze zonden, en dat we het verdriet door verdrukking gekomen, omkeren in geestelijk verdriet over de zonde. Want dit neemt David zich in zijn leed voor: ik zal mijn ongerechtigheid aan U bekendmaken, ik zal bekommerd zijn vanwege mijn zonde.
  7. De Heere bestuurt en verdeelt de uitwendige omstandigheden van de godvrezenden en van de goddelozen in dit leven zo, dat de godvrezenden dikwijls het treurige deel hebben en de goddelozen het blijde deel; en dit zo veel te meer als zij zien dat het hoofd van de godvrezenden neergebogen is: ik ben bekommerd vanwege mijn zonde, maar mijn vijanden zijn levendig en machtig.
  8. Zoals het een zaak is van smart om de verdrukkingen van de godvrezenden te zien toenemen en te zien dat de vijanden toenemen in blijdschap en kracht en aantal, zo is het een zaak van troost dat de vijanden van de godvrezenden vijanden zijn zonder dat aan hen een goede reden is gegeven: zij die mij onterecht haten, worden vermeerderd.
  9. We moeten niet ophouden te doen wat God van onze hand eist, al zou het zijn dat we de haat van de wereld krijgen. Want David volgde dat wat goed was, al vergolden zijn vijanden hem juist om die reden kwaad voor goed.

22. En verlaet my niet, ô HEERE: mijn Godt, en weest niet verre van my.

23. Haest u tot mijner hulpe; Heere, mijn heyl.

Hij sluit de Psalm af met een gebed en legt al zijn gewicht op het verbond, al heeft hij voor de tijd geen troost ontvangen. Leer hieruit:

  1. Wij moeten de Heere niet beperken om ons troost en verlossing te geven wanneer wij denken dat we deze het meest nodig hebben, maar we moeten ons gebed aan Zijn voeten laten, zoals de profeet doet.
  2. De gelovige moet er zó voor waken om op het gevoel te leunen, dat hij de greep van het geloof moet vasthouden, niet alleen wanneer hij het gevoel van troost mist, maar ook wanneer Gods besturing jegens hem en zijn gevoel daarvan, geheel en al tegen het geloof schijnen te strijden: verlaat mij niet, o HEERE, wees niet ver van mij. Haast U om mij te helpen, zegt Davids geloof, wanneer zijn gevoel zegt wat zijn gebed hier veronderstelt, dat is: directe ondergang.
  3. De band van het verbond der genade is in staat om het gewicht van de zwaarste last van de gelovige te dragen, en uit kracht van dat verbond mag hij God eigenen als zijn eigen God, en ook de zaligheid in Hem eigenen. Want niettegenstaande al de moeiten en verzoekingen die in deze Psalm worden beschreven, doorstaat de gelovige dit alles op deze grond— o mijn God, o HEERE, mijn Heil. En hier is de overwinning van het geloof.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën