Website van Ds. W. Pieters

2018

2

1 MAART

En zie, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende…

Lukas 10:25

We hebben er een indrukwekkende en heel onderwijzende gelijkenis aan te danken, dat een wetgeleerde Jezus grondig wilde onderzoeken. Hij wil wel eens weten hoe Jezus over die moeilijke vragen denkt, waarover de rabbijnen uren en dagen konden discussiëren.

De gelijkenis die Jezus deze waanwijze man vertelt, gaat over iemand die barmhartig is en dat ook toont in hulpvaardigheid of dienstbetoon: de barmhartige Samaritaan.

We lezen dat de wetgeleerde zichzelf wil rechtvaardigen. Dat is: verontschuldigen of vrijpleiten. Hij deed niet wat hij moest doen en wat hij ook wist dat hij moest doen, en toch wil hij niet in de schuld komen, in schuldverslagenheid buigen voor God, zichzelf veroordelen. Hij wil overeind blijven. Hij wil de schijn ophouden, zijn hachje redden.

U herkent het wel, hè?

Jezus vertelt het verhaal (misschien was het wel een geschiedenis, echt gebeurd) over een nalatige priester en een even nalatige Leviet. Hij bedoelt natuurlijk ook een nalatige dominee en een even nalatige ouderling…

En dan wordt dat uitnemende voorbeeld ons voorgehouden: die reiziger uit een half-heidens land. Bij de joden niet in tel! Uiteindelijk zien we hier in het hart van de Barmhartige Hogepriester Zelf, Die medelijden met ons en onze zwakheden heeft.

Laat u door Hem verzorgen, verbinden, verplegen. O, laat u toch door Hem met God verzoenen en voor eeuwig zaligen! Wat denkt u: zou Hij, Die over de barmhartige Samaritaan vertelt, Zelf minder barmhartig zijn? Minder gewillig om voor uw lichaam en ziel te zorgen?

Lezen: Lukas 10:25-37; zingen: Psalm 103:5

2 MAART

Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.

Lukas 10:42

Onbegrip. Wat is het er veel. Niet alleen in de wereld, maar ook in de gemeente Gods. Ook tussen kinderen Gods. We vinden hiervan een voorbeeld bij Martha. Ze begrijpt Maria niet. En ze begrijpt ook de Heere Jezus niet, Die het zomaar toelaat dat Maria stilletjes zit te luisteren terwijl zíj zo druk aan het zorgen is.

Maria heeft ondertussen het goede deel uitgekozen. Hierin houdt Jezus aan Martha een voorbeeld voor. En ook aan ons, natuurlijk. Dit moet Martha ook doen: het goede deel uitkiezen. Dit moet u ook doen, en ik: het goede deel uitkiezen.

Wat dat is? U kunt het wel raden, nietwaar? Met een hongerig hart, een begerig gemoed, luisteren naar Gods Woord. Al kunnen wij niet naast Maria aan Jezus’ voeten zitten, we kunnen wel dezelfde woorden horen: heel de Bijbel is er immers vol van!

Wat een wonder als ook wij mét onze kinderen dit verlangen: de woorden van het eeuwige leven indrinken. O, laten we toch Jezus’ uitlokkende woorden ter harte nemen: Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat niet van haar afgenomen zal worden… Nooit hoef je dit los te laten, kwijt te raken.

Ja, bij de dood moeten we alles loslaten en zullen we alles kwijtraken, maar dit toch niet. Dit mag mee over dood en graf heen: eeuwig dit goede deel te mogen bezitten en ons erin te verlustigen: Jezus’ woorden te horen en de stem van onze Goede Herder te genieten!

Eeuwig ook de vrucht van dit heilzame onderwijs te proeven: “De woorden die Ik tot u spreek, zijn Geest en zijn leven.”

Lezen: Lukas 10:38-42; zingen: Psalm 42:1

3 MAART

Een van Zijn discipelen zei tegen Hem: “Heere, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.”

Lukas 11:1

Gebedsonderwijs hebben we allen nodig. Het is een heilig werk dat niet bij onze natuur-in-Adam past. De Heilige Geest, als de Geest der genade en der gebeden, heeft de Heere in de dagen van Zacharia al beloofd. En nu geeft ook de Heere Jezus Zelf onderwijs door aan ons het gebed te leren dat we wel het ‘Onzevader’ noemen.

Wat is bidden? Het blijkt uit het gebed dat Jezus Zijn leerlingen voorzegt, dat het bij bidden gaat om vragen. Dit mag blijkbaar: God vragen iets te doen of iets te geven.

Wij zijn afhankelijk van Hem en kunnen zelf niets bewerkstelligen van al die dingen. Maar de Heere kan het wel en Hij doet het ook.

Hij zorgt ervoor dat Zijn Naam en eer verhoogd wordt over het rond der aarde – al zijn er nog zo velen die Hem haten en verachten.

Hij zorgt ervoor dat de koninklijke macht van Zijn Zoon zich doorzet – al is er nog zo veel verzet.

Hij zorgt ervoor dat mensen Zijn geboden in liefde gaan gehoorzamen – al zijn we er vanuit onszelf nog zulke grote vijanden van.

Hij verleent ons wat we nodig hebben voor ons tijdelijke leven: brood en kleding, zodat we Hem loven en prijzen voor elke maaltijd.

Hij vergeeft ons graag al onze zonden, omdat wij ze ook aan onze naaste vergeven (zegt vers 4), wat een duidelijk bewijs is van Gods genade.

Ook beschermt Hij ons, als wij ons zorgvuldig voor gevaren hoeden, tegen alle boosaardige listen van satan en verleidingen van een wereld die in het boze ligt.

Zo bidden we in vertrouwen dat Hij verhoort.

Lezen: Lukas 11:1-4; zingen: Gebed des Heeren :1

4 MAART

Want een ieder die bidt, die ontvangt; en wie zoekt, die vindt; en wie klopt, voor die zal er opengedaan worden.

Lukas 11:10

Als u ook maar enigszins Gods majesteit en ontzagwekkende grootheid beseft, durft u Hem niet meer ‘lastig te vallen’ met uw gebeden. Maar juist u kunt bemoediging vinden in het verhaal dat Jezus vertelt over die nachtelijke bezoeker, die om een paar broodjes vraagt voor zijn hongerige vriend. De deur is op slot. De bewoner weigert hulp.

Het is net alsof dit verhaal van Jezus ons vraagt: herkent u dit in uw gebedsleven? Dat u vreest dat God u maar lastig vindt? Herkent u dat gevoel van ‘buiten staan’ en roept het in uw binnenste ook herkenning op: een weigering horen?

Jezus vertelt verder: toch krijgt die bidder wat hij vraagt, niet weinig, maar ‘zo veel als hij nodig heeft.’

Vervolgens roept Gods Zoon ons op, spoort Hij ons aan, om te bidden, te zoeken en te kloppen. En Hij belooft: aan u zal gegeven worden, u zult vinden en voor u zal de deur opengedaan worden!

Hebt u nog bezwaren en ‘ja, maar’-s? Jezus onderkent dit en beantwoordt ze op voorhand door de woorden van vers 10: een ieder die bidt, een ieder die zoekt en een ieder die klopt. Wat? Die ontvangt, die vindt en voor hen gaat de deur van slot en wagenwijd open!

O, waarom neemt onze Profeet en Leraar toch zo de moeite om u te verzekeren van een gunstige uitslag van uw biddend zoeken en van uw zoekend kloppen? Is het niet om u al uw bezwaren te ontnemen en om al uw ‘ja, maar’-s te beantwoorden? Zodat u zich op weg naar de Troon der genade niet meer laat tegenhouden, wát satan ook tegenwerpt en hoe onwaardig u ook bent!

Lezen: Lukas 11:5-10; zingen: Gebed des Heeren :10

5 MAART

Indien dan gij, die boos/zondig zijt, uw kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan degenen die Hem bidden?

Lukas 11:13

Een boze vader, zoals Jezus het in dit vers bedoelt, is een vader die zondig is, een gevallen mens. Jezus vergelijkt nu Zijn goede Vader in de hemel met slechte aardse vaders en zegt: als zelfs vaders, die gevallen adamskinderen zijn, toch goede gaven aan hun kinderen weten te geven, wat denkt u dan van de volmaakt goede hemelse Vader? Dan zult u toch geen slechte gedachten van Hem hebben? Dan zult u toch hooggespannen verwachtingen van Hem koesteren? Of niet?

Het gaat over mensen die Hem bidden. Uit het Griekse woord voor ‘bidden’ blijkt dat het niet gaat over ‘een keertje bidden’, of ‘zo nu en dan bidden’, maar over ‘blijven bidden’. Als u steeds biddende bent, al maar smekeling om Gods goede gave, dan zal Hij op Zijn tijd de Heilige Geest aan u geven. Dan kunt u op het woord van Gods eigen Zoon aan, dat Zijn Vader in de hemel u niet zal teleurstellen.

Daarom: houd vol met bidden en smeken om de krachtige en zaligmakende werking van Gods Geest in uw gemeente, in ons land en in de hele wereld. De Heere heeft alle eeuwen door zulk gebed verhoord en Hij verhoort het ook in onze eeuw, omdat Hij Zelf ons beveelt te vragen om Zijn genade, en deze ook belooft te geven.

We onteren Hem niet met bidden, maar onteren Hem met twijfelen. Laten we daarom, biddend om Gods kracht, het ernstige en weloverwogen besluit nemen om Hem niet langer te verdenken, om Zijn Woord en Zijn gunstrijke gezindheid niet langer te wantrouwen!

Lezen: Lukas 11:11-13; zingen: Psalm 103:7

6 MAART

Sommigen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, de overste der duivelen.

Lukas 11:15

Lukas schrijft over het lijden van onze Heere Jezus Christus. We zijn gewoon dan te denken aan de laatste dagen van Jezus’ aardse leven, maar volgens onze Catechismus duurde Zijn lijden Zijn leven lang en dat blijkt uit dit beledigende vers. Zijn lijden was:

  • Lichamelijk: Hij werd besneden (alsof Hij aan de wet onderworpen was), vervolgd (al geprofeteerd in het Oude Testament), Hij was als Bezitter van hemel en aarde bezitloos, Hij kreeg kaakslagen en werd bespuwd, Hij werd gegeseld, ontving een doornenkroon, werd gekruisigd (met spijkers in de handpalmen en in de voeten aan een opgerichte kruispaal vastgenageld).
  • Mentaal: Hij werd gedoopt alsof Hij gereinigd moest worden, alsof Hij aan Adams zonde onderworpen was. Hij werd door de duivel verzocht; Hij werd bespot, veracht door mensen, vals beschuldigd een vreter en zuiper te zijn en demonen uit te drijven door satan; door farizeeën en anderen miskend, in plaats van in Zijn Godheid aanvaard. Hij werd verraden door Judas – die één van de twaalf was! Hij kreeg te maken met hoogmoed, zelfzucht, onbegrip, ergernis bij Zijn discipelen, verloochening door Petrus. Hij, Die Zijn vrienden onuitsprekelijk liefhad, werd door hen allen in de steek gelaten.
  • Geestelijk: elke zonde om Hem heen (zoals: dat Hij niet werd ontvangen, maar gehaat) betekende voor Hem lijden, de pestwalm van de zonde, waarin Hij ademde; en de gramschap of toorn van de heilige God!

Als wij deze toorn enigszins beleven, sidderen wij en zullen wij vergaan.

Lezen: Lukas 11:14-23; zingen: Psalm 69:1

7 MAART

De Zoon des mensen is gekomen om Zijn ziel te geven tot een rantsoen/losprijs voor velen.

Markus 10:45

Dit lijden – dat de hele tijd van Zijn aardse leven omspande – wordt in antwoord 37 een zoenoffer genoemd. Het woordje ‘zoen’ betekent: middel tot verzoening. ‘Verzoening’ is: dat het weer goed komt tussen God en ons, zodat wij Zijn gunst en vrede kunnen genieten. Dit zoenoffer was nodig, want God was vanwege de zonden op Zijn van eeuwigheid geliefde kinderen(!) vertoornd en Hij kon hen zonder voldoening aan Zijn heilig Recht niet van de eeuwige verdoemenis verlossen en hun ook Zijn barmhartigheid en genade niet meedelen. Maar in Zijn onverplichte liefde wilde Hij Zijn toorn van hen afwenden op hun Plaatsvervanger. Dit kon doordat die Plaatsvervanger – Die Hij Zelf had gegeven – de slag van het wraakzwaard opving. Zo kon God met verheerlijking van de deugd van Zijn heilige en volmaakte gerechtigheid tóch liefde bewijzen aan Zijn verdoemeniswaardige, uitverkoren gemeente. O, hoe moest ons hart niet in liefde ontvonken voor zoveel barmhartigheid in deze genadige Hogepriester voor Zijn vijanden!

De Dordtse Leerregels omschrijven dit lijden:

De dood van Gods Zoon is de enige en volmaakte offerande en genoegdoening/betaling voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid, overvloedig genoegzaam/voldoende tot verzoening van de zonden van de gehele wereld.

Hoe belangrijk om Hem in Zijn lijden recht te betrachten, dat is: om te beseffen dat dit lijden mijn schuld is. En hoe belangrijk om te geloven dat dit lijden voor mijn schuld nodig is, om zo ook te leren geloven dat dit lijden tot vergeving van mijn schuld is.

Lezen: Markus 10:35-45; zingen: Psalm 79:4

8 MAART

Jezus zei: “Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods horen, en het bewaren.”

Lukas 11:28

Misverstanden moeten uit de weg worden geruimd. Ook Jezus doet dit. Wanneer een vrouw zegt: “Zalig is de buik die U gedragen heeft, en de borsten die Gij hebt gezogen”, zegt Hij: “Zalig zijn degenen die het Woord Gods horen, en het bewaren.” Dus niet zozeer Maria is gelukkig te prijzen dat zij het Kindje Jezus mocht dragen en baren, zogen en verzorgen, maar veelmeer is die lezer van dit dagboek gelukkig te prijzen die Gods Woord hoort en het bewaart.

Jazeker, ook Maria was hoog bevoorrecht om te zijn uitgekozen tot dit ontzaglijk belangrijke werk, maar toch is er een hoger voorrecht: Gods Woord horen, zo, dat u het ook overdenkt, in uw innerlijk koestert en gelovig gehoor geeft, gehoorzaamt.

Wij hebben in een veelheid van uitgaven Gods onfeilbaar en krachtig Woord in onze woningen. We lezen het elke dag en we horen het elke week. Laten we het niet gewoon vinden! Laten we niet doen alsof het vanzelf spreekt. Het is zó rijk en zó belangrijk! Paulus schrijft over dit Woord: ‘Het is een kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft.’ En: ‘Het woord van het kruis is voor ons, die behouden worden, een kracht Gods.’ En: ‘De heilige Schriften kunnen u wijs maken tot zaligheid, door het geloof, in Christus Jezus’.

Wat doen wij met Gods Woord? Waarderen wij het als een groot geschenk? Slaan de regels in Psalm 25 vers 5 dat ik hierbij opgeef om te zingen, op ons?

Lout’re goedheid, liefdekoorden,

Waarheid zijn des HEEREN paân

Voor hen die Zijn verbond en woorden

Als hun schatten gadeslaan.

Lezen: Lukas 11:24-28; zingen: Psalm 25:5

9 MAART

Jezus zei: “Dit is een boos/goddeloos geslacht. Het verzoekt een teken, en het zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.”

Lukas 11:29

Wat moet het voor de heilige Zoon van Maria een verschrikking zijn geweest om te verkeren in het midden van mensen die Hij hier omschrijft als ‘een boos geslacht’! Het woord ‘boos’ gebruikt onze Statenvertaling niet in de betekenis zoals wij het gebruiken. Als wij het hebben over boze mensen, bedoelen we dat zij op iemand kwaad zijn. De statenvertalers gebruiken het woord in de betekenis van ‘goddeloos’, ‘verdorven’.

Het verbondsvolk is dus een volk dat in het geheel niet lijkt op hun God. Ze hebben de zonde lief en geven zich aan goddeloosheid over. Eén van de dingen, waar hun boosaardigheid uit blijkt, is dat ze van Jezus een teken begeren. Dat lazen we pas ook al in vers 16: ‘Anderen, Hem verzoekende, begeerden van Hem een teken uit de hemel.’

Ze hadden al zo veel bewijzen gezien van Zijn macht, Zijn wijsheid en goedheid. En toch weigerden zij Hem te geloven.

We kijken nu in een spiegel en zien in deze verdorven mensen onszelf: hoe veel bewijzen van Gods macht en goedheid hebt u al niet ontvangen! En wat deed u ermee? Wat doe ik ermee? Moeten we ons niet schamen voor de Heere dat we zo ongevoelig zijn, zo ongeïnteresseerd? Zo lauw?

We voegen aan het vele lijden van Jezus tijdens Zijn leven op aarde, nog lijden toe in de zin dat we Hem verdriet doen, dat we Hem smarten aandoen. Net zoals in Jesaja 63 vers 10 staat: “Zij waren weerspannig, en zij deden Zijn Heilige Geest smarten aan.”

Smart dit u niet?

Lezen: Lukas 11:29-36; zingen: Psalm 81:14

10 MAART

En de Heere zei: “Het binnenste van u is vol van roof en boosheid.”

Lukas 11:39

Dit gewaar te worden, is een bittere zaak: het binnenste van mij is vol roof en boosaardigheid, gemeenheid, slechtheid, goddeloosheid, zonde en verkeerdheid.

Maar wat willen we met het lijdensevangelie dat ons elke zondag wordt verkondigd, als we niet vol van roof zijn? Als we niet vol van goddeloosheid zijn? Als we meevallen? Als we over onszelf aardig tevreden kunnen zijn?

Wat voor noodzaak zou er zijn geweest voor de Zoon van God om onze natuur aan te nemen en de dood te ondergaan, als wij geen hel-verdienende zondaren waren?

O, het blijft waar: het is een bittere zaak om gewaar te worden, dat het binnenste van mij vol roof en boosaardigheid is. Maar hoe bitter ook, het is nodig, het is heilzaam. Zo alleen zullen we, eens en steeds weer, de lijdende Borg nodig hebben en Zijn lijden kunnen waarderen. Zo alleen zullen we Hem de eer kunnen toebrengen die Hem toekomt.

Daarom, vraag eerbiedig om de woorden van de dagtekst te leren verstaan, diep en grondig.

Verder: hoe bitter deze ervaring ook mag zijn, ze is niet zo bitter, dat ze ons van de zoetheid van het evangelie van Gods heerlijke vergeving zou buitensluiten. Juist niet! Dat vreest u misschien wel, maar het is net andersom: juist deze beleving trekt ons tot de Fontein van Gods vergevingsgezindheid!

Laat u daarom niet tegenhouden door het besef van uw roofzuchtigheid en boosaardigheid. Al bent u een eerrover Gods en al hebt u Zijn Zoon gedood…, kom nu tot de troon der genade.

Juist u bent welkom! Juist nú.

Lezen: Lukas 11:37-43; zingen: Psalm 86:3

11 MAART

Toen Jezus deze dingen zei, begonnen de Schriftgeleerden en farizeeën hard aan te houden, Hem lagen/listen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.

Lukas 11:53-54

Bij het woord ‘mochten’ moet u niet denken aan ‘mocht het wel of mocht het niet?’ Maar het Oudnederlandse woord ‘mochten’ betekent: ‘zouden’ of ‘konden’. Er staat dus: ‘opdat zij Hem konden beschuldigen.’

Wat is dit gemeen! Toch moeten we weer bedenken, net als gisteren, dat we niet ‘door een venster naar anderen kijken’, maar ‘in een spiegel naar onszelf kijken’. Onderzoek eens, hoe u reageert, als u van huichelachtigheid wordt beschuldigd. En dat deed Jezus: Hij zei het keer op keer: “Jullie zijn met al je godsdienstige vormen en gewoonten niets anders dan geveinsden, toneelspelers.”

Dit bedoelden ze misschien niet eens, maar ze deden en waren het wel!

Zelfkennis, door Gods Geest gewerkt, doet ons inzien dat wij geen haar beter zijn en dat we ten diepste nooit eerlijk voor God zijn. En dat moet toch onze oprechte en zuivere Heere Jezus wel pijn doen, denkt u niet? Zo was het tijdens Zijn aardse omwandeling immers ook: wat een pijn en een smart veroorzaakte het in het reine hart van onze zondeloze Hogepriester dat de godsdienstige leiders van Zijn tijd zó onoprecht waren, zo verzonken en verdronken in het ‘de schijn ophouden’.

En toch, wie zich met eerlijke tranen van berouw en zelfbeschuldiging voor Hem buigt als een grondeloos oneerlijk adamskind, mag en moet geloven dat deze Hogepriester is gekomen om ook deze zonde van het volk te verzoenen.

Lezen: Lukas 11:44-54; zingen: Psalm 51:1

12 MAART

Jezus begon te zeggen tegen Zijn discipelen: “Vooreerst wacht u voor de zuurdesem der farizeeën, welke is geveinsdheid.”

Lukas 12:1

Geveinsdheid, huichelachtig zijn, toneelspelen… Zo zijn de geestelijke leidslieden van het verbondsvolk. De meest ernstige groep, die Gods Woord het meest serieus neemt, noemt Jezus hier geveinsden. Wat een tegenvaller zo te worden aangesproken! Wat een ontnuchtering te moeten beamen: zo ben ik. Ik had het nooit door, maar o, de teleurstelling om het nu eerlijk te moeten toestemmen: “Heere Jezus, U hebt gelijk! Ik wist het niet, maar nu zie ik mezelf in de spiegel van Uw heilige wet, nu zie ik welke verborgen diepten er in mijn innerlijk zijn. Nu zie ik, dat het toch echt waar is: toneelspel is mijn kerkgang, mijn zingen en mijn bidden, ja heel mijn godsdienst.”

Dan wordt in ons hart de bede geboren: hoe kom ik hier ooit vanaf? Is er voor een huichelaar, voor zúlk een schijnheilige, nog een weg van verlossing?

De Heere weet raad: Hij verzoent de zondeschuld van huichelaars zoals Saulus van Tarsen. Hij vernieuwt hun verdorven gemoed en herstelt hen in Zijn beeld. Wanneer doet Hij dit? Wanneer we in oprechtheid onze onoprechtheid aan Hem belijden. Hij belooft in Jesaja 61 vers 8: “Ik zal geven, dat hun werk in waarheid zal zijn, en Ik zal een eeuwig verbond met hen maken.”

Maar, zegt Psalm 85: dat zij niet opnieuw tot dwaasheid, tot huichelachtigheid, keren! En daarom waarschuwt Jezus Zijn volgelingen voor de geveinsdheid van de farizeeën. En deze ernstige waarschuwing blijven wij nodig hebben, omdat we een bestaan omdragen dat áltijd weer geneigd is tot toneelspel…

Lezen: Lukas 12:1-12; zingen: Psalm 26:4

13 MAART

Jezus zei tegen hem: “Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over u gesteld?”

Lukas 12:14

In geschriften uit de tijd van de Nadere Reformatie kunnen we wel eens de uitdrukking lezen: gebruik maken van Jezus. Denk aan de volgende uitspraak van ds. Comrie in een brief van 29 april 1774: “Hoe meer wij gebruik maken van Jezus, door Hem op Gods eigen aanbod te omhelzen, hoe meer sappen en voedsel wij uit Hem zullen ontvangen.”

Van Jezus gebruik maken is dan een geloofsdaad. En dat is goed. Maar we kunnen Hem ook op een verkeerde manier gebruiken. Dat doet de man tot wie Jezus Zich in de dagtekst richt. Hij vraagt: “Meester, zeg tegen mijn broer, dat hij met mij de erfenis deelt.”

En wij? Hoe gebruiken/misbruiken wij Jezus?

Vinden we dat onze eigenlijke nood bestaat in lichamelijke of psychische ziekte of sociale en andere menselijke ellende? Dan zoeken we vooral een Jezus, Die geneest en helpt.

Vinden we dat onze eigenlijke nood bestaat in de eeuwige straf? Dan zoeken we vooral een Jezus, Die ons van die hel verlost, waarbij Gods eer ons niet echt belangrijk is.

Vinden we dat onze eigenlijke nood bestaat in onze zondige onreinheid? Dan zoeken we, met ernst, de Heere Jezus, als Degene Die ons van die smet der zonde verlost. Dit is wel veel beter, maar toch is er volgens de Heilige Schrift nog iets anders, iets dat nog belangrijker is:

Leren we dat onze eigenlijke nood bestaat in onze schuld bij God? dán zoeken we de ware Jezus, Die niet in de eerste plaats van lichamelijke en tijdelijke nood verlost of van de eeuwige straf of zelfs van de vuilheid der zonde, maar Die onze hemelhoge schuld bij God betaalt en zo aan Gods recht voldoet.

Lezen: Lukas 12:13-21; zingen: Psalm 85:1

14 MAART

Want al deze dingen zoeken de volken der wereld; maar uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft.

Lukas 12:30

Nog een aspect aan het lijden van Jezus tijdens de dagen dat Hij van stad tot stad trekt, is dat Hij bij de mensen ziet hoe bezorgd zij zijn. Nee, niet over Gods eer, hun zaligheid, of de komst en doorwerking van het Koninkrijk. Maar over de vragen van voedselvoorziening en kleding.

Hij zegt daarom: “Wees niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult.” Ds. F. Costerus schreef hierover: “De wereld is vol zorg en bekommernis, maar de meeste bekommernis is onnuttig of ongeregeld. Waarover de mensen niet bekommerd moesten zijn, daar zijn zij juist bekommerd over. En waarover zij zich behoorden te bekommeren, daarover hebben zij juist geen bekommernis. Is er iets, wat een hartelijke bekommernis eist, het is onze zaligheid, toch is bij de meeste mensen dienaangaande geen of weinig bekommernis. De nodige en allergewichtigste vraag, hoe zij zalig zullen worden, wordt door de meesten ten enenmale vergeten. Zij zijn bezig met hun werk, hun ambacht, hun koopmanschap. Zij eten en drinken, en zij verzorgen hun lichaam goed, maar verder denken zij niet. Al hun zorg is hoe zij met eer door de wereld zullen komen, maar hoe zij in de hemel zullen komen, vragen zij niet. Zij vragen wel: “Wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmee zullen wij ons kleden?”, maar niet: waarmee zullen wij onze zielen spijzen en laven? Waarmee zullen wij onze naaktheid voor de Heere bedekken?”

Zou het de Zaligmaker geen leed hebben gedaan?

Lezen: Lukas 12:22-31; zingen: Psalm 38:18

15 MAART

Gij dan, wees ook bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.

Lukas 12:40

Terwijl Jezus op weg is om Zich te geven aan het vloekhout der schande, spreekt Hij waarschuwend over Zijn tweede komst, wanneer Hij zal komen om te oordelen. Wat houdt oordelen in? Dat we beloning of vergelding ontvangen zoals we verdiend hebben. Dit wordt een heel aangrijpende dag. Hoe zal het vallen? Zal het meevallen of tegenvallen? Wat denkt u?

Jezus zegt dat u ‘bereid’ moet zijn; dat u er klaar voor moet wezen. Door op tijd te zijn met de grote dingen van uw leven: verzoening met God, vrijspraak van schuld, herstel in Gods beeld. Zijn deze dingen niet in orde, wanneer de Heere Jezus terugkeert, dan wacht een vreselijk oordeel.

Stelt u deze dingen uit? Denkt u: het moet er wel een keer van komen, maar dat kan morgen ook nog? O, het is een list van satan, die slim genoeg is om u niet in te fluisteren, dat u helemaal geen verzoening hoeft te zoeken, maar u wel listig influistert, dat u deze verzoening niet vandáág al moet zoeken. En zo blijft het steeds ‘morgen’, ‘morgen’.

Daarom waarschuwt de Heere Jezus: wees er toch klaar voor! Laat alles toch op tijd, nú, in orde komen! Stel niet uit! Het is zomaar te laat!

Wie zal er straks op de wolken des hemels komen? Hij noemt Zich ‘de Zoon des mensen’, zoals Hij één met ons is geworden, ons heeft bezocht met Zijn heil en zegen. Daarom is er alle reden voor, om Hem nu te voet te vallen en al onze schuld Hem te belijden en om genade te smeken. Want Hij, de Zoon des mensen, is gekomen om onze zielen, nee: niet te verderven, maar: te behouden!

Lezen: Lukas 12:32-40; zingen: Psalm 119:69

16 MAART

Zalig is de dienstknecht, die zijn heer, als hij komt, zal vinden, zo doende.

Lukas 12:43

De Heere komt, zo overdachten we gisteren naar aanleiding van het voorgaande gedeelte in dit hoofdstuk. Opnieuw heeft Jezus het daarover: Hij komt. Wanneer? Het is ons allen onbekend. Op die dag, de dag van Jezus’ wederkomst, zijn de mensen bezig met de dagelijkse dingen. Verderop in dit evangelie lezen we:

Zoals het gebeurde in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen: zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot de dag, waarop Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en allen verdierf.

Zoals het ook gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden… Maar op de dag, waarop Lot uit Sodom ging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf allen.

Precies zo zal het zijn op de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden: wie op die dag op het dak zal zijn, en zijn huisraad is in huis, die moet niet naar beneden komen om dat weg te nemen. En wie op de akker zal zijn, moet niet terugkeren naar dat wat achter is.

We moeten echter bij al die bezigheden één ding niet vergeten: het werk in Gods Koninkrijk mag niet onderbroken worden. Het dienen van God moet doorgaan, tot op die laatste dag toe. Wie dit nalaat, ontvangt geen deel in het eeuwige leven, maar wie zich van deze taak gewetensvol kwijt, die noemt Jezus zalig.

Dus met Maria mag u tijd nemen om Zijn Woord te horen, maar ook moet u met Martha bezig zijn in het dienen van de Koning en Zijn volk.

Lezen: Lukas 12:41-48; zingen: Psalm 22:16

17 MAART

Ik moet met een doop gedoopt worden. En hoe word Ik geperst, totdat het volbracht is!

Lukas 12:50

In dit vers noemt Jezus Zijn lijden ‘gedoopt worden’. Hij voelt Zich geperst. Dit kan volgens onze statenvertalers duiden op benauwdheid, of op begeerte. Benauwdheid, omdat Jezus weet welk een bitter lijden en sterven Hem te wachten staat, namelijk van God verlaten te zullen worden. Maar ook begeerte, omdat Hij weet welk een onuitsprekelijk en onuitputtelijk grote volheid van zegeningen zullen vloeien uit Zijn offer. Om het te zeggen met de woorden van Paulus in Galaten 3 vers 13 en 14: Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, door voor ons een vloek te worden. Want er is geschreven: vervloekt is een ieder die aan het hout hangt. Opdat de zegen van Abraham tot de heidenen zou komen in Christus Jezus, opdat wij de belofte van de Geest zouden krijgen door het geloof.

Wie peinst over de woorden uit de dagtekst en wie het licht van de Geest daarover ontvangt, kan niet anders dan diep, diep ontdaan en aangedaan zijn door Jezus’ woorden. Het leed en de smart die Zijn tere menselijke en zondeloze ziel zou ondergaan, geheel gewillig… O, wie zou niet huiveren van ontzetting en verwondering?

Ons komen de woorden van Jesaja 53 vers 5 voor de aandacht:

Hij is om onze overtredingen verwond

Om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld.

De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem

En door Zijn striemen is er voor ons genezing geworden.

Juicht u bevend? Aanbidt uw ziel zulk een onpeilbare Liefde?

Lezen: Lukas 12:49-53; zingen: Psalm 22:1

18 MAART

Ik zeg u: “Gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningske betaald zult hebben.”

Lukas 12:59

De Heere Jezus waarschuwt u om u te haasten om alles op tijd in orde te maken. In dit hoofdstuk gaat het er vaker over om op tijd de juiste dingen te doen. Om het niet uit te stellen, wat u voor uw levenseinde of voor de wederkomst in orde moet hebben.

In het stukje waarmee Lukas 12 afsluit, gaat het over twee mensen die met elkaar ‘in de clinch liggen’. En de één dreigt de ander met een rechtszaak. Wat moet je dan doen? Jezus antwoordt: terwijl je al op weg bent naar de rechtbank, is het nog tijd om het verschil in orde te maken. Doe het toch voordat je bij de rechter bent aangekomen, want dan kun je niets meer in de minne schikken.

Deze illustratie maakt duidelijk dat u zich moet haasten om op tijd de ‘zaak’ die er tussen God en u is, in orde te maken. Straks is het te laat, voorgoed te laat.

Waarom zou u uw ‘Wederpartij’, de Heere God, niet te voet vallen en om genade smeken? Hebt u dit gedaan, en hebt u dus verzoening gevonden in Jezus Christus, dan kunt u de gerichtsdag zonder te schrikken tegemoet reizen.

Wie hierin nalatig is en geen Borg voor zijn hemelhoge schuld zoekt, moet straks tot en met de laatste cent betalen: “Ik zeg u: Gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningske betaald zult hebben.” Het woordje ‘geenszins’ klinkt extra dreigend, net alsof de Heere Jezus bedoelt: u kunt wel denken dat het mee zal vallen, maar het zal NIET meevallen. U moet u maar niets inbeelden. O, vergis u toch niet!

Lezen: Lukas 12:54-59; zingen: Psalm 85:2

19 MAART

Ik zeg u: “Indien gij u niet bekeert, zult gij allen desgelijks vergaan.”

Lukas 13:3

Er was iets vreselijks gebeurd: terwijl enige Joden bezig waren een offer te brengen, kwamen er soldaten van Pilatus die er op in hakten zodat de offeraars slachtoffers werden. Nu denken sommigen dat God dit toeliet omdat deze Joden goddelozer waren dan de anderen. Jezus maakt duidelijk dat dit niet het geval is. Wij kunnen niet de conclusie trekken dat mensen die een ramp meemaken of in een ramp omkomen, zondiger zijn dan mensen die dit niet meemaken. De Prediker zei dit al duidelijk: iedereen krijgt te maken met dezelfde ervaringen, of hij nu goed of slecht is, godsdienstig of niet godsdienstig, werelds of gelovig… Maar toch blijkt diep in ons de gedachte te wortelen, dat ramp en onheil te maken hebben met ons gedrag, onze zondige praktijken. Wie goed leeft, hoeft dit soort dingen niet mee te maken, en wie slecht leeft, wel. Jezus vertelt ons nu in de tekstwoorden dat we allemaal hetzelfde oordeel verdienen. Er is geen verschil tussen mensen die zich niet bekeren. O ja, in burgerlijke zin is er wel verschil, groot verschil vaak, maar in geestelijk opzicht verdienen allen dezelfde straf: vergaan!

Om dit nu ook voor eigen hart en leven te leren en goed te keuren…

Kwam het bij u al zover? Of verheft u zich heimelijk nog boven slechteriken en wereldse mensen?

Wat is de uitweg om niet te vergaan? U bekeren, zegt de Heere: uw zondige praktijken laten. In vers 5 herhaalt Hij dezelfde woorden om onmiskenbaar duidelijk te maken, dat dit echt de enige weg is: bekeer u!

Lezen: Lukas 13:1-5; zingen: Psalm 26:5

20 MAART

Waartoe beslaat hij ook onnuttig de aarde?

Lukas 13:7

Het is één van tweeën: óf we zijn anderen tot nut óf we brengen hun schade toe. Het is onmogelijk om er tussenin te zitten. Waarom is dit zo? Kijk naar die vijgenboom. Hij staat in een wijngaard, zegt de Heere Jezus. Daar hoort ‘ie wel niet, maar goed, hij staat er nu toch. Als hij nu maar vrucht draagt, dan is het goed. Maar als hij geen vrucht draagt? Wat dan? Wat doet de vijgenboom dan? Dan zuigt hij uit de bodem water, dat de wijnstokken hard nodig hebben – en dus is hij voor die wijnstokken schadelijk. Verder houdt zijn dichte bladerdak de broodnodige zonnestralen tegen, zodat de druiven aan de wijnranken niet rijp kunnen worden.

Een geen-vrucht-voortbrengende vijgenboom is in een wijngaard niet neutraal, maar schadelijk. Met de wijngaard wordt Gods gemeente bedoeld, eerst onder Israël, nu ook in de volkenwereld.

Een christen die niet tot eer van God en tot heil van zijn naaste leeft, bevordert geesteloosheid en aardsgezindheid.

Bent u een vruchtdragende boom?

Laten wij zoeken nuttig te zijn! Er is geen gelukkiger leven dan voor Gods gemeente dienstbaar en nuttig te zijn. Hoe? Door nauw contact met de Heere Jezus, de geloofsband van de Heilige Geest. Nee, het lukt u en mij niet om onszelf vruchtbaar te maken, maar we mogen elkaar verwijzen naar en ons vervoegen bij de Bron van vruchtbaarheid. Over Hem zegt Petrus tegen Cornelius: “Hij ging het land door, goed doende…” En toch werd deze groene en vruchtdragende Boom uitgeroeid, opdat wij, onvruchtbaar en tweemaal gestorven dor hout, mogen horen: “Uw vrucht is uit Mij gevonden!”

Lezen: Lukas 13:6-9; zingen: Psalm 1:2

21 MAART

En deze, die een dochter van Abraham is, die de satan, zie, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van deze band?

Lukas 13:16

Ja, Petrus zegt het goed in het huis van de Romeinse hoofdman in Caesarea dat Jezus goeddoende het land doorging. Hij voegt erbij: genezende allen die door de duivel overweldigd waren. Hier is er zo een: een dochter van Abraham, een verbondskind, een lid van Gods uitverkoren volk Israël. En zie, al achttien jaren lang houdt de duivel haar in zijn macht: hij overweldigt haar. Ze kon niet los komen. Niemand kan haar van deze kwelgeest bevrijden.

Zo is het met u en mij: kind van Abraham, ingelijfd in de olijfboom Israël, lid van Zijn heilige gemeente, en toch…, o, toch geknecht door satan, overweldigd door zijn macht! U en ik. Wel op een heel andere manier dan deze vrouw. Wij hebben lichamelijk misschien niets te lijden en ondervinden daarin amper nare gevolgen van satans heerschappij. Maar is deze daarom minder erg? En is genezing, verlossing, daarom minder nodig?

Lukas vertelt Wie machtiger is dan de duivel, namelijk onze Heere Jezus Christus. Hij weet raad en brengt genezing. Hij verlost en redt. Hij overwon satan en zal hem binnenkort uiteindelijk verslaan en onder onze voeten verpletteren. Daarom, wat u ook mankeert, en hoe zwaar u in geestelijk opzicht ook gehandicapt bent, neergebogen naar de aarde, gericht op de dingen van beneden, niet in staat om u op te richten, niet in staat om de dingen die Boven zijn, te bedenken, niet in staat om de Heere te zoeken en het lieflijk licht van Zijn gezicht te aanschouwen… Jezus legt in de prediking Zijn genezende handen op ons.

Lezen: Lukas 13:10-17; zingen: Psalm 32:4

22 MAART

En Hij reisde van de ene stad en vlek/plaats tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem.

Lukas 13:22

Steeds maar op weg… verder reizend… Met maar één doel: Jeruzalem. Jeruzalem was een getrouwe stad en volgens Jesaja 1 vers 21 herbergde gerechtigheid daarin. Deze stad, zo lezen we in hetzelfde vers, was vol recht. Maar zo is het niet gebleven. Laten we vers 21 nog een keer lezen: “Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht; gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers.” En in vers 9 schrijft de profeet: “Als niet de HEERE der legerscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn. Wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.”

Ook de profeet Zefanja klaagt, als hij het over Jeruzalem heeft: “Wee de ijselijke en de bevlekte, de verdrukkende stad!”

En naar deze stad is Jezus onderweg. En niet bang of aarzelend, maar vol van de Geest en vol liefde! En terwijl Hij op weg is naar de martelstad, onderwijs Hij de mensen in het ene nodige. Hij wil zielen brengen tot de kennis van God en zo van het heil in Hem.

Hieruit blijkt overduidelijk hoe belangrijk onderwijs is. Laten we dan ons verstandelijke vermogens gebruiken en ons geheugen om Gods Woord te onderzoeken en in ons op te nemen, terwijl we smeken om de toepassing en doorwerking van de Heilige Geest.

Het belangrijkste onderdeel van Zijn onderwijs is wel het plaatsvervangende lijden en de schuldbetaling door Hem als Borg. Daar vinden wij de kern van de evangelieboodschap en ook van de echte en blijvende vrede.

Lezen: Lukas 13:18-22; zingen: Psalm 130:2

23 MAART

Er zei één tegen Hem: “Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden?” En Hij zei tegen hen: “Strijdt om in te gaan door de enge poort.”

Lukas 13:23-24

God spoort ons in Zijn Woord aan om in te gaan door de enge of nauwe poort. Wij moeten ons inspannen, staat er. Het woord ‘strijdt’ betekent namelijk: doe uw best, span u in. Het lijkt erop dat het geen gemakkelijke zaak is door die poort te komen.

Wat is die poort dan?

Matthew Henry schrijft:

De neiging van uw ziel moet anders worden, met slechte gewoonten moet u breken. Wat wij ons hele leven gedaan hebben, moeten we weer ongedaan maken. Wij moeten tegen de stroom in zwemmen. We moeten worstelen met veel tegenstand, we moeten erdoor heen breken, van buiten en van binnen. Het is gemakkelijker een mens te stellen tegenover de gehele wereld dan tegenover zichzelf, en toch moet dit gebeuren in de bekering. Het is een kleine poort: wij moeten bukken, of wij kunnen er niet in komen. Wij moeten worden als kleine kinderen: hoge gedachten moeten neergeworpen worden. Ja, wij moeten ons van alles ontdoen, onszelf verloochenen, de wereld verzaken, de oude mens uitdoen, wij moeten bereid zijn alles te verlaten om deel te hebben aan Christus. De poort is voor allen smal, maar voor sommigen smaller dan voor anderen, zoals voor de rijken, en voor hen die gedurende lange tijd tegen de dienst van God bevooroordeeld zijn geweest. De poort is nauw, maar geloofd zij God: zij is niet gesloten, niet op slot en grendel gedaan voor ons, en ook niet door een vlammend zwaard bewaakt, zoals het binnen kort zal zijn…

Lezen: Lukas 13:23-30; zingen: Psalm 25:7

24 MAART

Jeruzalem, Jeruzalem, gij, die de profeten doodt, en stenigt hen die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder de vleugels; en gij hebt niet gewild!

Lukas 13:34

Wát een lijden! Wat een pijn voor de vriendelijke Zaligmaker Die Zich hier vergelijkt met een moedervogel, die haar kuikentjes lokt en roept onder de veilige schuilplaats van haar vleugels, om ze tegen alle gevaren te beschermen!

Wie Hem maar láát lokken, en de evangeliestem geen gehoor geeft; en wie Zijn uitnodiging om schuilplaats te zoeken in de wind slaat, die pijnigt met zijn ongeloof en ongehoorzaamheid, deze vriendelijke Borg en Zaligmaker.

Wie dit moet belijden en zich niet meer boven het moordenaarsvolk in Jeruzalem kan verheffen, die raad ik in Jezus’ Naam aan: vlucht toch tot onder de veilige vleugels van deze trouwe Heiland.

Doe als Ruth. Boaz zegt wat zij deed, toen zij tegen Naomi zei: “Uw volk is mijn volk en uw God mijn God”: Jehovah moge u uw daad vergelden en moge uw loon volkomen zijn van Jehovah, de God van Israël, onder Wiens vleugel gij gekomen zijt om toevlucht te nemen!

U zult immers in het eindgericht óf als moordenaar van de profeten, van dé Profeet, worden gevonnist, tenzij u onder Zijn verzoenende en schuld-bedekkende gerechtigheid toevlucht neemt.

Weet, wat u doet, als u daar niet heenvlucht.

Durft u, grote booswicht, ja doodstrafwaardige misdadiger, niet? Ruth mocht ook niet; toch was ze welkom. U ook, vandaag nog!

U denkt toch niet dat u Hem verheerlijkt door uw bezwaren te blijven koesteren?

Lezen: Lukas 13:31-35; zingen: Psalm 81:15

25 MAART

Wie zijn kruis niet draagt en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.

Lukas 14:27

Samen denken over de lijdende Zaligmaker betekent ook zelf de lijdensweg gaan. Niet om plaatsbekledend voor anderen te betalen. Ook niet om voor onszelf verzoening te bewerken, maar zoals Jezus het hier bedoelt. In vers 26 noemt Hij wat Hem volgen ons kan kosten: Als iemand tot Mij komt en zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven niet haat, die kan Mijn discipel niet zijn.

Hiermee bedoelt Hij: wie niet gezind is en bereid is naar Mijn voorbeeld en omwille van Mij vervolging en verdrukking te lijden…

Zo moeten we ons kruis dragen. Niet al zuchtend en tegen onze zin, maar zoals we in elke doopdienst horen: ‘ons kruis vrolijk dragen…’

Doen we dit door Gods genade en in de kracht van de Heilige Geest, dan kunnen we Jezus’ discipelen zijn. Wat houdt het in om discipel te wezen? Dat we ons leergierig en volgzaam betonen: achter Hem aan. Hij mag de weg bepalen en Hij mag ons Zijn geboden opleggen. We zijn het er bij voorbaat mee eens; we keuren het onvoorwaardelijk goed.

Gemakkelijk schrijven? Ja, misschien wel. Maar is het daarom niet waar? Nee, het is niet onwaar. Moge de Heere uw en mijn hart inwinnen voor dit spoor: mét Jezus de lijdensweg gaan, en mét Hem in de overwinning delen. Zo schrijft Paulus erover (Romeinen 8 vers 17): als wij met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. En in Romeinen 6 vers 5: als wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking aan Zijn dood, dan zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding.

Lezen: Lukas 14:25-35; zingen: Psalm 86:6

26 MAART

Maar eerst moet de Zoon des mensen veel lijden, en verworpen worden door dit geslacht.

Lukas 17:25

De woorden die Jezus in dit 25ste vers zegt, zijn een onderdeel van Zijn antwoord op de vraag wanneer het Koninkrijk van God zal komen. Zij denken aan pracht en praal, overwinning en blijdschap. Maar het Koninkrijk van God komt in deze tijd, de tijd vóór de wederkomst van Christus, in de gestalte van het lijden. De Koning Zelf moet lijden, zelfs véél lijden. En dit niet zozeer door de Romeinen, de bezettende macht. Niet zozeer door de heidenen met hun goddeloze praktijken en afgoden. Maar Jezus zegt: “Door dit geslacht”, door het Joodse volk. Johannes omschrijft het zo: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

En wij? Verwerpt u Jezus? Hem verwerpen kan op een heel brute of brutale manier, waar fatsoenlijke kerkmensen schande van spreken. Maar het kan ook op een nette en fatsoenlijke manier, waarbij ons geweten ons helemaal niet aanklaagt, dat we iets verkeerds, iets ergs gedaan hebben.

Als kerkmensen doen we het vaak op die tweede manier. Door ons niet aan Hem toe te vertrouwen. Door Zijn woord van vergeving in twijfel te trekken. Door argwaan te blijven koesteren, al zegt Hij door Zijn knecht dat God de wereld met Zichzelf verzoend heeft en hun zonde hun niet toerekent.

Ondertussen moet het ons smarten dat het uitverkoren verbondsvolk de Verlosser om Wiens komst zij gedurig baden en Die zij vurig verwachtten, verwierpen en zelfs kruisigden. Wat kunnen wij ons toch erbarmelijk vergissen! Dat we denken naar Christus te verlangen, terwijl we Hem verwerpen…

Lezen: Lukas 17:20-25; zingen: Psalm 81:13

27 MAART

Gedenk aan de vrouw van Lot.

Lukas 17:32

Wat een indringende waarschuwing richt de Heere Jezus in deze woorden tot ons! We moeten niet vergeten wat de vrouw van Lot is overkomen: ze vlucht met haar man en dochters de stad Sodom uit. Ze is bijna veilig. Toch komt ze om. Hoe komt dit? Ze kijkt om.

We zouden daaruit kunnen afleiden dat haar hart niet ging waarheen haar voeten gingen, maar dat dit in Sodom was achtergebleven.

Waarom zou de Heere Jezus naar haar verwijzen en ons aan haar lot herinneren? Het kan ons allen duidelijk zijn dat Hij bedoelt dat wij zo niet moeten doen. Dat wij er niet mee tevreden moeten zijn om bijna gered te wezen. Maar dat het er op aan komt om helemaal gered te zijn.

We doen er goed aan onszelf te onderzoeken: is mijn hart nog in ‘Sodom’? Ben ik nog in gevaar? En dan gaat het niet, zoals we allen beseffen, om lichamelijke gevaren, maar gevaren die onze ziel en zaligheid bedreigen. Hoe staat het er voor?

Christus spreekt in de voorgaande verzen, waar we gisteren bij stilstonden, over Zijn lijden. Hoe komt Hij er bij om over dat lijden te spreken? Omdat de Joden denken aan uitwendige pracht en praal, maar Hij moet eerst lijden.

Hoe komt Hij ertoe om over het huiveringwekkende lot van deze vrouw uit Sodom, op weg naar het leven, te spreken? Omdat velen menen: ik hoor bij het volk uit Abraham gesproten, dat zoveel gunsten heeft genoten – en dus komt het wel goed…

Vergis u niet!

Wat kunnen wij ons toch erbarmelijk vergissen als we denken behouden te zijn, terwijl we verloren gaan…

Lezen: Lukas 17:26-37; zingen: Psalm 119:60

28 MAART

De Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?

Lukas 18:8

Nadat Jezus Zijn volgelingen heeft bemoedigd met de woorden dat Zijn hemelse Vader zeker Zijn kinderen zal beschermen tegen onrecht en geweld, verzucht Hij: “Zal de Zoon des mensen geloof vinden op de aarde, wanneer Hij komt?”

De Heere Jezus komt terug. Geloven wij dit ook? De wereld gelooft het niet en houdt er dus ook geen rekening mee. De kerkmensen dan? Houden zij er rekening mee dat de wereldgeschiedenis uitloopt op de grote oordeelsdag? En de lezers van dit dagboek? U? Gelooft u in de terugkerende Zaligmaker, de Rechter van het heelal? Gelooft u dat Hij komt om verantwoording te eisen?

Dit ongeloof dat bij Zijn wederkomst bijna overal aanwezig zal zijn, is een onderdeel van Zijn lijden. Wat een belediging immers voor Hem Die de overwinning behaalt, om zo miskend te worden! Ook door de Zijnen. Hoe weinig houden Zijn volgelingen er rekening mee dat God recht zal doen… Hoe weinig vast vertrouwen zij in het midden van gevaren en bedreigingen, dat Hij regeert en Zijn almacht zal tonen…

Zo bepalen ook deze woorden ons bij het ontstellende, het God zo onterende en onze zielen zo verwoestende ongeloof, dat overal om ons heen heerst en dat ook ons van alle kanten bedreigt.

Laten we niet meewarig of verontwaardigd naar anderen kijken, maar ons er in de weg der middelen voor inzetten dat ons nageslacht en onze naasten leren rekening te houden met en uit te zien naar de komst van de Overwinnaar. Zo zegt Hij het toch Zelf: “In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.”

Lezen: Lukas 18:1-8; zingen: Psalm 27:7

29 MAART

En zij brachten ook de kinderkens tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften hen.

Lukas 18:15

Jezus wordt boos. Niet op vijanden. Niet op tegenstanders. Ook niet op onverschillige voorbijgangers, maar op Zijn eigen discipelen. Ze houden mensen bij Hem weg. En dat is erg. Om van te schrikken. En dit wordt gedaan door mensen die Jezus liefhebben en hoogachten. Ze willen niets doen wat Hem verdriet zou doen. En toch doen ze het.

Wat kunnen discipelen zich vergissen! Wat kunnen ook wij ons vergissen…! Je denkt God te dienen en je vertoornt Zijn Zoon. Je bedoelt het niet; en je doet het toch. Hoe? Door mensen die naar Jezus gaan, in de weg te staan. Onze kinderen of vrienden, onze buren of collega’s. Want ja, we zijn één van beiden: óf een bevordering of een hindering. We helpen onze naaste een stap verder óf naar Jezus toe óf van Jezus af.

Volgens het huwelijksformulier heeft het huwelijk dit doel: dat de één de ander helpt en bijstaat in alle dingen die tot het tijdelijke en eeuwige leven behoren.

Hoe doet u dit, voor zover u getrouwd bent? Hebt u een plan om uw naaste tot Jezus te leiden? Of is uw gedrag in huis of op het werk zó, dat uw naaste er daarom alleen al geen zin in kan krijgen?

Wat een voorrecht is het, in dit Schriftgedeelte te lezen dat u uw kinderen mag brengen bij Hem, Die u en hen niet afwijst, maar Die uw zielen omhelst en zegent! Dat doet Hij nóg. Daarom hebben ouders, onderwijzers en ambtsdragers veel reden om in de gebeden en door een voorbeeld te zijn, kinderen aan te sporen tot Hem te gaan.

Lezen: Lukas 18:9-17; zingen: Psalm 22:16

30 MAART

En Hij nam de twaalf bij Zich, en zei tegen hen: “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten.”

Lukas 18:31

Wie aandachtig leest wat de evangelisten vertellen over het lijden en sterven van Jezus Christus, kan het opvallen dat er nog al eens wordt verwezen naar wat de profeten daarover hebben gezegd. De profeten spreken en schrijven over het lijden van de Messias omdat God Zijn volk wil onderwijzen hoe nodig het is dat de Verlosser Zijn volk door recht zal verlossen. Het evangelie van de Zaligmaker is een boodschap voor verloren en strafwaardige mensen om verzoende en vrijgesproken mensen te worden. Het werk van de Zaligmaker is niet om ons te onderwijzen hoe we goed kunnen leven (al is dat ook belangrijk), maar hoe er weer vrede komt tussen God en ons, tussen de Heilige en de onheiligen, tussen de Rechtvaardige en de goddelozen.

Als God van Zijn eisen afstand zou doen, Zijn recht niet zou handhaven, had de Overwinnaar op de duivel geen sterfelijk mens hoeven te worden, en had Hij Zich niet tot in de kruisdood hoeven te vernederen. Kijk, daar gaat het de profeten om. Daar ging het ook in de tempeldienst, de offerdienst, om. Steeds blijkt er geen sprake te kunnen zijn van vrede tussen God en ons, tenzij er aan Gods recht genoegdoening wordt gebracht.

Wie nu dit recht van God met voeten treedt, veracht uiteindelijk het Lam Dat geslacht is. Wie de waarde van Zijn lijden en sterven recht wil kennen, moet beginnen waar de profeten beginnen: “Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder…!”

Lezen: Lukas 18:31-34; zingen: Psalm 84:1

31 MAART

En op de sabbat rustten zij naar het gebod.

Lukas 23:56

Het is Sabbath geworden. Wat de liefhebbende volgelingen van Jezus vóór de Sabbath in orde kunnen maken, maken ze in orde. Maar op de Rustdag zelf ondernemen ze geen activiteit. Ze doen zoals de Heere heeft geboden: rusten. En niet alleen heeft de Heere het geboden, maar hun Heere en Zielsvriend doet het nu Zelf ook: Hij rust in het graf. Hij heeft lang en zwaar gearbeid. De profeet Jesaja zegt het zo (hoofdstuk 53 vers 11): “Omwille van de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien en verzadigd worden. Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.” Nu is Zijn zware arbeid voorbij. Nu heiligt Hij het graf voor allen die in Hem geloofden, geloven en zullen geloven met een oprecht geloofsvertrouwen, dat Hij voor hen Zijn zware arbeid verrichtte, voor hen bloedde, doodsangsten doorstond, godverlaten doorleed, de straf op Zich nam die ons de vrede aanbrengt.

Het graf verteert Hem niet. In het stof des doods gaat Hij niet tot ontbinding over. Maar de smarten des doods ontbindt Hij en de angsten der hel verslindt Hij. Voor mij!

Zegt u in toe-eigenend geloof ook: “Voor mij!”?

Een maand lang lazen we het ernstige en zielvertroostende evangelie dat Lukas voor Theofilus schreef. Hij schreef het, onwetend, ook voor u. De Borg tekende hij hierin uit. Aantrekkelijk, nietwaar? Opdat u Hem met blijdschap ontvangt, Die de grote Rustaanbrenger is, Die uw enige en volkomen Zaligmaker is!

Lezen: Lukas 23:50-56; zingen: Psalm 92:1

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën