Website van Ds. W. Pieters

Dagboekmeditaties uit verleden jaren, 2006

D

1 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier…

Openbaring 22 vers 1

Johannes is een bevoorrecht man. Hij is weliswaar door de Romeinse keizer verbannen, maar daar schenkt God hem het voorrecht om in te blikken in de hemel. Een deur werd voor hem geopend. Hij mocht dingen zien én beschrijven die ver boven al ons denken gaan. In dit laatste hoofdstuk van zijn boek mag hij ons verhalen dat Gods engel hem een rivier van het water des levens toont. Wat in de eerste plaats opvalt, is dat dit hem wordt getóónd. God vestigt er zijn aandacht op.

En is het niet steeds zo? Hebben we het niet nodig, keer op keer, om door God te worden gewézen op de dingen van Hem, van onze zaligheid? En hoe ongedacht vriendelijk is onze Heere! Hij neemt de moeite, om zo te zeggen, om Johannes erop te wijzen dat er een rivier vol water is. Niet alleen voor Johannes tot troost, maar ook voor zijn medediscipelen van alle volgende eeuwen.

Wij mogen immers deelgenoten worden van deze aanschouwing. Het is waar…, wij hebben geen visioen gekregen. Maar door het gezaghebbende apostolische bericht mogen wij, in de weg van oprecht geloof, deel krijgen aan dezelfde weldaad, met de apostel delen in hetzelfde voorrecht.

Zo schreef hij zelf in zijn eerste brief: “Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ú, opdat ook gíj met ons gemeenschap zou hebben, en deze onze gemeenschap ook zou zijn met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.”

Zo worden wij tijdgenoten van de verbannen apostel op Patmos. Zijn wij ook in dezelfde verwondering geloofsgenoot? Studeren wij zo in de Heilige Schrift?

Lezen: Openbaring 21; zingen: Psalm 65:1

2 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens …

Openbaring 22 vers 1

Wat toont de Heere Zijn dienaar, door middel van Zijn engel? Water. Dit is, zoals we direct begrijpen, beeldspraak. Heel het boek Openbaring is daar vol van, en trouwens ook bijna alle andere hoofdstukken van de Heilige Schrift zijn doorspekt met beeldspraak. Wat roept het beeld van water op? Zelfs in ons natte Nederland weten we maar al te goed hoe belangrijk schoon drinkwater is. Maar zeker in het Midden-Oosten is de beeldspraak ‘water’ erg aansprekend. Het is levensnoodzakelijk! Zonder water, geen leven.

Daarom lezen we meermalen in de Heilige Schrift over water. Wie denkt niet aan het pastorale gesprek van de Goede Herder met Zijn verloren schaapje bij de Jakobsbron in Johannes 4? Hij biedt de Samaritaanse vrouw levend water aan. Zij verstaat dit niet. Hij legt het uit: “Wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.”

En in Johannes 7 roept Hij: “Als iemand dorst heeft, laat die tot Mij komen en drinken. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn buik vloeien. En dit zei Hij met betrekking tot de Geest, Die ontvangen zouden, die in Hem geloven.”

Wat een voorrecht om die onverzadigbare dorst naar Hém te kennen! Om zonder Hem niet meer te kunnen…

Hij biedt dit Godsgeschenk ook nu, ook u, aan. Wilt u eeuwig versmachten – door eigen schuld? O, nee toch!

Lezen: Openbaring 22:1-5;Zzngen: Psalm 63:1

3 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens…

Openbaring 22 vers 1

Johannes ziet ‘water des levens’. En het gaat over de Heilige Geest. Deze wordt met water des levens vergeleken, omdat Hij – zoals we met de geloofsbelijdenis van Nicea belijden – Heere is en lévend maakt. Wie? Doden natuurlijk…! Wie leven meent te bezitten, heeft geen levend water nodig. Wie het leven niet meer in eigen hand kan houden, zoals de Bijbel dat noemt, die vraagt om het leven bij God vandaan. Ook levendgemaakte lezers weten maar al te goed dat dit levende en leven schenkende water bij de voortduur onmisbaar is. We kregen bij de levendmaking immers geen ‘voorraadvat’ vol leven mee, om daar nu van te leven. Maar we zijn en blijven tot onze laatste snik aangewezen op de wederbarende Heilige Geest. Welnu, in het laatste deel van Johannes’ indrukwekkende en zielverblijdende visioen krijgt hij oog voor een stroom, een rivier van levend water.

Vraagt u zich ook af hoe u daar deel aan krijgt? Ik las bij Bunyan: “Water stroomt steeds naar en blijft in de laagste plaatsen, in dalen en diepten; zo openbaart ook Gods genade en de Geest der genade zich niet bij de hogen, maar bij de nederigen. Rivieren stromen niet naar boven, maar van bergen en heuvels naar beneden, en nemen toe in omvang en diepte naarmate zij lager komen. Zo weerstaat ook God de hovaardigen, maar geeft Hij de nederigen genade.”

Buig dan maar naast de tollenaar van Lukas 18, over wie de Heere Jezus zegt: “Een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.”

Lezen: Lukas 18:9-13; zingen: Psalm 63:1

4 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens…

Openbaring 22 vers 1

“Zij die voor de eerste maal door Christus tot God gaan om het leven te zoeken, zijn naar niets begeriger dan te weten of de genade groot genoeg is om ook hen te redden. Maar, en het zij tot hun troost gezegd, hier is overvloed, overvloed van genade, een rivier, een diepe rivier van het water des levens, waaruit zij mogen drinken.” Zo schrijft de bekende John Bunyan vanuit zijn eigen levenservaring over de dagtekst.

Herkent u dat? Was het, of is het ook nu nog, uw grootste bekommernis: zou er voor mij, zo’n goddeloos mens, wel genoeg genade bij God zijn? U hebt immers zo heel veel genade nodig, omdat u zo heel veel zonden hebt! “Meer dan haren op mijn hoofd”, zo belijdt u met de dichter in Psalm 40. Kleine genade van God, weinig liefde van God…, het kan u niet geruststellen. Oneindige genade, onuitputtelijke liefde alleen kunnen voldoen. Welnu, met John Bunyan ben ik van mening dat de Heere in het laatste hoofdstuk van de Bijbel het water des levens dáárom voorstelt onder het beeld van een rivíér om daardoor duidelijk te maken dat er genoeg is – een eeuwigheid lang genoeg is! U kunt nog minder de rivier van het water des levens uitputten, dan u de Rijn of de Waal leeg kunt drinken.

“Zondaar, zieke zondaar, wat zegt u hiervan? Wilt u zwemmen? Hier mag u zich te water begeven; de rivier is diep en toch doorwaadbaar. Als u zwemmen kunt, dan mag u zich in haar verlustigen, zoals de vissen in de zee. Voor verdrinken hoeft u in deze rivier allerminst te vrezen.”

Lezen: Jesaja 33:20-24; zingen: Psalm 46:2

5 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens…

Openbaring 22 vers 1

Dit water wordt zuiver genoemd. “Wanneer de apostel zegt: Hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, dan drukt hij daarmee uit dat in deze rivier alles levend is, alles leven, en niets dan leven is. Geen dood of dodelijkheid of smakeloosheid bespeurt u daarin, of, zoals hij een ogenblik later zegt: geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn. Een zuivere rivier. Geen bestraffing of terechtwijzing wordt erin gevonden, het is alles liefde, alles genade, alles leven.” Zo opnieuw John Bunyan.

En wat een wonder wordt dit voor een doodbrakende en helwaardige ziel! Als alles alleen maar verkeerd is, schuld, zonde, verdraaidheid, onoprechtheid, zelfbedoelen… En dan toch geen bestraffing, geen verwijt! Jakobus zegt het zo: …Die aan een ieder mild geeft en niet verwijt… Dit is een onverwacht wonder, of kunt u er over uit? Kunt u het begrijpen? O, jubelt de zuiverheid van deze rivier u niet toe de oneindige puurheid van Gods evangelie-genade?

Verder: “Nooit ondervond iemand enig nadeel van het genot en de volheid van Gods genade. Wat dat betreft hoeft men geen vrees voor overmaat te koesteren. Genade maakt niemand trots, hoogmoedig, zorgeloos of nalatig omtrent zijn plichten jegens God of mensen; integendeel: genade maakt de mens ootmoedig, klein in eigen ogen, leert hem zelfverloochening, waakzaamheid, smaak te hebben in het goede, weldadigheid, vriendelijkheid, barmhartigheid en welwillendheid jegens alle mensen.”

Om jaloers op te worden: zó’n leven te ontvangen!

Lezen: Jakobus 1:1-12; zingen: Psalm 119:1

6 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens…

Openbaring 22 vers 1

Gisteren las u een stukje van John Bunyan over de zuiverheid van deze rivier van levend water. Hij schreef dat dit water ook zuivere mensen maakt, niet hoogmoedig en ruw, maar juist ootmoedig en beleefd. En laten we daar ons leven eens naast leggen. Hebben wij gedronken van deze rivier? Is haar zuiverheid ook in ons ‘afgedrukt’? Hoe oprecht zijn wij? Zien we steeds meer onoprechtheid in onszelf? Moeten we ons menigmaal verfoeien vanwege onze zelfbedoelende of hoogmoedige gedachten? Beschuldigde het u gisteren, omdat u er zo weinig van bespeurt en integendeel zo dikwijls moet klagen dat u vol bijbedoelingen en onzuivere ‘oogmerken’ zit, ook bij het dienstbaar zijn in Gods Koninkrijk?

Let dan eens op de oorsprong van deze stroom: “…voortkomende uit de troon van God, en van het Lam.” Letten we eens op het Lam. Johannes schrijft dat hij, wanneer hij dit Lam de eerste maal aanschouwt, Hem ziet: staande als geslacht! Dat duidt op Zijn kruisiging en de verzoening daardoor. Zou het u verboden zijn om gedurig tot dit Lam en Zijn bloedfontein gelovig de toevlucht te nemen? Juist ook wanneer u uw ongelijkvormigheid aan de zuiverheid van de levendmakende Geest bespeurt! Zo belijden we met artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: wij strijden tegen de grote zwakheid die nog in ons is, door de Geest al de dagen van ons leven, en wij nemen gestadig/onophoudelijk onze toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus, in Wie wij vergeving van onze zonden hebben, door het geloof in Hem.

Lezen: Openbaring 5; zingen: Psalm 65:2

7 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal…

Openbaring 22 vers 1

Ook het volgende kenmerk dat we over deze rivier lezen, heeft ons heel wat te zeggen: klaar (of helder) als kristal. Wat zou dat betekenen? Het Griekse woord voor ‘klaar’ is ‘lampros’, waar ons woord ‘lamp’ vandaan komt, en dat ‘schitterend’ betekent. De onvergetelijke ketellapper uit Engeland schrijft treffend: “Helder water wordt geplaatst tegenover modderig en troebel water. Nu, wij hebben hier een rivier van het water des levens, die helder is, zonder modder of enig vuil, vrij van menselijke uitvindingen en van dwaalbegrippen van onheilige en onwetende geesten.”

Wij kunnen nooit genoeg waarderen dat we zonder enig wantrouwen de boodschap van de Heilige Schrift tot ons kunnen nemen. Dat we nooit hoeven te denken: zou het wel waar zijn wat hier staat? We hebben misschien wel onze twijfels, maar deze zijn nooit terécht! Altijd is het een door satan ingegeven ongeloof wanneer we denken dat de stromen van de Bijbel-rivier niet klaar als kristal zijn.

Wat is het dan ook een verdriet voor allen die God vrezen, als ze deze rivier beschouwen alsof er onzuiverheid en modder in was. Laten we ons onvoorwaardelijk onderwerpen aan de volkomen en alleen zaligmakende waarheid van Gods heilig Woord. Niet van de kerk, zoals Rome beweert, maar van de Schrift, zoals wij met het doopformulier in de tweede vraag belijden.

Hebben wij deze helderheid al eens ervaren? Is het in onze zielen helder en klaar geworden hoe oneindig zuiver en klaar Gods waarheid is? Hebben wij ondervinding ervan opgedaan door dagelijkse, aandachtige bestudering van Gods onfeilbaar Woord, dat er niets in is dat onwaar is?

Lezen: Psalm 12; zingen: Psalm 19:5

8 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal…

Openbaring 22 vers 1

Wanneer een rivier zo helder is als kristal, kunnen we de bodem ervan zien. In onze dagen van milieuverontreiniging en watervervuiling is dat helaas een haast ongekend iets geworden. Maar in vroeger eeuwen kwam het dikwijls voor. Op de nieuwe aarde komt het én in natuurkundige én in geestelijke zin niet meer voor dat er onzuivere rivieren zijn… Net zomin als onzuivere harten of woorden of gedachten of daden. O heerlijke en begeerlijke toekomst!

En wanneer we nu deze heldere rivier van het Nieuwe Jeruzalem tot op de bodem bekijken, wat zien we dan? “Gode zij dank, de rivier van het water des levens is klaar als kristal. Kijk naar beneden en u zult zien, dat wij om niet gerechtvaardigd worden, uit Zijn genade. Uit genade zijt gij zalig geworden; ziedaar de bodem.” Zo stemt elk die ervan dronk, met Bunyan in. Dus niet de modderige bodem van onze deugden, goede voornemens en plichtplegingen. Maar de heldere bodem van vrije genade. Gods voornemen en welbehagen. Zouden wij uit deze stroom niet levend water kunnen verwachten? Geen bijmengselen van wettische of vrijzinnige beraadslagingen. Alleen maar Gods eeuwige Raad en pure wijsheid, Zijn liefde-hart en grondeloze barmhartigheid!

O, kom maar, treurende, twijfelende ziel. U zult bij het drinken uit deze brede en diepe stroom van Gods eeuwige welbehagen de heldere, modderloze bodem zien, namelijk zalig worden, uit genade, door de verlossing die in Christus Jezus is, tot lofprijzing van Zijn heerlijke genade!

Lezen: Efeziërs 1:1-14; zingen: Psalm 36:3

9 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal…

Openbaring 22 vers 1

“Laat dit ons opwekken, om een meer onbelemmerd en veelvuldig gebruik van dit water te maken. Velen leggen zich tegenwoordig er op toe, heilzame wateren uit te vinden, om het lichaam te genezen, en om de kooplust van alle zieken op te wekken; en zulken prijzen hun fabricaten ver boven hun waarde aan. Welnu, hier is de grote Geneesmeester met Zijn water, dat Hij het water des levens noemt, het water des levens voor de ziel: dit water heeft zijn genezende kracht ontelbare malen bewezen aan allen die het geprobeerd hebben; nooit heeft het zijn uitwerking gemist, behalve waar het niet genomen werd. Dit water drijft alle duivelen en boze geesten uit; het neemt alle betovering en uitzinnigheid weg; het heelt maanzieken en geraakten. Het geneest de diepste zwaarmoedigheid; het zuivert van twijfel en wantrouwen, al waren ze ook in het hart zo hard als een steen geworden. Het geeft u een rein hart, wat veel beter is dan een reine huid. Het verwekt in u een honger naar alles wat goed is; het neemt verstoppingen in de maag weg. In één woord: het onderhoudt het leven. Wie van dit water neemt, leeft langer dan Methusalem, en die leefde toch inderdaad zeer lang.”

Zo schrijft de eenvoudige ketellapper uit Bedfort, John Bunyan. Een man die kennis van zaken had, niet alleen uit het ware Woord, maar ook uit zijn eigen ondervinding. Kunnen wij met hem instemmen? Zou u een vurig pleidooi voor dit water des levens kunnen houden, als geestelijke ‘vertegenwoordiger’, omdat u zelf genezen bent?

Lezen: Psalm 103:1-12; zingen: Psalm 103:2

10 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God en van het Lam.

Openbaring 22 vers 1

O, wat een heerlijkheden worden ons hier door de apostel voorgesteld…! Niet alleen het zo onontbeerlijke water des levens, maar een volle, brede, diepe rivíér van zulk water. Niet zomaar een rivier, maar een zúívere rivier, zonder vermenging. Ja, een die, het zij ten overvloede nog erbij vermeld, klaar en helder is als kristal, zonder modder!

En nu komt het heerlijkste. Bunyan verwoordt het heel kort, heel treffend: “Wanneer een mens mij niet alleen een beurs vol goud ten geschenke geeft, maar zelfs zijn leven waagt om ze mij te brengen, dan noem ik dat inderdaad grote genade. Maar o, wat betekenen duizend zulke vergelijkingen bij de ondoorgrondelijke liefde van Christus?”

O, dat we hier, bij schrijven en lezen, wegzinken in diepe verwondering, in heilige aanbidding, in stemmeloze lofprijzing van geloof!

Voor deze stroom van levend water heeft onze lieve Heiland immers de hoogste prijs betaald. En dat zullen we nooit, nooit kunnen bevatten, is het wel? Daar zullen Gods kinderen een nooit meer eindigende eeuwigheid voor nodig hebben, om deze weldaad ook maar enigszins te kunnen bewonderen en God in het Lam te kunnen verheerlijken, denkt u niet?

Zal het straks ook uw eindeloze werk zijn? Bent u al begonnen om God groot te maken, niet alleen voor de gratis gift, maar ook voor de hoge prijs? Of zult u daar zijn, in de helse vlam, waar de rijke man zelfs een drúppel water nog een weldaad noemt?

Lezen: Lukas 16:19-31; zingen: Psalm 69:1

11 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God en van het Lam.

Openbaring 22 vers 1

De troon waaruit Johannes die zo heerlijke rivier van het leven schenkende water ziet voortkomen, is een genadetroon. Daar jubelt de eeuwige heerlijkheid van. Daar leeft de kerk op aarde, in al haar dagelijkse schuldvermeerdering, ook dagelijks van, en daar wordt ze intens vertroost. De stroom is leven, geestelijk leven; genieting van Gods gemeenschap. En dat alles omdat de bron de genadetroon is. Daar bent u, o verloren adamskind, zo hartelijk welkom. Daarheen wordt u zo dringend, vriendelijk, herhaaldelijk uitgenodigd!

Het is dwaasheid ten top om dit aanbod af te slaan. Om deze troon voorbij te gaan. Wat hebt u voor reden om Hem Die op deze troon zit, te wantrouwen? Hij is niet God-buiten-Christus, maar God-in-Christus. Hij is die God Die omwille van het geslachte Lam een verzoend en verzoeningsgezind God is: Immanuël.

Daar vestigt dit visioen de nadruk op. Daar immers weet de verloste kerk in haar geheel van mee te zingen. Een andere zaligheid, een mindere heerlijkheid, is er niet.

Deze rivier ‘links laten liggen’ heeft dan ook vreselijke consequenties: “Genade komt voort uit de troon van God en van het Lam. Daarom, zondaar, worden u hier slechts twee wegen opengesteld, waarvan u één moet betreden: of u neemt Gods genade aan en wordt daardoor om niet gerechtvaardigd, ondanks uw onwaardigheid en verdoemelijkheid, of u wordt verdoemd omdat u tegen God bent opgestaan en Zijn genade hebt versmaad.”

Lezen: Hebreeën 4:12-16; zingen: Psalm 45:1

12 OKTOBER

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God en van het Lam.

Openbaring 22 vers 1

Over die genadetroon merkt Bunyan nog verder op: “Overdenk daarom bij uzelf, wat het beste is. Is het niet beter dat u zich aan Gods genade en barmhartigheid onderwerpt en de genade over en in u laat heersen, dan dat u gevaar loopt eeuwig verdoemd te worden, omdat u niet door genade zalig wilt worden? Bedenk dit, zeg ik, want de genade regeert thans; zij heerst en komt voort uit de troon… U weet hoe het God vertoornt en Zijn grimmigheid opwekt, als u Zijn genade veracht, Zijn vergiffenis weigert, als u onwillig bent om van de schuld en de straf verlost te worden, die u door uw afval verdiend hebt. Maar ook, hoe liefelijk en zoet is het, genade te ontvangen, vooral als het vrije genade is; genade die voortkomt uit de troon, uitgaat van een Koninklijke macht en heerschappij!”

Nog een lezenswaardig stukje van Bunyan: “Laat niemand, hoe groot zijn overtredingen en zonden ook zijn, vrezen; want er is meer dan genoeg om alle ongerechtigheid uit te delgen en zijn ziel zalig te maken. Niets komt bij velen meer voor, dan twijfel aan Gods genade; en niets is groter hinderpaal voor de zondaar, wiens begeerte naar God uitgaat. De wet gebroken te hebben, is waarlijk geen geringe zaak, maar aan de algenoegzaamheid van Gods zaligmakende genade te twijfelen, is nog veel groter overtreding, ja is de grootst-mogelijke zonde. Daarom, wanhopende ziel, geloof dat ook u uitgenodigd wordt van dit water des levens te drinken.”

Lezen: Openbaring 22; zingen: Psalm 42:1

13 OKTOBER

Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof…

2 Korinthiërs 1:24

De apostel Paulus wil niets liever dan dat de gemeente van Christus te Korinthe in het ware geloof() bevestigd wordt. Om dit te bewerken (als middel in Gods hand) moet hij echter wel scherpe taal gebruiken. In deze tweede brief lezen we dan ook ernstige bedreigingen. Deze zijn voornamelijk gericht aan hen die Gods kinderen onder een juk proberen te brengen en willen terughouden van de vrijheid die in Christus is. Maar deze scherpe woorden, waar ook het voorgaande vers een voorbeeld van is, hebben geen ander doel dan de gemeente goed te doen. Daarom schrijft hij geen heerschappij te willen voeren over het geloof van de christenen in Griekenland.

Dat komt ook nu nog geen enkele dienaar van God toe. Hij mag en wil geen heerschappij voeren over de inhoud van het geloof, de leer der waarheid – zoals Rome doet. Hij voegt niets toe aan Gods Woord en houdt er niets van terug, maar het is zijn ernstige verlangen om recht te doen aan Gods Woord.

Ook wil en mag hij geen heerschappij voeren over de oprechtheid van de gelovige. Gods knechten kunnen niet over het hart oordelen. Dat willen ze ook niet. Wel willen zij zich een oordeel vormen over leer en leven. Maar niet over het hart van iemand die belijdt in Jezus Christus te geloven, en die godzalig leeft.

Hoe staat het met uw geloof? God heerst daarover. Hij beoordeelt het. Kan het Zijn alwetend oog doorstaan? Of schrikt u bij de gedachte dat Hij uw verborgen schuilhoeken kent? Oprechte zielen, wees verblijd: God weet al uw raadsels en verborgen zuchten!

Lezen 2 Korinthiërs 1:1-11; Zingen: Psalm 26:8

14 OKTOBER

…maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap.

2 Korinthiërs 1:24

Wat zou een goede omschrijving zijn van het werk van een predikant, denkt u? Wat is het belangrijkste doel van het schrijven van dit dagboek? Volgens de door Gods Geest geïnspireerde apostel Paulus: meewerken aan uw blijdschap.

Bent u een blij christen? Nee, ik bedoel niet te vragen of u een opgeruimd karakter hebt en vanuit uw natuur geneigd bent om optimistisch tegen de dingen aan te kijken. Want de vraag of u een blij christen bent, heeft alles te maken met de goede reden tot blijdschap. In Korinthe was er op dat moment niet zoveel reden om blij te zijn. Er waren schandelijke zonden, die oogluikend werden toegelaten. Er was verzet tegen het apostolische gezag van Paulus. Daarom moest de apostel ernstig vermanen, scherp dreigen, en radicale maatregelen nemen. Maar ook dán was nog steeds zijn uiteindelijke doel: meewerken aan de ware blijdschap van de gemeente.

Tucht, kastijding, berisping, bestraffing…, deze hebben in Gods kerk altijd als doel zielen te behouden, zaligheid te bevorderen, aan ware blijdschap mee te werken.

De ontboezeming van de apostel in de dagtekst dient te leiden tot ernstig onderzoek bij al Gods knechten: ben ook ik daarop gericht in al mijn ambtelijke arbeid?

Als Paulus zich médewerker noemt, veronderstelt dit dat u ook werkt aan uw blijdschap. Aan uw welgegronde en in God gefundeerde blijdschap. Daarom leidt deze ontboezeming tot een even nauwgezet onderzoek bij allen die de Naam van Christus noemen: bezit ik die ware blijdschap, werk ik er ernstig en ijverig aan? Of sta ik die nog tegen?

Lezen 2 Korinthiërs 1: 12-24; zingen: Psalm 23:3

15 OKTOBER

Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zult gij waarlijk vrij zijn.

Johannes 8:36

De vrijheid die Jezus Christus in onze dagtekst noemt, is een weldaad, die dán juist hoog gewaardeerd wordt, als de geestelijke slavernij ervaren wordt, als de boeien knellen en als de gevangenis voor uw besef op slot zit. Dan juist wordt vrijheid tot iets dat u helaas niet grijpen kunt, maar juist wel begeert met een blijvend verlangen. Begéért niet alleen, maar u gaat ook proberen erin te delen. U gaat proberen om die vrijheid uzelf deelachtig te maken.

Deze begeerte leeft nu in het hart van al Gods volk. En wel in het bijzonder in het hart van diegene die zucht in de banden van zonde en dood. Dus in het bijzonder, die in de bekommernis vanwege zijn schuld, voor God moet buigen in het stof. Juist daar leeft de vurige begeerte om vrijgemaakt te worden. Vrij van de schuld, vrij van de macht der zonde.

Legt u wel eens voor de Heere in eenvoudigheid en oprechtheid de wens neer: “O God, als ik eens vrij mocht zijn van die zware last, niet te dragen, van al mijn schuld en plagen! Dat ik eens vrij mocht zijn om U in vrijheid, met een gereinigd geweten te dienen!”

Wanneer iemand u zegt: grijp naar de vrijheid, verwezenlijk die vrijheid; dan zegt u: dat heb ik gedaan; dat heb ik geprobeerd te doen. En ik meende ook dat het lukken zou. Maar, helaas, het is niet gelukt.

Helaas? Dat is gelukkig! Het is gelukkig als het niet lukt. Weet u waarom? Als u uzelf vrij kon maken, als u uzelf geloof kon geven om u in vrijheid te zetten, wat wilde u dan met de Zoon? Wat wilde u dan met de Goddelijke Bevrijder?

Lezen Johannes 8:12-27; zingen: Psalm 85:1

16 OKTOBER

Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zult gij waarlijk vrij zijn.

Johannes 8:36

Wanneer de Heere Jezus Christus tijdens Zijn omwandeling op aarde predikt dat de ware vrijheid te krijgen is (nee: niet te kopen, maar te krijgen, gratis, voor niets, door God geschonken), dan zouden we verwachten dat het hele joodse land naar Hem toestroomt, en vurig vraagt: “Geef ons die vrijheid!” Maar wat zien we? In het gedeelte dat we lezen, wordt duidelijk dat er geen begeerte is naar die vrijheid.

Deze vrijmakende Evangelie-prediking, predikt namelijk ook een bittere slavernij. En de schriftgeleerden in die dagen hebben het goed begrepen wat de woorden van Christus “De Waarheid zal u vrijmaken” betekenen. Ze hebben het begrepen: als wij nog vrijgemaakt moeten wórden, betekent dit dat wij niet vrij zijn!

Als ik dat zeg tegen een gevangene, stemt hij dat toe, maar als ik dat zeg tegen u terwijl u denkt dat u niet gevangen bent, dan krijg ik een vijandige reactie, tegenstand. Want dan bent u blijkbaar een gevangene! En dat wilt u niet wezen, ook niet weten. U wilt zo graag uw zelfgekozen vrijheid handhaven. En dat niet alleen: u wilt ook uw ingebeelde vrijheid niet kwijt.

Bent u een slaaf van uw boze lusten? Gaat u eronder gebogen? Kijk, het is de liefste begeerte van de Prediker van het Evangelie, Jezus Christus, dat uw boeien gaan knellen, dat uw gevangenis tot een hel wordt en uw zonde tot een verschrikking; én dat er zo heerlijkheid gezien wordt in de vrijmaking bij God vandaan; dat er zo een begeerte gaat leven in uw hart om vrijgemaakt te worden van de banden van zonde, dood, hel en satan.

Lezen Johannes 8:28-36; zingen: Psalm 107:1

17 OKTOBER

Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zult gij waarlijk vrij zijn.

Johannes 8:36

De Goddelijke Bevrijder, Die in onze dagtekst ons wordt aangewezen, Hij alleen is het, Die de ware vrijheid kan schenken. Ik weet wel, wanneer gepredikt wordt dat God alleen het kan doen, komt er vijandschap omhoog. Want van nature willen wij alles liever, dan bediend worden uit het éénzijdige Godswerk, dat God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest alleen het doet.

Dat Jezus zegt dat we niet bevrijd worden door eigen inspanning, wetsvolbrenging, eigen proberen, strijden, geloven…; maar dat we bevrijd worden bij Gód vandaan, door de bevrijding, die de Zóón werkt – daar briesen wij tegenin. Alles liever dan dat. Ja, dan gaat het zover helaas, dat wij vanuit onszelf liever met eeuwige banden gebonden willen blijven, dan door Jezus bevrijd te worden uit die slavernij.

Maar toch: bevoorrecht is die mens die aan de dodelijke onmacht van zijn bestaan, aan de algehele hulpeloosheid van zijn gevangenschap ontdekt werd, en aan de noodzaak van een Godsdaad in zijn leven. Want weet u: waar alle eigengerechtigheid wordt afgesneden, daar wordt de evangelieruimte aan een arme en vermoeide ziel verkondigd!

Wij kunnen nooit onze ellende te diep inleven, maar we kunnen ons ook nooit te ruim de gewilligheid en de macht van die Goddelijke Bevrijder voorstellen.

Hij heeft de prijs betaald. Hij máákt los door los te kópen. Ziet u niet wat voor eeuwige liefde in Zijn ziel leeft voor zulke gebondenen als u, o verloren zondaar? Zaligheid, niet af te meten, niet uit te spreken, en nooit uit te wonderen!

Lezen Johannes 8:37-47; zingen: Psalm 146:5

18 OKTOBER

Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zult gij waarlijk vrij zijn.

Johannes 8:36

God heeft Zijn Zoon gezonden. Hij heeft Hem overgegeven tot in de dood, de hel. Hij heeft getoornd op Zijn Eigen Zoon. Daar zwaait voor u de deur open, daar komt mogelijkheid voor een benauwde ziel. Daar komt ruimte voor een angstig vragend hart, daar begint eeuwigdurende verwondering!

O, wanneer de mogelijkheid gezien wordt, veel meer wanneer de werkelijkheid ervaren wordt…!

Wanneer u ziet dat u hopeloos gebonden bent, moet u wel wanhopen (met heilzame wanhoop) aan uw eigen mogelijkheden, aan uw eigen ijveren. Wie nog nooit daaraan gewanhoopt heeft, vergist zich! Maar wanhopige, radeloze, hulpeloze, zie dan: zou Hij niet machtig genoeg zijn?

Ja, zegt u, maar als Hij niet wil?

Wat denkt u: aan wie zou het liggen, als u straks voor eeuwig gebonden zult worden in de buitenste duisternis? Zou het dan mankeren aan Gods gewilligheid? Zult u straks voor de rechterstoel kunnen zeggen: “Heere ik heb wel gewild, maar U niet!”? Het is godslasterlijk te denken. En toch leeft het heimelijk zo vaak in ons hart: als God maar net zo gewillig was om mij van mijn schuld te bevrijden, als ik …! Maar zo is het niet, hoor! God heeft Zijn Zoon ervoor gegeven. Zijn geliefde, eeuwig beminde Zoon. De Zoon heeft Zichzelf gegeven. Heeft Hij dan nog niet genoeg gewilligheid betoond? Wat wilt u dan nog meer? Welke bewijzen zoekt u dan? O, weet dan en houd het voor waar, dat God gewillig is om u, de zwartste, de meest diepgezonken zondaar zalig te maken. En verlaat u nú op Hem. Hij beveelt het u.

Lezen Johannes 8:48-59; zingen: Psalm 27:3

19 OKTOBER

Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zult gij waarlijk vrij zijn.

Johannes 8:36

Wat voor vrijheid biedt Gods Zoon? Deze vrijheid dat we niet meer in eigen kracht voor God wat hoeven zijn. Dat we uitgewerkt zijn in het werkhuis van het werkverbond, om ons door genade te laten zaligen, vanuit Gods soevereine gunst en liefde, in het genadeverbond.

Vrij te zijn van de wet is niet alleen vrij te zijn van toorn, vloek en verdoemenis, maar het is ook vrij te zijn van te werken: vrij te zijn van het farizeïsme, dat in uw en mijn hart nog altijd leeft. Bij onbekeerden, en ook bij Gods volk.

Altijd willen we wat zijn en altijd moet de Heere dus maar delen: het werk en de eer. Maar nee, zo is het niet! God doet het werk alleen en Hem komt de eer alleen toe. Daarom, kind des Heeren, de vrijheid is niet in uw wetswerken. U staat met uw wetswerken God juist in de weg.

O doe die dan niet meer, want ze hóéven niet meer; het is niet meer nodig. Er is een volkomen Bevrijder. Is dat niet een rijk Evangelie, wanneer u zo’n last hebt van uw ongeloof. Dat Hij niet alleen het Evangelie der beloften geeft, maar ook het geloof erbij schenkt. Kunt u het dan niet pakken? Welnu, laat het u dan eens géven. Kunt u het niet verwerven? Laat het u toch verworven zijn door een Ander! Kunt u de zonde niet meer bestrijden? Ik zou zeggen – en u begrijpt me wel! – strijd dan maar niet meer. Het is een gevaarlijke uitspraak, maar u begrijpt me toch? U zult er toch geen misbruik van maken als ik zeg: strijd maar niet meer tegen de zonde, want “Ik zal voor u strijden” zegt de HEERE, “en gij zult stil zijn!”

Lezen Romeinen 8:1-4; zingen: Psalm 43:1

20 OKTOBER

Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zult gij waarlijk vrij zijn.

Johannes 8:36

Het moge God behagen om ons vrij te maken. Niet meer gebonden door wet, zonde, vloek en oordeel. Maar vrijgemaakt, niet alleen van de zondeschuld, maar ook van de zondemacht. Dit is iets wat in het leven der genade steeds zal worden uitgewerkt. Dat iemand die van Godswege in de vrijheid is gesteld en die de zoetheid, lieflijkheid, en dierbaarheid van die heerlijke vrijheid in Christus Jezus heeft bevonden; dat zo iemand zich toch weer (o hoe verschrikkelijk) in zondebanden laat binden: banden van hartstochten, banden van hoogmoed, eigengerechtigheid, farizeïsme, zelfwerkzaamheid.

En dan? O, de vrijheid gesmaakt, de vrijheid zoet bevonden, geproefd, gegeten en gedronken, daarin uw leven te zien en uw leven te leven, daarin te staan en te gaan in de kracht en mogendheid Gods – en dan tóch weer gebonden!

Deze vrijheid, die in Christus Jezus is, door de vrijmaking van de Zoon, is een volkomen vrijheid. Als u in het begin van het leven der heiligmaking, of verder op de weg nog steeds, zo tobt met onoverwinbare zonden, hoor eens: er is vrijmaking niet alleen van de schuld, maar ook van de macht der zonde.

Dacht u, dat deze Goddelijke Bevrijder halverwege staakt? Hij gaat door. Maar Hij gaat Zichzelf wel dierbaarder en noodzakelijker maken door juist in het voortgaande leven der genade de zondebanden te doen knellen. En dan? Dan wordt bij vernieuwing in uw hart het roepen geboren om Hem in Zijn vrijmakende macht te kennen en omhelzen met armen van geloof!

Lezen Romeinen 7:14-26; zingen: Psalm 42:1

21 OKTOBER

En Jezus zei ook tot sommigen, die bij zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis.

Lukas 18:9

In de grote worsteling van de kerkhervorming ging en gaat het allermeest over de vraag: hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God? God is rechtvaardig en verdraagt geen onrecht. Hij schiep ons rechtvaardig, en blijft dan ook van ons eisen dat wij rechtvaardig zijn van binnen en van buiten: in aard en praktijk. Maar we zijn het kwijt!

Smart het mij, dit te moeten schrijven? En u, het te moeten lezen? Ja, ons, het te moeten gewaarworden?

Deze rechtvaardigheid, waarin wij door God waren geplaatst, en die wij nu zo totaal kwijt zijn, kan weer worden hersteld. Daarover gaat het in de gelijkenis die we overdenken in deze laatste dagen van de maand oktober, op weg naar de herdenking van de reformatie.

Het farizeïsme biedt een antwoord op deze vraag: hoe zullen wij voor onze rechtvaardige God zonder te verschrikken kunnen verschijnen?

Dit antwoord heeft twee delen. Er is een deel goedheid en genade. Elke Farizeeër wist het: zonder Gods gunst en goedertierenheid zijn wij allen verloren. Maar deze gunst en goedertierenheid is niet het enige om rechtvaardig voor God te kunnen leven op aarde en eenmaal zonder angst en beven te verschijnen in het uur van sterven. Er is een tweede deel nodig: onze inspanningen, onze ijver, onze goede werken, onze onderhouding van Gods geboden.

Dit standpunt is de christelijke kerk na verloop van enige honderden jaren, helaas, ook gaan innemen… Wat verdrietig! Daartegen gaat nu Jezus’ gelijkenis.

Lezen: Psalm 26; zingen Psalm 26:3

22 OKTOBER

Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden, de een was een farizeeër, en de ander een tollenaar.

Lukas 18:10

Als er één ding kenmerkend is voor alle religie, is het wel het bidden. Dat doen alle afgodendienaren, en alle ware christenen. Bidden is ook in de dagen van de kerkhervorming heel belangrijk. De roomse kerk, en laten we tegelijk maar een deurtje verder kijken, namelijk naar ons roomse hart(!), heeft het gebed net zo hoog in haar vaandel staan, als de ernstigste groep joodse afgescheidenen, de farizeeën. Hoe hoog dan? Bidden is een plicht!

Op zich is dit waar, maar is dat het wezenlijke, dan is het faliekant mis! Bidden is immers een door God geschonken privilege of voorrecht, én het is bij een rechte christen hartelijk verlangen en zoet vermaak.

Verder: bij zowel roomsen als farizeeën is bidden vooral een uiterlijke handeling. Daartegenover is het ware bidden, van de tollenaar in deze gelijkenis, een bidden door de Geest. Wat is dat dan? Een klein stukje van het antwoord is: “Wij zoeken te bidden door de Heilige Geest, wanneer wij onze onbekwaamheid tot, ja afkerigheid van het bidden, Hem onbewimpeld klagen, en als hulpelozen en machtelozen Zijn kracht tegen onze zwakheid inroepen.”

Saulus de farizeeër had vast al heel wat uren gebeden, toen de Heilige Geest tot Ananias in Damascus zei: “Zie, hij bidt.” Zo had Maarten Luther al vele, vele uren gebeden (en door drukte was hij nog vele uren achter ook, die hij nog moest inhalen), maar of hij ooit echt gebeden had?

Maar wie schuldverslagen of liefdedronken Gods vriendelijk aangezicht zoekt, die bidt pas echt!

Lezen: Handelingen 9:1-11; zingen: Psalm 96:6

23 OKTOBER

De Farizeeër, staande, bad dit bij zichzelf: “O God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.”

Lukas 18:11

Hebt u geleerd dat u niet beter bent dan wie ook maar? Al doet u beter, en al weet u beter, u bent niet beter. Ik evenmin. Dit stukje zit ik te schrijven de dag nadat ik in de catechisatiegroepen in Garderen vraag en antwoord 8 heb behandeld, waarin wordt gevraagd of wij zo verdorven zijn, dat wij gans en al onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd zijn tot alle kwaad. En het antwoord luidt dan, zoals u al weet: ja.

Er staat nog wel bij: behalve wanneer wij door Gods Geest wedergeboren worden. Maar toch kunnen we ook dán ons boven niemand verheffen.

Doet u het ook niet? Heeft God het u geléérd wie u bent, in Adam, en door dagelijkse zondekeus?

Wat Rome deed en nog steeds doet, is twee standen in de kerk aanbrengen: leken en geestelijken; het gewone volk en de ambtsdragers. De geestelijke stand is heiliger, ze trouwt niet, om maar een voorbeeld te geven; ze besteedt het hele leven in geestelijke oefeningen. Het gewone volk, …, ach nu ja, die leven er maar wat op los.

Geestelijke hoogmoed is een nog steeds niet uitgestorven zonde. En als kleiner wordende minderheid in een verloederde samenleving, waarin ook kerkmensen zo schandalig werelds leven, lopen wij – tenminste wanneer we ons op sommige of vele terreinen positief van onze naasten onderscheiden – gemakkelijk het gevaar dat de roomse geestelijkheid en het farizeïsme niet ontlopen is, namelijk onszelf boven anderen verheffen. Moge de Heere er ons genadig voor bewaren!

Lezen: Romeinen 1:28-2:4; zingen: Zingen: Psalm 26:5

24 OKTOBER

Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.

Lukas 18:12

Als twee hetzelfde zeggen, is het nog niet altijd hetzelfde. Zo luidt een algemeen gezegde. Het ligt er immers maar aan wat iemand bedoelt. Zo is er ook een enorm verschil in hoe we iets doen. Wanneer we elke week twee keer een dag niet eten, omdat we zo bedroefd zijn over onze zonden, of omdat we uit louter liefde tot onze naaste boven ons vermogen hebben gedeeld met armen en alles-missenden, dan is het niet hetzelfde, als wanneer we die twee dagen het eten laten staan om daardoor ons zelfbeeld op te poetsen, ons voor God aangenaam te maken, een wit voetje bij God te halen, zogezegd; of om zo een entreekaartje te verdienen voor de hemel.

Hebt ook u de goede gewoonte om van uw salaris tien procent af te zonderen voor de Heere en Zijn volk, Zijn dienst en kerk, dan zal wel niemand dit onbijbels kunnen of willen noemen – wanneer u er tenminste niet prat op gaat…

Wat de farizeeër deed, was niet verkeerd, maar dat hij het bij God in herinnering meent te moeten roepen, was schandelijk.

En toch. Wie herkent niet iets van deze werkheiligheid in zichzelf? Wie van de godvrezenden komt nooit in zijn hart, tot zijn smart, dezelfde zelfbedoelende gedachte tegen? We kunnen echt niet zeggen: “Ik dank U, Heere, dat ik niet zo slecht ben als die farizeeër”… Nee, we moeten het eerlijk belijden: in het middelpunt van het gans heelal staat mijn (nederige) persoontje.

Slechts door de Heilige Geest gewerkte zelfkennis doet dit zelfbedoelen sterven. Tenminste, aanvankelijk! Gevolg? Dan krijgen we er nog meer last van!

Lezen: Handelingen 10:1-6; zingen: Psalm 26:6

25 OKTOBER

En de tollenaar, van verre staande…

Lukas 18:13

Ja, er was er nog een die op weg ging naar de tempel. Dat was een tollenaar of belastingambtenaar – in dienst bij de bezettende macht (o foei!), en misschien was het ook wel een gauwdief! Wat zocht die man daar? Geld kon hij daar niet verdienen. Geëerd worden evenmin. Hij ging naar de tempel, zo zegt de Heere Jezus, om te bídden.

Waarom deed hij dat? Hij kon toch in zijn eigen huis ook wel bidden?! Liep hij nu ook al te paraderen, net als die andere man, die vrome joodse leidsman? Nee, geliefde lezer, zo was het niet. Hij bad thuis ook wel, geloof dat maar gerust. Wie thuis niet bidt, alleen in de kerk, speelt toneel. Net als een bruidspaar dat privé nooit knielt, alleen in de kerk op de trouwdag. Maar die man had een speciale reden, zoals we nog zullen zien (zie 28 oktober).

Maar durfde die man zich eigenlijk wel temidden van zoveel kerkmensen te bewegen? Hij durfde niet, maar er werd aan hem getrokken. God trok hem, en zijn nood dreef hem.

Maar of hij durfde of niet, hij was wel welkom. Ik zeg niet: welkom bij de farizeeërs en andere tempelbezoekers of tempelwerkers, maar: welkom, hártelijk welkom bij God. En om God was het hem begonnen. Die woonde immers in de tempel, onder de lofzangen van Israël!

Is het ons ook om God begonnen bij onze wekelijkse kerkgang? Kerkgang neemt zowel bij Rome als bij de reformatoren een centrale plaats in. Maar waarom? De roomse vervult een plicht, de hongerende en dorstende naar Gods gerechtigheid in Christus zoekt God!

Veroordeeld in uzelf, buitengesloten worden te hebben verdiend…; maar tóch naar die tempel!

Lezen: Psalm 84; zingen: Psalm 84:2

26 OKTOBER

En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel…

Lukas 18:13

Waarom durfde of wilde deze oprechte bidder niet naar boven te kijken? Omdat God daar in Zijn luisterrijke Majesteit, zondehatende heiligheid en zondestraffende rechtvaardigheid op Zijn troon is gezeten…

De tollenaar kon vast wel hartelijk amen zeggen op het volgende citaat: “Van ganser harte erkent de christen dat – als er iets goeds in zijn bidden mocht zijn – het alleen door de Heilige Geest in hem is gewerkt; en zou hij dit dan voor God als iets verdienstelijks durven rekenen? Daarbij, hoe zondig, hoe baatzuchtig, hoe melaats zijn onze beste gebeden! O, hoe vaak getuigen zij mét onze tranen tegen ons! Waarlijk, wanneer wij door genade leerden ons nu en dan te schikken tot schuldbelijdenis voor de Heere, wij gedenken dan ook de zonden van ons bidden. Wordt het ons gegeven van harte te kunnen bidden, behaagt het de Heere tot ons af te dalen en tot ons te naderen, alras (getuige de ervaring!) verhovaardigen wij ten gevolge van ons diep verderf ons op dit gunstbewijs…”

O, als we toch voor het eerst krijgen te zien hoezeer we God hebben vertoornd en beledigd, dan zijn we niet meer vrijpostig, zelfs niet gepast vrijmoedig. Dan schrikken we en willen we wel wegkruipen, zoals Adam en Manninne deden achter het geboomte van die prachtige tuin!

Maar toch, al was hij nog zo zelfveroordeeld, en al kon hij God zeker niet in de ogen zien of onder ogen komen, toch… Hij móést naar de tempel. Hij moest daar, juist daar, zijn schuldige hart uitstorten voor de Heere, en Zijn gunst inroepen.

Lezen: Psalm 25:1-11; zingen: Psalm 25:3

27 OKTOBER

…maar sloeg op zijn borst…

Lukas 18:13

Toen God op die gedenkwaardige zaterdagavond mijn hart verbrak en mij over mijn zonden deed wenen zoals ik daarvoor nog niet dikwijls had gedaan en daarna ook niet zo vaak meer heb gedaan, toen verstond ik opnieuw wat de inhoud is van de woorden die boven deze meditatie staan.

De Heere Jezus vertelt in deze gelijkenis niet wat een werkelijk levende tollenaar deed, want dan zouden we hoogstens een mens middelpuntige uitleg en toepassing kunnen geven: die tollenaar bedoelde en beleefde zus of zo. Maar in dit verhaal is elk element door de Heere Jezus met zorg gekozen, denkt u ook niet? En als Hij vertelt dat die boeteling op zijn borst slaat, weiger ik te geloven dat dit alleen maar bedoeld is om het plaatje een beetje ‘in te kleuren’. Dan vermeldt onze Hoogste Profeet en Leraar ons dit om ons daarmee iets wezenlijks te leren van zo’n gebed dat aangenaam is voor God en dat ook door Hem wordt verhoord.

Wat dan?

Ik zal het u zeggen met de woorden van het troostboekje van onze kerk, de Heidelbergse Catechismus, antwoord 117: “…dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht van Zijn Majesteit verootmoedigen…”

En dat doet een verbroken hart ‘vanzelf’. Dat is dan ook meteen de zoetste plaats die er voor de hoge en majesteitelijke God maar in te nemen is: recht en grondig beseffen hoe groot onze nood is, hoe ellendig wij onszelf hebben gemaakt! En dan buigen, buigen, dieper, dieper: plat op de grond in het stof – dat is hoog genoeg.

Daar was die tollenaar gelegerd. Waar bent u gelegerd?

Lezen: Lukas 18:1-14; zingen: Psalm 6:2

28 OKTOBER

“O God, wees mij zondaar genadig!”

Lukas 18:13

Op 25 oktober beloofde ik terug te zullen komen op de vraag waarom die man nu toch naar de tempel ging, weet u nog? Het antwoord luidt: omdat daar iets te zien was.

Wat was daar dan te zien? BLOED! Het verzoenende bloed. Nee, de offerdieren die hij daar zag, konden geen verzoening aanbrengen. Het bloed van stieren en bokken kon ook toen niemand van zonden reinigen, zoals de apostel in Hebreeën 9 ons leert. Maar het bloed dat dagelijks in stromen werd vergoten in de voorhof van de tempel – ook toen die tollenaar daar weggedoken bad, wees heen naar het krachtige, alles-reinigende bloed van Jezus Christus, het Lam Gods.

Wat doet nu de tollenaar, die nergens recht op heeft, nergens bij kan? Hij kijkt gelovig naar dat bloed, het Lam Gods, op Golgotha geslacht, en smeekt: “O God, wees met mij, de zondaar, verzoend.” Dus hij pleit, rechteloos en verdoemelijk, op dat krachtige bloed van het beloofde Lam, dat aan Golgotha’s kruis zal druppelen. O, zoete evangelietaal!

Welnu, doe net als hij. Bekommer u niet over de vraag of u uitverkoren bent, of niet. Houd u niet op met het voor u nú misschien nog zo onoplosbare probleem: is Christus wel of niet voor mij gestorven? Maar strek u met alles van binnen uit naar dit Lam.

Antwoord 117 waar ik gisteren al een stukje van aanhaalde, vervolgt (toegepast op die tollenaar): …dat hij deze vaste grondslag had, dat God zijn gebed, al was hij het nog zo onwaardig, omwille van de Heere Christus zeker wil verhoren, en dat Hij dit aan hem in Zijn Woord ook had beloofd – namelijk door de offerdienst in te stellen.

Lezen: Leviticus 1:1-9; zingen: Psalm 86:3

29 OKTOBER

“O God, wees mij zondaar genadig!”

Lukas 18:13

Het grote verschil tussen Rome en reformatie is de waarde die we mogen hechten aan het offer van Golgotha. Is dat offer mijn enige rustgrond om verzoening van God te verwachten, om mijn zondezieke ziel op te doen rusten? Of is het een rustgrond náást mijn eigen verdiensten, oprechtheid, ernst, tranen, boete, berouw, gebed, goede voornemens, enzovoort?

Wanneer de Heere Jezus deze gelijkenis vertelt, wordt wel duidelijk dat het niet buiten berouw en gebed en zielsvernedering omgaat. Maar even duidelijk is ook, dat de tollenaar dáár geen enkele verwachting van heeft. Hij steunt alleen op genade.

Ter voorbereiding op hervormingsdag is het misschien niet overbodig om dat woordje ‘genade’ – in bloed gedompeld als het is, zoals we gisteren zagen – nog eens ernstig te overwegen. Zoekt u iets meer dan genade alléén? Of mag u instemmen met wat antwoord 30 van onze Catechismus ons en onze kinderen voorhoudt? Olevianus en Ursinus vragen daar of die mensen die hun zaligheid en welvaart bij heiligen, bij zichzelf of ergens elders zoeken, wel geloven in de énige Zaligmaker Jezus. En zij zeggen dan dat dit helaas niet zo is. Het tegendeel is waar: zij verloochenen de enige Zaligmaker Jezus, hoewel zij met de mond Hem roemen; want het is één van tweeën: óf Jezus is geen volkomen Zaligmaker, óf wie deze Zaligmaker met een waar geloof aannemen, hebben alles in Hem, wat tot hun zaligheid nodig is.

De tollenaar had niets anders, en had ook niet anders nodig, dan alleen onverdiende genade, verzoening door het Lam alleen; hem verzekerd in de offeranden.

Lezen: 1 Johannes 1; zingen: Psalm 25:8

30 OKTOBER

Ik zeg u: deze ging af gerechtvaardigd naar zijn huis…

Lukas 18:14

De vertelling houdt op.

Hoe gaat het verder? Heeft die Farizeeër nog wat gezegd? Als hij een oordeel had mogen vellen over die tollenaar, had hij vast niet gezegd wat Jezus zei: van schuld en straf ontheven!

En de discipelen? Hoe denken die erover? O zeker, ze gunden die arme tollenaar vast wel vergeving van zonden, maar… of het wel zo eenvoudig lag, of het wel zo snel ging? Ze hebben er misschien aan getwijfeld.

En die tollenaar, wat dacht hij ervan? Jezus vertelt het niet. Het gaat blijkbaar daar niet om. De vraag is niet: wat gevóélt u van de vergeving der zonden, maar (vraag 56 van de Catechismus): wat gelóóft u van de vergeving der zonden?

Jezus zegt: “Ik zeg u…”

Daar alleen komt het op aan. Wat Hij zegt.

En wat zegt Hij over u, wanneer u met hartelijk leedwezen om genade smeekt en wanneer u zich op Christus’ offerdood alleen verlaat, zoals de tollenaar? Jezus zegt over die tollenaar en dus ook tegen u en mij: “Toen hij de tempel verliet, was hij zijn schuld volkomen kwijt!”

O, om nu in geloof dit woord niet meer te betwijfelen. Er ons zo moede hoofd en zo afgematte hart erop te laten zakken en zinken: “Heere Jezus, U Zelf zegt dat zo’n bedelaar niet teleurgesteld zal worden.” God is volkomen tevreden met het Lam. Zijn welbehagen is in Hem. Hebt u ook genoeg aan Hem? Durft u de eeuwigheid aan te doen zonder iets anders dan Christus alleen? Of twijfelt u? Verdenkt u de betrouwbaarheid van God? Schaart u zich bij de discipelen, die in vers 15 worden getekend als afhouders van Christus?

Lezen: Romeinen 5:1-11; zingen: Psalm 32:1

31 OKTOBER

…een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Lukas 18:14

Heerlijk wonder van Gods ontferming over ons Nederlandse volk dat Hij het licht der Reformatie hier aan deed breken. Welk licht? Dat God ons genade schenkt wanneer we ons vernederen. Niet gemaakt, niet zogenaamd, maar écht. Dat is: wanneer we onze strafwaardigheid onderschrijven, aan God geen ongerijmdheid kunnen toeschrijven, en we het er mee eens zijn, om te worden voorbijgegaan; wanneer voor ons God alleen hoog wordt; wanneer wij het offer van Gods Zoon ten hoogste roemen; wanneer we onverdiende genade op het hoogst verheerlijken!

Jakobus bevestigt het in zijn brief nog eens – voor het geval u eraan zou twijfelen of de Heere werkelijk zo’n walgelijk ellendig en verdoemelijk mens zou willen begenadigen (hoofdstuk 4 vers 10): “Verneder u voor de Heere, en Hij zal u verhogen.”

Daartegenover is de boodschap van Luther en Calvijn onverteerbaar voor allen die menen iets te zijn, iets voor God te betekenen, iets aan te kunnen dragen om te laten gelden (al zeggen ze nog zo vaak: ik dank Ú, Heere), want wie zichzelf verhoogt, wie over zichzelf ene millimeter te positief denkt, wie te goed is voor de hel, die zal geen genade ontvangen.

Welk plekje hebben u en ik als kinderen der Reformatie mogen innemen?

Jezus zegt: “Een ieder die…” Zonder uitzondering geldt het dus, zowel die ontzaglijke dreiging, alsook die onvoorstelbare bemoediging.

Verheerlijke God mede door middel van deze dagboekstukjes Zijn lieve Zoon, Zijn grote gunst, Zijn vrije genade; ook aan onze zielen!

Lezen: Filippenzen 2:1-11; zingen: Psalm 34:2

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën