1 MAART
…dat was het vijfde jaar van de wegvoering…
Ezechiël 1:2
God blijft Zijn verbondsbelofte trouw. Ezechiël is daarvan een bewijs. God roept hem tot het ambt van profeet. Dit is op zich al niet gewoon, want welk volk, welke generatie of welk mens heeft er recht op dat God door Zijn knechten tot ons spreekt? Maar Ezechiël is in bijzondere zin een levend symbool van Gods trouw. Hij leeft immers in Babel, in het land van de ballingschap of wegvoering.
Samen met vele andere Judeeërs is hij door koning Nebucadnezar gedeporteerd, uit Jeruzalem naar Babylonië.
De oorzaak van deze vreselijke ballingschap is de zonde van het verbondsvolk Israël. En het resultaat van dit onophoudelijk zondigen en God verlaten is, zoals Jeremia 6 vers 30 het verwoordt: “Men noemt ze een verworpen zilver; want de HEERE heeft hen verworpen.”
En alleen al daarom is het te verwachten dat er geen profeet meer onder hen zal zijn. Des te meer reden voor verwondering is het dan dat de Heere toch een knecht stuurt, met een boodschap van de Hemel. Deze boodschap is vol ernstige oordeelsaankondiging, maar niet minder ook, daarna, vol heerlijke evangelieprediking.
In hoofdstuk 1 verschijnt God in indrukwekkende majesteit aan deze zoon van priester Buzi. Hij verschijnt niet in Kanaän, het beloofde land, maar in Babylonië, het onreine land van afgoderij en duivelsheerschappij…
Wat is God groot, niet alleen in majesteit en glans, maar ook in neerbuigende goedheid en trouw!
Kunnen wij in ons land vol onreinheid en ongeloof, vol dwaling en godsverwerping, niet dezelfde goedwilligheid tot ons opmerken?
Lezen: Ezechiël 1; zingen: Psalm 74:19
2 MAART
…en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee.
Ezechiël 2:10
Overweldigend is de indruk van Gods verschijning aan Ezechiël. Hij valt voor God op zijn gezicht. Daar brengt God al Zijn kinderen en knechten: plat op de grond in het stof. We zijn immers niets meer dan stof en as! Maar al bréngt God de Zijnen daar, Hij láát hen er niet. Hij zegt tegen Ezechiël: “Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.”
O, wat een wonder dat we voor deze heilige en rechtvaardige God weer overeind mogen komen! En wat een nog groter wonder dat Hij tot ons en met ons wil spreken.
Nee, daar heeft onze waardigheid of vaardigheid niets mee te maken. Want onwaardig zijn we zeker en enige bekwaamheid om met deze grote God in gesprek te kunnen komen, ontbreekt ons al net zo geheel en al.
Hoe komt de profeet nu op zijn voeten terecht? Krabbelt hij overeind…? Nee, vers 2: “Toen kwam in mij, toen Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten.” En zo doet de almachtige God het nog: terwijl Hij spreekt en beveelt, deelt Hij Zijn genade mee, zodat gebeurt wat Hij zegt.
Ezechiël moet gaan preken. Wat? De waarheid. Welke inhoud heeft die voor opstandelingen? Ja, dat waren zijn hoorders. Dat zijn mijn lezers (en de schrijver niet minder). De inhoud is: klaagliederen, zuchting, wee. We zouden kunnen zeggen: de zonde straft zichzelf. Zoals roken schadelijk is voor onze lichamelijke gezondheid, zo is zondigen schadelijk voor onze geestelijke gezondheid. Het eeuwige verderf zit onlosmakelijk vast aan zondigen. Wie zonde liefheeft, heeft de hel lief.
Zijn wij dit al eens gewaar geworden?
Lezen: Ezechiël 2; zingen: Psalm 74:1
3 MAART
En Hij zei tot mij: “Mensenkind, ga heen, kom tot het huis van Israël en spreek tot hen met Mijn woorden.”
Ezechiël 3:4
Preken is eenvoudig werk. Gods knechten, toen en nu, hoeven niets te zeggen dan wat de Heere hen voorzegt. Ze hoeven de boodschap niet te bedenken. Ezechiël moet de woorden van Gód tot zijn hoorders brengen.
Eenvoudig, maar dus heel moeilijk. Want Ezechiël mag er niets van afdoen (dat wat onaangenaam zou zijn voor zijn gehoor), hij mag er ook niets bijvoegen (dat wat mensen graag horen). Dit betekent dat het gaat botsen.
De Heere windt er geen doekjes om, Ezechiël wordt eerlijk gewaarschuwd: het huis van Israël wil naar u niet horen. Waarom niet? Omdat zij naar Mij niet willen horen.
De verbondskinderen van die tijd (en is het nu anders?) zijn stijf van voorhoofd en hard van hart.
Wie gaat deze confrontatie winnen? Zal Gods knecht zijn opgewassen tegen zoveel tegenkanting? Nee, maar de Heere maakt deze gezant zo trouw dat hij toch onwrikbaar blijft bij Gods Woord. Hij maakt Ezechiëls voorhoofd harder dan een rots, zo hard als een diamant. Een diamant krijgt rotsen stuk.
God weet raad met onze hardnekkigheid. Hij krijgt de Zijnen eronder. Hij brengt ze op de plaats van ootmoed, vernedering. Wat een wonder: God geeft niet toe. Mogen wij leren toe te geven.
Onze bede mag wel zijn: “O Heere, wil toch ook onze stijfhoofdigheid en hardheid van hart genadig stuk breken!”
Hoe dan ook, buigen of breken, van God verliezen zullen wij het zeker. Wat overblijft, is in te stemmen (tegen onze zin, of gewillig gemaakt): “Geloofd zij de heerlijkheid des HEEREN uit Zijn plaats.”
Lezen: Ezechiël 3; zingen: Psalm 81:12,13
4 MAART
…en in hun ongerechtigheid uitteren.
Ezechiël 4:17
Ontstellend is het oordeel dat God uitspreekt en uitvoert. Waarom gebeurt dit? Ligt dat aan God? Is Hij wreed, meedogenloos, hard? De duivel wil ons dit graag doen geloven. En het is een hevige aanvechting voor het teer gemoed om al de liefdesbetuigingen en vredesaankondigingen en barmhartigheidsbewijzen van God te combineren met wat er staat in dit vierde hoofdstuk. Het komt uit op de woorden die hierboven staan aangehaald: zij zullen uitteren in hun ongerechtigheid.
Het verstand vat het niet. Het gemoed aanvaardt het evenmin. Het geloof alleen buigt en aanbidt. Het geloofsvertrouwen dat niet redeneert en dat niet op ons rechtvaardigheidsgevoel steunt, maar alleen rust op Gods Woord. Dit Woord leert ons immers dat God volmaakt goed en wijs is, en dat Hij dus nooit iets deed, doet of zal doen wat kwaad of slecht is. Hij straft de zonde op een heilige manier; wat betekent dat er dus niets op aan te merken is!
Niet iedereen zal het hiermee eens zijn. God onderwijst door Zijn Geest, vanuit Zijn Woord, al Zijn kinderen geestelijk echter op zó’n manier dat ze het hier oprecht mee eens worden. Ook op de grote dag van het wereldgericht zal iedereen het er in geweten of hart mee eens zijn!
Ondertussen is dit een stukje Zelfopenbaring van God, waarin wij lezen wat een ieder te wachten staat die aan de aangeboden zaligheid voorbij leeft; die de gepredikte verzoening veracht; die de nodigende Heere Jezus Christus ‘maar laat praten’. U zult het niet overleven… De straf zal zo onuitsprekelijk bitter zijn: wel gewaarschuwd, niet geluisterd!
Lezen: Ezechiël 4; zingen: Psalm 119:60
5 MAART
…zij heeft Mijn rechten veranderd in goddeloosheid, meer dan de heidenen.
Ezechiël 5:6
Tot de hemel toe verhoogd, tot de hel toe neergestoten, zo spreekt Jezus over het verbondsvolk in Zijn dagen. Het voorrecht van Gods bijzondere band met ons, schept grote verplichtingen. Hieraan niet te beantwoorden, geeft grote schuld. We zijn dus nooit neutraal wat betreft de dingen van God. We kunnen ook nooit dezelfde blijven, wanneer we door Gods dienstknechten worden aangesproken. We doen er altijd iets mee, óf we buigen onder Gods Woord óf we veranderen het.
Misschien denkt u: veranderen? Ik verander Gods Woord toch niet! Geen denken aan zelfs. Ik ben er totaal op tegen dat mensen de Bijbel veranderen. En toch doet u het, zolang u er niet gelovig “amen” op zegt… Hoe? Dan maken we God tot een leugenaar, schrijft Johannes. En in Ezechiël 5 staat: dan verandert u Gods rechten in goddeloosheid.
Ontzettende zaak!
De Heere klaagt dat Zijn bondsvolk Israël het zelfs nog veel erger maakt dan de heidenen. Buitenkerkelijken zondigen in heel hun doen en laten. Toch zondigen wij, kerkmensen, nog veel meer. En wel, doordat wij de verkondiging van Gods genade in Jezus Christus afwijzen wanneer we tenminste deze niet welkom heten.
Wat wordt het een heerlijk wonder dat er Eén is geweest aan Wie God Zijn rechten gaf, Die ze gehoorzaamde: Jezus van Nazareth. Als twaalfjarige Jongen was Hij in de rechten van Zijn Vader, verlustigde Hij Zich erin; en tot de bittere, smadelijke dood toe heeft Hij deze hooggehouden! Hier openen zich troostrijke vergezichten… Schuil achter Hem en Zijn gehoorzaamheid!
Lezen: Ezechiël 5; zingen: Psalm 72:1
6 MAART
Dan zullen uw ontkomenen Mij gedenken… en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.
Ezechiël 6:9
De zonde van het volk Israël is erg genoeg om een totale afsnijding en verdelging te rechtvaardigen. Toch zorgt de Heere ervoor dat er ontkomenen zullen zijn. Dat zijn mensen die zullen ontsnappen aan het verderf. Die in de belegering en bij de inneming van Jeruzalem niet zullen omkomen door pest, oorlogsgeweld en honger. Het zijn degenen die in ballingschap gevoerd zullen worden, naar het land Babylonië. Deze ballingschap is wel een oordeel, een straf. Maar God gebruikt ze om Zijn afhoererend volk te onderwijzen, om het grondig te tuchtigen, tot oprechte inkeer te brengen, tot hartelijke zelfkennis, tot waar berouw en zelfverfoeiing.
Het is een genadeweldaad, een door Christus duur verdiende gave uit het genadeverbond, om een walging aan onszelf te krijgen. We zijn daar niet voor. We hebben daar alles op tegen. We verzetten er ons met hand en tand tegen, zo lang we maar kunnen. Maar God zet door. Hij brengt in de weg van Zijn voorzienig bestuur, of van de prediking van Zijn heilige wet, en door de krachtige werking van Zijn Heilige Geest ons hart omlaag. Hij vernedert ons. Hij doet ons met ontzetting staren in de spiegel van Zijn volmaaktheid, om te ontdekken hoe onvolmaakt wij zijn. We gaan ons diep schamen voor deze hoge en heilige God, in Zijn vlekkeloosheid en onkreukbare rechtvaardigheid. We krijgen een hekel aan onszelf. We belijden met smart onze misdaden, boosheden, gruwelen.
Verstaat u deze taal?
Lezen: Ezechiël 6; zingen: Psalm 38:5
7 MAART
…en gij zult weten dat ik de HEERE ben.
Ezechiël 7:4
Van de 67 keren dat we in de Bijbel de uitroep tegenkomen “dat Ik de HEERE ben”, is het 54 keren in de profetieën van Ezechiël. We zouden dit wel het centrale thema van heel zijn ambtsbediening kunnen noemen.
In hoofdstuk 7 is het verbonden aan Gods gerichten. Door Zijn oordelen over Zijn bondsvolk uit te voeren zullen zij ervaren dat Hij de HEERE is. Het ‘weten’ in onze tekst is dan ook niet een verstandelijk weten en voor waar houden. Het gaat dwars door hen heen, zoals dat wel eens wordt gezegd. Het is, om een moeilijk woord te gebruiken, existentieel! De Israëlieten krijgen ondervinding van Wie de HEERE is. Onder andere leren ze door Zijn straffende hand verstaan dat God niet met Zich laat spotten.
Wie met Hem meent te kunnen sollen, vergist zich schromelijk. En deze vergissing is fataal.
Wanneer sollen of spotten wij met God? Wanneer we Zijn heiligheid niet serieus nemen en dus onze zonden aan de hand blijven houden. Wanneer we heimelijk denken dat Hij ons toch niet zal straffen. Wanneer we menen dat Hij geen eeuwigdurende straf heeft gezet op ons verwerpen van Zijn genadeaanbiedingen.
Weet u Wie de HEERE is? Neemt u Zijn woorden ernstig? Laat u zwaar wegen wat Hij gebiedt, wat Hij verbiedt, wat Hij belooft, wat Hij aanbiedt?
Dan zult u inmiddels weten Wie Hij is, Die Zich de God van Zijn verbondsvolk noemt. Dan weet u immers dat Hij in het genade-loos straffen van uw zonden aan Zijn Zoon heeft getoond hoe ‘bloedernstig’ Hij uw zonden opneemt!
Lezen: Ezechiël 7; zingen: Psalm 85:1
8 MAART
…hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen.
Ezechiël 8:18
In het achtste hoofdstuk verplaatst de gewijde schrijver ons naar Jeruzalem. De Heilige Geest verplaatst in visionaire toestand immers de profeet Ezechiël naar Jeruzalem. God laat hem zien, en wij mogen als het ware over zijn schouder meekijken, wat er in de hoofdstad van het Tweestammenrijk gebeurt. En dat valt niet mee. De stad van de Grote Koning…, de stad van de tempeldienst…, is geworden een stad vol afgoderij. En God noemt afgoderij hoererij, geestelijke echtbreuk. God is immers van Israël de Hemelse Man, en het volk is Zijn uitverkoren bruid. Daarom is afgoderij zo erg.
Welke afgoderij? Dat maakt niet uit. Geldgierig zijn is in Gods oog ook afgoderij; en de Catechismus destilleert uit Gods getuigenis de volgende omschrijving: iets dat ik naast God of in plaats van God heb om mijn vertrouwen op te stellen.
Hoe gaat de Heere hiermee om? “Ik zal handelen in grimmigheid; Mijn oog zal niet verschonen en Ik zal niet sparen.”
Maar gelukkig is er ondanks al onze zonde de weg van het gebed? En de Heere laat geen bidder staan?
Nee, lezer, zo goedkoop mogen we ons er niet van af maken: God houdt van zonde vergeven en wij houden van zonde bedrijven… Dat is een duivelse list. We lezen immers dat het volk bidt. Wanneer de straf als een dreigende onweersbui aan komt zetten en boven hun hoofden hangt, gaan ze bidden. Maar…, hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, TOCH zal Ik hen niet horen!
Vergis u niet, God hoort niet een onboetvaardige bidder.
Lezen: Ezechiël 8; zingen: Psalm 65:1
9 MAART
En de HEERE zei: “Ga door, door het midden van de stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden van haar gedaan worden.”
Ezechiël 9:4
God maakt onderscheid, waar onderscheid is. Het onderscheid dat er is, ziet Hij niet over het hoofd. Hij weet dat niet allen de zonde liefhebben en bedrijven. Er zijn er, misschien maar weinigen en misschien maar onaanzienlijken, maar toch: er zijn er die zuchten over al die gruwelen in de kerk. Ja, niet in de wereld zozeer, niet in heidenland, maar in Jeruzalem, de kerk van toen. U hoort ook bij de kerk. U hoort bij één van de twee groepen in die kerk: u houdt het met God of u houdt het met de zonde. U houdt van zondigen, of u zucht onder het zondigen.
Er zijn mensen die een innerlijke en hartgrondige afkeer hebben van alle vormen van afgoderij, zowel in de vorm van geldgierigheid als in de vorm van zekerheid buiten God te zoeken. En die mensen komen straks niet om wanneer Gods toorn wordt uitgestort. Alleen die mensen.
Lijkt u op hen? Hoort u bij hen?
Dan roept u het uit onder al die gruwelen. Dat is: dan kunt u uw mond niet houden, maar moet u het uitspreken, zowel naar de mensen toe als ook, en vooral, naar God toe.
Dan gaat u de mensen erop wijzen dat het zo niet kan, God verlaten, de zonde vasthouden, de wereld dienen én toch zalig worden…
Dan gaat u uitroepen tot God Die leeft, dat Hij wonderen zou doen! Dat Hij Zijn Geest overvloedig zou uitgieten op dit zondigende volk, op deze afhoererende kerk.
Lezen: Ezechiël 9; zingen: Psalm 80:1
10 MAART
Toen hief de heerlijkheid des HEEREN zich omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans der heerlijkheid des HEEREN.
Ezechiël 10:4
Ontzagwekkend is onze God. Wanneer Hij verschijnt, beeft heel de schepping. Ezechiël is er diep van onder de indruk. In hoofdstuk 1 beschrijft hij hoe de Heere voor de eerste keer in onuitsprekelijke glans, majesteit en luister aan hem was verschenen. Nu, in hoofdstuk 10, verwaardigt de Heere hem ertoe om opnieuw deze indrukwekkende verschijning te zien.
Hebben wij een indruk van Gods hoogheid, verhevenheid, aanbiddelijkheid en ontzagwekkendheid? Of is Hij voor ons niet meer dan een vaag idee, een leeg begrip?
Wij leren met de diepste eerbied over God denken, spreken en zingen, wanneer we Hem hebben ontmoet. En anders is ons hart atheïstisch. Dan belijden we Hem wel, maar kennen we Hem niet. Dan is Hij vreemd voor ons, en daarom zijn we dan ook niet bezet met een indruk van hoe vreselijk en ontzagwekkend Hij is. Daarom kan iemand bij anderen hoogstens een eerbiedige vorm aankweken, maar geen eerbiedig hart.
De heerlijkheid van God, wat is zij? Woorden ontbreken ons om haar enigszins naar waarde en wezen te omschrijven. De Bijbel gebruikt het beeld van de zon. Die heerlijke, warme zonnestralen zijn zó vol glans en glorie dat geen mens recht in de zon kan zien, zonder uiteindelijk blind te worden. Gods glorie en pracht zijn oneindig meer dan die van de zon.
En deze glans van Gods gunst ziet Ezechiël in des Heeren huis. Daar wil deze Zon der gerechtigheid Zich openbaren.
Lezen: Ezechiël 10; zingen: Psalm 68:17
11 MAART
En Ik zal hun enerlei hart geven, en Ik zal een nieuwe geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en Ik zal hun een vlesen hart geven.
Ezechiël 11:19
Gods heerlijkheid vertrok uit Judea. Dit is de grootste ramp die het volk kon overkomen. Was dit definitief? Het was wel verdiend definitief te zijn, maar uit loutere genade deed God het niet. Zijn bedoeling was om Zijn bondsvolk te louteren, te reinigen. Hij werkte heen naar de nacht dat wachthoudende herders in de velden van Efratham, Judea, Zijn heerlijkheid zouden zien: “Er waren herders in die landstreek, zich houdende in het veld, die hielden de nachtwacht over hun kudde. En zie, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vrees.”
Wat vertelde deze glorierijke engel? En de engel zei tegen hen: “Vrees niet, want, zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal; namelijk dat voor u heden geboren is de Zaligmaker, Die Christus, de Heere is, in de stad van David.”
Zo mag ook zelfs nu de profeet wonderschone perspectieven zien, wondertroostrijke woorden horen. God gaat een nieuw begin maken: IK ZAL.
Een nieuwe geest, een nieuwe manier van denken, willen, voelen. Een nieuw inzicht, een nieuw verlangen. Een nieuwe verhouding tussen God en hen, tussen hen en hun God.
Deze Hemelse Chirurg weet raad met dat oude, afgeleefde, verraderlijke hart. Hij neemt het weg. Een geestelijke harttransplantatie vindt plaats!
Weet u hier ook van, uit ervaring? Ziet u er anders minstens naar uit?
Lezen: Ezechiël 11; zingen: Psalm 86:6
12 MAART
Mensenkind! gij woont in het midden van een wederspannig huis, die ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een wederspannig huis.
Ezechiël 12:2
In de spiegel der ontdekking te zien…
Onszelf daarin met ontsteltenis te leren kennen, zoals we nooit hadden geweten…
Ontgoocheld te zijn met wat God ons over onszelf vertelt…
Verschrikt te zijn door de vreselijke werkelijkheid van ons hart en onze gedachten – zoals God ze ziet…
Dat is het voorrecht van de waarachtig bekeerde. Ik weet dat het niet aanlokt, niet jaloers maakt. Ik weet dat het afschrikt en afstoot.
Ik weet echter ook dat (a) het de eerlijke werkelijkheid is – en dit niet te willen inzien is verstoppertje spelen met uzelf, wat u mateloos berouwen zal wanneer het te laat is. En ik weet dat (b) het erg heilzaam is voor een ieder van ons. Waarom? Zo alleen krijgt de belofte van de dagtekst van gisteren voor ons waarde: “Ik zal een nieuwe geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en Ik zal hun een vlesen hart geven.”
Voor (aanstaande) predikanten, onderwijzend personeel en opvoeders, is het niet minder nuttig zich dit te realiseren. Dan hebben we geen hooggespannen verwachtingen meer van hen die we met Gods Woord zoeken te bearbeiden. Dan houden we er rekening mee dat we vruchteloos bezig zouden kunnen zijn onder hen die we ziels-liefhebben.
Toch stuurt God ons nog Zijn knechten; toch geeft Hij ons nog Zijn genademiddelen. O, laten we smeken om die allesvernieuwende genade, die zelfs raad weet met weerspannigen en hardnekkigen!
Lezen: Ezechiël 12; zingen: Psalm 68:9
13 MAART
Omdat gij het hart van de rechtvaardige door valsheid bedroefd hebt gemaakt, terwijl Ik hem geen smart aangedaan heb; en omdat gij de handen van de goddeloze gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn boze weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield…
Ezechiël 13:22
Deze woorden werden eens door een oude dienaar van Gods Woord aangehaald, en toegepast op de man die bij hem op bezoek was: een jonge dominee. Hij had op de universiteit van Groningen goed geleerd hoe hij moest preken. Niet zoals staat in dit vers. Maar toen hij zijn ambtsbediening zo begon, kreeg hij al gauw de aanzienlijken van zijn gemeente tegen; en hij veranderde zijn preken. Hij ging de kinderen Gods bedroeven. Hij ging de goddelozen in hun zonde stijven.
Toen had hij een godzalige collega die hem niet afschreef; die hem niet links liet liggen. Maar die hem eerlijk behandelde. Die hem erop wees hoe onbijbels zijn preken waren.
En, hoe viel deze ernstige berisping? De Heere zegende de trouwhartige vermaning van Zijn oude knecht en trof het hart van de jonge dominee door deze pijl. Verbrokenheid van hart, verslagenheid van geest werden zijn deel. God overtuigde hem van zonde en schuld. Hij beleed van de preekstoel eerlijk zijn goddeloze ambtsverdraaiing. Hij mocht een vriend worden van allen die de Heere eerbiedig en ootmoedig vrezen. Hij schreef jaren later een boek over het bevindelijke leven met God: Het innige Christendom.
Hoort een van de lezers van dit dagboek bij de groep van vossen-dominees (zie vers 4)? Wend je dan nog tot de Heere om Zijn genade.
Lezen: Ezechiël 13; zingen: Psalm 119:32
14 MAART
Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstig door hen gevraagd?
Ezechiël 14:3
Biddag. In Ezechiël 14 gaat het niet om de vraag wát we van de Heere vragen. Het gaat over: hóe we Hem bidden.
In die dagen komen er mensen bij de profeet om hem te vragen voor hen te bidden, opdat God hun antwoord geeft, hen helpt.
De Heere maakt aan Zijn knecht bekend dat ze niet eerlijk bidden. Ze vragen raad en hulp aan de Heere, maar ondertussen aanbidden ze allerlei afgoden. Afgoden worden door de Heere aangeduid met drekgoden. Drek is mest.
Wie met afgoden leeft, kan niet eerlijk biddag houden. Wat is de oplossing? Geen biddag houden? Niet meer de Heere vragen?
Nee, maar bekering. O, wat zou het een wonder zijn, wanneer op deze landelijke biddag voor gewas, visserij en arbeid gebeuren zou, wat we lezen in vers 5: “Dat Ik het huis van Israël in hun hart grijp”… En dat de vrucht zal zijn wat we lezen in vers 11: “Dat het huis van Israël niet meer van achter Mij afdwaalt, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; dan zullen zij voor Mij tot een volk zijn, en Ik zal voor hen tot een God zijn, spreekt de Heere.”
O almachtige God, grijp ons, overheden en onderdanen, wereldlingen en kerkgangers, toch in ons hart, opdat we als volk en kerk van Nederland niet langer bij U vandaan dwalen, opdat we ons niet langer verontreinigen met de mestgoden van geld, wellust en zelfbedoelen; maar dat we Uw volk mogen wezen en dat Gij, o Heere, onze God zult zijn!
Lezen: Ezechiël 14; zingen: Psalm 5:4
15 MAART
Mensenkind, wat is het hout van de wijnstok meer dan alle hout?
Zie, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd wordt.
Ezechiël 15:2 en 4
Op allerlei manieren onderwijst de Heere ons. Ook door gelijkenissen. In Ezechiël 15 wordt zo’n gelijkenis gebruikt. Een wijnstok, als die dood is, waar kun je dat hout dan nog voor gebruiken? Een dode eikenboom kun je nog tot timmerhout gebruiken, maar een dode wijnstok? Die kun je nergens voor gebruiken – die hoort thuis in het vuur.
Zo is het met een onvruchtbare christen. Alleen zolang een christen vrucht draagt in Christus door het geloof, is hij nuttig. Anders niet. Wij zijn in en van onszelf alleen onnuttig, geschikt voor… het vuur!
Maar draagt een wijnstok vrucht, groeit er een overvloed van druiven aan? Dan is hij nuttig.
Israël is die onvruchtbare wijnstok. Stinkende druiven, zo klaagt de Heere bij Jesaja. Hoe kwam dat? Schuld van de Planter? Nee, de druivenboom was goed: edele wijnstokken op een vruchtbare heuvel.
En toch…!
Zo zijn wij: goed uit Gods hand voortgekomen, maar verbasterde ranken, onvruchtbare wijnstok geworden.
Wat nu? Laat God het hier bij zitten? Nee, Hij plant een nieuwe wijnstok, de WARE Wijnstok, Jezus Christus. En Deze draagt wel vrucht.
Maar wat gebeurt er met deze vruchtdragende Wijnstok? God laat toe dat boze handen Hem omhouwen en in het vuur werpen: Golgotha… Alsof Hij nergens voor deugt.
Toch, Hij draagt eeuwig vrucht. Dit doet Hij in Zijn ranken. Bent u een vruchtdragende rank in Christus? Zo niet, dan bent u een onvruchtbare rank in Hem en wacht het eeuwige vuur u.
Lezen: Ezechiël 15; zingen: Psalm 80:9
16 MAART
Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen van uw jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.
Ezechiël 16:60
Een onzegbaar zoet Evangelie komt tot ons in dit zestiende hoofdstuk van het boek Ezechiël. Nee, dit Evangelie is niet zoet voor iemand die zich niet leerde kennen zoals dit hoofdstuk ons tekent: een vuile hoer!
Maar bent u innerlijk, voor Gods hartdoorzoekende ogen, een hoer geworden, dan stoot u zich niet aan de buitengewoon scherpe veroordeling uit Ezechiëls pen. Dan buigt u, schuldbewust: het is waar, o Heere, het is duizendmaal waar: ik ben zó.
En dan houdt Gods trouw toch niet op. Dan houdt Hij het toch vol. Dan komt Hij toch tot ons terug. Dan buigt Hij Zich toch in onzegbaar teer mededogen over ons neer. Dan ziet Hij ons toch aan in liefde. Dan neemt Hij ons aan in een vernieuwd verbond.
Dan wordt u ruimschoots zalig, ondanks u. Ondanks al het uwe. Dan kunt u het niet op: is dit voor mij? Bedoelt U mij, Heere? Ben ik dan niet te oud? Ben ik dan niet te ver weg gezworven? Ben ik dan niet te vuil, niet te gemeen, niet te hoogmoedig, niet te hard, niet te huichelachtig? Toch niet? O, onvoorstelbaar, onverklaarbaar!
De Heere veroordeelt ons zonder er doekjes om te winden. Het doet wel erg zeer. Maar o, wat een liefdesontsluiting, liefdesuitstorting, liefdesgenieting volgt er op!
Daarom, wie u ook bent, kom eens, verwonder u eens, dat we met zó’n God te doen hebben! Buig nu toch voor Hem neer. Belijd het openhartig en rondborstig wie u bent. Bedek niets, verbloem niets, vergoelijk niets. God aanvaardt u als de gemeenste duivels-hoer!
Lezen: Ezechiël 16; zingen: Psalm 105:5
17 MAART
Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, de hoge boom vernederd heb, de nederige boom verheven heb, de groene boom verdroogd, en de droge boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.
Ezechiël 17:24
God zet alles op zijn kop. Wat wij niet verwachten, gebeurt. Bent u aan het einde van al uw gedachten en mogelijkheden? Weet u niet meer hoe die berg van hoogmoed moet worden geslecht? Krijgt u dat hoogmoedige bestaan er maar niet onder? Zucht u eronder dat u steeds weer goed van uzelf wilt denken en keer op keer toch aardig tevreden over uzelf bent?
God vernedert de hoge boom!
Andersom: bent u in het stof geduikeld en is er geen mogelijkheid om ooit genade en eer te krijgen? Hij, de Almachtige, de Wonderlijke, de Barmhartige zal de nederige boom verheffen.
Nog een keer: wordt uw ziel gekweld door zo’n groene boom. God weet raad met die prachtig bloeiende machten van onrecht en haat, verderf en zonde. Hij verdroogt die boom, zoals David getuigt in Psalm 37: “Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
Meteen daarop getuigt hij over de rechtvaardige (die zo dikwijls een droge boom is): “Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn.”
Dus, God keert alles onderstboven in oordeel en genade. Wie hoog is in eigen oog, vernedert Hij. Wie door genade de laagste plaats inneemt, kroont Hij met eer. Denk aan de farizeeër en de tollenaar in de tempel.
Lezen: Ezechiël 17; zingen: Psalm 113:4
18 MAART
Maak voor u een nieuw hart.
Ezechiël 18:31
Nu God ons beveelt een nieuw hart voor onszelf te maken, toont dit ons Zijn onbegrijpelijke goedheid. Want we mogen nog bij Hem terug komen.
Toch kan ik me heel goed voorstellen dat u bedenkelijk uw wenkbrauwen fronst: toont dit bevel Gods goedheid? Ik lees er alleen maar een onmogelijkheid in. Wie kan immers zichzelf een nieuw hart geven? Welke hartchirurg kan bij zichzelf een harttransplantatie toepassen? Net zomin kunnen wij ons geestelijk een nieuw hart geven.
Toch houd ik staande dat dit ónmogelijke bevel ons Gods goedheid toont. Waarom dan? Omdat we er zeker van kunnen zijn dat Hij met dit bevel ons aan Zijn voeten wil brengen met onze onmacht en onwetendheid. Zodat we Hem mogen aanroepen: “Heere, wat ik niet kan, kunt Gij! Geef mij wat Gij beveelt. Beveelt Gij mij een nieuw hart te maken? Geef mij dan zo’n hart.”
God wil ons door het gebod drijven tot het gebed. Zo horen wet en gebed bijeen: wat God beveelt, en wat wij in geen geval kunnen, dat gaan we van Hem smeken.
Lezen we met geloofsogen dit wanhopig makende gebod om een nieuw hart te maken, dan herinneren we ons dat Hij Zelf in hoofdstuk 11 belóófde ons een nieuw hart te geven. Dan gaan we een heerlijke belofte ontwaren achter het bevel. Wat Hij beveelt, belooft Hij ook. En dat geldt van élk bevel.
Hoorde u zo al eens de Tien Geboden voorlezen? Ik beloof u: gij zult eenmaal geen andere goden meer voor Mijn aangezicht hebben… Ik zal er Zelf voor zorgen. Ik ‘opereer’ u, Ik neem het stenen, afgodische hart weg, en Ik geef u een nieuw hart.
Lezen: Ezechiël 18; zingen: Psalm 51:5
19 MAART
Verder, hef gij een weeklage op over de vorsten van Israël.
Ezechiël 19:1
Wat heeft de teerhartige priester-profeet Ezechiël veel moeten klagen en wenen. Zijn opdracht was om net als een wachter op de muren van een stad, elke dreiging aan te kondigen. En er dreigde geestelijk zoveel gevaar. Er was immers zoveel zonde! En als één ding in Gods Woord duidelijk is, dan is het wel dat zonde en straf tweelingen zijn. Wie meent te kunnen zondigen zonder gestraft te worden, vergist zich met een fatale en eeuwig-smartende vergissing!
Gelooft u dit?
De klacht is gekleed in de vorm van een gelijkenis, beeldspraak. God wil met deze bijzondere stijlvorm extra aandacht trekken, extra indruk maken. We vergeten een les immers eerder dan een verhaal. Het gebeurt daartegenover nog al eens dat een illustratie langer bij blijft dan heel de preek.
Wat moet dan niet worden vergeten? Dat God de zonde straft.
Wat nog meer? Dat zondestraf iets is waarover Gods trouwe knechten bedroefd en verdrietig zijn.
Let op: de meest sombere hel- en verdoemenispreek uit de mond van een Bijbelgetrouwe dienaar van Jezus Christus gaat – als het goed is – nooit en te nimmer gepaard met enige vorm van leedvermaak, net zomin als met een aasje onbekommerdheid.
Nee, Gods knechten wenen en treuren wanneer ze de straf op uw zonde aan de orde stellen, zoals Paulus ons in Filippenzen 3 vers 18 voorhoudt: “Velen wandelen anders; van wie ik u dikwijls gezegd heb, en nu ook wenend zeg, dat zij vijanden van het kruis van Christus zijn; van wie het einde is het verderf.”
Klaagt u over de zonden van volk en kerk, van huis en hart?
Lezen: Ezechiël 19; zingen: Psalm 119:68
20 MAART
En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder de band des verbonds.
Ezechiël 20:37
De Heere geeft in Ezechiël 20 geschiedenisles. Heel de historie van het volk Israël, vanaf Egypte, door de woestijn tot in Kanaän, wordt kort voor ogen gesteld, met als in-droevig refrein, dat het volk God tergde en krenkte.
Wat is het Goddelijke antwoord? Oordeel en gericht. Wat is de daarop door God geschonken vrucht? Bekering en verzoening. Zo beleven al Gods kinderen het ook in 2007. God gaat Zijn heilig recht voorstellen, in het hart brengen. Alles buiten Christus en Zijn volkomen gehoorzaamheid wordt zielsbevindelijk verdoemd. En daar wordt als meest onverwachte heilsboodschap vernomen wat Hij in vers 37 uitroept: “Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder de band van het verbond.”
God laat ons wel Zijn heilige haat tegen en Zijn innige afkeer van al onze zonden gevoelen, maar Hij leidt ons toch binnen in het verbond dat van geen wankelen weet. Hij gedenkt gestaag/onophoudelijk aan het verbond met Abraham, aan Zijn eed aan Christus. En zo wordt een afgodisch geslacht, een afhoererend volk, zalig. Niets in uzelf of uw voorgeslacht om op te roemen. Vrije gunst alleen. Dan is alles een wonder, voor zo’n zonde-mens als ik. Geen minuut van de dag zonder zonde, en dan toch verzoend in Christus!
Zing maar mee: Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht… En onze Koning is door Isrels God gegeven.
Op kosten van dat verbond krijgt een bankroetier en armoedzaaier gratis entree in de bruiloftszaal van het Lam, zijn dierbare Bloedbruidegom.
Lezen: Ezechiël 20; zingen: Psalm 89:8
21 MAART
Zo zegt de HEERE: het zwaard, het zwaard is gescherpt.
Ezechiël 21:9
Het wordt eentonig, vindt u niet? Dag na dag is het dezelfde boodschap. U leest het hoofdstuk waaruit de dagtekst genomen is, en u denkt: komt er nooit een eind aan Gods dreigende taal? Het is alsof de keer op keer herhaalde herhaling maar één ding wil bewerken, dat de lezer vermorzeld wordt onder het gewicht van deze boodschap.
Nu weer: het zwaard. Dit zwaard is niet bedoeld om vijanden af te weren en te straffen, maar om Gods éígen volk te straffen. En dan niet met een opvoedende straf, een kastijding, maar met een rechterlijke wraakstraf om te verdelgen en uit te roeien.
Vindt onze God, de liefdevolle Vader van onze dierbare Zaligmaker, Jezus Christus, onze zonden dan zó erg?
Wat dacht u, bij het zien op het gekruisigde Lam van God? Is dat niet een bewijs van Gods ongeveinsde toorn tegen onze zonde?
Zacharia mag het vervolg op Ezechiël 21 schrijven: “Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heerscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.”
Toen Gods Metgezel voor dat zwaard kwam, zei de heilige Rechter niet: zwaard, ga terug in de schede, want Ik wil Mijn eigen Zoon niet slaan. Maar toen, ook toen, zei deze zondehatende en zondestraffende God: zwaard, dood Mijn Metgezel!
Kom, laat ons het zwaard, Gods eisend en verdoemend recht aanbidden, opdat onze Plaatsbekleder onder dat wraakzwaard ons meer en meer dierbaar zou zijn. Hij draagt en hanteert het zwaard van zaligmakende doding van Psalm 45.
Lezen: Ezechiël 21; zingen: Psalm 45:2
22 MAART
Vader en moeder hebben zij in u licht geacht.
Ezechiël 22:7
God houdt al onze zonden nauwkeurig bij. Ook de zonden van de jeugd. Ook van jou, meeluisterende jongen of meisje. Ook de zonden tegen onze ouders – vroeger of nu.
God komt er een keer op terug. Hij ziet ze niet door de vingers.
Hoe zullen wij het maken wanneer de afrekening komt?
Welke straf staat op de overtreding van het vijfde gebod: eer uw vader en uw moeder? Wat denk je, jonge vrienden (ik spreek dit keer maar de jongere lezers aan), dat jij voor straf hebt verdiend, als het gaat alléén maar over het geen respect hebben voor je ouders…?
Misschien denk je: maar heb best heel wat respect voor mijn vader en moeder.
Kan zijn. Alleen, het respect dat God van jou en mij vraagt, is niet gedeeltelijk, maar algeheel. Dit betekent niet dat je het altijd met ze eens moet zijn, zelfs niet dat je ze altijd mag gehoorzamen. Maar in álle omstandigheden hebben zij recht op jouw eer, jouw respect, jouw eerlijke hoogachting.
God verwijt Zijn volk dat ze hun ouders licht achten. Dat kan betrekking hebben op jeugdzonden, maar, oudere lezers, dit vijfde gebod blijft ook nadat onze ouders stierven, van kracht. Ook ouderen moet hun (gestorven) ouders nog steeds hoogachten…!
We lezen in dit angstaanjagende 22ste hoofdstuk wat voor een huiveringwekkende straf ook op deze zonde staat. Boog mijn ziel er al eerbiedig onder? Keurde ik dit strenge oordeel goed?
Mag u, mag jij weten van verzoening ook voor deze zonde? En mocht het tegenovergestelde de huiselijke praktijk worden; zoals Jezus Zijn aardse ouders eerde: …en Hij was hun onderdanig!
Lezen: Ezechiël 22; zingen: Psalm 25:6
23 MAART
… en gij zult weten, dat Ik de Heere HEERE ben.
Ezechiël 23:49
Soms zou je een hoofdstuk van de Heilige Schrift liever niet aan tafel voorlezen. Zo’n hoofdstuk is ook Ezechiël 23. Het gaat daar over hoeren en over het betasten, het strelen van de tepels van hun borsten.
te krijgen.
Wanneer we onvoorwaardelijk hebben leren buigen onder het Goddelijke gezag van de boeken der Heilige Schrift, ook van de profetieën van Ezechiël, dan zullen we weten: God laat het Zijn knecht niet zomaar zo schokkend en shockerend beschrijven.
Toch, het gaat over u, en over mij. De toch wel bevreemdende beeldspraak van dit ‘hoeren-hoofdstuk’ is een rake tekening van ons adamsbestaan. Wij hebben met onze God, Die onze Man is, zó gedaan. Terwijl we van Hem waren, lonkten onze ogen naar andere minnaars (met een verouderd woord ‘boelen’ genoemd). Wij kozen voor de grote tegenstander van God.
En nog. Het is van ons uit nog steeds niet veranderd. Wij blijven hoererij-gericht. Zelfs in lichamelijke zin maar al te vaak, maar in ieder geval in de overdrachtelijke of geestelijke betekenis van het woord: andere goden…
De Heere wordt het niet moe om Zijn knecht ons dezelfde boodschap keer op keer op keer te laten aanzeggen: je bent enkel zonde en enkel strafwaardigheid!
Kunt u begrijpen dat de Heere Jezus Christus zulke hoeren nog kan en wil reinigen en vernieuwen tot kuise maagden? Toch, door Zijn bloed en door Zijn Geest reinigt en vernieuwt Hij ons, rechtvaardigt en heiligt Hij ons.
Zo wordt een hoer een maagd!
Lezen: Ezechiël 23; zingen: Psalm 45:7
24 MAART
… omdat Ik u gereinigd heb, en gij niet gereinigd zijt, daarom zult gij van uw onreinheid niet meer gereinigd worden, totdat Ik Mijn grimmigheid op u zal hebben doen rusten.
Ezechiël 24:13
God reinigt ons in de doop. Kiezen we daarna toch voor onreinheid, dan zullen we niet gereinigd kunnen worden, maar dan zal Gods grimmigheid, Zijn toorn tegen onze zondeliefde, op ons blijven.
Matthew Henry schrijft hierover dat God zegt: “Ik heb u medicijnen gegeven, maar die hebben u niet geholpen. Ik heb middelen aangevoerd om u te reinigen, maar zonder resultaat, het doel is er niet mee bereikt.” Hij vervolgt: “Het is treurig te moeten denken hoevelen er zijn aan wie Gods geboden en leidingen verspild zijn. Daarom wordt besloten dat er geen pogingen meer gedaan zullen worden: “Gij zult van uw onreinheid niet meer gereinigd worden.” Het vuur zal niet meer een louterend vuur, maar een verterend vuur zijn, en daarom zal het niet getemperd en verkort worden, als voorheen, maar zal blijven branden tot het einde toe, totdat het zijn vernielend werk gedaan heeft. Wie niet willen genezen, worden met recht opgegeven, en hun geval onder de hopeloze opgenomen. Eens zal er een dag komen dat er gezegd zal worden: wie vuil is, dat hij nog vuil worde.”
Tegen slordigheid in het geestelijke leven waarschuwt Petrus ernstig met deze woorden: bij wie deze dingen (namelijk de rij van cristelijke deugden) niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging van zijn vorige zonden.
Ook u bent gereinigd! Bent u werkelijk rein? Heeft uw doop u gedreven tot de Bloedfontein van Golgotha’s Lam?
Lezen: Ezechiël 24; zingen: Psalm 19:6
25 MAART
Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeer u, bekeer u van uw boze wegen, want waarom zou gij sterven, o huis Israëls?
Ezechiël 33:11
God zweert een eed. Niet dat Zijn woorden anders niet betrouwbaar zouden zijn, zoals bij ons eedzweren het geval is. Maar omdat ons ingewortelde ongeloof anders niet durft en kan geloven dat God het werkelijk meent. Het is dan ook zo ongelooflijk rijk en heerlijk wat Hij zegt en met een eed bevestigt: Ik vind het helemaal niet fijn dat een goddeloos mens verloren gaat. Ik heb er juist behagen in dat die zondeliefhebber zich van zijn dwaze weg afkeert en dat hij tot Mij terugkeert. En dat hij voor eeuwig gelukkig leeft!
Het is voor God een vernedering om een eed af te leggen (alsof Hij anders niet te geloven zou zijn), maar voor ons, zo diep verloren, zo hopeloos verdoemd, is het een heerlijke bemoediging en een onwrikbare bevestiging dat we nog met Gods goedkeuring zalig kunnen worden.
Dat wordt nog duidelijker wanneer we de uitnodiging er direct bij zien staan: keer je om, keer tot Mij terug. God nodigt verbondsbrekers en meinedigen. Ja, dat ben ik. Dat bent u. Bij het doopvont gestaan, belijdenis gedaan, aan het avondmaal gegaan…, en niet volgens onze duurgezworen eden geleefd! Beloften beloofd, en weer verbroken. Ons ernstig voorgenomen het leven te beteren, maar niets, niets van terechtgebracht!
Zijn wij nu nog welkom? Om Jezus’ wil, ja!
Vandaag nog wel!
Lezen: Ezechiël 33; zingen: Psalm 95:4
26 MAART
Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en Ik zal ze opzoeken.
En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn Knecht David; Die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.
Ezechiël 34:11 en 23
O, hoe onbegrijpelijk groot zijn Gods trouw en genade! Een eeuwigheid lang zult u die bewonderen, o schaapje van deze Goede Herder!
God zendt Zijn eniggeboren Zoon. Deze wordt gewillig Herder van zulke schurftige schapen. Hij weet tegen welke prijs Hij Herder zal zijn: de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Hij stelt Zijn leven niet in de waagschaal. Dan zal het misschien niet nodig zijn te sterven. Maar Hij kreeg het bevel van Zijn Vader om Zijn leven af te leggen. Dit bevel gehoorzaamt Hij graag. En Zijn Vader heeft Hem er temeer lief om.
Deze Herder hebben wij, verdoolde schapen, nodig. Hebben wij Hem dagelijks nodig? Belijden met de mond, ja. Belijden vanuit herinnering der bevinding, ja. Maar belijden in huidige beleving? Is het vandaag met u en mij dan zo gesteld als Jesaja klaagt: wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg?
Deze Herder, zou Hij mij wel een plaatsje gunnen in Zijn kudde? Als we letten op wie de kudde is in Ezechiëls dagen – en heel wat dagen van deze maand hebben we overdacht hoe totaal onwaardig en onwillig en ongeschikt deze kudde is – dan zou ik denken: voor u, zelfs voor u is er plaats bij deze Herder.
Vraagt u: hoe kom ik bij Hem? Lees dan vers 11 nog eens, en denk aan de eerste gelijkenis van Lukas 15: “O, zoek en vind ook mij, Gij Goede Herder!”
Lezen: Ezechiël 34; zingen: Psalm 23
27 MAART
…en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
Ezechiël 35:15
Nog één keer richt Ezechiël zich op Gods bevel tot de omliggende volken, tot de Edomieten in het bijzonder. Zij zijn nakomelingen van Ezau, Jakobs broer, een broedervolk dus. Ze haten Israël echter met een dodelijke haat en hebben geen groter vermaak dan leedvermaak dat Jeruzalem door de koning van Babel wordt ingenomen en verwoest.
Leedvermaak is levensgevaarlijk. God straft het. Wanneer de grote dag van de verlossing van de slachtschapen van Jezus Christus komt, zal gebeuren wat we met de Nederlandse Geloofsbelijdenis verwachten: wij zullen de verschrikkelijke wraak zien, die God tegen de goddelozen doen zal, die ons getiranniseerd, verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld. De gelovigen en uitverkorenen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer. Gods Zoon zal onze naam belijden voor God Zijn Vader en Zijn uitverkoren engelen; alle tranen zullen van onze ogen afgewist worden; onze zaak, die nu door veel rechters en overheden als ketters en goddeloos veroordeeld wordt, zal bekend worden de zaak van Gods Zoon te zijn.
Bij welke partij hoort u? Bij Israël dat gekroond wordt, of bij Edom, dat verwoest wordt? Let op: niet uiterlijk bij Israël horen redt in die dag van het gericht. Alleen wanneer we door een levende band met de Goede Herder verbonden zijn.
Onderzoek het eens: hoe staat het ervoor? Ziet u op tegen deze dag van vergelding, als aan u leedvermaak wordt vergolden dat u heimelijk had met een kind van God in zijn val of ellende? Of ziet u naar deze dag uit, omdat deze schuld in Christus verzoend is?
Lezen: Ezechiël 35; zingen: Psalm 79:4
28 MAART
Ik zal Mijn grote Naam heiligen.
Ezechiël 36:23
Jezus leert ons dagelijks te bidden: “Uw Naam worde geheiligd.” Daarmee zeggen we: ik verlang het meest ernaar dat U wordt geprezen en geëerd. Daarmee zeggen we ook: ik kan het nooit zelf.
God nu, zo vertelt Ezechiël ons, zorgt Zelf voor de heiliging of verheerlijking van Zijn Naam. God heeft er in Christus volmaakt zorg voor gedragen, getuige het woord dat onze dierbare Hogepriester uitspreekt in Johannes 17: “Ik heb U verheerlijkt op de aarde.”
Hoe maakt de Heere Zijn Naam glorierijk? Door voor aller oog te laten zien hoe machtig Hij is, hoe genadig en hoe trouw Hij is. In de weg van Zijn heilige gerichten bewijst God genade aan een totaal verdorven mensenkind. En voor duivelen, engelen, goddelozen en godzaligen komt op de grote dag van verlossing openbaar hóe machtig, en hóe genadig, en hóe heilig, en hóe wijs, en hóe trouw Hij is.
Daar zal de hemel vol van zijn. Daar zal ook de hel – bij wijze van spreken – vol van zijn. In de hemel worden deze Deugden van God, deze ontplooiing van Gods majesteit, bejubeld; in de hel zal het met tandengeknars en zelfverwijt niet kunnen worden ontkend!
God heiligt nog steeds Zijn Naam. De eerste bede van het Onze Vader wordt nog dagelijks verhoord. Hoe dan? Doordat de Hemelse Vader nog steeds zondaren zaligt, doordat Christus nog steeds verlorenen zoekt, en doordat de Geest van pinksteren nog steeds verdorvenen vernieuwt.
Weet u hier van? Verblijdt u zich hierover, en vertelt u het door?
Hoe groot is deze geheiligde Naam? Groter dan de grootste schuld!
’t Kan nog, tobber…
Lezen: Ezechiël 36; zingen: Psalm 43:1
29 MAART
…en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
Ezechiël 37:24
Dát wordt een vermakelijke wandeling! In Gods rechten. Luisterend naar Zijn stem, gehoorzamend aan Zijn heilzaam gebod. Hebt u er zin in?
Ontbreekt de kracht u? Geen nood. Hij belooft te schenken wat u ontbreekt. Ook doorzettingsvermogen en volharding, gewilligheid en oprechtheid.
En staat niet: zij moeten. Er staat niet: zij kunnen. Er staat niet: zij mogen of zij willen. Maar er staat: zij ZULLEN.
God Zelf neemt het initiatief, Hij Zelf houdt het vol, Hij Zelf brengt het tot een goed einde en voltooit Zijn eigen werk.
Gods rechten en inzettingen, door Christus, onze Plaatsbekleder, geheel en al gehoorzaamd, zijn nu voor ons in Zijn hand een liefdeswet, die we graag houden.
Houdt u slechts schaamte over, bij het terugzien op een dag, een week, een maand of jaar, ja, op heel de tijd van uw nieuwe leven?
Lijkt deze belofte niet waar te zijn? Is bij u alles alleen maar ene grote mislukking?
Dan toch nog een vraag: waar wandelt uw hart het liefste? In de rechten en inzettingen van mensen, van boze machten, vijandelijke krachten? Of in de rechten en inzettingen van uw Heiland? Wat verkiest uw ziel? Waar zou u nou echt opgelucht zijn, u thuis voelen, ontspannen wezen? Toch waar het regiem van zonde en zelfbedoelen, wereldzin en vlees radicaal breekt, en waar de zo zoete liefdesheerschappij van uw Koning, Lam en Leraar, uw hart en zinnen geheel en al bezielt en vervult!
Neem dan vandaag opnieuw een ernstig besluit: begin te leven volgens al Gods geboden (Heidelbergse Catechismus antwoord 114)
Lezen: Ezechiël 37; zingen: Psalm 116:5
30 MAART
En hij zei tot mij: hebt gij het gezien, mensenkind?
Ezechiël 47:6
De stroom van Levend Water is beeld van de Heilige Geest. Ja, het gaat over de Heilige Geest. Deze wordt met water des levens vergeleken, omdat Hij – zoals we met de geloofsbelijdenis van Nicea belijden – Heere is en lévend maakt. Wie? Doden natuurlijk…! Wie leven meent te bezitten, heeft geen levend water nodig. Wie het leven niet meer in eigen hand kan houden, zoals de Bijbel dat noemt, die vraagt om het leven bij God vandaan. Ook levendgemaakte lezers weten maar al te goed dat dit levende en leven schenkende water bij de voortduur onmisbaar is. We kregen bij de levendmaking immers geen ‘voorraadvat’ vol leven mee, om daar nu van te leven. Maar we zijn en blijven tot onze laatste snik aangewezen op de wederbarende Heilige Geest.
Vraagt u zich ook af hoe u daar deel aan krijgt? Ik las bij Bunyan: “Water stroomt steeds naar en blijft in de laagste plaatsen, in dalen en diepten; zo openbaart ook Gods genade en de Geest der genade zich niet bij de hogen, maar bij de nederigen. Rivieren stromen niet naar boven, maar van bergen en heuvels naar beneden, en nemen toe in omvang en diepte naarmate zij lager komen. Zo weerstaat ook God de hovaardigen, maar geeft Hij de nederigen genade.
Zij die voor de eerste maal door Christus tot God gaan om het leven te zoeken, zijn naar niets begeriger dan te weten of de genade groot genoeg is om ook hen te redden. Het zij tot hun troost gezegd, hier is overvloed, overvloed van genade, een rivier, een diepe rivier van het water des levens.”
Lezen: Ezechiël 47; zingen: Psalm 36:2
31 MAART
…en de naam van de stad zal van die dag af zijn: DE HEERE IS ALDAAR.
Ezechiël 48:35
Geen groter voorrecht dan net als Henoch te wandelen met God, steeds voor Zijn ogen te zijn. Geen groter genot dan Zijn liefde zonder onderbreking te ontvangen.
Dat is de toekomst van het Godsvolk, over wie en tot wie Ezechiël schrijft. Het is een lange en donkere weg, voor het vlees onzegbaar bitter, die het bondsvolk moest gaan; die ook nu een buiten het paradijs zwervende, gevallen zondaar moet bewandelen, voordat deze schitterende toekomst aanbreekt.
Wij waren er allang mee gestopt. Alle hoop op een gelukkig einde was ons allang vervlogen. Maar de Eeuwige houdt het vol. Hij overziet het einde vanaf het begin. Hij laat Zijn wijze en goede Plan niet varen.
Daarom heeft de kerk van Jezus Christus toekomst.
U ook? Dan is nu voor u al waar wat Psalm 91 zingt: gezeten in de schuilplaats van de Allerhoogste, te overnachten (voor eeuwig te blijven) in de onmiddellijke en intiemste nabijheid van de Almachtige.
Wanneer geliefden van elkaar gescheiden zijn, ervaren ze smart. Zijn ze bijeen, dan is daarin blijdschap. Maar het komende afscheid werpt menigmaal zijn schaduwen vooruit… Nu niet meer: vanaf die dag is de Heere er altijd. Immanuël: God mét ons, God in Zijn eeuwige, vleesgeworden Zoon bíj ons. God door Zijn Heilige Geest ín ons. Wie verwondert zich niet?
Daar staat tegenover dat Jezus de hel aanduidt met de omschrijving: buitenste duisternis. Dat is voor altijd gescheiden van God, zonder Wie de ontzettendste eenzaamheid is.
Golgotha’s God-verlatenheid is zo onnoemelijk dierbaar voor zo’n helwaardige!
Lezen: Ezechiël 48; zingen: Psalm 91:1
