1 APRIL
De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen?
Lukas 20:4
Johannes draagt, zoals u weet, een bijzondere naam: de HEERE is genadig. Wanneer hij in het openbaar gaat prediken, wordt dit merkbaar. Hij mag beginnen met de troostboodschap van de profeet Jesaja, van zevenhonderd jaar geleden, aan te halen en erbij te zeggen dat deze wonderlijke woorden nu vervuld worden. God beveelt Zijn knechten, onder wie dus ook Johannes de Doper: “U moet Mijn volk troosten.” Waaruit bestaat deze troost? Het volgende vers vertelt het ons: “Spreek naar het hart van Jeruzalem en roep haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.”
Zo mag Johannes de komst van de Trooster aankondigen en voorbereiden. Daarom roept hij op tot bekering: maak de weg des Heeren in orde. Want zo zullen ravijnen vlak worden, en bergen begaanbaar. Zo zullen kromme en hobbelachtige wegen effen worden.
Dit is natuurlijk geestelijk bedoeld.
Hoe kan de weg des Heeren in orde gemaakt worden en u op de komst van de Zaligmaker voorbereid worden? Door middel van dezelfde prediking als van deze wegbereider en boeteprediker – met de kracht van Gods Heilige Geest. Hij maakt aan u bekend wat uw zonden zijn en Hij wijst u de weg aan en doet u de weg gaan van schuldbelijdenis en van smeekbede om schuldvergiffenis. Zó wordt de komst van de Zaligmaker voorbereid. Ja, Hij wijst het Lam Gods aan, Dat de zonde der wereld wegneemt.
Duidelijk is dat de prediking en de doop van Johannes niet uit de mensen waren – al waren ze wel ten goede van de mensen – maar dat die uit God waren.
Lezen: Lukas 20:1-8; zingen: Psalm 1:1
2 APRIL
En de heer van de wijngaard zei: “Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon zenden; mogelijk deze ziende, zullen zij hem ontzien.” … En toen zij hem buiten de wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem.
Lukas 20:13 en 15
Het onvoorstelbare gebeurt: God zendt Zijn Zoon, al is Zijn volk Hem al eeuwenlang ongehoorzaam. Het onvoorstelbare gebeurt: Gods verbondsvolk verwerpt deze Zoon, ja doodt Hem, al is God voor Zijn volk al eeuwenlang zeer genadig. De schuldvraag kan eenvoudig beantwoord worden. Maar pas op. Wijs niet naar het Joodse volk. Kijk naar uzelf. Mét het bekende lied ‘Eens was ik een vreemdeling voor God en mijn hart’ moet eenieder die eerlijk-makende genade ontving, instemmen:
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer:
Ik weende om de pijn van mijn lijdende Heer’,
Maar ‘k dacht er niet aan dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.
Of met ds. Jacobus Revius:
Het zijn de Joden niet, Heer’ Jezus, die U kruisten…
Want dit is al geschied, helaas, om mijn zonden…
Maar er is meer. Twee dingen: Gods wijsheid en genade worden in deze misdaad verheerlijkt én uw schuld wordt uitgewist. Dat laatste vindt plaats wanneer u zich in geloof tot deze Gekruisigde richt, uw toevlucht tot Hem neemt.
De kruisiging is een schitterend bewijs van Gods wijsheid en genade. Zo draagt immers het Lam Gods de zonde der wereld! Daarom is het, o zondaar, niet zinloos om uw zondeschuld aan Hem te belijden, om zo uw zondepak aan Hem over te dragen. Dit werd al in de oudtestamentische offerdienst afgebeeld. Op Gods bevel moest de offeraar zijn hand op de kop van het offerdier leggen ‘om daarmee te betuigen dat hij dit offer aan God voorstelde in plaats van zichzelf, om voor zich genade bij de HEERE te vinden, door het komende offer van de Messias, dat daardoor afgebeeld was.’
Lezen: Lukas 20:9-19; zingen: Psalm 51:1
3 APRIL
Jezus zei tegen hen: “Geef aan de keizer, wat van de keizer is, en aan God, wat van God is.”
Lukas 20:25
Belasting betalen…, wie wil dat graag? En dan belasting betalen aan de bezettende macht, zoals in de Tweede Wereldoorlog aan Duitsland…, wie wil dat ooit? En toch moesten de Joden het doen. Nu vragen ze aan Jezus hoe Hij hierover denkt. De penning die ze Hem laten zien, blijkt een Romeinse munt te zijn met het beeld van de keizer. Dat beeld zei: deze munt is van mij, de keizer te Rome. Nu zegt Jezus: geef die munt van de keizer dan maar aan hem terug…
De mensen hoeven aan de keizer niet te geven wat niet van hem is en waarop hij geen recht heeft. Zo hoeft u aan God ook niet te geven wat niet van Hem is en waarop Hij geen recht heeft.
Vreemde zin, hè? U begrijpt wel dat er niet één stukje van uw leven is, dat niet van God zou zijn; en dat er niets in uw huis of hart is aan te wijzen, waarvan u zou kunnen zeggen: “Daar heeft God geen recht op.”
Kunt u eerlijk meezingen?:
Neem mijn leven, laat het Heer’,
Toegewijd zijn aan Uw eer…
Neem mijn zilver en mijn goud,
Dat ik niets daarvan behoud…
Laat het uw bede zijn dat God u genadig leert om al uw krachten en heel uw bezit, al uw tijd en heel uw hart aan Hem te geven, van Wie u het in bruikleen kreeg. Daar wordt u niet arm, niet ongelukkig van. Want de Heere zal dan uit genade doen, wat Boaz Ruth toebidt: “Moge de HEERE u uw daad vergelden en uw loon volkomen doen zijn van de HEERE, de God van Israël, onder Wiens vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen!”
Lezen: Lukas 20:20-26; zingen: Psalm 62:1
4 APRIL
En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob.
Lukas 20:37
Overwinning op de dood, eeuwig leven zonder te sterven. Dat wordt op de derde dag door de Gekruisigde aan het licht gebracht. U bent stervende, maar als u het woord van Jezus bewaart, zult u de dood niet zien in eeuwigheid. Jezus staat op. Alles heeft Hij volbracht. Alle schuld betaald. Alle straf gedragen. De goedkeuring van Zijn Vader blijkt: Hij zendt Zijn engel om de steen van de grafspelonk weg te nemen. De vrucht van dit alles genieten de vromen in de dagen van Abraham, Izak en Jakob al, bijna tweeduizend jaar vóórdat Hij als Levensvorst tevoorschijn zal treden. Jezus wijst er u op in de woordenwisseling tussen Hem en de sadduceeën. Zij geloven niet dat doden opgewekt worden. Maar Jezus zegt: denkt u dat de God van Abraham een God van doden is? Welnee, als Hij de God van Abraham is, dan is Abraham niet dood, maar dan leeft hij. Dan leeft hij nog, ook nu, nadat hij is gestorven. Hij leeft en zal leven. Dus zal hij uit de dood weer tevoorschijn komen, weer opgewekt worden.
Zo heeft de Levensvorst de overwinningskracht van Zijn opstanding al verkondigd in de dagen van het Oude Verbond, en zal Hij al Zijn volk erin doen delen. Niet alleen de nieuwtestamentische, maar ook de oudtestamentische gelovigen, zoals Henoch, Abraham, Izak, Jakob.
De Catechismus zegt dat de vrucht van de opstanding van Jezus Christus uit de doden is: “Hij kan ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood voor ons verworven had, deelachtig maken. Ook wij worden door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. De opstanding van Christus is voor ons een garantie van onze zalige opstanding.”
Lezen: Lukas 20:27-38; zingen: Psalm 105:4
5 APRIL
David zelf zegt in het boek der psalmen: “De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.”
Lukas 20:42-43
Door Jezus’ opstanding was voor Hem de weg vrij naar de hemel, terug naar Zijn Vader. Hiermee ging de profetie van Psalm 110 in vervulling, waarover Jezus met de farizeeën in gesprek raakt. Jezus legt uit dat David zicht kreeg op de heerlijke toekomst van Gods volk. Hun vijanden zouden allemaal overwonnen worden. En dat is de boodschap van Pasen en hemelvaart: Christus heeft overwonnen en Zijn vijanden verslagen en nu mag Hij plaatsnemen aan de rechterhand van God.
Denk het u in, hoe de vromen in de tijd van David en gedurende al de eeuwen van het Oude Verbond de woorden van Psalm 110 hebben opgevat en overdacht: iemand die van God de plaats krijgt aan Zijn rechterhand? Hoe zou dat ooit kunnen? Maar nu gaat het toch gebeuren. De opstanding is het bewijs dat de strijd in het voordeel van Davids grote Zoon is beslist en dat de vijanden definitief zijn verslagen.
Leeft u in het vooruitzicht dat Davids profetie biedt? God zegt door David immers: “…totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben als Uw voetenbank.” Of leeft u in de angst om als Zijn onverzoenlijke vijand tot Zijn voetenbank te worden gemaakt? Bezin u, want het is één van beiden: óf u wordt als vijand overwonnen en buigt voor de Koning van het Leven, de Vorst van Pasen, óf u verzet u tot de laatste slag en verliest het voor altijd.
Mag ik u goede raad geven? Capituleer! Deze Koning is goedertieren en zoekt niet uw ondergang, maar uw behoud. Leg de wapens van ongeloof en redeneergeloof neer, en geef u over op genade of ongenade. Het zal niet tegenvallen!
Lezen: Lukas 20:39-47; zingen: Psalm 110:1
6 APRIL
En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen. En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen. En Hij zei: “Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen. Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al de leeftocht, die zij had, daarin geworpen.”
Lukas 11:1-4
Geld geven aan de collecte voor de arme christenen in Jeruzalem vonden de verarmde christenen in Macedonië niet een plicht (al was het dat ook), maar een voorrecht. Toen Paulus van plan was om met zijn ‘collectebus’ hun deur voorbij te gaan, omdat ze zelf al zo weinig hadden en eigenlijk gebrek moesten lijden, zeiden ze als het ware: “Maar Paulus, dat kunt u toch niet menen! Mogen wij niet meedoen aan de collecte? Wij willen heel graag ook een ‘duit in het zakje’ doen, ja, we willen veel meer geven dan een fooi.”
Niet náár vermogen, maar bóven vermogen. Dat betekent: ze gaven niet zo veel als ze konden, maar ze gaven méér dan ze konden. Hoe kan dat? Door de liefde.
U en ik… Zou God weten en onthouden hoeveel geld u geeft en hoeveel geld u niet geeft voor de dienst des Heeren en voor Zijn arme broeders en zusters? Volgens de engel, die bij Cornelius op bezoek kwam, wel. Hij zei tegen hem: “Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.” God heeft het gezien, niet alleen hoeveel u gaf, maar ook ván hoeveel en hóe u gaf.
Mij komt nu in gedachten de vraag van Psalm 130: “Als U de aalmoezen en collectegiften gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?” Iets persoonlijker: “Heere, als U mij afrekent op mijn geven voor Uw Koninkrijk en aan Uw kinderen, dan kan ik niet voor U blijven staan, maar moet ik vergaan en voor altijd worden weggedaan!”
De christenen in Macedonië gaven niet alleen geld, en méér dan ze konden missen, maar ze gaven éérst zichzelf, en wel aan de Heere… En u?
Lezen: 2 Korinthiërs 8:1-6; zingen: Psalm 112:3
7 APRIL
Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.
Lukas 21:19
Het woord ‘lijdzaamheid’ betekent: geduld, volharding. Een woordenboek schrijft: “In het Nieuwe Testament een kenmerk van iemand die niet van zijn voornemen afwijkt, maar standvastig blijft in zijn geloof en vroomheid, zelfs in de grootste beproeving en lijden.” In de oude Engelse Bijbel staat deze kanttekening: “Hoewel u aan alle kanten omringd bent met vele ellenden, wees desondanks toch dapper en verdraag deze dingen moedig.”
Jakobus schrijft hier ook over: “Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen/beproevingen valt, wetend, dat de beproeving van uw geloof lijdzaamheid werkt.” De kanttekening hierbij luidt: “Omdat God door Zijn Geest het verstand der gelovigen zo verlicht, dat zij verstaan, dat Hij hierdoor hun geloof wil beproeven en hen daardoor tot de eeuwige vreugde wil toebereiden.” Jakobus vervolgt: “Maar laat de lijdzaamheid een volmaakt werk hebben, opdat u volmaakt zult zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkig.”
Christen zijn brengt lijden met zich mee. Weet u hoe u dit aan kunt? Als Psalm 27 vers 13 en 14 de taal van uw hart is: “Als ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik was vergaan. Wacht op de HEERE, wees sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op de HEERE.”
Dan kunt u zelfs met Paulus instemmen in Romeinen 5 vers 3: “En niet alleen dit, maar wij roemen ook in verdrukkingen, wetend, dat verdrukking lijdzaamheid werkt.”
Jakobus heeft nog een bemoedigend woord in hoofdstuk 5 vers 11: “Zie, wij houden hen gelukzalig die verdragen. U hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en u hebt gezien dat de Heere zeer barmhartig is.”
Lezen: Lukas 21:5-19; zingen: Psalm 27:7
8 APRIL
Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zie dan omhoog, en hef uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.
Lukas 21:28
Wát een vreselijke toekomst zal dat zijn, wanneer Jezus terugkeert!
Wát een heerlijke en glorierijke toekomst zal dat zijn, wanneer Jezus terugkeert!
Het lijden neemt dan een eind en voor allen die de Heere Jezus hebben liefgehad, wacht vanaf dat moment het onophoudelijke genieten. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 37 (samengevat):
“Wij geloven volgens Gods Woord dat onze Heere Jezus Christus lichamelijk en zichtbaar uit de hemel zal komen, met grote heerlijkheid en majesteit, om onze Rechter te zijn. Dan zullen wij persoonlijk voor Hem verschijnen, gedagvaard door de stem van de aartsengel. Dan zullen de gewetens geopend worden, en wij zullen geoordeeld worden in overeenstemming met wat we in deze wereld gedaan hebben, hetzij goed of kwaad. Ja, wij zullen rekenschap geven van alle ijdele woorden die wij gesproken zullen hebben. Dan zullen onze verborgenheden en huichelachtigheden openbaar voor allen opengelegd worden. Toch is de gedachte aan dit oordeel voor ons zeer troostrijk, omdat dan onze volle verlossing volbracht zal worden en wij de vruchten zullen ontvangen van de arbeid en de moeite die wij gedragen hebben. Onze onschuld zal door allen erkend worden. En wij zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer. De Zoon van God zal onze naam belijden voor Zijn Vader. Alle tranen zullen van onze ogen afgewist worden. En tot een genadige vergelding zal de Heere ons zulk een heerlijkheid doen bezitten, als ons hart nooit zou kunnen bedenken. Daarom verwachten wij die grote dag met groot verlangen, om de beloften van God, in Jezus Christus, onze Heere, volkomen te genieten.”
Is dit laatste ons vooruitzicht nog niet? Val Hem dan nu te voet. Hij nodigt vijanden… Ook u.
Lezen: Lukas 21:20-28; zingen: Psalm 25:10
9 APRIL
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
Lukas 21:33
Wat God zegt, wat Gods Zoon zegt, blijft geldig, zolang de aarde bestaat, zolang de zon schijnt én daarna ook nog. Ja, hemel en aarde zullen vergaan, voorbijgaan. Er komt een einde aan de aardbol, aan de zon, aan de planeten en de sterren. Er komt een einde aan uw leven. Alles is bezig te vergaan. Alles wordt ouder en ouder, zwakker en zwakker, minder en minder. Nog een klein poosje en al het bestaande is voorbij. Al het goud en zilver, al het genot en plezier. Er blijft niets van over. Houd er rekening mee!
De woorden die Jezus spreekt, bevelwoorden en beloftewoorden, verhalende woorden en profeterende woorden, ze blijven allemaal waar en krachtig. Ze blijven hun gelding houden, ze blijven onverminderd van waarde.
Hoe staat u tegenover de woorden van Jezus? Hecht u er meer waarde aan dan aan alles wat de aarde en de tijd u bieden? Acht u ze belangrijker dan wát u ook maar uw bezit kunt noemen? Gelooft u wat Jezus belooft, en gehoorzaamt u wat Hij gebiedt? Volgt u Zijn uitnodigingen op en slaat u Zijn waarschuwingen niet in de wind?
Wat Hij zegt, meent Hij. Wat Hij eist, daar heeft Hij recht op. Wat Hij dreigt, wordt pijnlijk bewaarheid. Wat Hij belooft, overstijgt al uw wensen en verlangens.
Wat Hij tegen u zegt, meent Hij. Wat Hij van u eist, daar heeft Hij recht op. Wat Hij u dreigt, wordt pijnlijk bewaarheid. Wat Hij u belooft, genadig belooft, overstijgt al uw wensen en verlangens, al uw gebeden en verwachtingen.
Kom, geloof Zijn heilrijk en troostrijk woord. Verhard u niet, maar laat u lieflijk leiden!
Lezen: Lukas 21:29-38; zingen: Psalm 95:4
10 APRIL
En de satan voer/ging in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal van de twaalf.
Lukas 22:3
Ontstellend en verbijsterend is het dat een volgeling van Jezus zijn Meester verraadt. Judas biedt satan toegang. Er staat niet dat satan inbreekt in het gemoed van Judas, of dat hij Judas overweldigt en tegen zijn zin dwingt. Maar alleen: satan vaart in hem. In het Grieks staat een woord dat verder altijd vertaald wordt met ‘binnengaan’, zoals Jezus een synagoge binnenging. Er was dus in Judas een open deur. Wie had die deur van zijn gemoed opengezet? Judas zelf.
U kijkt vol ontzetting naar deze leerling van Jezus en u vraagt u verbijsterd af, hoe het toch zover kan komen met iemand die door Jezus Zelf is uitgekozen om op vertrouwelijke voet met Hem om te gaan.
Maar bij het ontsteld en verbijsterd kijken moet u beseffen dat u niet als door een venster naar buiten kijkt, maar dat u als in een spiegel naar binnen kijkt. U kijkt naar Judas en denkt dat het over een ander gaat, dáár, buiten. Maar o, bij het kijken naar Judas kijkt u naar uzelf, alsof Judas een spiegel is. U ziet uw innerlijk: een stad met een muur met daarin een bres, ja, daarin een poort die niet op slot zit, ja een deur die wijd openstaat. Uw en mijn hart: vrij toegankelijk voor satan…
Leer uit dit afschrikwekkende voorbeeld om niet te doen als Judas. Om niet uw gemoed, uw innerlijk, uw hart, uw gevoelsleven, uw fantasieën open te stellen voor satan.
Ik roep u toe: sluit u af voor deze gewetenloze wreedaard, deze mensenmoordenaar. Open uw hart voor de Heere Jezus.
Weet u niet, hoe? Hij zegt: “Ik sta aan de deur en Ik klop.”
Lezen: Lukas 22:1-6; zingen: Psalm 107:8
11 APRIL
Jezus zei tegen hen: “Zie, als gij in de stad zult gekomen zijn, zal een mens u ontmoeten, dragende een kruik water; volg hem in het huis waar hij ingaat. En gij zult zeggen tot de huisvader van dat huis: “De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal?”
Lukas 22:10,11
Ongestoord wil Jezus de paasmaaltijd met Zijn discipelen gebruiken en zo de bevrijdende genadekracht van God gedenken. Eeuwen geleden werd het voorgeslacht uit het slavenhuis van farao verlost. Lof zij God om Zijn grote daden!
Ook ongestoord wil Jezus met Zijn discipelen het avondmaal houden: brood en wijn als tekenen en garanties van de verlossing waar Hij voor zorgt. Zo komt de gedachtenis of herinnering aan de uittocht samen met de kruisiging en opstanding van hét Paaslam, Jezus Christus.
Stilletjes volgen de twee discipelen de man met de kruik. Bij het huis aangekomen, vragen zij aan de eigenaar naar de zaal die voor Jezus gereserveerd is. Judas kan zo geen overval organiseren, omdat hij niet weet waar het Pascha gehouden zal worden.
Zo bestuurt de Heere Jezus alles. We zien Hem als de Alwetende, Die alles bepaalt. Niet Judas en niet de leden van het sanhedrin, maar Jezus bepaalt de gang van zaken. Een grote troost voor u als u de weg niet meer weet. Een uitnodiging om ook uw levenslot in Zijn handen te leggen en om uzelf geheel en al aan Hem toe te vertrouwen.
Ongestoord avondmaal houden. Ongestoord zien op de afbeeldingen van Zijn lijden en sterven, Zijn onbegrijpelijk grote liefde voor weglopers, zoals Zijn discipelen allen waren, en allen zijn. Ongestoord eten en drinken van de panden, de zegels, de onwrikbaar zekere garanties van Zijn verzoenende kruisdood en opstanding.
O, zie op Hem wanneer het avondmaal bediend wordt. Val voor Hem neer, Die aan het avondmaal Zichzelf geeft. En ook los van de avondmaalsbediening: laten we stilte en rust zoeken om op Jezus te zien in het geloof!
Lezen: Lukas 22:7-20; zingen: Psalm 111:3
12 APRIL
En er werd ook twist onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.
Lukas 22:24
Onvoorstelbaar, voor allen die zichzelf niet kennen, dat de vertrouwelingen van Jezus in die plechtige ontmoeting rondom de paasmaaltijd ruzie kunnen maken over wie van hen belangrijker is dan de anderen. Maar kreeg u ooit zicht op uw diepste innerlijk, dan verbaast u zich niet meer zo heel erg over die twist van de discipelen. Dan denkt u niet verbaasd: wat zijn zij toch slecht; en denkt u niet stilletjes: zo slecht ben ik niet. Maar dan weet u hoe hoogmoedig uw hart is en hoe trots uw gemoed is. Dan weet u dat zelfs bij het heilige van een Paschaviering of een avondmaalsbediening de ootmoed u ontbreekt. Dan treurt u bij het zien op de discipelen over het lijden dat zij hun Meester die nacht aandoen, en meer nog treurt u over het lijden dat u uw Meester door uw hooghartigheid en zelfvoldaanheid aandoet. Als u uzelf kent – en wie kent zichzelf helemaal? – dan belijdt u het de Heere Jezus: “Ook ik ben zo. Ook ik wil de voornaamste zijn. Verneder mij toch, Heere, en maak mij klein. Leer mij hoe zachtmoedig U bent en hoe nederig van hart. Leer mij toch dieper inzien wat voor bestaan ik omdraag, hoe vuil en strafwaardig, hoe gemeen en huichelachtig!”
En zo leert u onder de ruziemakende leerlingen en volgelingen van Jezus te buigen – zonder hen iets te verwijten. Zo leert u verzoening te zoeken voor uw zonden, aan de avondmaalstafel bedreven. En zo leert u de liefde van deze Zaligmaker nog hoger te waarderen en te roemen, dat Hij zelfs met zulke hoogmoedige en verwaande mensen avondmaal wil houden… Ook vandaag nog.
Lezen: Lukas 22:21-38; zingen: Psalm 131:1
13 APRIL
En Hij zei tegen hen: “Wat/waarom slaapt gij? Sta op en bid, opdat gij niet in verzoeking komt.”
Lukas 22:46
Verzoekingen zijn er altijd en overal. Soms werken verzoekingen als beproevingen, soms als verleidingen. In het eerste geval worden we er beter van, komen we er sterker uit. In het tweede geval worden we er slechter van en komen we er verzwakt uit. Een verzoeking werkt als een beproeving, wanneer de Heere ons Zijn kracht verleent en Zijn genade schenkt. Een verzoeking werkt als een verleiding, wanneer de Heere ons Zijn kracht niet verleent en Zijn genade onthoudt. Het laatste hebben we verdiend, maar om het eerste mogen we Hem in alle verzoekingen eerbiedig smeken – én met vrijmoedigheid.
In het gebed dat Jezus Zijn discipelen en u leert, smeekt u uw Hemelse Vader ook: “Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.” U weet immers dat u niet opgewassen bent tegen welke beproeving of verleiding dan ook. Maar als het God in Zijn oneindige wijsheid goeddunkt u toch in een verzoeking te laten komen, mag u Hem smeken u er zegevierend uit te verlossen. Dat u de overwinning zou behalen. U bidt dan met de Catechismus:
Omdat wij vanuit onszelf zó zwak zijn dat wij niet één ogenblik zouden kunnen blijven staan, en onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten, wil ons toch behouden en sterken door de kracht van Uw Heilige Geest, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke tegenstand doen, totdat wij aan het einde de overwinning volkomen behalen.
Wat een heerlijk wonder om een biddend leven te leiden, zelfs omringd door verzoekingen van allerlei soort en snit. De Heere zal dwars door alles heen Zijn slachtschapen bewaren!
Lezen: Lukas 22:39-46; zingen: Psalm 3:4
14 APRIL
Als Ik dagelijks met u was in de tempel, hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw ure, en de macht der duisternis.
Lukas 22:53
De macht der duisternis. Het woord ‘duisternis’ heeft in de Heilige Schrift de betekenis van ‘zonde’, ‘onwetendheid’, ‘heidendom’, ‘onheiligheid’. Uiteindelijk steekt de grote tegenstander van God hierachter, die wel de ‘vorst der duisternis’ wordt genoemd. Hij houdt van en hoort bij de duisternis, precies tegenovergesteld aan wat Johannes in zijn eerste brief (vers 5 van hoofdstuk 1) over God schrijft: “Dit is de verkondiging die wij u verkondigen, dat God Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.”
Wanneer u, puur uit genade, het grootste wonder van alle wonderen deelachtig wordt, wordt u volgens 1 Petrus 2 vers 9 uit die duisternis geroepen tot Gods wonderbaar licht. Of om het met Paulus te zeggen in Kolossenzen 1 vers 13: dan trekt God u uit de macht der duisternis en zet Hij u over in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde. Ja, dan is uw leven getekend met deze heerlijke uitspraak (Efeziërs 5 vers 8): “U was vroeger duisternis, maar nu bent u licht in de Heere. Wandel als kinderen van het licht.”
De Zoon van God, Die net als Zijn Vader enkel Licht is, laat Zich door de duisternis overwinnen, om daardoor de duivel te niet te doen, die de heerschappij van de dood heeft. En zo verlost Jezus u die heel uw leven beheerst wordt door angsten voor de dood. Zo troost Hebreeën 2 u.
Of gelden voor u de ernstige woorden van Johannes 3 vers 19 nog: “Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht”? O, kom toch tot het Licht, Dat zo zoet is voor de ogen!
Lezen: Lukas 22:47-53; zingen: Psalm 116:2
15 APRIL
En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.
Lukas 22:62
Zoeter is het bitter te wenen over uw zonden, dan u blij te wentelen in de zonde; zelfs de meest zoete en innigst geliefkoosde zonde. Het is volgens de Bijbel een duidelijke trek van de echte bekering dat u leert wenen. En dan gaat het niet om de tranen van uw ogen – en helemaal niet om in het openbaar en voor de mensen te huilen – maar dan gaat het om de ‘tranen’ van uw ziel.
Huilt en treurt u wel eens? Omdat u uw God kwijt bent? Omdat u tegen uw rechtvaardige Rechter zondigt? Omdat u Zijn heilzame geboden overtreedt? Omdat u zich tegen uw almachtige Schepper verzet? Omdat u Zijn vriendelijke woorden minacht? Omdat u Zijn goede wet verlaat? Omdat u Zijn genadig verbond verbreekt? Omdat u Zijn betrouwbare beloften wantrouwt? Omdat u Zijn ernstige waarschuwingen in de wind slaat? Omdat u Zijn vriendelijke uitnodigingen achter uw rug werpt? Omdat u Zijn wijze raad verwerpt? Omdat u Zijn opzoekende genade misbruikt? Omdat u Zijn geliefde Zoon kruisigt? Omdat u Zijn Heilige Geest smaadt? Omdat u het kostbaar bloed van Christus vertreedt? Omdat u de onverdiende liefde van de Vader veracht?
Te wenen, o, alle dagen te wenen, omdat u zo dwaas geweest bent en voor uw kostbare ziel niet gezorgd hebt. En nu? O, doe dan niet als Judas die met zijn schuld niet tot Gods genade de toevlucht nam, maar doe als Petrus die met zijn ontzettende zonde voor de Heere neerviel.
Wie treuren over hun zonden, mogen zich eindeloos verheugen in Gods genade!
Er is naast Petrus nog een plaatsje aan de voeten van de Heere Jezus…
Lezen: Lukas 22:54-62; zingen: Psalm 116:3
16 APRIL
Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods.
Lukas 22:69
Wie is deze ‘Zoon van de mens’, zoals de uitdrukking letterlijk vertaald, luidt? Hij is maar mens, een arm mens zelfs. De eerste keer dat uit de mond van Jezus Zelf deze Naam klinkt (Mattheüs 8 vers 20), zegt Hij: “De vossen hebben holen en de vogels des hemels hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd neerlegt.”
Heel treffend is de geschiedenis waarin Hij voor de tweede keer deze Naam gebruikt: Mattheüs 9 vers 6. Het is de geschiedenis van de kreupele die door zijn vier vrienden dwars door een dak heen voor Jezus’ voeten werd neergelaten. Jezus zegt: “De Zoon des mensen heeft macht op de aarde de zonden te vergeven.” En nu, in Lukas 22, nu Hij machteloos (zoals het lijkt) gebonden is, nu er geen enkele glans van Hem afstraalt, nú heeft Hij het weer over Zichzelf als de Zoon van de mens én Hij zegt dat Hij rechts van God zal zitten in de hemel.
Het is voor Zijn vijanden een verbijsterende uitspraak.
En voor u? Is het voor u een troostrijke uitspraak, omdat u deze Zoon des mensen als uw Verlosser te voet bent gevallen? Omdat u zich onvoorwaardelijk aan deze arme en diep vernederde Zoon van David overgaf en van Hem, als de hoog verheerlijkte Zoon van God alleen, uw volkomen zaligheid verwacht? Nu Hij aan de rechterhand zit van de krachtige, de almachtige God, nú is uw ziel toch wel in veilige handen, nietwaar?
Hij is al uw vertrouwen waardig. Hij is al uw gehoorzaamheid waardig. Hij is al uw hulde waardig. In het stof boog Hij om u uit het stof te verhogen.
Lezen: Lukas 22:63-71; zingen: Psalm 47:3
17 APRIL
En op dezelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap tegen elkander.
Lukas 23:12
Je hoort het wel eens: een gezamenlijke vijand verbroedert. In deze tekst zie je hier een voorbeeld van. Als het tegen de Heere en Zijn Gezalfde gaat of tegen Zijn Woord of Zijn volk, sluiten vijanden binnen de kring van de ongelovigen nogal eens vriendschap met elkaar. Dit heeft te maken met Gods uitspraak in Genesis 3. De Heere belooft of dreigt daar dat Hij vijandschap zal bewerken tussen satan en zijn volgelingen aan de ene kant en Christus en Zijn volgelingen aan de andere kant. Een tussenpositie kunt u niet innemen; neutraal blijven gaat niet.
Als u een vriend van de Heere Jezus bent gemaakt, zult u het hartelijk eens zijn met wat Jakobus schrijft: “…wie een vriend van de wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.” En andersom is natuurlijk ook waar: “…wie een vriend van God wil zijn, die wordt als een vijand van de wereld behandeld.”
Het christenleven én het niet-christelijke leven kan worden omschreven als ‘vriendschap en vijandschap’. Wat een wonder als u omwille van Christus vriend wordt – niet met wereldlingen, maar met Jezus’ volgelingen. Wat een wonder als u omwille van Christus vijand wordt – niet van christenvolgelingen, maar van zondelievende wereldlingen. Nee, niet om hen de zaligheid te misgunnen, maar wel omdat u bang bent besmet te raken. U wordt een vijand van de wereld, die in het boze ligt en aan de zonde verkleefd is, maar u bent een vriend van wereldlingen, die nét als u door de Zaligmaker gered moeten worden.
Wat bent u? Een vriend, jazeker. Van wie? Toch niet van Pilatus en Herodes?
Wat bent u? Een vijand, jazeker. Van wie? Toch niet van Jezus?
Lezen: Lukas 23:1-12; zingen: Psalm 119:32
18 APRIL
Heel de menigte riep gelijkelijk, zeggende: “Weg met Deze, en laat voor ons Bar-abbas los.”
Lukas 23:18
U moet kiezen, elke dag en heel de dag. U koos ervoor om deze meditatie te lezen of naar het voorlezen ervan te luisteren en ik koos ervoor om aan dit dagboekje mijn medewerking te verlenen. Zo kan ik doorgaan, en ook u weet talloze voorbeelden uit het leven van alledag. Ook in geestelijke dingen geldt dat u moet kiezen. U moet voor het leven kiezen, anders kiest u voor de dood. U moet voor de zegen kiezen, anders kiest u voor de vloek. Tenminste, zo lezen we het in Deuteronomium 30, de laatste twee verzen: “Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde: het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek. Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw zaad, liefhebbende de HEERE, uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende. Want Hij is uw Leven en de Lengte uwer dagen.”
U móet niet alleen kiezen, u wílt ook kiezen. Vrijwillig en helemaal ongedwongen kiest u (of koos u) ervoor om de Heere aan de kant te zetten, om de zaligheid in te ruilen voor de ondergang, om de genademiddelen te veronachtzamen, om de genadetijd te verkwanselen, om de beloften te verachten en om Jezus te verkopen. Verloren gaan is een keuze…
Herkent en erkent u dit? Of verheft u zich boven de schreeuwers, die dood-slager Barabbas liever hadden dan Leven-schenker Jezus? Tobber, hebt u zich al eens mateloos verwonderd over de troost die Petrus biedt aan u, als zó’n slechterik? Lees Handelingen 3 vers 14, 17, 19 en 26: “…opdat uw zonden uitgewist worden…”
Lezen: Lukas 23:13-25; zingen: Psalm 65:2
19 APRIL
Jezus, Zich tot hen kerende, zei: “Gij dochters van Jeruzalem, ween niet over Mij, maar ween over uzelf, en over uw kinderen.”
Lukas 23:28
De geschiedenis van de wenende vrouwen brengt mij het bekende gedicht van McCheyne in herinnering:
Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart.
Ik kende geen schuld en ‘k gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet: “Mijn ziele, doorziet gij uw lot?
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?”
Al sprak daar een stem uit de heilige blaân
Van ‘t Lam, met de zonden der wereld belaân,
Ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk,
‘k stond blind en van ver’, in mijzelven zo rijk.
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer,
Ik weend’ om de pijn van mijn lijdende Heer’,
Maar dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.
Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,
Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.
Toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid deed.
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.
Toen vlucht’ ik tot Jezus. Hij heeft mij gered!
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet!
Mijn Heil en mijn Vreugd’ en mijn Leven werd Hij.
Ik boog m’ en geloofd’ en mijn God sprak mij vrij!
Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,
Dat Christus alleen mijn Gerechtigheid is.
Nu tart ik de dood, nu verwin ik het graf.
Nu neemt mij geen satan de zegekroon af.
Nu reis ik getroost onder ‘t heiligend kruis
Naar ‘t erfgoed hierboven, naar ‘t Vaderlijk huis.
Mijn Jezus geleidt mij door d’ aardse woestijn.
“Gestorven voor mij!” zal mijn stervenszang zijn.
Zingt u mee?
Lezen: Lukas 23:26-31; zingen: Psalm 61:1
20 APRIL
En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: “Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelf verlosse, als Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.”
Lukas 23:35
De leugenaars spreken de waarheid, al bedoelen ze het niet zo: het is toch werkelijk waar dat Hij anderen heeft verlost. Deelt u in Zijn verlossing? Wenst u Jezus als uw Verlosser van de zonde? Aanvaardt u dan de straf op de zonde? Keurt u uw doodvonnis goed? Gaat uw hart uit naar Hem Die de straf gedragen heeft?
Nog eens de vraag: wenst u Jezus als uw Verlosser van de zonde?
Weet u wat de Bijbel met het woord ‘zonde’ bedoelt? Is heel uw zondige bestaan voor u zó zwaar geworden, dat u niets liever wilt dan van die vreselijke werkelijkheid verlost te worden en nooit meer te zondigen? Verlangt u naar zondeloze heiligheid? Snakt uw ziel ernaar om in liefdesgehoorzaamheid naar al Gods geboden te leven? Ziet u uit naar deze Zaligmaker Die in uw plaats aan al de eisen van Gods heilige wet gehoorzaamde?
Nog eens de vraag: wenst u Jezus als uw Verlosser van de zonde?
Weegt de schuld van de zonde u zwaar? Is dit uw bitterste pijn, wat David zo omschreef: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd”? Is dit uw nood: hoe wordt die schuld, die ik bij God heb, verzoend?
De leidslieden van het volk, die leugenaars, geven u het antwoord op al deze vragen. Zonder het zelf te geloven getuigen ze wat de hele Schrift getuigt: “Anderen heeft Hij verlost…”
Laat mij het eens zeggen met de woorden van Petrus in het huis van Cornelius: “Alle profeten getuigen over deze Jezus, dat een ieder die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam.”
O, leg uw zondestraf, uw zondelast, uw zondeschuld dan maar op Hem…
Lezen: Lukas 23:32-43; zingen: Psalm 40:3
21 APRIL
En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde middendoor.
Lukas 23:45
Met diep ontzag mag u de woorden van de dagtekst verbinden aan Hebreeën 4 vers 16: “Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” Dát is het waarmee u God eert. Hij scheurde het voorhangsel in de tempel niet met de bedoeling dat u deze zou dichtnaaien, maar dat u van de geboden gelegenheid eerbiedig gebruik maakt om toe te gaan tot de plaats, waar volgens Gods bevel de ark met de massief gouden plaat stond. Deze plaat heet in Exodus 25 vers 17 het verzoendeksel. Luther vertaalt het Hebreeuwse woord met ‘genadestoel’. Dit stemt overeen met de weergave van Paulus in Hebreeën 4. De statenvertalers schrijven in een voetnoot of kanttekening over het woord ‘genadetroon’: “…die God in Christus heeft opgericht. En de apostel schijnt hier te zien op de genadestoel, die op de ark des verbonds was, waardoor de tafelen van de wet, die de uiterste gehoorzaamheid of straf in het eerste verbond eiste, werden bedekt.”
Maakt u graag en veelvuldig gebruik van deze geopende toegang? Doe het niet luchthartig en niet lichtvaardig, maar bedenk, hóe deze toegang voor adamskinderen is geopend: door het sterven van de Borg. Dit lezen we ook in Hebreeën 10 vers 19 en 20: “Broeders, wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus op een verse en levende weg, die Hij voor ons ingewijd heeft door Zijn vlees…”
U bent welkom. Laat het gescheurde voorhangsel niet een aanklacht zijn tegen uw nalatigheid, maar een aansporing tot ootmoedige vrijmoedigheid!
Lezen: Lukas 23:44-49; zingen: Psalm 63:2
22 APRIL
En op de sabbat rustten zij naar het gebod.
Lukas 23:56
Wat een voorrecht om wekelijks een dag van sabbat te hebben, een dag van rust! Wat een voorrecht om deze dag te beleven vanuit de geloofsverwondering over de opstanding van Jezus Christus uit de dood! U houdt deze door God gegeven rustdag met vreugde. U mag het wel een wekelijkse paasdag noemen, een wekelijkse herinnering aan de overwinning, die Christus aanbracht en u verkondigt:
- overwinning op de dood – die niet het laatste woord heeft;
- overwinning op het graf – dat u niet meer hoeft te verschrikken;
- overwinning op de hel – waarvan Jezus als de opgestane Levensvorst de sleutels draagt;
- overwinning op satan – die de heerschappij over de dood had, maar die tenietgedaan is;
- overwinning op de zondemacht, de zondestraf en de zondeschuld – zodat u ervan bevrijd God dienen zou zonder vrees.
Zodat u elke dag van elke week tot rustdag maakt, zoals de Heidelbergse Catechismus zo treffend omschrijft: “Dat ik al de dagen van mijn leven van mijn goddeloze werken zal rusten, de Heere toelaat door Zijn Geest in mij te werken, en zo de eeuwige sabbat in dit leven zal aanvangen.”
Geniet u van deze wekelijkse rustdag als feestdag? Maakt u voor het nieuwe leven, het geestelijke leven, een goed gebruik van deze dag? Rust u in overeenstemming met Gods gebod? Niet een zwaar gebod, maar een feestgebod, zoals we zingen in Psalm 81:
Zing nu blij gemoed
‘t Machtig Opperwezen
Een lofzang toe.
Om ons heilgenot
Worde Jakobs God,
Met gejuich geprezen.
Graag roep ik u op en spoor ik ook mezelf aan om elke dag Zondag te houden, rustend op de opstandingskracht van onze Heere Jezus Christus.
Lezen: Lukas 23:50-56; zingen: Psalm 81:4
23 APRIL
En zij vonden de steen afgewenteld van het graf.
Lukas 24:2
Hindernissen op weg naar het Leven zijn er vele. En ze zijn er door uw schuld. En ze zijn te groot om door uw wijsheid of kracht uit de weg te worden geruimd. Zo’n hindernis is het ongeloof. Diep in u zit deze macht, waar u geen raad mee weet. En het is een belemmering zo groot en zo sterk, dat u er niet langsheen en er niet doorheen en er niet overheen kunt komen. Het houdt u van de zaligheid verwijderd, omdat het u van de Zaligmaker verwijderd houdt. Maar toch: geen nood, want de Hemel weet ervan. De Heere baant wegen die totaal en absoluut toegemuurd waren. Hij opent deuren die als grafzerken zijn. Hij verleent toegang tot het graf, de plaats van de dood, als een plaats van het Leven. Hij overwint ook in uw innerlijk die vreselijke doodsmacht, dat verslindende graf. Hij brengt de levende Koning in uw hart als verhoring op het gebed dat Paulus voor de christenen in Efeze bidt: “…dat Christus door het geloof in uw harten zal wonen, en u in de liefde geworteld en gegrond zijt.”
Zou u uw dood en nood, uw hindernissen en belemmeringen, ook uw eigen tegenstand en hardnekkig ‘ja, maar’ niet aan Hem vertellen, bij Hem neerleggen, in Zijn handen geven? Hij weet er raad mee. U niet. Ongeloof is zó’n vreselijke macht… Maar Christus verschijnt als de Overwinnaar en leert u geloven. Hoe? Door het evangelie van de Opgestane in u te doen klinken met Goddelijke kracht.
Luister dan, als dode, naar Hem Die levend maakt. U weet niet hoe dat ooit kan? Vraag het aan de Heere Jezus!
Lezen: Lukas 24:1-7; zingen: Psalm 116:5
24 APRIL
Petrus opstaande, liep/snelde tot het graf, en nederbukkende, zag hij de linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelf over hetgeen geschied was.
Lukas 24:12
Haast maakte Petrus, want o, de liefde tot Jezus was zo groot. Hoe kon dat na zijn schandelijke verloochening? Al Gods kinderen weten dat het kan, al weten ze niet altijd hoe het kan en al durven ze vaak niet te geloven dat het waar is. Maar toch: na begane misdaad, zó’n liefde tot de Heere Jezus. Ja, ook schaamte en zelfverwijt, ook angst en schrik. Maar toch, ook liefde, ook verlangen om Hem te voet te vallen. Misschien vraagt u, tweelingbroer of tweelingzus van Petrus: “Zou ik wel durven? Ik heb het zó bedorven en zó vreselijk verzondigd… Zou ik wel mogen? Zou Hij mij wel willen? Zou, o zou ik niet voor altijd worden weggedaan?”
Maar wat u ook tegenhoudt aan twijfel en schaamte, u kunt het in het verborgene toch niet laten om hand en hart en oog op te heffen naar Omhoog.
Och, u verloochende Hem. Nu mag Hij u ook verloochenen. Maar Hij doet het niet, wanneer u zich net als Petrus, de verloochenaar, tot Jezus haast. Hij ziet u komen, want Hij staat op de uitkijk, zo vertelde Hij het Zelf in de gelijkenis van de verloren zoon. Kom, laat u niet tegenhouden door al die binnenpraters, die u zo ellendig maken – en dat heel terecht. O, hoe hebt u het ervan af gebracht? Hoe schandelijk hebt u zich misdragen! Hoe grievend hebt u Hem in Zijn liefde gekwetst en in Zijn trouw miskend! Hij weet het. Maar ook weet Hij hoe smartelijk u uw zonde belijdt, beweent, betreurt.
Kom, doe als Petrus: ga op weg, vandaag nog, naar Hem, Die voor zulken de dood inging en deze overwon.
Lezen: Lukas 24:8-12; zingen: Psalm 31:18
25 APRIL
En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.
Lukas 24:15
Jezus zoekt op de dag dat Hij uit de dood opstaat, Zijn discipelen op. Dat deed Hij toen, dat doet Hij nu; dat deed Hij daar, dat doet Hij hier. Verlangt uw ziel ernaar? Een bezoek van de Hemel…; een ontmoeting met de levende Zaligmaker… Het is zeer te begeren en nooit genoeg te waarderen. Hij had het hun beloofd, en nu bewijst Hij aan Kleopas en zijn metgezel hoe trouw Hij Zijn Woord houdt: “Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, ben Ik in het midden van hen.” Toen Hij naar Zijn menselijke natuur nog op aarde was, was Zijn lichamelijke aanwezigheid niet overal waar er twee, zoals de Emmaüsgangers, bijeen waren. Maar nu Hij aan de rechterhand van Zijn Vader is gezeten, belooft Hij dat Hij naar Zijn Godheid, Majesteit, genade en Geest nooit van ons wijkt.
Het is niet nodig dat u het gesprek tussen Jezus en de beide wandelaars verder beluistert. Ja, u kunt wel heilig nieuwsgierig zijn en u afvragen wát de Heere Jezus allemaal uit het Oude Testament opdiept om aan hen duidelijk te maken dat de Christus al die dingen moest lijden om op die manier in Zijn glorie in te gaan. Maar als u in de gemeenschap der heiligen en in de overdenking van Zijn Woord wandelt in de voetstappen van Kleopas en van zijn medewandelaar, dan zal de Heere ook u bezoeken en onderwijzen. Dan gaat ook uw hart in u branden bij het openen van de Schrift.
Met elkaar spreken over de lijdende en overwinnende Borg, levert verrassingen op…
Overdenk eens stilletjes hóe vol de Bijbel is van de beloofde en gekomen Messias!
Lezen: Lukas 24:13-24; zingen: Psalm 23:3
26 APRIL
En zij kwamen nabij het vlek, waar zij naar toegingen. En Hij hield Zich, alsof Hij verder zou gaan. En zij dwongen Hem, zeggende: “Blijf met ons, want het is bij de avond en de dag is gedaald.” En Hij ging in, om met hen te blijven.
Lukas 24:28-29
Al eerder mocht Lukas schrijven dat Jezus bij iemand bleef. Het was bij de in-de-boom-geklommen tollenaar. Jezus nodigt Zichzelf uit bij Zacheüs en zegt: “Ik moet heden in uw huis blijven.” Nu wordt Hij door de beide wandelaars en luisteraars in Emmaüs uitgenodigd om met hen te blijven. En Hij geeft gehoor aan hun verlangen: “Hij ging in, om met hen te blijven.”
Het lijkt dat Lukas tegen zijn eerste lezer wil zeggen: “Theofilus, zo is Jezus: Hij wil bij mensen binnenkomen en bij hen blijven. Ook bij u.” En zo mag na bijna tweeduizend jaar en op een afstand van vele duizenden kilometers diezelfde blijde en bemoedigende uitroep uit dit stukje u tegemoet klinken: “Jezus wil bij u, Adamskind, binnenkomen en bij u blijven. Ja, ook bij u. Ook bij jou.”
Het verveelt nooit, wanneer Jezus intrek heeft genomen in uw hart en huis. Het stelt ook nooit teleur, wanneer Hij binnentreedt. Hij brengt Zijn vrede mee en Hij laat die bij u. Niet zonder oorlog overigens, maar dan een oorlog met de zonde, de duivel en de wereld-zonder-God. Hij beloofde het in de nacht van donderdag op vrijdag en op zondagavond vervult Hij in Emmaüs Zijn belofte zo zoet: “Mijn vrede geef Ik u…”
In het huis waar Hij komt wonen om er voor altijd te blijven, blijkt Hij geen Gast te zijn, maar Gastheer. Hij neemt het brood en breekt het en deelt het uit. Hij regeert en leidt. Hij openbaart Zichzelf en troost het hart. Hij maakt het boven bidden en denken zó goed, dat u zich verwonderen moet.
Nodig Hem maar uit, net zoals Kleopas deed, om bij u te blijven.
Lezen: Lukas 24:25-29; zingen: Psalm 65:3
27 APRIL
En zij zeiden tegen elkander: “Was ons hart niet brandende in ons, toen Hij tot ons sprak op de weg, en toen Hij voor ons de Schriften opende?”
Lukas 24:32
Wat betekent het om een brandend hart te hebben? Als je dit aan Gods kind vraagt, weet hij of zij wel een antwoord. Het is een hart dat vol liefde is. Liefde, ook in het natuurlijke leven, laat je niet koud. Het steekt je gemoed in brand, je hart gaat branden. Zo is het geestelijk ook. Wanneer het over je Geliefde gaat, je Liefste, je Enige, je Hemelvriend, o, dan laat het je niet koud – al moeten Gods kinderen helaas wel eens klagen dat ze meer op een ijspegel lijken dan op een vlam… Maar toch, de Heere gebruikt het getuigenis van Zijn Woord, de verkondiging van het Borgwerk van Zijn Zoon, om de ijspegel soms te doen smelten en te veranderen in een vurige haard, een vuurkorf, waar de vlammen weleens metershoog uitschieten.
Hoe is het op dit moment bij u? Kijk eens naar binnen. Voelt u reden om te smeken, wat ik als jongen van zeventien bijna elke dag bad: “Ontsteek toch mijn hart dat het zal branden van liefde voor U!”
Doet de herinnering aan die tere momenten van vurige liefde, zo zoet, uw hart verlangen dat dat verlangende gebed en die belijdende uitroep van Hooglied 8 waar zal zijn, bij u, bij jou en bij mij: “Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm. Want de liefde is sterk als de dood. De liefdesijver is hard als het graf. Haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen. Ja, hele rivieren zouden ze niet verdrinken.”
Bidt u mee? Beaamt u het ook? Proeft u het vandaag weer?
Lezen: Lukas 24:30-35; zingen: Psalm 116:1
28 APRIL
Toen zij over deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zei tegen hen: “Vrede zij u!”
Lukas 24:36
Wát een verrassing: Jezus zoekt weglopers op!
Wát een wonder: Hij staat in hun midden!
Wát een trouw: Hij spreekt woorden van vrede!
Wát een genade: Hij toont hen, hoe lief Hij hen heeft!
Opnieuw mag Lukas beschrijven, door de Heilige Geest gedreven, Wie uw Heere Jezus Christus eigenlijk is. Hij is heilig – en u onheilig. Hij is rechtvaardig – en u strafwaardig. Hij is echter ook genadig voor u, zo schuldig als u bent. Hij is vriendelijk en weldadig. En op de avond van de dag, waarop Hij toonde de duivel en de helse pijn te hebben overwonnen, zien verblijde discipelen in Zijn ogen wat we wel eens zingen met Psalm 25 vers 3: …milde handen, vriendelijk’ ogen…
En voor wie? Verwacht u het nog? Afgekeurd en zo ontzettend zwaar in uzelf teleurgesteld? Verwacht u het nog, nu u zo onbetrouwbaar en laf en zonde-lievend en dom en wantrouwend blijkt te zijn? En toch! En toch! O, wat een wonder: en toch komt Hij en bemint Hij ze; bemint Hij u…
O, kom diep in het stof aanbidden, deze Kruiskoning in Goddelijke glorie en overwinningskracht.
Welke vrede daalt uit Zijn liefde-hart neer? Het is vrede met God en met de broeders. Het is verzoening van alle zonden, hoe veel en hoe vuil ook. Hij herhaalt als het ware de woorden van de hogepriesterlijke zegen uit Numeri 6, waarmee onze kerkdiensten weleens worden afgesloten. Vrede, hoe? Paulus getuigt: door het bloed van het kruis! En Jesaja roemt: “De straf die op Hem was, brengt ons de vrede aan.”
U beledigt Hem niet wanneer u om die vrede smeekt. Ook nadat u het zó verzondigd hebt.
Lezen: Lukas 24:36-43; zingen: Psalm 25:3
29 APRIL
…en in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
Lukas 24:47
Er moet en er mag gepreekt worden. Het Griekse woord voor ‘prediken’ werd gebruikt om het werk van een heraut aan te duiden. Die man verzint niet zelf wat hij wil gaan zeggen, maar krijgt een opdracht van zijn koning. Eigenlijk is de koning aan het woord wanneer die heraut namens hem iets afkondigt. Wat verkondigen de herauten die Koning Jezus eropuit stuurt? Twee dingen: bekering en vergeving der zonden. Hoe kondigen zij die af? Niet als bevelen, als eisen, maar als feiten, als beloften. Niet als iets wat u moet doen, maar als iets wat Hij doet. Hij schenkt bekering en Hij schenkt vergeving. Petrus zegt in Handelingen 5 vers 31 tegen de leden van de Hoge Raad: “God heeft deze Jezus door Zijn rechterhand verhoogd als Vorst en Zaligmaker, om aan Israël bekering en vergeving der zonden te geven.”
Al moet bekering ook worden afgekondigd als een eis van uw grote Koning, toch mag u met die eis aan Zijn voeten vallen en Hem smeken om deze bekering, zoals Augustinus bad: “Heere, geef mij wat U mij beveelt…”
Wat houden deze twee kernzaken van de evangelieprediking in? Berouw en bevrijding. Berouw over uw zonden – dát betekent het woord ‘bekering’. En bevrijding van die ondraaglijk zware last van uw zondeschuld – dát houdt vergeving in.
Weet u, hoe God zondesmart en berouw schenkt? Doordat u eerlijk overdenkt hoe schuldig u staat aan al Zijn geboden. Neem er de tijd voor om voor Gods heilig aangezicht te overwegen hoe zwaar u hebt gezondigd tegen elk van Gods geboden en smeek dan met de tollenaar: “O God, wees mij, de zondaar, genadig!”
Lezen: Lukas 24:44-49; zingen: Psalm 143:2
30 APRIL
En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.
Lukas 24:50
Lukas sluit zijn ‘brief’ af. In het eerste hoofdstuk had hij aan Theofilus laten weten, dat hij grondig had onderzocht hoe de dingen allemaal waren gegaan, wat Jezus allemaal had gedaan en gezegd en geleden en bereikt. En nu is hij aan het eind gekomen van zijn prachtige Evangelieboek, dat een aanwinst is voor heel het christendom, van alle tijden en plaatsen.
Hoe sluit hij zijn beschrijving van die zeer blijde boodschap af? Met kort weer te geven, wat hij in het tweede deel van zijn werk, het boek Handelingen, uitgebreider zal beschrijven, namelijk dat Jezus is teruggekeerd naar Zijn Vader in de reine hemel.
Jezus heeft Zijn opdracht volbracht. De zondeschuld is verzoend. De vrede met God is hersteld. De toegang naar de genadetroon, als bron van uw ware vreugde, is geopend.
En als teken van de genadige gezindheid van God neemt Jezus op een bijzondere manier afscheid, namelijk door Zijn doorboorde handen zegenend op te heffen en over Zijn volgelingen uit te breiden.
Zo mochten zij Hem nastaren. Zo mag Theofilus, nu hij het boek van zijn vriend Lukas uit heeft, aan Jezus denken: Jezus is thuisgehaald door Zijn Vader, omdat Hij alles in orde had gemaakt. Jezus ging niet weg met een vervloeking voor Zijn vijanden op Zijn lippen – zoals verdiend, maar met een zegen voor Zijn vrienden – zoals verdiend. Twee keer ‘zoals verdiend’? Ja, u verdient de vloek, net als ik. Maar Hij heeft voor vloekwaardigen Zijn zegen verdiend!
Heel het evangelie dat Lukas mocht opschrijven, nodigt u zo dringend en zo vriendelijk uit om al uw vertrouwen altijd weer onvoorwaardelijk te stellen op het Kindje in de kribbe, de Man van smarten, de zegenende Hogepriester!
Lezen: Lukas 24:50-53; zingen: Psalm 21:6
