Website van Ds. W. Pieters

1996

1

1 oktober

Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.

Efeze 1 vers 3

God te prijzen is onze lust, wanneer we zijn vervuld met Zijn Geest en weer gelijken op Zijn Zoon. Daarom begint Paulus daarmee in zijn brief aan de christenen te Efeze.

Er is ook alle reden toe, als we bedenken, wat God aan die gemeente en aan al Zijn kinderen heeft geschonken. Namelijk: Hij heeft ons gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.

Paulus maakt onderscheid tussen geestelijke zegeningen en niet-geestelijke zegeningen. Er zijn immers ook aardse zegeningen, bestemd voor het lichamelijke, tijdelijke leven. Die mogen we niet verachten en we mogen ook daarvoor de Heere eerbiedig danken, maar toch… Waar het uiteindelijk om gaat, is de geestelijke zegen. Dat is de zegen van vergeving der zonden en verzoening en vrede met God.

Verstaan wij wat dat inhoudt? Hebben we deze zegen ontvangen? Hebben wij deze zegen werkelijk nodig en achten wij die het belangrijkste van alles?

Als wij deze genade niet deelachtig zijn, zullen we nooit God van harte kunnen zegenen, dat is: prijzen en loven. Daarom is het van zo groot belang om die geestelijke zegen deelachtig te zijn.

Dan komt God weer aan Zijn eer.

Hebt u daar ook zo’n sterk verlangen naar? Misschien denkt u? Hoe zal ik ooit gezegend worden? Ach, vloekwaardigen worden gezegend…

Lezen: Efeze 1 vers 1-5; zingen: Psalm 67 vers 1

2 oktober

In Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade.

Efeze 1 vers 7

De apostel gaat uitstallen, hoe rijk hij wel is. Nee, niet zoals hij het vroeger zou hebben gedaan, toen hij nog farizeeër was. Tóen zou hij hebben verteld, hoe goed en rijk hij vanuit zichzelf wel was. Maar nu toont hij de schatten van Gods genade. Hij schrijft: “Wij hebben de verlossing door het bloed van Christus.” Wat is dat precies? Wel: “Wij hebben de vergeving van onze misdaden.”

En dat is groot!

Misdadiger te zijn voor Gods heilige ogen… O, als dat gaat drukken op onze ziel! Als dat door Gods Geest wordt bekend gemaakt aan ons hart! Dan worden wij verschrikt en wenen wij hete tranen. En we vragen ons af: hoe kan dit ooit weer goed komen? Kan zulk een heilig en rechtvaardig God met míj te maken hebben? Kan Hij mij genadig zijn?

Ja, er is in het hart van deze beledigde Majesteit in de hemel toch genade! Er is in het hart van God toch vergevingsgezindheid. Hij vergeeft gaarne zegt David in Psalm 86 vers 5. Maar hoe is dat mogelijk? Alleen door het bloed.

Het bloed van offerdieren in de tempeldienst wees reeds heen naar het Bloed van Jezus Christus, dat volkomen heeft voldaan aan al de eisen van Gods recht.

Door geloofsovergave aan Hem ontvangen wij aan deze weldaad deel.

Lezen: Efeze 1 vers 3-10; zingen: Psalm 86 vers 3

3 oktober

Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkre­gen verlos­sing, tot prijs Zijner heerlijkheid.

Efeze 1 vers 14

Wanneer wij verwaardigd werden om deel te krijgen aan het dierbaar bloed van Christus en aan zijn eeuwige waarde en kracht tot vergiffenis van al onze misdaden, dan komt ook de Geest van Christus in ons wonen. En de apostel getuigt ervan.

Hij noemt de Heilige Geest ‘het Onderpand van onze erfenis’. Dit houdt in: de Heilige Geest wordt vergeleken bij een vooruitbetaling, een voorschot. Wij maken een vooruitbetaling, wanneer we hebben besloten iets te kopen. De verkoper ontvangt dit voorschot als bewijs, dat hij heel het bedrag zal ontvangen (wanneer wij tenminste eerlijk zijn).

God doet ook een vooruitbetaling. Waarop? Op de erfenis, die al Zijn volk wacht. Wat is die vooruitbetaling? Het is de Heilige Geest in het hart van Gods kinderen.

Hebben wij deze Geest van God ontvangen en de uitgestorte liefde van God daarbij, dan hebben we een voorschot van de komende erfenis der eeuwigdurende gelukzaligheid.

Wie de Geest van God mist in Zijn werkingen, drijvingen, onderwijzingen, voorbiddingen, vertroostingen, die mist alles; die heeft ook geen erfenis te wachten, maar een vreselijke vergelding van de zonde in de eeuwige nacht. Laten we dan nauwgezet onderzoek doen: mag ik hopen op die eeuwige erfenis, omdat ik de Geest als Voorschot al ontving?

Lezen: Efeze 1 vers 3-14; zingen: Psalm 17 vers 8

4 oktober

Opdat gij weet, welke is de hoop van Zijn roeping.

Efeze 1 vers 18

God heeft Zijn kracht betoond. Niet zozeer in het scheppen van hemel en aarde, maar vooral in het verlossen van Zijn kerk. Toen Hij deze verlossing bewerkte in Christus op het kruis van Golgotha en in de hof van Jozef van Arimathea, hoefde er niets meer aan te worden toegevoegd. Wel moest ze nog worden toegepast.

Dat toepassende of toe-eigenende werk is in de hand van Christus’ Geest. Hij gaat uit door middel van de prediking van het Evangelie en roept zondaren. Dode zondaren worden geroepen door de stem van een mens. Zou dat helpen?

Maar, o wonder!, de almachtige kracht van Gods Geest paart zich aan de machteloze stem van de dienaar des Woords en het ongelooflijke wonder gaat gebeuren: doden worden levend, vijanden worden met God verzoend, goddelozen worden van zondeschuld en verdoemenis verlost!

En wanneer deze roeping in ons leven is geschied, niet slechts uitwendig door de stem van de dienaar des Woords, maar inwendig door de wederbarende kracht van de Geest, dan ontvlamt er hoop in de ziel.

Welke hoop?

Dat uw ziel voor eeuwig gelukkig zal zijn in de ongestoorde omgang met God. En deze hoop stelt niet teleur! Paulus mag het hier schrijven: achter die krachtdadige en onwederstandelijke roeping schuilt een goede hoop. Dan mag u zich gerust erop verlaten, dat de Heere trouw is en Zijn raad zal volvoeren, Zijn belofte zal volbrengen.

Lezen: Efeze 1 vers 15-20; zingen: Psalm 146 vers 3

5 oktober

En heeft Hem aan de gemeente gegeven als Hoofd boven alle dingen.

Efeze 1 vers 22

Wanneer wij verlichte ogen van ons verstand krijgen, zien we niet alleen hoe groot onze zonde en ellende is, maar dan zien we ook hoe groot en heerlijk onze Verlosser is. Paulus prijst Hem aan in Zijn schoonheid en glorie. Hij zegt, dat God de Vader Zijn Zoon heeft verheerlijkt aan Zijn rechterhand en Hem de kroon der overwinning heeft gegeven. Deze kroon heeft de Middelaar ook verdiend door Zijn lijden en sterven op Golgotha. Toen heeft Hij immers de vijanden totaal verslagen en satan helemaal overwonnen.

Nu stelt God Zijn Zoon ook tot Heerser aan over heel de wereld. Alles is aan Hem onderworpen.

Maar veel heerlijker is het voor ons te weten, dat Christus ook is aangesteld tot Hoofd van Zijn gemeente. Dit houdt in, dat wij volkomen veilig zijn onder Zijn bescherming.

Christus is het Hoofd, Hij regeert en bewaart. Geen vijand is in staat om Zijn gemeente schade te berokkenen. O zeker, de machten der hel zullen wel al hun woede op de gemeente van Jezus Christus richten en haar schijnbaar ook hevig verwonden en beschadigen. Maar dat is slechts schijn. In wezen kan satan met al zijn list en macht niets, maar dan ook helemaal niets uitrichten tegen Gods volk. Wij zijn volkomen veilig in de hand van de Goede Herder.

En meer nog: als Christus het Hoofd is, onderhoudt Hij het leven van onze ziel. Hij voedt en sterkt en verlevendigt heel Zijn kerk.

Lezen: Efeze 1 vers 15-23; zingen: Psalm 99 vers 1

6 oktober

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid…

Efeze 2 vers 4

Vanuit het offer van Zijn Zoon komt God tot ons met Zijn barmhartigheid. Deze barmhartigheid is niet pas werkelijkheid geworden door Christus’ lijden en sterven. Deze barmhartigheid was reeds van eeuwigheid in Gods hart. Maar ze kon zich niet aan ons bewijzen zonder het offer van de Gekruisigde. Als Christus Jezus niet in onze plaats volk was gestorven, had de barmhartigheid van God zich niet op ons en in ons kunnen uitstorten.

Maar nu kan de rechtvaardige God Zijn grondeloze barmhartigheid aan ons bewijzen. Dank zij Jezus Christus, Sions betalende Borg.

En deze barmhartigheid is groot. Er staat immers, dat God niet karig, maar rijk of overvloedig is in barmhartigheid en dat betekent voor ons allen, dat we dringend worden vermaand om tot zulk een barmhartig God de toevlucht te nemen…

Deed u dat ook? O, wanneer hebben we deze barmhartigheid echt nodig? Wanneer nemen wij oprecht de toevlucht tot deze barmhartige God? Als we in een onhoudbare nood zijn. En het is een wonder, wanneer wij in zulk een nood zijn gekomen. Want we doen echt alles om onze ellende maar niet te hoeven inleven…

Maar dit lukt ons niet meer, wanneer de Heere met Zijn Geest de peilloze diepten van onze verlorenheid aan ons bekend maakt. Dan krijgen we genade nodig voor onze schuld en barmhartigheid voor onze ellende en nood. Dan vallen we als schuldverslagen en helwaardige zondaren in onze dodelijke onmacht neer aan de voeten van Hem, Die de Barmhartige is en Die Zijn barmhartigheid rijk en ruim uitdeelt

Lezen: Efeze 2 vers 1-10; zingen: Psalm 103 vers 5

7 oktober

Want wij zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

Efeze 2 vers 10

Er is geen roem in het schepsel. Wij doen niet mee. Zoals Adam zichzelf niet heeft gemaakt en ook in Gods scheppingswerk niet een handje heeft geholpen, zo maken wij onszelf ook niet tot geestelijke mensen en helpen wij de Heere niet in onze wedergeboorte. Het is alles Zijn eenzijdig en almachtig werk.

Laten we Hem daarvoor loven!

Als ik nu het maaksel van God ben, zou ik dan niet geheel voor Hem willen leven? Of zou ik Hem willen bedroeven? Dit geldt zelfs al voor de gewone schepping, hoeveel te meer dan voor de herschepping!

Het is een onuitsprekelijk groot voorrecht om door God te worden herschapen. Immers zijn wij bij de Heere vandaan gelopen en hebben wij ons in vijandschap tegen Hem verzet. En nu ontplooit de Heere een nieuw begin…

En dan te bedenken, dat deze herscheppende genade alleen in Jezus Christus kon geschieden. Buiten dit Offerlam Gods wacht ons de eeuwige pijn! Alleen in Hem kunnen wij herschapen worden, omdat Hij het Begin is van de nieuwe mensheid.

En dat is het doel van deze nieuwe schepping. De mens werd bij de eerste schepping geplaatst in een schone Hof en hij hoefde niets te doen om die Hof te planten, hij mocht erin wandelen en ervan genieten en ervoor God prijzen.

Welnu, zo is het ook bij de herschepping: God plant de Hof der goede werken en doet er Zijn volk in wandelen en ervan genieten en Hem ervoor loven.

Lezen: Efeze 2 vers 1-10; zingen: Psalm 92 vers 8

8 oktober

Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds ver waart, nabij geworden door het bloed van Christus.

Efeze 2 vers 13

Paulus is heidenapostel. Dit betekent, dat hij in het bijzonder buiten Israël en buiten het volk der Joden het Evangelie verkondigt. De heidenen, die van God vervreemd zijn, die in duisternis van zondelust en ongeloof dwalen, die in satans macht zijn en de weg des heils niet weten, die overgegeven zijn aan allerlei ongerechtigheid…; zíj krijgen de wondervolle boodschap van Gods genade te horen en zij mogen nu verlicht worden, getrokken uit de macht van satan tot in Gods Koninkrijk.

Zij zijn nabij geworden. Er staat niet, dat zij zelf nabij zijn gekomen. Wij mensen kunnen en willen alleen maar weglopen van God. Terugkeren, naar God vragen, Hem zoeken en Hem liefhebben is er niet bij. Bij niemand!

Onze vrije wil is alleen gericht op het boze. Maar nu, o wonder: door het Bloed van Jezus Christus en door Gods genadekracht worden heidenen nabij gebracht!

Wat blinkt en schittert ook hier dat eenzijdig Godswerk! Hij heeft door de gave van Zijn Zoon en door de kracht van Zijn Geest heidenen doen komen tot de kennis der zaligheid. Een kennis zo schoon en heerlijk, als geen tong kan vertolken en geen pen kan beschrijven.

U deelt daarin? U kent dit ook? U hunkert om nabij te worden gebracht? Uw onmacht is geen belemmering en uw onwaardigheid evenmin. Want God Zelf onderneemt dat grote werk en Hij doet het door het bloed van Christus.

Lezen: Efeze 2 vers 11-17; zingen: Psalm 73 vers 14

9 oktober

Op Wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.

Efeze 2 vers 22

De Bijbel gebruikt vaak beeldspraak. Ook in de tekst voor deze dag. Het gaat over de verbinding tussen Christus en Zijn volk en Paulus gebruikt dan het beeld van een gebouw. Een gebouw heeft een fundament. Zonder goede fundering zakt alles in elkaar. Het fundament van het gebouw is nu beeld voor Christus en Zijn werk, in het Evangelie geopenbaard.

Het gebouw, dat op dit Fundament wordt opgetrokken, is de geestelijke en heilige tempel van God. Dit gebouw, deze tempel bestaat uit ‘stenen’. De gelovigen nu zijn die geestelijke stenen.

Van groot belang is, dat wij, als stenen, goed gefundeerd en vast gemaakt worden op Christus en het Evangelie. Als we niet goed worden vastgemaakt, als er geen deugdelijke vereniging tussen Fundering en gebouw is, dan gaat alles nog mis. Deze woonstede van God, deze tempel, is en wordt nu door de Geest Zelf op Christus gefundeerd.

Dus ook dat doet u en dat doe ik niet. Ja, we krijgen van dag tot dag in deze kostelijke brief aan de Efeziërs te horen van dat zoete Evangelie-geheim van het eenzijdig Godswerk. Er staat niet, dat de gemeente zichzelf op Christus moet bouwen, maar er staat, dat zij op Christus gebouwd wórdt!

Verhoog dan met mij de Naam des Heeren, Die een woonstede op deze aarde zoekt, hoewel de hemel en de hemel der hemelen Hem niet kunnen bevatten. O Heere, wilt U komen wonen bij zo’n mens als ik? Mag ik met al Uw kinderen een woonstede, een tempel voor U zijn???

Lezen: Efeze 2 vers 18-22; zingen: Psalm 65 vers 3

10 oktober

Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen zijn.

Efeze 3 vers 1

Waarom is Paulus gevangen genomen? Omdat de duivel zo’n verschrikkelijke hekel aan hem heeft. Waarom heeft de duivel zo’n hekel aan Paulus? Omdat door middel van de arbeid van deze getrouwe heidenapostel het rijk van satan wordt afgebroken, zijn prooi hem wordt ontrukt en het Koninkrijk van Jezus Christus wordt opgebouwd. De gemeente wordt gebouwd en dat staat satan niet aan.

Daarom doet hij alle moeite om de Evangelieprediking aan banden te leggen. Dat kan waarschijnlijk het beste gebeuren door Paulus, deze onvermoeide prediker, in de gevangenis te werpen. Daarom is hij nu gevangen.

Maar de apostel lacht de duivel uit. Hij is niks bang voor de hellehond. Hij schrijft dan ook een christelijke woordspeling. Hij zegt niet, dat hij een gevangene van de Romeinse overheid is, ook niet van boze en vijandige mensen, maar hij schrijft, dat hij een gevangene is van Christus Jezus. Let op: Christus heeft hem gevangen laten zetten. In de handen van Jezus bevindt de apostel zich nu. Hij is niet in handen van wrede en onberekenbare soldaten, niet in handen van de bloeddorstige keizer van Rome, zelfs niet van de brullende leeuw satan, maar hij is in handen van Jezus Christus, zijn Heere.

En Paulus wil graag een gevangene zijn, als dat nuttig en dienstig is voor de gemeente. Hij schrijft dan ook zo mooi: ik ben een gevangene voor ú. U ten goede. Nu kan hij veel bidden en schrijven en de gemeente is er goed mee. O domme duivel, je denkt Paulus uitgeschakeld te hebben, maar Christus Zelf maakt hem ook nu nog nuttig!

Lezen: Efeze 3 vers 1-5; zingen: Psalm 76 vers 5

11 oktober

Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus.

Efeze 3 vers 8

De Engelse vertaling heeft niet ‘mij de allerminste van al de heiligen’, maar: ‘mij die minder ben dan de minste van al de heiligen’. En dat is precies wat het Grieks ons zegt. Dat is trouwens ook de beste plek. Minder dan de minste van Gods volk. Nog minder dan de kleinste gelovige en de zwakste godvrezende en minder ook dan de verst weggedwaalde en verachterde in de genade…

En dan de hoogste eer, namelijk verkondiger te zijn van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus. Dit is de eer, die God mensen schenkt: prediker zijn. Waarom is dat een eer? Niet omdat het zo goed betaalt, want Paulus kreeg stokslagen, stenigingen, gevangenissen als loon. Maar omdat het de hoogste eer is om dit werk te mogen doen; al kost het je dan ook nog zo veel.

Moeders of vaders: verkondiger te zijn bij je eigen kinderen, klein en groot. Verkondiger niet van regels en vormen, maar van de rijkdom van Christus. Hebt u er zin in?

Dat is een eer! De rijkdom van Christus uit te stallen. Hoe rijk is Jezus Christus dan? Paulus zegt: deze rijkdom is onnaspeurlijk. Dat betekent: deze rijkdom is niet af te meten, niet te vatten, zo groot en zo heerlijk!

Geve God ons allen ogen der ziel om deze rijkdom en schoonheid van de gekruisigde Christus te zien en om ons daarin te verlustigen.

Lezen: Efeze 3 vers 1-10; zingen: Psalm 40 vers 5

12 oktober

Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heere.

Efeze 3 vers 11

God heeft een plan gemaakt. Niet een plan om mensen te verderven, maar om mensen te behouden. Dit plan heeft Hij reeds van eeuwigheid klaar. Dit plan, dit voornemen, voert God ook uit. Onweerstaanbaar. Vele zijn de hindernissen, de tegenwerkingen en de vijandelijkheden. Maar God gaat door.

Dit voornemen heeft volgens vers 10 betrekking op de veelvuldige wijsheid Gods. God is zeer wijs, oneindig wijs, volmaakt wijs. Hij vergist Zich nooit, Hij vergeet nooit iets en Hij bedoelt het nooit verkeerd. Dat geldt voor alle dingen, die Hij in Zijn wijsheid heeft besloten. Maar in het bijzonder wel voor de wijze besluiten in Christus Jezus. En daarover gaat het nu.

Paulus zegt, dat de veelvuldige wijsheid van God bekend wordt gemaakt in overeenstemming met hetgeen God van eeuwigheid Zich had voorgenomen in Christus Jezus.

Over welke zaken gaat het dan? Over het werk van Christus, dat Hij heeft gedaan op aarde en dat Hij nog doet in de hemel. Ook over Wie Christus is als God en mens in één Persoon, over Zijn drievoudig ambt van Profeet, Priester en Koning.

O, wat is er veel wijsheid Gods in Christus geopenbaard. En ook in het werk van Christus’ Geest, dat nodig is om ons zalig te maken. Wat een veelvuldige wijsheid om ons uit de diepten der hel en der zonde te verlossen!

Kom, laten we deze wijsheid aanbidden en God er eerbiedig voor loven!

Lezen: Efeze 3 vers 8-13; zingen: Psalm 89 vers 1

13 oktober

Opdat Christus door het geloof in uw harten wone en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt.

Efeze 3 vers 17

Weet u wat liefde is? Nee, ik bedoel niet, dat u het kunt uitleggen. Maar weet u in uw leven, in uw hart wat liefde is? Voor uw man, uw vrouw, uw kinderen?

Weet u ook wat de liefde van God is en van Christus en van de Heilige Geest? Niet, dat u er wat over kunt zeggen, maar dat u die hebt ervaren!

Liefde voel je. Het doordrenkt heel je wezen. Het bestempelt alles wat je doet.

In de liefde van Christus geworteld en gegrond te zijn is alleen mogelijk, wanneer Hij door het geloof in ons hart woont. Dan moet er eerst plaats voor Hem worden gemaakt. Dat doet God Zelf door Zijn heilige wet. De Geest doet ons zien, dat we vol haat zijn, vol van onszelf en leeg van God. Dan wordt er een verlangen gewerkt om met God verzoend te worden. We krijgen de Middelaar nodig. Ons hart gaat uit naar Hem, Die aan het vloekhout stierf voor vijanden.

En wanneer Hij intrede doet in ons hart, vervult Hij ons met een ongekende vreugde; want liefde brengt vreugde mee. Dan verlost Hij de zuchtende ziel van al haar bezwaardheid, van al haar nood, van al haar bekommernis.

Maar Paulus schrijft het in de wensende vorm aan mensen, die toch deze genade zeker reeds kenden! Hoe kan dat? Omdat een kind van God het soms zo slecht kan bekijken, wat er nu van waar is; en ook omdat we het steeds weer nodig hebben om Christus in ons hart te mogen ontvangen.

Lezen: Efeze 3 vers 14-21; zingen: Psalm 91 vers 1

14 oktober

Verdragende elkaar in liefde.

Efeze 4 vers 2

Wanneer leren we elkaar verdragen? Als er liefde is. Liefde geeft verdraagzaamheid. En dan is het echt niet moeilijk. Vraag de Heere om een hart vol liefde. Een hart, dat overloopt van liefde. Dan zult u elkaar verdragen.

Toch vindt de apostel het blijkbaar nodig – en ook de Heilige Geest vindt het blijkbaar nodig! –, om dit nog weer eens in het gemoed van de lezers in te scherpen. De christenen te Efeze hadden wel liefde ontvangen, zowel voor God als ook voor hun broeders en zusters in Christus. Maar toch betekent dit niet, dat dan automatisch alles goed gaat. Helaas niet. Daar moet voor gestreden worden; en dan niet met elkaar, maar met onszelf. We moeten strijden tegen ons hoogmoedige en gemakzuchtige ik.

Als we dat niet doen, wordt de innigste liefde koud. Zelfs daar, waar de meest hartstochtelijke liefde brandt, moet de zelfzucht nog bestreden worden. O nee, in de ogenblikken van liefdesbeoefeningen niet, maar verder…!

Als de Heere ons bij tijden en ogenblikken naar binnen laat zien, kan het niet anders of Gods kinderen schrikken van zichzelf. Ze hadden nooit gedacht, dat er nog zoveel neiging tot haat in hun hart was overgebleven; haat jegens God en jegens hun naaste.

Maar komt God, Die de Bron der liefde is, weer over tot uw liefdeloze hart, dan gloeit de gemeenschap der heiligen weer op; dan verdraagt u alles van elkaar.

Moge het in onze gemeenten zo zijn.

Lezen: Efeze 4 vers 1-4; zingen: Psalm 133 vers 1

15 oktober

Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen en heeft de mensen gaven gegeven.

Efeze 4 vers 8

Toen John Warburton met een zeer zware last van zonde was beladen, nam hij in zijn wanhoop zich voor nog éénmaal naar de kerk te gaan. De dienaar des Woords las de tekst voor uit Psalm 68, die Paulus aanhaalt in onze dagtekst: “Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!”

Toen dit Woord des Heeren klonk, nam God al de zonden van zijn ziel af en verloste Hij hem genadig van al zijn schuld.

En dit is nog steeds de vrucht van Christus’ hemelvaart. Want Hij heeft daardoor ambten aan Zijn kerk gegeven, Hij heeft de bediening van Zijn Woord daardoor laten geschieden en Hij laat daardoor nog steeds het bloed der verzoening druppelen in het midden der gemeente op schuldverslagen harten.

Hoe ellendig u zich ook voelt, met duizend zonden bezwaard; er is een Heiland, Die de gevangenis, de macht van ongeloof van zonde en hel, gevangen heeft genomen. Hij is de almachtige Verlosser, de Overwinnaar van Golgotha en Pasen. Wat kan u nog tegenhouden om uw nood en verlorenheid eerbiedig aan Hem te klagen?

Hij deelt gaven uit. Deze gave vooral: door middel van de verkondiging van de belofte van het heilig Evangelie der genade Gods zegt Hij tot allen, die tot Hem vluchten: “Ik heb al uw zonden verzoend!”

Lezen: Efeze 4 vers 1-10; zingen: Psalm 68 vers 9

16 oktober

Tot de volmaking der heiligen.

Efeze 4 vers 12

De heiligen van de roomse kerk zijn vanuit zichzelf volmaakt, maar de heiligen in de Heilige Schrift waren onvolmaakt. En de ware heiligen van onze tijd ook. Dat zijn namelijk mensen, die al hun heiligmaking-van-het-vlees zijn kwijtgeraakt en die zichzelf dagelijks moeten verfoeien vanwege hun inklevende onheiligheid. Maar zij zoeken en vinden hun volkomen heiligmaking in Jezus Christus, hun dierbare Koning.

Deze heiligen hebben nu de bediening van het Woord steeds weer nodig, de openbare gebeden, de bediening van de tekenen en zegelen van het genadeverbond, doop en avondmaal. Zij verlangen naar de prediking des Woords en alles wat daarbij hoort.

Zo worden zij volmaakt. Niet dat ze nooit meer zullen zondigen… O ja, dat is wel hun sterk verlangen, maar ze weten, dat dit nooit zal worden bereikt aan deze zijde van het graf. Nee, daar maken de echte heiligen geen uitvlucht van om gemakkelijk te zondigen, maar daar komt heimwee uit voort naar de volmaaktheid voor Gods troon in de hemelse zaligheid.

Toch, de verkondiging van het Evangelie is het belangrijkste middel om de kinderen van God volmaakt te laten worden. Hoe dan? Omdat in dat Evangelie van de heerlijkheid van Christus de zondedodende kracht van Zijn offer wordt uitgestald, zodat zij in hun dagelijkse afmakingen en afdwalingen de toevlucht mogen leren nemen tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van hun Heere Jezus Christus!

Lezen: Efeze 4 vers 11-16; zingen: Psalm 106 vers 3

17 oktober

Vervreemd zijnde van het leven Gods.

Efeze 4 vers 18

In de woorden boven deze meditatie staat ons aller beeld getekend, zoals wij in Adam zijn: vervreemd van het leven Gods. Wat een vreselijke werkelijkheid! Wat een smartelijke bevinding!

Vreselijk, als we het nog nooit hebben ervaren. Dit is toch onnoemelijk erg: wel door God te zijn geschapen, maar Hem niet te kennen, Hem niet te beminnen, Hem niet te vertrouwen, niet met Hem te leven…

Smartelijk wordt het echter om dit persoonlijk in te leven, te ervaren. O, wat een groot wonder, wanneer de Heilige Geest de ogen van uw ziel ervoor opent. Dan kunt u met de wereld niet meer mee, op weg naar het eeuwig verderf. Dan kunt u met godsdienstige kerkmensen, die Jezus Christus niet echt nodig hebben, ook niet meer mee op weg naar datzelfde eeuwige verderf.

Dan gaat u het uitroepen met die schooljongen van zes jaar: “Verloren, verloren, voor eeuwig verloren.” De klasgenoten gaven hem de bijnaam: Leentje verloren. Maar o, wat een nood in dat kinderhartje: God kwijt en zo’n grote schuld en dan de eeuwigheid!

Maar als de Heere ons dit doet beleven, door de werking van Zijn Heilige Geest, dan brengt Hij ook verder. Dan doet Hij ook tot Hem komen. Dan schenkt Hij ook dat leven van Zichzelf aan zulk een ziel. En dat is met Leendert Potappel geschied, toen hij 12 jaar was. En dat geschiedt ook nu nog met jongeren of ouderen, die met al hun nood en dood aan de voeten van God terecht komen.

Kom, u die God kwijt bent: de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was.

Lezen: Efeze 4 vers 17-19; zingen: Psalm 32 vers 2

18 oktober

En dat gij zou vernieuwd worden in de geest uws gemoeds.

Efeze 4 vers 23

Er staat niet, dat wij onszelf moeten vernieuwen. Steeds leert de Schrift ons, dat dit een werk van God is. En dat is maar goed ook, anders zouden wij met de eer gaan strijken. Nee, God zorgt Zelf voor Zijn eer en zal het ons deugdelijk leren, dat de vernieuwing van ons gemoed niet in onze macht is.

We gaan het bemerken, na ontvangen genade, toen we dachten, dat we nu wel beter zouden zijn. Wat een teleurstelling echter om dan te merken, dat de vernieu­wing van ons gemoed niet een zaak is van plotsklaps in één keer nieuw te zijn. Maar dat het een zaak is van steeds meer door het geloof aan Christus gelijkvormig te worden gemaakt en steeds weer te strijden tegen eigen gebreken.

Het wordt door Paulus zo beschreven, dat er duidelijk een oproep in doorklinkt, om nu ook daadwerkelijk deze vernieuwing ter hand te nemen. Ja, ter hand te nemen, daaraan te arbeiden. Niet vals lijdelijk op Gods in­grijpen te wachten, maar u tot het uiterste in te spannen. Hoewel we wel tegelijk gaan leren, dat het toch een werk van God alleen blijft. Maar Paulus schrijft, dat wij de oude mens moeten afleggen om zo vernieuwd te worden in ons gemoed. We moeten heel de koers van ons leven veranderen.

Wie dat niet van plan is, en toch op genade roemt, vergist zich voor eeuwig. Nee, volk van God, u hebt ten bloede toe tegen te staan strijdende tegen de zonde. En u ontvangt toch de vernieu­wing, dat schone leven van heiligheid en toewijding als een geschenk van God alleen!

Lezen: Efeze 4 vers 20─24; zingen: Psalm 51 vers 5

19 oktober

En geef de duivel geen plaats.

Efeze 4 vers 27

Ja, dat kan ook nog, in het leven der genade, dat we aan de duivel plaats geven… Hoe is het toch mogelijk? Dat kan toch niet? Een kind van God heeft toch de vervulling van de moederbelofte uit Genesis 3 vers 15 enigszins in zijn hart: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw en tussen uw zaad en haar Zaad.”

Dat is ook zo, maar dit houdt niet in, dat er niet nog veel van de oude mens in ons is overgebleven en het houdt ook niet in, dat satan niet zal proberen om nog steeds binnen te sluipen. O zeker, Gods kinderen zijn vijanden geworden van alle zonden en van heel de macht van satan. Maar ongemerkt kan de duivel weer plaats krijgen. Als je niet opmerkt dat je zondigt… Of als je een zonde vergoelijkt en denkt, dat het eigenlijk niet zoveel kwaad kan.

Welke zonden worden in dit verband vooral genoemd? Toornig worden, stelen of liefde tot geld en misbruik van onze tong.

Dat zijn zo de invalspoorten van de duivel. En wat is het een wonder, wanneer we daar in het bijzonder op onze hoede zijn. Dat we niet driftig worden, dat we geen liefde tot geld en goed krijgen en dat we geen vuile of slechte praat doen.

O, wat moeten we bang zijn voor deze en andere zonden. We verwoesten er heel de teerheid en innigheid van ons geestelijk leven mee! Moge de Heere ons genadig bewaren!

Lezen: Efeze 4 vers 25─29; zingen: Psalm 97 vers 6

20 oktober

Maar wees jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijk ook God in Christus u vergeven heeft.

Efeze 4 vers 32

Wie ooit vergevende liefde van God heeft gesmaakt, wenst vergevingsgezind te zijn. Haten kunt u dan niet meer, behalve de zonde en de macht van de duivel; en uzelf. Maar wie nog haat tegen zijn broeders en zusters in Adam heeft, verheft zich boven hen en doet duidelijk uitkomen, dat vernedering en ootmoed onbekend zijn.

O, wat een wonder om te beleven: gelijk God in Christus u vergeven heeft…! Daar begint alles mee. Wanneer we deze vergevende liefde van de heilige God in Zijn Zoon Jezus Christus niet hebben beleefd, kennen we ook niet de gestalte van verwondering en zielsvernedering.

Kunt u het zich indenken, dat de wenende zondares aan Jezus’ voeten uit Lukas 7 haar mede-zondaren niet vergeving zal hebben geschonken? Ik niet! Ik merk wel, dat de hoogmoedige farizeeër Simon zijn medeschepsel geen vergeving schonk, maar die vernederde en begenadigde vrouw wel.

Onze bede voor de kerk in onze dagen is: dat God ons zal leren barmhartig te zijn, verdraagzaam en goedertieren. Dat we elkaar niet verbijten of vereten. Tegelijk blijft Psalm 139 waar: “Zou ik niet haten, die U haten?” En dan bidden wij voor de gemeente: dat God ons leert te haten wat de zonde liefheeft, opdat we ons geheel van alle kwaad zouden afwenden en opdat we ons in hartelijke en heilige liefde tot elkaar mogen toewenden.

Lezen: Efeze 4 vers 30─32; zingen: Psalm 26 vers 4

21 oktober

Wees dan navolgers van God, als geliefde kinderen.

Efeze 5 vers 1

Een bijzonder woord van hoge eer: wij mogen God navolgen. Niet in die zin, dat wij Hem nadoen, maar in die zin, dat wij op Hem mogen lijken.

Zoals een klein meisje in alle dingen haar moeder volgt en doet wat moeder doet. Zo moeten en mogen wij in alle dingen God volgen en doen wat Hij doet. Natuurlijk niet in de daden van Zijn voorzienigheid. Maar wel in de daden van Zijn barmhartigheid.

We hebben te doen, zoals onze Vader doet, Die in de hemelen is. En hoe is dat? Jezus leert het ons in Mattheüs 5 vers 44 en 45, waar Hij zegt: “Heb uw vijanden lief, zegen hen die u vervloeken; doe wel aan degenen die u haten; en bid voor degenen die u geweld doen en die u vervolgen; opdat gij kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden en Hij regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.”

Wij moeten kinderen des Vaders zijn, zoals een zoon op zijn vader lijkt en zich net zoals zijn vader gedraagt. Zo moeten wij op de hemelse Vader lijken in mildheid en goedheid, en doen zoals Hij doet, Die geen onderscheid heeft gemaakt, maar Zijn gaven mild uitdeelt.

Wat een voorrecht is het om het beeld van satan kwijt te raken, dat diep in ons is ingeprent, namelijk zelfzucht, ontucht, geldzucht, wantrouwen, hoogmoed, onoprechtheid. En nu het beeld Gods te dragen in kuisheid, zelfverloochening, onbaatzuchtigheid, ootmoed, eerlijkheid.

Lezen: Efeze 5 vers 1─7; zingen: Psalm 1 vers 1

22 oktober

Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere; wandel als kinderen des lichts.

Efeze 5 vers 8

Van ons mensen valt niet veel goeds te zeggen; ja, geen enkel goed! Wij worden duisternis genoemd. We zijn gans en al doordrenkt van de vorst en de macht der duisternis. De duisternis omringt ons niet alleen en de duisternis vervult ons niet alleen, maar wij zijn zelf in onszelf enkel duisternis, niets anders dan alleen maar duisternis.

Hoe moet dat ooit goed komen? Kunnen wij nog één andere verwachting hebben, dan dat de eeuwige en buitenste duisternis ons deel zal zijn?

Maar de apostel weet, welk een machtig Woord hij brengt, middel in de hand van een almachtig God. Door Zijn scheppend spreken bracht Hij het licht uit de duisternis voort. Dat geschiedde op de eerste dag der schepping. Dat doet Hij nog. Hij schijnt in onze harten en verlicht ons tot ware en geestelijke kennis. O, wat een wonderschone dag van Zijn liefde en gunst, wanneer Hij ons komt geven kennis aan de heerlijkheid, kennis aan de uitnemendheid van Jezus Christus.

Weet u daar van? Wandel dan ook als een kind van het licht. Een dief loopt over het algemeen liever in het donker, want hij doet de werken der duisternis. En sinds wij dieven van Gods eer zijn, hebben we de duisternis liever dan het licht. Maar wanneer we verlicht zijn geworden door de Heilige Geest, zullen we ook graag een heilig en teer leven leiden in alle godzaligheid!

Lezen: Efeze 5 vers 8─12; zingen: Psalm 119 vers 1

23 oktober

Versta, welke de wil des Heeren is.

Efeze 5 vers 17

Wij zijn zo onverstandig en dwaas. We menen trouwens, dat we het heel goed weten. Een wonder is het om onze dwaasheid in te leven. Een wonder daarbij om verlegen te raken om Goddelijke wijsheid. Een nieuw wonder is het voor ons gemoed, wanneer we ertoe worden verwaardigd om de wil des Heeren te leren verstaan, lief te hebben en dan ook in de praktijk des geloofs te betrachten.

Deze wil is heilig en bedoelt onze heiligmaking. Deze wil van God is goed en is gericht op ons ware welzijn.

De Catechismus zegt bij de uitleg van de derde bede, Uw wil geschiede: “Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken. Dat is eerst nodig, om de wil van God te kunnen verstaan. Onze eigen wil moeten we radicaal en totaal leren doorstrepen! We moeten steeds weer opnieuw leren nee zeggen tegen onze eigen wil en wens.

Vervolgens staat er in antwoord 124: “En Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn.”

Van harte mogen we dat elkaar wel toewensen, om verwaardigd te worden tot zulk een teer en aanklevend leven, dat we de wil van God zonder enig tegenspreken wensen te gehoorzamen. Dan bidden we: Heere, doodt Gij in mij dan al dat tegenspreken, al die opstand, al die ongehoorzaamheid! Leert Gij mij om gewillig en in hartstochtelijke liefde Uw wil te gehoorzamen en te volgen, wat Gij mij ook oplegt…!

Lezen: Efeze 5 vers 13─17; zingen: Psalm 119 vers 2

24 oktober

Sprekende onder elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen.

Efeze 5 vers 19

Zingen is heel belangrijk. God lofzingen is Hij waard. Daartoe kregen we een stem, daartoe schonk Hij ons het kostelijk vermogen om te zingen.

Zingt u wel eens? Ja, zegt u: klaagpsalmen! Dat is goed, want dan klaagt u niet over God, maar over uw zonde en schuld. Maar ik mag u ook van harte toewensen, dat u van ‘s Heeren wege lofpsalmen zult leren zingen.

Waarom zouden we eigenlijk lofzangen zingen? Och, als we hebben gezien, wie en wat wij zijn, ontlokt het opgaan van de zon en het tjilpen van een mus nog een lofzang in ons hart, vanwege de verdraagzaamheid Gods. Maar veel meer is dit zo, wanneer we verwaardigd werden om in het hart des Vaders te zien door de bediening van de Heilige Geest, in het aangezicht van Jezus Christus, onze dierbare Middelaar.

Zouden we geen lofpsalm zingen, wanneer we staren op het onuitsprekelijk grote geheim van de vleeswording des Woords?

Zouden we geen lofzang stamelen, wanneer we de Borg zien buigen en bidden in het stof van de hof van Gethsemané, met bloed overdekt?

Zouden we niet diep verootmoedigd een geestelijk lied van dank willen uitjubelen wanneer we die wondere ruil zich zien voltrekken aan het vloekhout van Golgotha: Hij mijn schuld en verdoemenis en ik Zijn heiligheid en volkomen zaligheid?!

Zou ons hart niet opspringen met gejuich, wanneer we in geloof aanschouwen hoe Hij de Levende is en het leven geeft, zittend aan ‘s Vaders rechterhand?

Lezen: Efeze 5 vers 18─21; zingen: Psalm 84 vers 1

25 oktober

Gij vrouwen, wees aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heere.

Efeze 5 vers 22

Het is een wonder, wanneer het begin van het huwelijk wordt getekend met deze woorden: “Ik wil mij graag aan jou onderwerpen!”

Niet buiten het Woord om en helemaal niet tegen het Woord in, maar overeenkomstig het Evangelie: gij vrouwen, wees aan uw eigen mannen onderdanig.

De Heere geve aan onze vrouwen, dat ze dit graag doen en gewillig en in alle liefde. De Heere geve aan onze mannen, dat ze aan hun vrouwen alle aanleiding geven, dat ze dit ook graag en in liefde doen. Hoe gedraagt u zich als man? Is uw hart en houding zo, dat uw vrouw zich graag aan u, haar wijze, troostende, liefhebbende, beschermende man wil onderwerpen?

Wat is onderdanig zijn? Dat is het beeld van Christus dragen, Die de voeten van Zijn discipelen waste en ze zo een voorbeeld gaf. Onderdanig zijn is een verachtelijke vernedering voor de mens van deze tijd. Maar wanneer het voorgaande vers wordt beleefd (vers 21), namelijk ‘Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods’, dan zal het niet bezwaarlijk zijn voor onze meisjes en vrouwen om de Bijbelse plaats in te nemen in het huwelijk, namelijk onderworpen aan het hoofd, de man.

Moge het zo zijn, dat uw hart daarin de Heere dient. Niet uw man, maar de Heere. Want God wil gediend worden niet in schoonschijnende woorden, maar in de praktijk van het dagelijkse leven: in geloof aan uw man onderdanig zijn is aan de Heere Jezus Christus onderdanig zijn.

Lezen: Efeze 5 vers 22─27; zingen: Psalm 119 vers 83

26 oktober

Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven.

Efeze 5 vers 25

Wanneer een godzalige vrouw het woord al eens zwaar voelt wegen, dat gisteren de stof der overdenking was, dan mag u weten, dat een godzalige man het woord voor deze dag zeker niet minder zwaar zal voelen wegen: “Gij mannen, heb uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven.”

Denk u in: wij moeten als mannen zoveel van onze vrouw houden, als Christus van Zijn gemeente heeft gehouden. En om even duidelijk te maken, hoeveel dat is, schrijft de apostel erbij, dat Christus Zichzelf voor Zijn gemeente heeft overgegeven, namelijk tot in de dood des kruises.

Zoveel liefde moet er zijn in het hart van elke bruidegom, van elke echtgenoot! Zoveel mag er zijn, wanneer de Heere ons ertoe verwaardigt…

Paulus schrijft het als een bevel, wetend, dat het van nature zo niet is. Net zomin als vrouwen vanuit zichzelf graag onderworpen zijn, net zomin zijn mannen zo zelfverloochenend, dat ze hun vrouw liefhebben als Christus Zijn gemeente. Daarom: mannen, jullie móeten zoveel van jullie wettige vrouw houden…

En de bede stijge op in alle gezinnen: Heere, schenk ons zoveel ware liefde, van weerszijde, voor elkaar…

Daar kan zegen verwacht worden, en nergens anders.

Lezen: Efeze 5 vers 22─33; zingen: Psalm 119 vers 17

27 oktober

Eer uw vader en moeder.

Efeze 6 vers 2

Dán alleen kan de kinderlijke gehoorzaamheid goed functioneren, wanneer het voorgaande hoofdstuk van deze brief waar is geworden in het huwelijksleven. Maar wanneer de moeders zich niet liefdevol onderwerpen aan vader; wanneer de vaders niet in christelijke liefde moeder de vrouw liefhebben, daar zal het ook tussen ouders en kinderen wel niet zo zijn, als het behoort te zijn.

Daar is het niet te verwonderen, wanneer kinderen hun ouders niet eren. Toch is en blijft het onze plicht om onze ouders, of ze nog leven of dat ze reeds gestorven zijn, te eren.

Eren is veel meer dan gehoorzamen. Gehoorzamen kun je onder dwang of omdat je het verstandig vindt. Maar eren komt voort uit twee dingen. In de eerste plaats liefde voor je ouders. En in de tweede plaats gehoorzaamheid aan het Goddelijke gebod. Zo luidt immers de wet van God!

Wij eren onze ouders niet, omdat zij dat willen of omdat wij dat willen; maar wij eren onze ouders, omdat Gód dat wil. En dit in liefde. Wat zondigen kinderen ontzaglijk tegen dit gebod van God…

Van harte mag ik jullie in je jonge leven voorhouden, dat je je niet zo dwaas zult gedragen, als ik heb gedaan in mijn jonge jaren, namelijk mijn moeder zo verdriet gedaan…

Vraag toch dagelijks aan de Heere om je ouders in liefde te gehoorzamen! Daarin dien je de Heere; daardoor verheug je je ouders en ook jijzelf wordt daardoor gezegend.

Lezen: Efeze 6 vers 1─4; zingen: Psalm 34 vers 6

28 oktober

Doende de wil van God van harte.

Efeze 6 vers 6

Wanneer doen wij de wil van God van harte? Paulus heeft het in dit gedeelte over de verhouding van heren en knechten, arbeiders en bazen. Voor beiden heeft hij een woord, hoe zij zich in de praktijk van het leven moeten gedragen. Hoe wij zijn tegenover onze naaste is heel belangrijk. We moeten vooral niet denken, dat we God kunnen dienen en ondertussen in huwelijk en gezin, in kerk en werk ons onchristelijk gedragen… Het zal niet gaan, welke mooie woorden we ook daarvoor proberen te verzinnen.

Wanneer we trouwens de HEERE ootmoedig vrezen, willen we ook niet anders, dan met ons gehele leven te gehoorzamen aan de wil van God. Wat wil God dan?

Dit kunnen we lezen in het Woord. De Heere heeft Zijn wil duidelijk bekend gemaakt en Hij vraagt van ons, dat we ons daaraan graag en volledig onderwerpen. Dan doen we het niet, omdat we op de mensen een goede indruk willen maken, maar dan doen we het als dienstknechten van Christus, zegt de apostel in het volgende vers. Hoe groot, wanneer de christelijke liefde het gehele maatschappelijke leven doortrekt. Dan gaat het als met zuurdeeg. Dat doorzuurt het gehele deeg. Alles komt op z’n plek te staan, wanneer wij voor de Heere op onze plek werden gezet.

En daar kunnen wetten van de overheid en collectieve arbeidsovereenkomsten niet tegenop! Moge het op de werkvloer, op kantoor en in heel het leven zijn, zoals deze brief het ons voorhoudt.

Lezen: Efeze 6 vers 5─9; zingen: Psalm 19 vers 6

29 oktober

Voorts, mijn broeders, word krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht.

Efeze 6 vers 10

Er is een geweldige strijd gaande. Terwijl ik dit schrijf, vechten ze op de Balkan, in Bosnië; maar dat bedoel ik niet. Er is een geweldige strijd gaande in ons vaderland, in onze kerken, in uw gezin, in mijn hart. De strijd tussen waarheid en leugen, tussen God en satan. En wij zijn geen toeschouwer, maar wij zijn persoonlijk betrokken.

Aan welke kant vecht u? God is onze wettige Vorst. Hij mag rekenen op onze liefde en inzet. Hoe is dat in ons leven? Bent u eerlijk gemaakt voor Zijn heilig aangezicht? Hebt u moeten leren, dat u een landverrader bent? Dat u een koningsmoordenaar bent?

Ontzaglijk! Vreselijk!

Maar het wonder is bij de vechtende Saulus van Tarsen geschied, namelijk: God heeft hem overwonnen. Hij werd geveld en vervolgens heeft de Heere hem ingewonnen voor Zijn zalige liefdesheerschappij en zoete dienst. Nu is Paulus een dienstknecht en een krijgsknecht van Jezus Christus en nu strijdt hij als een goed soldaat tegen de duivel, de wereld en zijn eigen boze hart.

Zullen wij in deze strijd niet het onderspit delven? Zal satan het niet winnen? Zal mijn boze en zo goddeloze bestaan mij niet nog een keer geheel overwinnen ten kwade?

De apostel roept in deze bange strijd ons op om krachtig te worden in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.

Kijk, dan gaat het. Vervoeg u bij Hem, schuil bij Hem, Die machtig is en Die Zijn soldaten een eeuwige overwinning heeft beloofd!

Lezen: Efeze 6 vers 10─13; zingen: Psalm 68 vers 1

30 oktober

Biddende te allen tijd in de Geest … met alle smeking voor al de heiligen; en voor mij…

Efeze 6 vers 18, 19

Wat is die grote heidenapostel afhankelijk en klein! Hij vraagt om voorbede. Hij voelt en weet, dat hij in de strijd nooit staande kan blijven. Hij weet, dat satan onvoorstelbaar machtig en onvoorstelbaar listig is. Hij weet, dat de prediker van het heilig Evangelie der genade Gods onder spervuur van de hel ligt…!

Daarom smeekt hij dagelijks de Heere om Zijn hulp en genade. Maar niet alleen bidt hij zelf, hij vraagt nu ook van de kinderen Gods in Efeze, dat zij voor hem zullen bidden.

Het gebed is een machtig wapen. Het is een zoete plicht, een aangename dienst: voor elkaar te bidden. Elkaar in ootmoedige en vurige smeekgebeden aan de Heere op te dragen en elkanders nood te dragen op de vleugels van het gebed.

Het is een kostelijk voorrecht om de kinderen Gods te ontmoeten voor de Troon, al weten wij er bijna nooit iets van. Een kostelijk voorrecht is het om aan elkaar deze liefdedienst te bewijzen, dat we de Heere aanroepen ten behoeve van elkaar.

En als dienaar van het Woord zeg ik het de apostel in dit vers na: bid te allen tijde ook voor mij. Bid voor mij, u die bidden geleerd hebt! Want de strijd is zwaar, de prediking van het Evangelie is zulk een gewichtig werk. Wij zijn dwaas, traag, lui, ontrouw. Geve God ons, als dienaren des Woords ook veel te bidden voor de gemeente.

Lezen: Efeze 6 vers 14─20; zingen: Psalm 123 vers 1

31 oktober

Vrede zij de broeders en liefde met geloof, van God de Vader, en de Heere Jezus Christus.

Efeze 6 vers 23

Vrede! Wie verlangt daar niet naar in al die brandhaarden ter wereld?

Vrede! Verlangt u ernaar? U, die zo met de dichter moet klagen: rust noch vrede wordt gevonden, om mijn zonden, in mijn beenderen, dag of nacht…

Het wordt u toegewenst met apostolische, geïnspireerde groet en zegen!

Met geloof. Ook al zo’n begeerlijke zaak voor zulk een mensenkind, dat louter ongeloof kan voortbrengen. O, wat is onze zondeval toch vreselijk diep en verwoestend! Maar de apostel wenst het zijn lezers toe.

Hoe moet dat dan?, vraagt u misschien. Kijk niet naar uzelf om daar vandaan hulp te verwachten. Aan onze kant is alles leeg en dood. Maar zie op naar Boven, naar Hem Die het al regeert en Die een Vader is van wezen.

Hij richt in mededogen Zijn gunstrijk ogen op allen die alles missen en niet verder kunnen komen dan wanhoop aan eigen krachten en die toch niet wanhopen, maar hopen op de Heere, steunen op de genade Gods in Jezus Christus.

Denk goede gedachten van God, koester ook grote verwachtingen van Hem en vertrouw uzelf met al uw nood en smart maar toe aan Hem, Die niet teleurstelt.

De Vader van onze Heere Jezus Christus zegene u in al uw omstandigheden en geve u een nabij leven, tussen Zijn voeten in kinderlijk en waar geloof, in vaste en zekere hoop en in vurige en hartstochtelijke liefde. Hij make Zichzelf heerlijk, begeerlijk, beminlijk als uw Eén en Al, in Zijn lieve Zoon, door Zijn dierbare Geest.

Lezen: Efeze 6 vers 21─24; zingen: Psalm 130 vers 4

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën