1 MAART
En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen.
Lukas 18:1
Lukas schrijft dat u altijd moet bidden. Hij schrijft niet dat u mág, maar dat u móet bidden. Er staat niet dat u het wilt of kunt, maar dat God het van u vraagt.
Wat een wonder als u hebt geleerd – ik bedoel niet uit een boekje, maar uit ervaring – dat u niet kunt bidden. En een tweede wonder om te leren dat de oorzaak van uw niet kunnen ligt in uw niet willen. Maar – o, het derde wonder! – om het bidden toch niet te kunnen laten… Om toch, ondanks alle onwilligheid en onmogelijkheid, onwaardigheid en ook onwaarachtigheid, voor de Heere neer te vallen, smekend om Zijn genade.
Lukas schrijft erbij dat u niet een keertje moet bidden, maar altijd. En ook leest u meteen, dat u niet traag moet worden in het bidden.
O, neem dit onderwijs ter harte, neem het ernstig. Begin niet met te zeggen: “Ja, maar…” Nee, leg toch uw nood voor de Heere neer, juist ook uw gebedsnood. Zeg maar: “Heere, ik kan niet en ik wil niet, maar geeft U mij, wat ik niet kan en niet wil!”
U leest hier een vreemde gelijkenis: Jezus vergelijkt Zijn hemelse Vader bij een onrechtvaardige rechter. Wat een absurde vergelijking, vindt u niet?
Dit is natuurlijk niet zomaar. De bedoeling van uw Heere en Heiland is om vanuit minder te besluiten tot meer, vanuit het slechte tot het goede: Als zelfs zó’n rechter toch verhoort, wat denkt u dan? Zou God, Die geen onrechtvaardige, maar juist een heel eerlijke en ook nog eens een heel genadige Rechter is, u niet verhoren?
Hij is uw geloofsvertrouwen zo waardig, al laat Hij u soms lang wachten, zegt Jezus erbij…
Lezen: Lukas 18:1-8; zingen: Psalm 116:1
2 MAART
En Hij zei ook tegen sommigen, die bij zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:
Lukas 18:9
De gelijkenis die vandaag aan de orde is, is erg bekend. Maar toch is het de vraag of u de inhoud en de bedoeling ervan ook kent bij ervaring.
Herkent u dat veroordelen en verachten van andere mensen door die vrome kerkganger, waarover Lukas het in vers 9 heeft?
Herinnert u zich hoe vol zelfvertrouwen u vroeger zat en hoeveel er helaas nog van sluimert in uw binnenste?
Bent u die farizeeër? Acht u uzelf beter dan anderen? Steunt u – zonder dat een ander het merkt natuurlijk – op iets goeds dat u hebt verricht of ervaren?
Jezus laat zulke hoogmoedige mensen niet links liggen, maar spreekt tot hen. Nee, Zijn woorden zijn niet vleiend en zelfs niet bemoedigend. Maar toch: is het niet een wonder van ontferming dat Hij nog tot u spreekt? Dat Hij u nog waarschuwt en lokt naar een plaatsje naast de tollenaar? Ja, daar moet u komen, vandaag nog. U bent daar welkom, vandaag nog! Om vrede met God te krijgen…
Onderzoek uzelf eens of u die tollenaar kent. Kent u dat ‘van ver staan’? Is het ook uw zielsgestalte om uw ogen niet op te willen of te durven heffen naar God in de hemel? Herinnert u zich nog die ‘zere plek’ waar de tollenaar op sloeg: uw bedorven hart dat totaal ongeschikt is voor God, maar precies past bij alle goddeloosheid? En dat nu zó treurt, zó klaagt, zó verbroken is? Zijn de woorden van de tollenaar ook uw woorden, die u thuis en in Gods huis meermalen bad en bidt: verzoening voor mij, de enige zondaar in Elspeet (of waar u maar woont)…?
Lezen: Lukas 18:9-14; zingen: Psalm 14:1
3 MAART
Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden, de een was een farizeeër, en de ander een tollenaar.
Lukas 18:10
Het is goed om vandaag stil te staan bij het gebed, uw gebedsleven. Bidt u? Wat bidt u en waarom doet u dat? Hoe bidt u?
Wat is bidden eigenlijk? Het is contact zoeken met God; met Hem in gesprek zijn. Het is uw hart openleggen voor Hem, al uw ervaringen met Hem delen, zoals een kind dat van school komt en bij mama op schoot kruipt en haar alles vertelt.
Hebt u verlangen naar die vertrouwelijke omgang met uw God? Verlangen om eerlijk te zijn? Eerlijk te belijden wat u zo bang maakt, zo bezorgd? Wat u zo kwelt aan zondekracht en -lust? Om Hem te belijden hoe afhankelijk u van Hem bent? Ook hoe intens veel u van Hem houdt? Hoe dankbaar u bent voor al Zijn trouw en zorg? Voor Zijn verrassingen en dagelijkse gunstbewijzen? Hoe graag u voor Hem leeft en gelovig op Zijn beloften wenst te steunen? Om steeds weer bij Christus te schuilen?
Heel wat vragen, hè? Vragen om uzelf op te onderzoeken en om ermee aan Gods troon te komen, zoals Hebreeën 4 vers 16 zegt.
Bidden is ook vragen. Vragen om kracht. Kracht om te geloven tegen alle ongeloofsgedachten in. Kracht om te strijden tegen al uw boezemzonden. Kracht om u niet te laten meesleuren met de zuigkracht van de wereld. Kracht om de duivel te weerstaan. En liefde, om de Heere met heel uw hart en ziel en verstand en kracht lief te hebben…
Hoe bidt u? Verwachtingsvol? Of is uw gebed soms meer een ‘uiting van wantrouwen’?
O, dat de Geest der genade en der gebeden u toch zal leren bidden! En dat u gaandeweg meer beseft, hoe ook uw gebeden zonde zijn en verzoening nodig hebben!
Lezen: Daniël 9:4-9; zingen: Psalm 3:2
4 MAART
De farizeeër, staande, bad dit bij zichzelf: “O God, ik dank U, dat ik niet ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar.”
Lukas 18:11
U hebt alle reden om God te danken voor Zijn vele gaven. Onder die gaven hoort ook dat u niet in alle mogelijke zonden bent uitgebroken – in uw jonge jaren en later. U bent weliswaar niet beter, maar u dóet wel beter. Zeker in maatschappelijk opzicht is dat niet onbelangrijk.
Er dreigt echter gevaar. U kunt zomaar het ‘niet zo slecht doen’ gelijkstellen aan het ‘niet zo slecht zijn’. Dat doet de farizeeër. U ook?
Als u zich verbeeldt niet zo slecht te zijn als andere mensen, kent u uzelf niet. Dan hebt u niet door dat u wezenlijk hetzelfde bent als anderen. Het enige verschil is, dat het bij sommigen wel naar buiten komt en bij u nog niet. Ik schrijf: nóg niet. Als God u aan uzelf overlaat, komt het namelijk wel naar buiten. En dat kan vandaag nog… U bent werkelijk nergens te goed voor.
De woorden van de farizeeër leren u hoe erg u zich kunt vergissen. Niet alleen wat betreft uw naaste, maar ook wat betreft uw godsdienst. U kunt mét de farizeeër denken dat u God dankt. Het lijkt er net op alsof de man daar voorin op het tempelplein heel ootmoedig is. Hij prijst immers niet zichzelf, maar hij dankt God. Hij weet dat hij al het goede dat hij heeft, aan God te danken heeft. En toch is deze ootmoedige taal vals. Er zit een onverootmoedigd hart achter. De werkelijk verootmoedigde heeft immers geleerd: ik ben geen haar beter dan de grootste crimineel!
Hoe is dit bij u? Buigt u onder de slechtste? Of acht u zich beter dan de buren, enzovoorts?
Lezen: 1 Timotheüs 1:12-17; zingen: Psalm 26:5
5 MAART
Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit.
Lukas 18:12
De farizeeër is zomaar niet klaar met bidden. Hij heeft nog meer noten op zijn zang, maar valse. O, wat is de bidder trots! Wat is hij tevreden met zichzelf! U kijkt ondertussen in een spiegel; vergeet dat niet.
Allen die zichzelf in de spiegel van Gods heilig Woord ontdekten, weten wel hoeveel hiervan ook in ons innerlijk leeft. Als u al niet tevreden over uzelf kúnt zijn, zou u het toch wel graag wíllen zijn. Maar wat een wonder als u dit oprecht afleert. Nee, ik bedoel niet dat u het goed zou mogen keuren als u zich als een vrek of losbol gedraagt. Maar wel, dat u zich voor Gods ogen niet meer wenst op te poetsen. Dat u geloofsvrijmoedigheid ontving en steeds weer ontvangt om zonder één deugd en zonder enige goede prestatie Hem onder ogen te komen. Dat u heilig tevreden bent om als een nietsnut, als een ellendeling en een mislukkeling, aan Zijn voeten te buigen en het te belijden: “Ik kan mij nergens op beroemen, Heere. Al mijn goede daden waarop ik mij zo graag verhief, blijken blinkende zonden te zijn. U weet wie ik werkelijk ben: een stinkend riool van zonde, een vuile bron van allerlei wanbedrijven.”
Legt u uw ziel zo voor de Heere open? Dan kunt u ook wel vasten en tienden geven. U zult zeker vasten, dat is: matig en sober leven. En u zult zeker van uw overvloed of van uw armoede geld geven voor de dienst des Heeren en u zult zeker uw arme naasten helpen. Maar dit allemaal opsommen? Hier prat op gaan? Nee, dat nooit!
U leeft van en steunt op de kruisverdiensten van de Heere Jezus en u beseft: mijn goede werken zijn vruchten van Hem, de Ware Wijnstok.
Lezen: Jesaja 64:1-8; zingen: Psalm 51:5
6 MAART
En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel…
Lukas 18:13a
Uw Heere vertelt deze gelijkenis aan hen die de tollenaar verachten. God weet hoe oprecht hij is. U mag anderen niet minachten. U zondigt tegen God als u het doet. Volg liever die biddende man na. Heel zijn houding straalt ootmoed uit. Hij is niet verwaand. Hij beeldt zich niets in. Hij kan niet op anderen neerzien. De tollenaar staat van verre. Het achterste plaatsje is hem hoog genoeg. Hij hoeft niet vooraan te staan. Hij schaamt zich. Hij heeft immers onnoemelijk veel kwaad gedaan!
U ook?
Wat voor kwaad? U hoeft het niet aan priester of dominee te belijden. Maar u mag het voor uzelf niet verbergen en voor de Heere niet verzwijgen.
Jezus vertelt dat de tollenaar zijn ogen niet wil opheffen naar de hemel. Waarom zegt Jezus dit? Het is geen geschiedenis, maar een gelijkenis. Jezus bedoelt ermee, dat de bidder zich voor de Heere vernedert. Voor de mensen kan ik me wel zeer terecht schamen. U ook? En voor de Heere kan ik me wel zeer terecht vernederen. U ook.
Durft u God niet meer onder ogen te komen? Kunt u vanwege uw vreselijke zonden Hem niet in de ogen zien? Is het te erg? Klaagt u: “O, mijn zonden, mijn zonden! Ze zijn zo erg, zo heel erg”?
Er is volgens Jesaja 1 in geestelijk opzicht niets heel aan u: alles is vol etterbuilen, die vervuild zijn, en niet verbonden. En dan het wonder! Tegen zulke schuldige mensen zegt de Heere door de profeet – en zegt Jezus in deze gelijkenis: “Kom toch maar en laten we samen een rechtszaak houden. Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. Al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.”
Lezen: Jesaja 1:1-6 en 15-20; zingen: Psalm 38:5
7 MAART
…maar sloeg op zijn borst, zeggende: “O God, wees mij zondaar genadig.”
Lukas 18:13b
Bij het vertellen van deze gelijkenis vestigt Jezus uw aandacht op wat de tollenaar doet. Niet alleen waar hij staat (van verre) en wat hij niet wil (zijn ogen opslaan naar de hemel, waar God woont), maar ook wat hij doet: hij slaat op zijn borst. We lezen dit vaker in de Bijbel. Denk aan de vrouwen die Jezus volgen op Zijn weg van het rechthuis van Pilatus naar Golgotha. We lezen in Lukas 23 vers 27 dat die vrouwen weenden. De statenvertalers hebben met het woord ‘wenen’ het Grieks niet letterlijk vertaald, maar vrij weergegeven. In de kanttekening kunt u lezen dat Lukas schreef, dat zij zich sloegen, namelijk op hun borst, als teken van groot verdriet.
Dit grote verdriet wordt door Jezus hier u voorgehouden als voorbeeld: zo gaat het als God zondaren zaligt. Dan werkt Hij zo, dat zij intens verdrietig worden over hun zonden, waarmee ze God hebben gekrenkt en vertoornd.
Moet ik u de vraag nog stellen, hoe het wat dat betreft met u is? Moeten we bij het lezen van deze woorden van Jezus ons niet allemaal schamen voor onze oppervlakkigheid? Wat treuren wij weinig over onze zonden, waarmee wij onze Schepper hebben beledigd! Wat zijn we graag snel uit het ‘stuk der ellende’, en wat stappen we graag haastig over onze zondeschuld en strafwaardigheid heen! En wat willen we genade graag goedkoop maken, zo goedkoop mogelijk!
Luister naar dit detail van de gelijkenis. Jezus vertelt het niet om erover heen te lezen, om het voor kennisgeving aan te nemen. Maar Hij nodigt u uit om diepgaand over uw misdaden na te denken en ze aan de Heere te belijden, met een verbroken hart. Ook met een gelóvig hart.
Lezen: Lukas 23:27-31; zingen: Psalm 6:1
8 MAART
…zeggende: “O God, wees mij zondaar genadig.”
Lukas 18:13b
U hoeft niet te veronderstellen dat de tollenaar thuis niet heeft gebeden. Toch vertelt de Heere Jezus dat hij naar de tempel gaat om dáár te bidden. Waarom daar? Het Griekse woord voor ‘genadig’ vertelt het u. Er staat eigenlijk: wees met mij verzoend, wees mij verzoeningsgezind. De tollenaar vraagt niet zozeer om genade (al was dat ook wel zo), maar om verzoening met God. En juist om die verzoening gaat het in de tempel. God heeft in de dagen van Mozes de dienst der verzoening ingesteld, met het offer als centrum. Dit alles gebeurde in de tabernakel en later in de tempel.
Dat de tollenaar juist in de tempel bidt om genadige verzoening, is een teken van zijn geloof. Hij vertrouwt dat de Heere verzoeningsgezind is. Anders zou Hij immers geen tempel hebben laten bouwen, geen offerdienst hebben ingesteld!
Zo wil de Heere ook nu nog dat u bidt om genade, verzoening met God. Niet alleen in het besef van uw nood. Niet alleen met gevoel van uw onwaardigheid. Maar ook, en vooral, in geloofsvertrouwen dat de Heere uw gebed zeker zal verhoren.
Wat is nu de Goddelijke genade van verzoening? Dat u voor uw zonden niet gestraft zult worden? Ja, dat ook, maar dat toch niet in de eerste plaats. Bij verzoening gaat het om een relatie, om de verhouding tussen God en u. Hebt u er behoefte aan, hebt u er verlangen naar, dat het goed komt tussen God en u? Dat u vrede hebt met God? Dat de liefde des Heeren u doordrenkt? Bent u gewillig om de straf te dragen, maar kunt u uw levenspad niet meer gaan zonder het vriendelijk aangezicht van God?
In het Offerlam van Golgotha heeft de Heere onweerlegbaar duidelijk getoond, dat Hij u verzoeningsgezind is!
Lezen: Micha 7:7-9; zingen: Psalm 86:3
9 MAART
…zeggende: “O God, wees mij zondaar genadig.”
Lukas 18:13b
Wie is er zo verlegen om Gods gunst, om verzoening? De tollenaar. Wat is hij voor man? Het woord ‘tollenaar’ duidt erop dat hij in dienst is van de bezettende macht, de Romeinen. Niet zo positief, vindt u wel? Verder is het maar de vraag of hij altijd eerlijk is. Maar deze dingen laat ik liggen.
Veel belangrijker is het om te lezen hoe hij zichzelf noemt: zondaar. Het woord is u bekend. De inhoud ervan ook? Ik bedoel niet of u weet dat het Griekse woord voor zondaar betekent: doelmisser. Maar of u in uw zielsbewustheid weet wat het is om een zondaar te zijn. En dan niet één van de vele zondaren, van wie er ‘dertien in een dozijn’ gaan. Maar dé zondaar. Zo staat het er in de grondtaal: “O God, wees mij, de zondaar, genadig. Er is in heel Jeruzalem maar één zondaar, en dat ben ik!”
Het doel van uw leven niet bereikt en niet eens gezocht. Uw ogen niet gebruikt met het doel waarvoor uw Schepper ze gaf. En bij het gebruik van welk ander lichaamslid ook niet aan uw God gedacht.
Wat betekent het voor u om zondaar te worden genoemd? Als u nog nooit werkelijk met God te maken hebt gekregen, dan weegt het missen van uw levensdoel u niet zwaar. Of God aan Zijn eer komt in de besteding van uw tijd of van uw geld, maakt niet uit. Maar als God – op de ene of op de andere manier – Zichzelf present gesteld heeft in uw geweten, dán wordt het anders.
Dan wordt alles wat niet voor de Heere was, zonde. O, wat een smart!
Zou er nog verzoening voor u zijn, na zoveel misstappen en misdaden? Na zoveel tijd en capaciteit te hebben verkwanseld?
O zondaar, dáár bij het altaar… Daar is een vergevend God! En Hij wacht op u.
Lezen: Psalm 32; zingen: Psalm 32:3
10 MAART
Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd naar zijn huis.
Lukas 18:14
De tollenaar heeft zijn schuld beleden en om verzoening gesmeekt. Wat gebeurt er nu? Klinkt er een stem van de hemel: “Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven”? Zegt Jezus dat er hemelse vrede in zijn ziel daalt? Heeft Jezus het over het geloof van de tollenaar of over zijn aanvechtingen en twijfels? Nee, Jezus zegt dat de tollenaar gerechtvaardigd naar huis gaat. Jezus vraagt niet aan de farizeeërs die staan te luisteren: “Wat denkt u, is dit genoeg om genade deelachtig te worden?” Hij vraagt niet aan de discipelen: “Wat vinden jullie: zou deze man nu van al zijn zonden zijn vrijgesproken?” Hij vraagt ook niet om uw mening.
We lezen in de tekst: “Ik zeg u.” Jezus verkondigt u hoe God met zulke smekelingen omgaat: als u om genade smeekt, scheldt God u al uw schulden kwijt. Wat u ervan voelt en beseft, of niet van voelt en niet beseft; dáárover heeft Jezus het niet. Hoe belangrijk dat allemaal op zijn tijd ook is, het is voor de rechtvaardiging niet van belang. Van belang is, dat aan u verkondigd wordt, hoe God met u omgaat als u om genadige verzoening smeekt. Hij vergeeft u volkomen. Hij delgt al uw zonden uit. Hij gedenkt ze niet meer. Dát betekent immers het woord ‘gerechtvaardigd’!
Deze verkondiging uit Jezus’ eigen mond is het waard om geloofd te worden. O, om met heel uw verzondigde leven tot de genadetroon te vluchten en onvoorwaardelijk deze genade van God te geloven! Ja, om dit woord van Jezus te vertrouwen met betrekking tot al het boze en gemene en slechte van heel uw leven, van de jongste jaren af tot nu toe. U mag gerechtvaardigd naar uw gezin. U bent vrijgesproken. En als kind aangenomen.
Lezen: Jesaja 1:10-18; zingen: Psalm 103:2
11 MAART
Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd naar zijn huis.
Lukas 18:14
In het woord ‘gerechtvaardigd’, dat u meer dan dertig keer in de Bijbel tegenkomt, zit het woord ‘recht’. En dat is precies waar het in de rechtvaardiging om gaat: het komt weer recht tussen God en u. U komt weer in een rechte verhouding tot God te staan.
Hoe kan dat ooit? Als u bemerkt dat u niet slechts tegen één gebod gezondigd hebt, maar tegen allemaal… Als u gaat merken dat u in daden, of in woorden of in fantasieën (of in alle drie) een gruwelijke overtreder bent van Gods heilzame geboden… O, als u gaat voelen hoe schuldig u staat voor de hartdoorzoekende ogen van uw heilige God… Hoe zou u dan ooit gerechtvaardigd kunnen worden? Hoe zou u dan ooit in een rechte verhouding tot God kunnen komen? Hoe zou het dan ooit goed kunnen komen tussen de Rechter van het heelal en u, misdadiger?
U weet, waar de tollenaar zijn gebed bad: in de tempel. Daar stond het altaar. Daar werd het offer gebracht. Daar vloeide het bloed der verzoening. Daar wees alles naar de grote Hogepriester over het Huis Gods, naar het Lam, Dat de zonde der wereld wegnam, naar het volmaakte Offer op Golgotha. Dáár nu smeekte deze overtreder van Gods heilige wet, om genadige uitdelging van al zijn vreselijke zonden.
Doet u het ook maar: bid dicht bij de Priester, het Lam, het Bloed! Dan rechtvaardigt God u, zegt Jezus. Dan spreekt de Rechter u vrij van schuld en ontslaat Hij u van strafvervolging. Heel de Bijbel zegt u, wat Paulus verkondigt in de synagoge van Antiochië: “…van alles, waarvan u niet gerechtvaardigd kunt worden door de wet van Mozes, daarvan wordt een ieder die gelooft, gerechtvaardigd door Jezus.”
Lezen: Handelingen 13:26-39; zingen: Psalm 143:2
12 MAART
…een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
Lukas 18:14
Jezus vertelt u over de grote tegenstelling tussen de farizeeër en de tollenaar: de een verhoogde zich; en God vernederde hem. De ander vernederde zich; en God verhoogde hem. Als u uzelf in het juiste licht zien, wordt u ootmoedig. En dit wordt in de Bijbel aangeprezen. Het tegenovergestelde ervan, hoogmoed of eigendunk, wordt afgekeurd. Het wordt veroordeeld als zijnde volkomen onterecht.
Ootmoedig zijn betekent niet dat u een laag zelfbeeld hebt, maar ootmoedig wordt u door kennis van uzelf in uw zondige bestaan. En de Heilige Schrift vertelt u bladzijde na bladzijde over de huiveringwekkende slechtheid van de mens. Dit zicht op uzelf staat in het licht van de kennis van God in Zijn Majesteit. En de Heilige Schrift vertelt u bladzijde na bladzijde over de ontzagwekkende Majesteit van God.
Verder is de gelovige kennis van Christus onmisbaar om echt nederig of ootmoedig te worden en te blijven. O, als u toch bedenkt dat Zijn offer nodig was om u te verlossen…
Met Luther mag u zich wel afvragen: Heb ik geleerd mijn eigengerechtigheid te verachten, te herademen in Christus’ gerechtigheid en daar al mijn vertrouwen op te stellen? Wat is de verleiding tot hoogmoed toch groot bij hen die met alle kracht goed en rechtvaardig proberen te zijn. Maar de gerechtigheid van God, in Christus overvloedig aan u geschonken, hoeft u niet te verdienen. U moet het niet eens willen!
Daarbij mag u ook de Heere bidden om vernederende genade. Hij kan u leren wie u bent voor het aangezicht van de Heilige en Rechtvaardige.
Lezen: Lukas 1:46-55; zingen: Lofzang van Maria : 5
13 MAART
…een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
Lukas 18:14
Gisteren dachten we over ‘uzelf vernederen’. Vandaag gaat het over ‘uzelf verhogen’. Meent u bij dit onderwerp, al dan niet geïnteresseerd, te kunnen lezen wat de Heere Jezus over een ander zegt? Of weet u: dan gaat het over mij?
Wat houdt het eigenlijk in ‘uzelf verhogen’? Te goede en te hoge gedachten over uzelf koesteren. Denken dat u ‘zo slecht nog niet bent’.
Hoe weet u eigenlijk wie u bent? Hebt u een maatstaf of u uzelf wel goed kent en of u de juiste gedachten over uzelf denkt? Het antwoord moet luiden: nee, dat hebt u niet. Alleen de Heilige Schrift reikt u de correcte visie aan op uzelf. Daarom is het wijs te luisteren naar het onderwijs dat de Heere u geeft.
De Heere omschrijft uw diepste zijn, bijvoorbeeld in Markus 7 vers 20 tot 23.
Hoe doet u dat: uzelf verhogen?
U verhoogt uzelf door gebrek aan kennis van uzelf in uw zondebestaan, van God in Zijn Majesteit, van Christus in Zijn offerdood. Dit is de oorzaak van hoogmoed. Precies het tegenovergestelde van wat we gisteren lazen bij het uzelf vernederen. Ziet u dat?
Hoogmoed, wat is het een grote zonde! Hoogmoed, wat wordt het weinig herkend! U merkt het bij een ander op, maar bij uzelf? Hebt u last van deze zonde? Belijdt u het ootmoedig aan de Heere, hoe hoogmoedig u bent? En strijdt u ertegen?
Wat kan die strijd soms moeilijk zijn. Maar, niet alleen voor de beschrijving van uw zondekwaal, óók voor de genezing ervan mag u luisteren naar Jezus. Hij zegt in Mattheüs 11 vers 29: “Leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart. En u zult rust vinden voor uw zielen.”
Lezen: Markus 7:14-23; zingen: Psalm 118:14
14 MAART
Voorwaar, zeg Ik u: wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins daarin komen.
Lukas 18:17
Met het Koninkrijk Gods bedoelt Jezus de oprichting en verbreiding van de gemeente van God door de prediking van het Evangelie bij Zijn komst als Messias. Bij deze gemeente kunt u alleen horen als u het evangelie aanneemt als een kind. Dat is: nederig en oprecht.
In het evangelie belooft God vergeving der zonde en vernieuwing van uw denken, willen en verlangen. Deze belofte komt tot u. Ontvangt u haar welwillend of wijst u haar af? Als u deze belofte ontvangt, doet u het als een kind. Als u haar afwijst, is het omdat u niet nederig bent, niet klein in eigen oog voor God.
Zo sluit de geschiedenis van vandaag precies aan bij de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar, die er direct aan voorafgaat. De tollenaar was nederig en oprecht. Hij ontving het Koninkrijk Gods. Hij accepteerde de aangeboden vergeving van al zijn zonden. Hij aanvaardde nederig en oprecht de genade van de verzoening.
De farizeeër wees dit allemaal af, omdat hij niet nederig was, niet oprecht. Er was geen plaats voor vergeving, geen behoefte aan genade.
De discipelen liepen blijkbaar hetzelfde gevaar als deze trotse man. Zij wilden kinderen bij Jezus vandaan houden… En Jezus veroordeelt dit. Hij zegt als het ware: op deze manier ontvangen ook jullie het Koninkrijk Gods niet!
O, pas toch op dat u niet buiten het Koninkrijk blijft, buiten Gods gemeente. Pas er toch ernstig voor op om de belofte van het evangelie af te wijzen, doordat u te hoog en te groot en te verstandig bent, betweterig…
Bid kinderlijk eenvoudig: “Heere, verneder mij en maak mij oprecht!”
Lezen: Lukas 18:15-17; zingen: Psalm 105:5
15 MAART
En Jezus zei tegen hem: “Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Eén, namelijk God.”
Lukas 18:19
Pas dat wat Jezus hier zegt, maar meteen op uzelf toe: “Niemand is goed.” Dus: u bent niet goed. We deugen niet, geen van allen en van geen enkele kant.
Is het zo erg? Volgens Jezus wel. Zou Hij Zich vergissen? Overdrijft Hij? Nee, Hij spreekt woorden van waarheid. En de praktijk bewijst het. De krant vertelt het. En wie niet meer blind is voor zichzelf, merkt het vanbinnen.
Wat nu? Mijn wijkpredikant in Ede, ds. Hovius, zei meermalen: “We moeten aan een einde komen met onszelf.” Ik snapte niet wat hij daarmee bedoelde. Nu weet ik het wel: we moeten leren dat in ons geen goed woont. We moeten leren dat al onze verbeteringspogingen totaal niet helpen. Het is hopeloos. Niemand is goed. Wat u ook probeert, u loopt helemaal vast.
En dat is nu net Gods bedoeling! Want als u niet vastloopt, is er geen plaats voor Hem, Die wél goed is. Wie is dat? Jezus zegt het: God. Bedoelt Jezus daarmee dat ook Hijzelf niet goed is, maar alleen God? Nee, Hij bedoelt dat Hij Zelf God is en dus goed. Zo tekent de Schrift Hem ook. Hij is de Goede Herder. Hij ging het land Israël rond, goeddoende.
En nu, o wonder, nu maakt Hij door Zijn Geest slechte mensen tot goede mensen, goede vaders en moeders, goede ouderlingen en diakenen, goede christenen. Zo mag Lukas in Handelingen 11 schrijven dat Barnabas, die door de apostelen naar Antiochië wordt gestuurd, een goed man was en vol van de Heilige Geest.
Ja, als de Heilige Geest in u werkzaam is, wordt uw slechte ik al meer gedood, het goede in u geplant en uw wil vernieuwd. U mag dan met Paulus zeggen: het goede dat ik wil…
Lezen: Lukas 18:18-23; zingen: Psalm 23:1
16 MAART
En Jezus zei: “De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.”
Lukas 18:27
Over onmogelijkheid praten gaat wel, maar bevindelijk in de onmogelijkheid gebracht worden – daar wilt u niet aan. En daar brengt God u juist om het tweede deel van Jezus’ uitspraak op waarde te kunnen schatten: …mogelijk bij God. Lukas had dit al eerder verkondigd. De engel zegt tegen Maria in hoofdstuk 1 vers 37: “…geen ding zal bij God onmogelijk zijn.” Ja, door de inleving van mijn eigen onmogelijkheid wordt Gods onmogelijkheid een groot wonder.
Nee, ik verschreef mij niet. Ik bedoel ook wel: Gods mógelijkheid, maar ik bedoel ook Gods ónmogelijkheid. Want één ding is voor God onmogelijk. En dat is liegen.We lezen daarover in Hebreeën 6. Paulus schrijft daar dat God een eed zweert. Waarom doet Hij dat? Hij wil de erfgenamen van Zijn belofte verzekeren van de goede uitkomst. In vers 18 lezen we: die belofte en eed zijn beide onveranderlijk. Daarin is het onmogelijk dat God liegt. Zo is er een sterke vertroosting. Voor wie? Voor u die uzelf niet meer kunt zalig maken. Voor u die meer en meer hebt geleerd: het is onmogelijk bij mij en bij alle mensen. En dus? Moedeloos? Wanhopig? Nee, Paulus schrijft, dat u tot God de toevlucht mag nemen om zo de voorgestelde hoop vast te houden.
Als u dan aan het eind van uw kunnen moet zuchten: “Wie kan dan zalig worden?”, zegt Jezus de woorden uit Lukas 18 niet alleen tegen Zijn toehoorders, maar ook tegen u: “De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.” Daar wil Jezus u hebben, namelijk waar de wonderwerkende God uw enige Mogelijkheid wordt. Blijf dus niet in uw onmogelijkheid zitten, maar strek u uit tot Gods mogelijkheid!
Lezen: Lukas 18:24-30; zingen: Psalm 71:11
17 MAART
En Hij nam de twaalf bij Zich, en zei tegen hen: “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten.”
Lukas 18:31
Wie leest wat de evangelisten vertellen over het lijden en sterven van Jezus Christus, kan het opvallen dat er nog al eens wordt verwezen naar wat de profeten daarover hebben gezegd. De profeten spreken en schrijven over het lijden van de Messias omdat God Zijn volk wil onderwijzen, hoe nodig het is dat de Verlosser Zijn volk door recht zal verlossen. Het evangelie van de Zaligmaker is een boodschap voor verloren en strafwaardige mensen om verzoende en vrijgesproken mensen te worden. Het werk van de Zaligmaker is niet om u te onderwijzen hoe u goed kunt leven (al is dat ook belangrijk), maar hoe er weer vrede komt tussen God en u, tussen de Heilige en de onheilige, tussen de Rechtvaardige en de goddeloze.
Als God van Zijn eisen afstand zou doen, Zijn recht niet zou handhaven, dan had de Overwinnaar op de duivel geen sterfelijk mens hoeven te worden, en had Hij Zich niet tot in de kruisdood hoeven te vernederen. Kijk, daar gaat het de profeten om. Daar ging het ook in de tempeldienst, de offerdienst, om. En daar wijst Jezus op in het stukje dat we vandaag overdenken. Steeds blijkt er geen sprake te kunnen zijn van vrede tussen God en u, tenzij er aan Gods recht genoegdoening wordt gedaan.
Wie nu dit recht van God met voeten treedt, veracht uiteindelijk het Lam, Dat geslacht is. Wie de waarde van Zijn lijden en sterven recht wil kennen, moet beginnen waar de profeten beginnen: “Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder…!”
De discipelen verstaan de boodschap van Jezus niet. Verstaat u wel wat Hij bedoelt?
Lezen: Lukas 18:31-34; zingen: Psalm 22:1
18 MAART
En hij riep, zeggende: “Jezus, Gij Zoon van David, ontferm U over mij.”
Lukas 18:38
“Jezus, Zoon van David!”, zo roept de blinde het uit. Wat vertelt die Naam u? Heel het leven en de persoon van koning David klinken mee in deze Naam. Vooral klinkt door deze Naam de belofte van God u in de oren. David zou de stamvader zijn van een koningshuis, dat zou uitlopen op de komst van de Messias. We kunnen dus zeggen: de Naam die Jezus hier en op andere plaatsen ontvangt, herinnert u aan de betrouwbaarheid van God, Die doet wat Hij belooft.
Dat de Bijbel over deze machtige Geneesheer nog veel meer te zeggen heeft, neemt niet weg dat ook deze Naam veel onderwijs bevat. Beschamend onderwijs, als u naast de trouw van God in het vervullen van al Zijn beloften uw wantrouwige aard plaatst. Beschamend, als u bedenkt hoe vaak u Gods beloften niet voor waar houdt. Beschamend, als u meer dan eens twijfelt, of de beloften ooit wel vervuld zullen worden.
De blinde man in Jericho heeft weliswaar geen zonlicht in zijn ogen, maar hij ziet meer dan vele mensen die aan de bedelaar voorbijgaan. Hij ziet in de Rabbi uit Nazareth de vervulling van al de beloften van God.
En u? Zou u dan geen hoop koesteren? Zou u aan Hem dan niet al uw noden en zorgen, ja al uw zonden, toevertrouwen? Zijn komst is het bewijs dat God al uw geloof en vertrouwen waardig is.
U ziet bij de blinde dat de hindernissen, die de mensen opwerpen, hem niet tegenhouden. Des te meer gaat hij roepen. Zijn nood is zo groot. Niemand kan hem ooit helpen dan de Zoon van David. Nú is het de gelegenheid. En vooral de Naam van deze Persoon bemoedigt hem om vol te houden.
Hij wordt niet teleurgesteld in de Zoon van David… En u? Ook niet!
Lezen: Lukas 18:35-43; zingen: Psalm 72:6
19 MAART
En toen Jezus ingekomen was, ging Hij door Jericho.
Lukas 19:1
Een bijzondere dag is het geweest, daar in Jericho, de vloekstad. Een blinde is genezen. Hij gelooft in de Zoon van David, en wordt ziende. We lazen het in Lukas 18.
Is de blinde Bartimeüs zo voor u niet een aansporing om uw vertrouwen ‘blindelings’ te stellen op deze Grote Koning en van Hem heil te verwachten?
De genezing van de blinde is niet het einde van deze geschiedenis. We lezen over die blinde ook: hij volgt Jezus terwijl hij God verheerlijkt.
Dit gebeurt allemaal in Jericho. Een stad met een gedenkwaardige historie:
- de inname van de stad in de tijd van Jozua;
- de muren die vallen door het geloof;
- een bewoonster van die stad die door het geloof gerechtvaardigd wordt;
- de herbouw van de muren door Hiël ten koste van zijn twee zonen, in de dagen van Elia.
En nu is Jezus Zelf naar die stad gekomen en het gevolg van Zijn wonderwerk is: “Al het volk gaf God lof.”
Jezus kwam naar de aarde, die te vergelijken is met Jericho. We lezen immers in Genesis 3, dat God tegen Adam zegt: omdat u hebt geluisterd naar de stem van uw vrouw en van die boom hebt gegeten, daarom is het aardrijk om u vervloekt…
Maar ondanks die vervloeking, ja juist vanwege die vervloeking, komt Jezus ook in uw woonplaats. Hij komt ook in uw leven. Door de woordverkondiging. Niet zonder doel… Kom, maak ootmoedig gebruik van Hem. Roep Hem te hulp, roep Hem om redding aan. Hij zocht toen en zoekt nu wat verloren is – en Hij verlost het.
Zo gaat Hij nog verder, wereldwijd. Nog steeds doet Hij wonderen, opdat ook vanuit uw ‘vloekdorp’, vanuit mijn ‘vloekplaats’, ja vanuit ons ‘vloekhart’ de lof van God opklimt.
Lezen: Jozua 6:22-26 en 1 Koningen 16:34; zingen: Psalm 87:3
20 MAART
En zie, er was een man, met name geheten Zacheüs. En deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk.
Lukas 19:2
Het gaat in deze geschiedenis niet in de eerste plaats over Zacheüs, maar over Jezus. Toch gaat het ook over Zacheüs. Het gaat namelijk over de relatie tussen Jezus, Die het verlorene zocht, én de tollenaar, die verloren lag. Zo gaat het in de Heilige Schrift nooit in de eerste plaats om u, maar om God en Zijn eer. Maar omdat uw zaligheid in die eer van God besloten ligt, gaat het ook over u en uw behoud. Lees zo de eerste tien verzen van Lukas 19.
De evangelist vraagt in vers 2 onze aandacht voor de tollenaar. Dit doet hij door het woord ‘zie’ te gebruiken. Dat betekent: let op, kijk aandachtig.
Een vraag: ziet u Zacheüs ook? Ziet u in Zacheüs uzelf? Hij was rijk en had maatschappelijk een goede positie. Je zou er als werelds mens jaloers op kunnen zijn… Al bent u dat niet, toch? Maar ziet u dan in deze man wel iets van uw natuur, iets van het aardsgezinde en wereldgelijkvormige dat ook in ons allen zit? Herkent u het met verdriet en schaamte?
Zie het ook eens met vreugde en verwondering. Hoezo? Niet omdat er iets goeds is in Zacheüs of in u. Maar omdat blijkbaar zelfs deze man niet buiten het bereik van de opzoekende liefde van de Zaligmaker is… U dus ook niet. En niemand!
Het is net alsof Lukas tegen u zegt: kijk eens goed! Zelfs zo’n man kon gered worden… O, schep dan moed uit zijn behoudenis. Nee, niet Zacheüs volgen op zijn zonde-pad, maar wel Jezus zien gaan op Zijn zondaar-pad, het pad dat naar de stad van Zacheüs liep en dat naar zijn huis en hart liep. Jezus wandelt nóg op dat pad – naar uw hart!
Kijkt u, net als Zacheüs, naar Hem uit?
Lezen: Lukas 19:1-10; zingen: Psalm 106:3
21 MAART
En hij zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.
Lukas 19:3
Uit de dagtekst komt de vraag naar u toe: zoekt ook u Jezus te zien, te kennen? Daarachter ligt de vraag: waarom zou u zich ervoor inspannen om Jezus te kennen, of om Hem beter te leren kennen? Dan vraagt u zich niet nieuwsgierig af: waarom wilde Zachéüs Jezus zien? Had hij zondekennis, was hij verbroken van hart, liep hij in zijn ongeluk over de aarde, of was hij alleen maar nieuwsgierig? Vragen waarop u geen zeker antwoord weet, alleen gissingen en dus misschien wel vergissingen.
Denk liever over de vraag: “Waarom zoek ík Jezus?” Of de vraag: “Waarom zou ik net als Zacheüs willen weten Wie Jezus is?” Wat zegt de Heilige Schrift over Hem, waardoor het voor u zo interessant, zo belangrijk wordt om Hem te leren kennen? Wel, zonder Jezus is uw innerlijk leeg. Ook al bezit u het fijnste en het mooiste van het aardse leven. Net als bij Zacheüs, die immers chef van het belastingkantoor was en er financieel warmpjes bijzat… Uw diepste innerlijk wordt niet blij door er goud ‘in te stoppen’ of door een prachtig huis, een dure auto en/of een supervakantie. Iets geheel anders blijkt nodig te zijn voor u, mens die naar Gods beeld bent geschapen, en die nooit echt vrede kunt ervaren, nooit blijvend gelukkig kan zijn, behalve als u Jezus leert kennen.
En wat moet u doen als u die leegte ervaart? De geschiedenis van Jezus en Zacheüs boodschapt u dat het niet tevergeefs is om net te doen als deze tollenaar: zoek maar met al uw krachten om Jezus te ‘zien’, Wie Hij is. Hij liet Zich vinden. Ja, Hij zocht en vond de zoeker. Zo doet Hij nog!
Lezen: Johannes 12:20-26; zingen: Psalm 105:3
22 MAART
En vooruitlopende, klom hij op een wilde vijgenboom, opdat hij Hem zou zien; want Hij zou door die weg voorbijgaan.
Lukas 19:4
Al lukt het Zacheüs niet meteen om Jezus te zien, hij houdt vol!
Om Jezus te leren kennen, kan het nodig zijn om uw ‘comfortzone’ te verlaten, net zoals Zacheüs die dag zijn tolkantoor verliet. En dan kan het zijn dat, net als bij deze kleine man in Jericho, er zich allerlei hindernissen voordoen. Maar denk dan niet dat die belemmeringen er zijn om u het zoeken van Hem te doen opgeven, maar ze zijn er juist om ze te overwinnen! Zo beproeft God uw ernst en ijver. Zet u door of laat u zich door het minste of geringste afschrikken? Als er nood is of als er verlangen is (of allebei), dan laat u zich niet tegenhouden. Dan zet u door.
Zacheüs wilde Jezus zien. Wilt u Jezus zien? Om welke reden zoekt u Jezus, Die Zich in Zijn Woord aan u openbaart? Zoekt u Jezus om verlost te worden van lichamelijke, psychische of sociale noden? Dat mag.
Zoekt u Jezus om verlost te worden van de angst voor de hel? Dat mag.
Zoekt u Jezus om verlost te worden van de smet en de kracht van de zonde? Dat mag.
Zoekt u Jezus om verlost te worden van uw diepste nood, uw schuld bij God, die betaald moet worden. Is het dát, waar u Jezus voor nodig hebt? Dán kan over u gezegd worden: ‘Heden is aan dit huisgezin zaligheid geschied!’ En als u moet erkennen: over mijn schuld bij God denk ik niet… Dan komt uit dit Schriftgedeelte de uitnodiging tot u: als u uw schuld niet voelt, mag u ook met uw gebrek aan schuld(gevoel) naar Hem toe gaan – want ál wat u ontbreekt (ook schuldbesef en schuldverslagenheid), schenkt Hij u, als u het Hem smeekt.
Lezen: Mattheüs 18:21-35; zingen: Psalm 65:2
23 MAART
En toen Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zei tegen hem: “Zacheüs, haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.”
Lukas 19:5
De Heere nodigt Zich uit in het huis en het leven van Zacheüs. Zo nodigt Hij Zich uit in uw hart en huis. Jezus vraagt niet of het gelegen komt, maar zegt dat Hij moet. Niet een moeten door omstandigheden gedwongen, maar een moeten door de Vader bepaald. En dat overwint alles. Dat overwint élke belemmering. U kunt heel wat verhinderingen tegenkomen, van buiten of van binnen, terecht of onterecht, geestelijk of psychisch: De Goddelijke genadekracht is sterker. Maar let op: dat ‘moeten’ van Jezus is niet een dwingen van Zacheüs, tegen heug en meug. Nee, Zacheüs is zeer gewillig gemaakt op deze dag van Goddelijke kracht. En dat geldt nog veel meer van Jezus Zelf. Wanneer Hij zegt: Ik móet in uw huis blijven, bedoelt Hij niet te zeggen dat Hij door Zijn Vader gedwongen wordt, tegen Zijn zin, zonder Zijn hartelijke verlangen. Nee, het ‘moeten’ van de Vader is het willen van de Zoon en wordt het verlangen van de zondaar. Zo lieflijk werkt Gods almachtige genade.
Jezus zegt niet alleen dat Hij in het huis van Zacheüs moet zijn, maar dat Hij er moet blijven. Hoewel Hij naar Zijn menselijke natuur weer weggaat uit het huis van Zacheüs, toch blijft Hij. Heel zijn leven lang heeft Zacheüs Jezus als Gast, ja: als Gastheer…
Wanneer nodigt Jezus Zich uit? Hij zegt niet: morgen, maar: heden, vandaag. Haast u dan! U hoeft het niet langer uit te stellen om Jezus welkom te heten in uw ziel. Hij wil vandaag al bij u komen. Hij staat al voor de deur van uw hart. Is Hij welkom?
Lezen: Lukas 10:38-42; zingen: Psalm 65:3
24 MAART
En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.
Lukas 19:6
Zoals u ziet, is het verlangen wederzijds: Jezus verlangt ernaar om bij Zacheüs te zijn en hem zaligheid te schenken en Zacheüs verlangt ernaar om bij Jezus te zijn en Hem te leren kennen. Daarom haast hij zich. Wat zal er allemaal door Zacheüs zijn heengegaan wanneer hij aan de voet van de vijgenboom oog in oog komt te staan met Jezus en zij elkaar begroeten?! Lukas hoeft dat niet op te schrijven, want dat weet u wel, nietwaar, als u zelf ooit ‘oog in oog’ met de Zaligmaker hebt mogen staan… Dat herinnert u zich wel: de eerste keer dat Hij Zich in Zijn onvoorstelbare vriendelijkheid aan uw ziel bekendmaakte, door middel van Zijn Woord. O, die eerste keer dat u in zielsverrukking uitriep: “Mijn Heere Jezus Christus!” (17 februari 1975)
Wanneer deze Goede Herder intrek neemt in uw hart, ontvangt u Hem met dezelfde blijdschap als Zacheüs, of zal ik zeggen: met nog grotere blijdschap? Groter omdat u zichzelf een grotere zondaar acht dan Zacheüs was. Groter ook, omdat u méér van het heerlijke zaligmakerswerk van Christus weet dan Zacheüs kon weten.
In de prachtige beschrijving van Lukas in onze tekst vindt u trouwens ook een eenvoudige omschrijving van wat geloven is: Jezus met blijdschap ontvangen. Jezus van harte welkom heten.
Waarom zou u Jezus verwelkomen? Omdat u er beter van wordt óf omdat Hij uw hartelijke liefde zo waardig is? Waar gaat het u om? Om de eer van Zijn Naam óf om uw behoud? O, wat heerlijk dat u niet hoeft te kiezen, omdat uw behoud Zijn eer is en omdat Hij geëerd wordt wanneer u veel gebruik van Hem maakt, intens van Hem geniet als uw Zaligmaker en leeft uit de volheid van Zijn verdiensten!
Lezen: Lukas 5:27-32; zingen: Psalm 146:3
25 MAART
En allen die het zagen, murmureerden, zeggende: “Hij is tot een zondige man ingegaan om te herbergen.”
Lukas 19:7
Kunt u begrijpen dat de brave burgers in Jericho mopperen bij het zien van de ontmoeting tussen Jezus en Zacheüs? Jezus bestraft de zondaar niet en wijst hem niet terecht, maar wil bij hem in huis komen… Dat is vreemd!
Maar hoe vreemd ook, vindt u het niet nog vreemder dat Jezus wil komen in úw huis, úw leven en úw hart? Bij het naar-binnen-zien ziet u immers zoveel ongerechtigheid en eigengerechtigheid, dat u het onmogelijk gewoon kunt vinden dat Jezus ook tegen u zegt: “Ik moet heden in uw huis blijven…”
Maar zo is het toch: altijd neemt Hij intrek bij zondige mannen en vrouwen, jongens en meiden. En des te ‘ouder’ u wordt in zelfkennis, des te minder u het kunt begrijpen, des te groter wordt het wonder.
In de mopperende mensen om Zacheüs heen ziet u ook uw beeld. U oordeelt soms zo gemakkelijk. De mensen in Jericho wisten helemaal niet wat er omging in het hart van deze tollenaar. En ook u weet zo heel weinig van de motieven of drijfveren van de mensen om u heen. Laten we daarom geen oordeel vellen. De Heere kent ieders hart. Ook uw hart. Ook mijn hart.
Andersom is het ook waar: al zouden alle mensen om u heen u veroordelen, als de Heere in uw leven intrek wil nemen en u met Zijn Geest wil leiden en onderwijzen, dan maakt het niet uit wat mensen allemaal denken of zeggen.
U hebt met God te doen, de harten-Kenner.
Ja, sta daarbij stil. Want niet hoe mensen over u oordelen, maar hoe de Heere over u oordeelt, telt mee. Jezus veroordeelt u niet, maar vraagt toegang tot uw denken, willen en voelen. Vindt u het, met mij, geen heerlijk vreemd wonder?
Lezen: Lukas 7:36-50; zingen: Psalm 31:10
26 MAART
En Zacheüs stond, en zei tegen de Heere: “Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik aan de armen. En als ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel terug.”
Lukas 19:8
Hoe kunt u weten of u de Heere liefhebt? Als u Zijn geboden gehoorzaamt en uw naaste liefhebt als uzelf. Al zijn er veel meer kenmerken waaraan u het kunt weten, de geschiedenis van Zacheüs noemt liefde tot Gods geboden en liefde tot uw naaste. Bij Zacheüs is die dubbele liefde er: op het moment dat Zacheüs de liefde van de Heere Jezus proeft, is de overtreding van Gods geboden een smartelijke herinnering voor hem. Verder gaan met overtreden is onmogelijk. Ook heeft hij zijn naaste even lief als zichzelf, want de helft van zijn bezittingen en zijn geld geeft hij weg. Dus: hebt u twee broden en hebben de buren er geen? Dan hebt u er beiden één. Toch?
Nu u. Hoe staat het bij u met de gehoorzaamheid aan Gods geboden? Hoe staat het met het achtste gebod, over geld en goed? En met het zevende, over seksualiteit en huwelijkstrouw? En met het zesde, over drift en haat? En met het vijfde, over het goed zijn voor uw ouders?
Bent u net zo radicaal als de rijke tollenaar in Jericho? Houdt u bij de binnenkomst van Jezus en Zijn liefde ‘grote schoonmaak’ in hart en huis?
Nee, het gaat in dit alles niet over het verdienen van de zaligheid. Het is bij Zacheüs uiting van dankbare liefde voor zijn God. En zo is het nog. Het is niet de mentaliteit van de rijke jongeling, over wie het op 15 maart ging, maar de gezindheid van de wederliefde, als een waar kenmerk van uw oprechtheid:“Heere, nu U in mijn hart en huis wilt komen, wil ik niet ene zonde meer aan de hand houden.”
Lezen: Efeziërs 4:17-32; zingen: Psalm 112:3
27 MAART
En Jezus zei tegen hem: “Heden is aan dit huisgezin zaligheid geschied, omdat ook deze een zoon van Abraham is.”
Lukas 19:9
De Zaligmaker wordt hartelijk welkom geheten in het huis van de rijke oppertollenaar in Jericho. Jezus hoort hoe de man besloten heeft de helft van zijn bezittingen weg te geven aan de vele armen in de stad. Hij hoort dat Zacheüs zijn overtreding van het heilig gebod zal rechtzetten. En dan spreekt Hij de woorden: vandaag is in dit huis zaligheid gekomen.
Jezus komt binnen met de genadige genezing van het zondezieke hart en leven van Zacheüs. Hij Zelf komt met reddende genade. Nu Zacheüs als gezinshoofd de zaligheid ontvangt, geschiedt deze zaligheid aan al de leden van zijn gezin. Net zoals later de cipier van Filippi te horen krijgt: “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden, u en uw huis(gezin).” Zo worden de leden van Zacheüs’ gezin gerekend in het verbond, nu de vader in Christus gelooft. Als zij tenminste deze genade niet door hun ongeloof verwerpen – zeggen de statenvertalers in een kanttekening.
Hebt u kinderen of kleinkinderen? O, grijp dan door deze woorden van de Heere tot Zacheüs des te meer moed, omdat Hij gewillig en machtig is om uw nageslacht die zaligheid te doen geschieden! Grijp de Heere aan op Zijn genadige verbond! Als u door genade een zoon of dochter van Abraham (en Sara) geworden bent, werp dan ook uw nageslacht en al de kinderen der gemeente op het trouwverbond van God!
De Heere wordt niet onteerd als u de leden van uw gezin aan Hem toevertrouwt. De Heere wordt wel onteerd als u wantrouwige gedachten koestert met betrekking tot uw Ontfermer.
Bent u een kind des verbonds? Gelooft u in Christus? Ontvangt u de Zaligmaker met blijdschap en haat u alle zonden?
Lezen: Handelingen 16:25-34; zingen: Psalm 81:12
28 MAART
Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was.
Lukas 19:10
Niet alleen Zacheüs zoekt, ook Jezus zoekt. Zacheüs zoekt Jezus te zien. Hij doet er moeite voor en klimt zelfs in een boom. In onze dagtekst gaat het echter niet over een zoekende Zacheüs, maar over de zoekende Zoon des mensen, de Heere Jezus.
Jezus maakt duidelijk dat het niet tot een ontmoeting tussen Jezus en Zacheüs kwam omdat Zacheüs Jezus zocht, maar andersom: omdat Jezus Zacheüs zocht.
En zo is het nog: u gaat God zoeken, omdat Hij u zocht en vond.
Het woord ‘zoeken’ veronderstelt dat u zich voor God hebt verstopt. U wilt Hem uit handen blijven. Maar zo’n voor God wegvluchtende mens wordt gezocht en gevonden.
En wat doet Hij wanneer Hij u vindt? Jezus zegt dat de Zoon des mensen het verlorene zalig maakt. Dat betekent: Hij verlost u van de zonde.
Lukas mag het u laten weten: Gods Zoon werd mens om u te zoeken en om u te verlossen. Hij brengt u van het grootste kwaad tot het hoogste goed. Hij neemt de zondeschuld op Zich en draagt de zondestraf. Zo is Hij de Zaligmaker van tollenaren, zondaren, slechteriken.
Zoekt Hij het verlorene ook nu nog? Maakt Hij het nog steeds zalig? Ja. Hoe zoekt Hij u dan? Door de verkondiging van Zijn Woord.
Het is een onbegrijpelijk wonder van Goddelijke goedheid dat u Hem mag zoeken en dat Hij Zich door u laat vinden. Maar als er niet méér te zeggen was, zou u met uw kinderen arm en ellendig blijven, verloren en verdoemd. God zij dank mag er nog iets worden verkondigd: De Zoon des mensen is naar deze aarde en naar uw woonplaats gekomen om u, verloren zondaar, te zoeken en zalig te maken.
Hij krijgt de eer, u het behoud… Kom, verwonder u dan!
Lezen: Lukas 19:1-10; zingen: Psalm 119:88
29 MAART
En zijn burgers haatten hem en zonden hem gezanten na, zeggende: “Wij willen niet, dat deze over ons koning zal zijn.”
Lukas 19:14
Onze dagtekst staat heel vreemd in de gelijkenis die Jezus uitspreekt. Hij spreekt over drie dienaren van een edelgeboren heer. Zij krijgen een kapitaal om handel mee te drijven in de tijd dat hij buitenslands is om een koninkrijk te ontvangen. Vervolgens beschrijft de gelijkenis wat die drie dienaren met het toevertrouwde kapitaal hebben gedaan: wel of geen winst maken.
En dan, als het ware tussen neus en lippen door, lezen we in vers 14 dat de burgers van het land deze hooggeboren heer haten.
Wat is de reden dat de burgers hem haten? Wat is de reden dat u uw Heere haat? U hebt geen goede reden. Toch haat u Hem. Toch is uw natuur haatdragend.
O, waarom toch? Zou de reden zijn dat u zelf koning wilt zijn? Dat u eigen baas wilt zijn? Dat u uw eigen inzicht wilt volgen? Dat u uw eigen zin wilt doen? Dat uw eigen ik in het middelpunt moet staan en dat alles om uzelf gaat? Als u zichzelf leert kennen, beaamt u dat, nietwaar?
Hoe verandert dit? Door de liefde van de Koning, Die u haat. Wanneer Hij Zijn liefde in uw innerlijk indruppelt of uitstort, gaat u Hem liefhebben. Dan gaat u zichzelf verfoeien en de zonden haten. U krijgt een walging van uzelf en een welgevallen aan de straf die in vers 27 staat: “Deze vijanden van Mij, die niet hebben gewild, dat Ik over hen Koning zou zijn, breng hen hier, en sla hen vóór Mij dood.” Dan bent u het daar mee eens. U buigt onder het vonnis en aanbidt deze Koning. Maar zo wordt u mét Zacheüs eeuwig zalig en hebt u eindeloos veel reden om deze goede Koning eeuwig te prijzen.
Lezen: Lukas 19:11-27; zingen: Psalm 2:6
30 MAART
En hij zei tegen hem: “Wel (=goed), gij goede dienstknecht, omdat gij in het minste getrouw zijt geweest, heb macht over tien steden.”
Lukas 19:17
Wat denkt u: dient u God om een beloning te ontvangen? Of dient u Hem zonder aan een beloning te denken? Als de liefde brandt, en als uw hart vol dankbaarheid is, denkt u niet aan een beloning. Maar al dóet u het er niet om, toch gééft de Heere het wel.
Het is zoals Paulus schrijft in Hebreeën 6: God is niet onrechtvaardig. Hoe zou Hij al uw werk voor Hem kunnen vergeten of de liefde die u Hem hebt gegeven en nog steeds geeft door Zijn kinderen te helpen?
De Heere spreekt voor de eerste keer over loon in Genesis 15. Hij vertelt aan Abraham welke beloning hij zal ontvangen: “Vrees niet, Abram. Ik ben voor u een Schild, uw zeer groot Loon.” De statenvertalers hebben er een prachtige voetnoot bij geplaatst: “Deze woorden bevatten de volheid van alle gelukzaligheid, die God aan Zijn kinderen in de Messias belooft en geeft, bestaande in de bescherming tegen alle kwaad, en toevoeging van alle goed, hier aanvankelijk en hierna volmaakt.”
U voelt wel: als God Zelf uw ‘Loon’ is, dan begeert u niet nog méér beloning. Dan hebt u eeuwig genoeg.
Zo lezen we ook van Mozes dat hij bij zijn keuze tégen het Egyptische hofleven en vóór het slavenvolk Israël, rekening hield met het loon. De statenvertalers onderwijzen u over dat loon met de volgende woorden: “dat eeuwig en onvergankelijk zou zijn in de hemel, waar de gelovigen ook op mogen zien, als op een loon, niet dat God hun schuldig zou zijn, of dat zij zouden verdienen, maar een loon dat God, hun Vader, hun als Zijn kinderen uit genade belooft te zullen geven.”
U wordt er dus niet slechter van om deze Koning te dienen!
Lezen: Hebreeën 11:24-29; zingen: Psalm 19:6
31 MAART
Ik zeg u, dat aan een ieder die heeft, zal gegeven worden.
Lukas 19:26
De gelijkenis van de ponden, die de Heere Jezus uitspreekt nadat Hij Zacheüs tot een nieuw mens heeft gemaakt, bevat elementen die ons begripsvermogen overstijgen. We lopen er met al ons denken mee vast. De behandeling van de dienaren lijkt zo oneerlijk, nietwaar?
Ik merk: als ik met mijn meetlat of maatstaf God in Zijn doen en laten probeer te meten, te beoordelen, dan word ik wanhopig, want ik kan Hem niet begrijpen. Mijn meetlat is te kort. Mijn verstand schiet tekort om Hem te kunnen beoordelen. Wat God besluit of doet, lijkt niet te kloppen. Het lijkt alsof God oneerlijk is of onverstandige dingen doet.
God heeft blijkbaar Zijn eigen maatstaf. En de zaak is: vertrouwt u Hem zo, dat u weet: deze maatstaf is goed? God heeft blijkbaar ook Zijn eigen methode; vertrouwt u Hem zó dat u er niet aan twijfelt dat deze methode wijs is?
De Heere is vrijmachtig om te geven wat Hij wil, wanneer Hij wil, hoe Hij wil en aan wie Hij wil. En Zijn wil is altijd aanbiddelijk. Nee, ik schreef niet ‘begrijpelijk’; vaak juist niet. Maar wel aanbiddelijk – zowel wanneer u er met mijn verstand bij kunt als wanneer u er niet bij kunt. En juist dán wenst u, vanuit de herinnering of de genieting van Zijn Vaderlijke liefde en vanuit de ervaring van Zijn trouwe zorg en goedheid, Hem te aanbidden, Die de ene pond afneemt van de luie, wantrouwige dienaar, en Die deze pond geeft aan de dienaar die al tien ponden had en die al gouverneur over tien steden was gemaakt.
Rust komt er in uw ziel, als u onder Hem buigt, verzekerd dat Hij te wijs is om dwaas te doen; en dat Hij te goed is om verkeerd te doen. Rust, mijn ziel, uw God is Koning!
Lezen: Lukas 19:20-26; zingen: Psalm 119:69
