Website van Ds. W. Pieters

2019

2

1 NOVEMBER

En Jezus, antwoordende, zei tegen de wetgeleerden en farizeeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op de sabbat gezond te maken?

Lukas 14:3

Laten we gedurende deze maand in de dagboekstukjes proberen stil te peinzen over wat de Heere ons zegt door het evangelie dat Lukas schreef. Onderwijs voor ons leven, voor de praktijk van elke dag, voor onze omgang met tijd en geld, ook met onze naasten, vooral: omgang met God. Wat zegt Hij ons in de eerste zes verzen van dit hoofdstuk?

Er is een Sabbat.

Als we een ogenblik stilstaan bij dit grote geschenk en ons afvragen wat de Heilige Schrift er ons over vertelt, dan worden we klein en blij: wat een goedheid van de Heere om ons deze wekelijkse dag van afzondering en rust te geven. Een dag om adem te scheppen en om de band van geloof, van hoop en van liefde te onderhouden. Het is Gods bedoeling om als nieuwtestamentische christenen niet alleen te rusten naar het lichaam en met onze geest, maar vooral om de rust te zoeken en te genieten die Christus heeft aangebracht en die Hij ons belooft in Mattheüs 11 vers 28: “Kom allen tot Mij die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.”

Hier nodigt Hij tot de rust waar de oudtestamentische Sabbat een afbeelding van was, en waar nog steeds onze nieuwtestamentische Sabbat, de Dag des Heeren, een afbeelding van is. Zo onderwijst ook de brief aan de Hebreeën ons: Er blijft een rust over voor het volk van God.

Wat een voorrecht, om deze vriendelijke roepstem niet in de wind te slaan, maar ter harte te nemen. Wat een rijk geschenk, om deze Goddelijke rust te begeren en door vrije genade ook te genieten!

Lezen: Lukas 14:1-6; zingen: Psalm 92:1

2 NOVEMBER

Een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Lukas 14:11

Als wij de juiste gedachte over onszelf denken, worden wij ootmoedig. Deze nederigheid wordt steeds in de Bijbel aangeprezen. Het tegenovergestelde ervan, hoogmoed of eigendunk, wordt afgekeurd. Het wordt veroordeeld als zijnde volkomen onterecht.

Ootmoedig zijn betekent niet dat we psychisch een laag zelfbeeld hebben, maar ootmoed ontstaat door kennis van onszelf in ons zondig bestaan. En dit weer door kennis van God in Zijn Majesteit. Verder is de gelovige kennis van Christus onmisbaar om echt nederig of ootmoedig te worden en te blijven. O, als we toch bedenken dat Zijn offer nodig was om ons te verlossen…

Andersom geldt ook: gebrek aan kennis van jezelf in je zondebestaan, van God in Zijn Majesteit, van Christus in Zijn offerdood is een van de oorzaken van alle hoogmoed.

Met Luther mogen we ons wel afvragen: Heb ik geleerd mijn eigengerechtigheid te verachten, te herademen in Christus’ gerechtigheid en daar al mijn vertrouwen op te stellen?

Wat is de verleiding tot hoogmoed toch groot bij hen die met alle kracht goed en rechtvaardig proberen te zijn. Maar de gerechtigheid van God, die in Christus overvloedig aan ons geschonken is, hoeven wij niet te verdienen. We moeten het niet eens willen!

Lezen: Lukas 14:7-11; zingen: Psalm 131:1

3 NOVEMBER

Het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.

Lukas 14:14

Ds. Wilhelmus à Brakel schrijft over de opstanding:

De opstanding van de doden is tot vertroosting van de godzaligen. De gelovigen hebben veel verdriet in dit leven, ook naar het lichaam. Maar weet, gelovigen, dat uw lichaam, waarin u nu zo veel moet lijden, van alle smarten eens vrij gemaakt zal worden, de Heere zal de tranen van uw ogen afwissen, en zal uw vernederd lichaam veranderen, opdat het gelijkvormig wordt aan het verheerlijkte lichaam van Christus. Dan zal uw lichaam blinken als de sterren, en als de glans van het uitspansel. Uw ogen zullen zich verblijden in het zien van uw geliefde Jezus, en in al het heerlijke, dat in de hemel te zien zal zijn. Uw oren zullen zich vermaken in het horen van de hemelse halleluja’s, en u zelf zult met hen de hemelse lofzangen zingen. En alles wat God bereid heeft tot verblijding van het lichaam, zal de Heere u voor eeuwig doen genieten.

Er is ook een opstanding van de onrechtvaardigen. Denk aan de woorden van de Heere Jezus in Johannes 5 vers 28 en 29: “De ure komt, waarin allen die in de graven zijn, de stem van de Zoon des mensen zullen horen. En zij zullen uitgaan. Zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.” En Paulus zegt in Handelingen 24 vers 15: “Ik heb hoop op God, dat er een opstanding der doden zal wezen, van rechtvaardigen en onrechtvaardigen.”

O, om daar in alle smart op te hopen, en om daar met een opgericht hoofd naar uit te zien! Dan zullen wij Hem zien zoals Hij is en wij zullen Hem gelijk wezen.

Lezen: Lukas 14:12-14; zingen: Psalm 17:8

4 NOVEMBER

Komt, want alle dingen zijn nu gereed.

Lukas 14:17

Onder de beeldspraak van een maaltijd, een feestmaal, onderwijst God ons over het genot van de zaligheid. Deze zaligheid is Goddelijk genot. Wij kunnen ons het Goddelijke niet indenken, maar een heerlijke maaltijd, een blij feest, dát kunnen we ons wel voorstellen. Daarom gebuikt de Heere dit beeld. Dat doet Hij ook in het volgende hoofdstuk: de bekende gelijkenis van de verloren zoon.

Daarom is het bij het lezen van deze beelden niet overbodig te beseffen wat Paulus aan de gemeente in Rome schrijft (Romeinen 14 vers 17): “Het Koninkrijk van God is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap, door de Heilige Geest.” Wat heerlijk dat onze ziel dit genieten zal in het Koninkrijk van God. Het hemelleven is dus niet een zinnelijk, maar een geestelijk vermaak. Het is dan ook voor geestelijke mensen: rechtvaardigheid, vrede en blijdschap. Wie deze omschrijving van Gods Koninkrijk leest, beseft dat onrechtvaardige mensen, ruziemakers en mopperaars zich niet thuis zullen voelen in dit hemelleven.

Dit Koninkrijk is echter niet alleen voor later, maar is er ook nu al. Wie bij dit Koninkrijk hoort, heeft nu al honger en dorst naar deze rechtvaardigheid of gerechtigheid. Zo’n mens is nu al een vredestichter en hij verblijdt zich nu al in de verborgen omgang met God!

Dus niet: “Zalig is hij die brood eet in het Koninkrijk Gods” (vers 14), maar zalig bent u die door het geloof gerechtvaardigd bent. Dat is vrijgesproken van zondeschuld en ontslagen van strafvervolging. En dat u zo vrede hebt met God. Wie heeft dit in orde gemaakt? God drie-enig!

Lezen: Lukas 14:15-24; zingen: Psalm 32:1

5 NOVEMBER

Een ieder van u, die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.

Lukas 14:33

Moeten wij alles verlaten wat we hebben? Ons huis verkopen, ons gezin in de steek laten, stoppen met ons werk? In de dagen dat Jezus in Israël rondtrok, moest dat. We lezen van Petrus en Andreas, van Johannes en Jakobus, dat ze hun beroep vaarwel zeiden. Ze waren vissers, maar verlieten hun vissersboten, zoals Levi zijn beroep als belastingontvanger verliet.

In onze dagen ligt dit anders, maar niet minder ingrijpend. De meesten van ons kunnen gewoon hun beroep blijven uitoefenen, of het boer is of timmerman, ICT-deskundige of… Het maakt niet uit.

Maar wat moeten en kunnen wij dan met dit Schriftwoord uit Jezus’ mond? Wel, het wezenlijke van toen en van nu is gelijk. Het is: ons helemaal toewijden aan de Heere, aan de eer van Zijn Naam, aan de komst van Zijn Koninkrijk en aan de doorwerking van Zijn wil. Ons op de maatschappelijke en burgerlijke plaats die we innemen, inzetten voor het heil van onze naaste. ‘Discipel’ betekent ‘leerling’. We maken dus tijd vrij om God te leren kennen en om Zijn Woord toe te passen in ons leven.

Wat we in dit verband moeten verlaten, afzweren, is: eigen inzicht, eigen belang, eigen wijsheid en eigen wil. Zij die niet met ernst de luisterhouding wensen aan te nemen, maar bij het lezen van Gods Woord de ene tegenwerping na de andere hebben, moeten er niet op rekenen, echt discipel te zullen zijn… En als u last hebt van uw betweterige hart? Dan mag u al uw bezwaren en ja-maren tegen het onderwijs van deze Leraar, Hem eerbiedig belijden en een ontvankelijk hart van Hem begeren.

Lezen: Lukas 14:25-35; zingen: Psalm 85:3

6 NOVEMBER

Al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen. En de farizeeën en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: “Deze ontvangt de zondaren, en eet met hen.”

Lukas 15:1,2

We zijn aangeland in een bekend hoofdstuk. Drie gelijkenissen vertelt de Heere Jezus ons. Hij doet dit omdat tollenaren en zondaren tot Hem komen. Niet om met Hem te redeneren, maar om naar Hem te luisteren. Waarom willen ze Hem horen? Wat heeft Hij te zeggen? Hij heeft volgens Petrus de woorden van het eeuwige leven. In de Bijbel van toen (het Oude Testament van nu) staat heel wat over het horen naar de stem van deze Goede Leermeester. Denk aan Jesaja 55 vers 2 en 3: “Hoor aandachtig naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel zich in vettigheid (in het beste en het lekkerste) verlustigen. Neig uw oor en kom tot Mij. Hoor, en uw ziel zal leven.”

Ook het boek Spreuken nodigt ons dringend en vriendelijk uit om ons oor te luisteren te leggen aan de mond van de Opperste Wijsheid, Jezus Christus. Lees maar in Spreuken 8 vers 32 en 24: “Nu dan, kinderen, hoor naar Mij, want welgelukzalig zijn zij die Mijn wegen bewaren. Welgelukzalig is de mens die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten van Mijn deuren.”

Zou de Heere Zijn Woord waarmaken? Als u Zijn onderwijs ter harte neemt en Zijn wegen bewaart, zou u dan welgelukzalig zijn? Of zou Hij tegenvallen?

De farizeeën en Schriftgeleerden in het Schriftgedeelte van Lukas 15 veroordelen de naar Jezus luisterende tollenaren en zondaren, maar Spreuken vertelt ons dat ze zalig zijn! En Jezus vertelt in de gelijkenis dat ze het ook eeuwigdurend zullen zijn.

Lezen: Lukas 15:1-7; zingen: Psalm 49:1

7 NOVEMBER

En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: “Welk mens onder u, hebbende honderd schapen en een van die verliezende…”

Lukas 15:3,4

De drie zo bekende gelijkenissen in Lukas 15 gaan over het verloren schaap, de verloren penning en de verloren zoon. Het gemeenschappelijke is het woord ‘verloren’. Het is goed dit op ons in te laten werken: God heeft ons verloren. De Heere Jezus laat hierbij de schuldvraag buiten beschouwing.

Nu vertelt Gods Zoon dat Hij is gekomen om te zoeken en te behouden wat verloren was. De herder laat het er dus niet bij zitten, en ook de vrouw gaat intensief aan het zoeken.

Hier predikt de Schrift dat God ons zoekt. Geloven wij dit, dan is dit een troostrijke waarheid. Jezus vertelt niet dat het schaap de herder zoekt of moet zoeken, en helemaal niet dat de penning zelf weer tevoorschijn moet komen. Maar hij die het schaap verliest, gaat het zoeken. En zij die de penning verliest, gaat die zoeken. En beide keren staat er bij: totdat hij/zij vindt.

Er blijft voor een verloren lezer, bij het overpeinzen van deze werkelijkheid, maar één ding over: uzelf vol vertrouwen aan de zoekende God overgeven. U kunt er zeker van zijn en hoeft er geen moment aan te twijfelen, dat de herder u zoekt, dat de vrouw, beeld van dezelfde trouwe Heere, u zoekt. O, zou het niet diep in ons moeten trillen: God zoekt mij? Onbegrijpelijk wonder!

Laat eens alle twijfelvragen varen, die u hierbij zou willen stellen. Ga met niet één bezwaar dat in uw ziel zo krachtig opborrelt, in discussie. Maar leg u in smeekgebed voor de God Die u verloren heeft, neer. Zeg Hem: “U verloor mij. O, zoek nu ook mij!”

Lezen: Lukas 15:8-10; zingen: Psalm 79:7

8 NOVEMBER

Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan.

Lukas 15:18

In de derde gelijkenis stelt Jezus de schuldvraag wel aan de orde: de jongen vraagt om het geld waar hij eenmaal recht op zou hebben, namelijk nadat vader gestorven zou zijn. Hij kiest er bewust voor om het ouderlijk huis te verlaten en om in overdaad het geld te verkwisten.

We lezen dan ook niet dat de vader de jongen zoekt of een boodschap naar hem stuurt om hem terug te halen. De jongen is zelf vertrokken, hij moet ook weer zelf terug komen. En dat doet hij: door de nood gedreven, aan het einde van alle andere mogelijkheden. Dan neemt hij het wijze besluit om terug te keren naar zijn vader.

De boodschap voor toen en nu is: blijf niet bij vader vandaan! Volg de dwaze jongen in zijn wijze besluit: terugkeren naar uw Vader.

Wat voor reden zou u hebben, om dit niet te doen? Herkent u zich in deze jongen? Los van God te willen zijn, eigen baas? Zelf kiezen, zelf beslissen? O, wat dwaas!

Loopt het bij u ook steeds meer vast? Komt u meer en meer aan een einde met uzelf? Weet u geen raad met uw verloren bestaan? Waarom zou u niet net doen als deze jongen? Jezus vertelt de gelijkenis toch niet met de bedoeling dat u het erbij laat zitten? Hij bedoelt deze jongen bij de varkens, helemaal verhongerd, u en mij tot voorbeeld te stellen: “Keer terug tot je Vader!”

Denkt u dat die weg afgesneden is? Denkt u dat u bij Hem niet welkom bent? Vreest u dat Vader u afwijst? O, waarom zou u de gedachtegang van de farizeeën overnemen, die ervan overtuigd waren dat God tollenaren en zondaren NIET ontvangt? Maar ze hadden het mis; helemaal mis. U bent werkelijk welkom…

Lezen: Lukas 15:11-19; zingen: Psalm 25:5

9 NOVEMBER

En opstaande ging hij naar zijn vader.

Lukas 15:29

Maar hoe doe ik dat?, vraagt u na de meditatie van gisteren misschien: Opstaan en terugkeren naar mijn Vader?

Het schaap hoefde niet ‘op te staan’ en niet ‘terug te gaan’. En de penning in de tweede gelijkenis ook niet. Maar nu, in de derde gelijkenis, zegt Jezus niets over enige activiteit van de vader. Hij stuurt geen boodschapper met een indringende uitnodiging of uitlokkende heilbelofte. Hij stuurt geen wagen om zijn machteloze zoon thuis te brengen.

Het schaap wordt door de herder thuis gebracht, maar de weggelopen jongen moet zelf naar huis gaan. Hoe moeten we dit toch verstaan?

Vindt u het ook zo moeilijk? Niet te kunnen en toch te moeten, en soms ook zo sterk, zo heel sterk te verlangen!

Laten we eens luisteren naar wat vader hierover zegt: “Deze mijn zoon was dood, en is weer levend geworden. Hij was verloren, en is gevonden.” Dus vader zegt niet: hij heeft zichzelf het leven gegeven. Hij zegt ook niet: hij is zelf teruggekeerd. Maar hij zegt: Mijn zoon is levend gewórden. Hij is gevónden!

Op een onbegrijpelijke manier heeft de Vader de verloren zondaar tot het leven gebracht. In dat verre land heeft de Hemelse Vader de tollenaar gevonden.

En bij het schaap en de penning lezen we precies het tegenovergestelde: al deed het schaap niets en al deed de penning niets, toch past Jezus beide gelijkenissen toe met deze woorden: de zondaar bekéért zich…

Zo zien we hoe het eenzijdige Godswerk onze volledige betrokkenheid niet uitsluit. Ook zien we hoe al onze inspanningen en activiteiten niet in mindering brengen dat het alleen Gods genadewerk is!

Lezen: Lukas 15:20-24; zingen: Psalm 105:3

10 NOVEMBER

Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem.

Lukas 15:28

Met de oudste zoon worden de farizeeën bedoeld die in vers 2 mopperen dat Jezus zulke weglopers ontvangt en met hen eet.

Wat doet Hij vervolgens met zulke mensen, die Hem al zo vaak tegenspraken en de voet bleven dwars zetten? Hij wijst hen niet af en werpt hen niet buiten het Koninkrijk der hemelen. Hij zegt niet dat aan zulke hoogmoedige mensen het evangelie niet verkondigd moet of mag worden. Zulke mensen die niets van vernedering van hart en niets van ootmoed of van berouw kennen, en die dus ook in het geheel niet openstaan voor de Goede Boodschap en de Blijde Tijding van Gods verzoenende genade en Zijn vernieuwende en verheugende liefde…, zulke mensen moeten en mogen toch tot de zaligheid worden uitgenodigd. Ja, Jezus vertelt zelfs dat de vader naar buiten gaat en zijn zoon ‘bidt’. In de dagen van de statenvertalers werd het woord ‘bidden’ niet alleen gebruikt zoals wij doen: vragen aan God. Ook vragen aan elkaar kon men toen met het woord ‘bidden’ omschrijven. Wij zouden nu schrijven: “Dus ging zijn vader naar buiten en smeekte hem…” Het Griekse woord heeft de betekenis: met klem ertoe oproepen, naar zich toe roepen. Het wordt door de statenvertalers vaak vertaald met ‘vermanen’. Wij zouden het woord misschien het beste kunnen weergeven met ‘aansporen’.

Dus de vader doet alle moeite om zijn verloren zoon (zijn oudste zoon!) binnen te krijgen.

Wat leert dit ons? Dat God heel graag heeft dat u, kerkmens, hoe u ook moppert op Gods genade en hoe weinig u ook verstaat van het evangelie van Zijn liefde…, dat u binnen komt en dat u, ook ú, niet buiten blijft staan!

Lezen: Lukas 15:25-32; zingen: Psalm 100:3

11 NOVEMBER

Er was een zeker rijk mens die een rentmeester had. En deze werd bij hem aangeklaagd.

Lukas 16:1

We gaan nu nadenken over een moeilijke gelijkenis. Dag bij dag wil ik u de komende dagen meenemen, als het ware aan de hand nemen, om enige lessen te leren uit deze toespraak van Jezus tot Zijn nieuwe tafelgenoten, de tollenaren en de zondaren uit het vorige hoofdstuk. Zo gaat het geheel voor u spreken.

Jezus vertelt over een rentmeester (een manager), iemand die de bezittingen van een rijke man beheert. Deze man wordt op een dag beschuldigd van verduistering of verkwisting of iets dergelijks. Wanneer hij ter verantwoording wordt geroepen, ontkent hij het niet en verdedigt hij zich niet.

Hij zal ontslag krijgen en moet zijn boekhouding overdragen. Hij beseft dat hij nu een erg onzekere toekomst tegemoet gaat: Geen inkomen, geen werk. Hij vraagt zich af wat hij moet doen. Spitten of ander zwaar werk is hij niet gewend. Bedelen wil hij ook niet. Toch wil hij voorzorgsmaatregelen nemen om straks niet van honger en gebrek om te komen. Heel slim zorgt hij ervoor dat mensen hem dankbaar zullen zijn en hem uit dankbaarheid zullen willen helpen. Hoe doet hij dit?

De manier waarop hij dit doet, bevreemdt ons. Ook het commentaar in vers 8 van de heer die hem in dienst had en hem straks ontslaat, bevreemdt ons: de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij voorzichtig gedaan had. En het meest bevreemdt ons de opmerking van Jezus in vers 9: Ik zeg u: “Maak voor uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer het u ontbreken zal, zij u ontvangen in de eeuwige tabernakelen/tenten.”

Bidden we om verlichting met de Heilige Geest!

Lezen: Lukas 16:1-8; zingen: Psalm 106:4

12 NOVEMBER

Geef rekenschap van uw rentmeesterschap.

Lukas 16:2

Wat doet de rentmeester, nu hij ter verantwoording is geroepen?

Hij zorgt ervoor dat schuldenaars vanaf nu heel wat minder hoeven te betalen aan deze rijke heer. Deze schuldenaars kunnen pachters zijn, die aan de landeigenaar jaarlijks een bedrag moeten betalen. En het zou goed kunnen, zo vertellen bijbeluitleggers die veel van de maatschappelijke omstandigheden van die tijden weten, dat een rentmeester, en ook deze rentmeester, de volmacht van zijn heer kreeg om zelf te bepalen hoeveel pacht een ieder moest betalen. In dat geval zou hij nu dus ook zelf mogen bepalen, dat de ene in plaats van honderd vaten olijfolie er maar vijftig hoeft te betalen. En dat een ander in plaats van honderd zakken graan, er in het vervolg maar tachtig hoeft te betalen.

Er staat niet bij of hij dit mag doen of dat het oneerlijk is. In ieder geval zijn deze schuldenaars/pachters de rentmeester zo dankbaar voor deze vermindering van pacht, dat ze hem graag willen helpen wanneer hij zonder werk en inkomen raakt.

Wat kunnen we uit het gedrag van de rentmeester leren? Onder andere dat wij met betrekking tot God staan in een verhouding van eigenaar-rentmeester. God is de Eigenaar van alles, wij zijn er slechts beheerders van. Dit geldt van onze tijd niet minder dan van onze bezittingen. Ons geld is niet van onszelf, maar van God. Onze kinderen zijn niet van onszelf, maar van hun Schepper. Onze capaciteiten of talenten zijn alweer niet ons eigendom, maar ze zijn aan ons toevertrouwd, aan ons geleend, om er een goed gebruik van te maken.

Denk vaak aan de rechterstoel, ja aan de Rechter Zelf.

Lezen: Genesis 4:1-12; zingen: Psalm 97:6

13 NOVEMBER

Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen.

Lukas 16:4

Ook wij worden eens ter verantwoording geroepen en moeten dan vertellen hoe we Gods bezittingen hebben beheerd. Wat doen wij met al die kostbare uren en dagen, die Hij ons schenkt om in Zijn Koninkrijk dienstbaar te zijn? Hoe besteden we ons geld? Hoe voeden wij onze kinderen op? Verkwisten of verduisteren we Gods gaven? Doen we alsof ze van onszelf zijn, alsof wij eigen baas zijn? Leven we, alsof er geen God is, Die ons voor Zijn rechterstoel zal dagen en zal vragen: “Wat hebt u met het Mijne gedaan?”

We kunnen nog meer leren van deze man. Hij zorgt voor zijn toekomst en denkt niet: Wie dan leeft, die dan zorgt. Nee, hij neemt maatregelen om zijn toekomst veilig te stellen. Welke voorzorgsmaatregelen mogen wij nemen? In vers 8 zegt Jezus: “De kinderen van deze wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen van het licht.” Met de ‘kinderen van deze wereld’ bedoelt Hij mensen die alleen denken aan de tijdelijke en lichamelijke dingen. Met ‘de kinderen van het licht’ bedoelt Hij christenen die ook aan hun ziel en de eeuwigheid denken. Hier klinkt het verwijt dat gelovigen minder ijverig de belangen van God en Zijn Koninkrijk zoeken dan wereldse mensen zorgen voor hun pensioen en andere tijdelijke voorzieningen. Wat een beschamende les…

Hoe ijverig zijn wij in het verzorgen van onze geestelijke en eeuwige belangen, vergeleken met onze ijver in het verzorgen van onze lichamelijke en tijdelijke belangen?

Leer ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen (Psalm 90 vers 12).

Lezen: 2 Korinthiërs 5:1-10; zingen: Psalm 90:7

14 NOVEMBER

En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij voorzichtig gedaan had. Want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.

Lukas 16:8

Wat zegt de heer van de oneerlijke rentmeester over de slimme zet die hij uithaalt om werken en bedelen te voorkomen?

We lezen het in de woorden van vers 8: “De heer prijst de onrechtvaardige rentmeester.” Dit bevreemdt ons in deze moeilijke gelijkenis. Waarom prijst hij hem? Omdat hij voorzichtig gedaan had. Wat betekent dit? Keurt hij goed wat zijn beheerder uithaalt? Het woord ‘voorzichtig’ wordt ook vertaald met ‘verstandig’, ‘wijs’, ‘slim’, ‘met overleg’.

De rijke heer zegt niet dat zijn rentmeester ‘goed’ gedaan heeft. Hij keurt het dan ook niet uitdrukkelijk goed, maar zegt wel dat zijn manager erg slim was, het erg handig had aangepakt, goed voor zichzelf had gezorgd. Dit is te vergelijken met het volgende: stel u voor dat u in de krant leest hoe een paar boeven heel slim een bankoverval uitvoerden. Zegt u dan: “Wat goed van die mannen! Dat moet ik ook maar doen?” Nee, maar u kunt wel zeggen: “Wat hebben ze dat slim aangepakt…!”

Zo moeten we de woorden van vers 8 opvatten.

Met deze opmerking van de rijke heer eindigt de gelijkenis. Op deze opmerking loopt alles uit, hier draait alles om. Dit blijkt ook uit wat in hetzelfde vers volgt als het woord van Jezus Zelf of van Lukas: “Want de kinderen van deze wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen van het licht, in hun geslacht.” Ze zijn verstandiger, slimmer; ze handelen met meer overleg.

Laten we de les ter harte nemen: ons bezinnen op de vraag: zorg ik goed voor mijn ziel?

Lezen: Spreuken 6:6-11; zingen: Psalm 42:1

15 NOVEMBER

En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij voorzichtig gedaan had. Want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.

Lukas 16:8

Uit de lof van de heer met betrekking tot zijn rentmeester kunnen we de conclusie trekken: Ga niet onnadenkend voort, maar kom tot jezelf!

Op deze manier vergelijkt de Schrift deze man, in zijn aardse bezigheid, met ons, in onze hemelse bezigheid. Materiële dingen worden vergeleken met spirituele dingen, geestelijke dingen. Wat zegt Jezus niet? Hij zegt niet wat o zo veel kerkmensen heimelijk denken, namelijk dat het materiële voorrang verdient boven het geestelijke, helemaal niet. De dingen die God aangaan en die onze ziel aangaan, zijn veel en veel belangrijker dan de dingen die met het gebruik vergaan.

Ons tekstvers zegt ook niet dat de mensen van deze wereld verstandig zijn om zo bezig te zijn met die aardse dingen. Helemaal niet. Maar Gods Woord zegt hier wel: Als jullie de inzet en het overleg van mensen die God niet vrezen, vergelijken met de inzet en het overleg van mensen die God wel vrezen, dan moeten jullie de conclusie trekken dat wereldse mensen zich veel meer inzetten voor tijdelijke dingen – al zijn die veel en veel onbelangrijker dan geestelijke en eeuwige dingen –, dan dat jullie, discipelen, gelovigen, je inzetten voor dingen die zo veel belangrijker zijn, die eeuwig blijvende waarde hebben.

Wat een beschamend voorbeeld is de inzet van veel wereldlingen vergeleken met de laksheid van veel kerkmensen. O, er is zo heel veel te winnen en er is zo heel veel te verliezen! Uw ziel en zaligheid liggen in de weegschaal!

Lezen: Psalm 17; zingen: Psalm 17:7

16 NOVEMBER

Want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.

Lukas 16:8

Hoeveel tijd en aandacht besteden wij aan de belangen van onze ziel en zaligheid? Hoeveel energie en inzet vinden wij dat de verbreiding van het Koninkrijk van God waard is?

Eens zei een gemeentelid tegen haar man, die heel de avond ijverig aan het bladeren en lezen was in een interessant fotoboek over de Tweede Wereldoorlog: “Als jij zoveel moeite deed om bekeerd te worden, dan was je het allang.”

De Heilige Geest onderwijst ons in Spreuken 2 vers 1-5 over het verband tussen ijver en inzet én zegen:

Mijn zoon, als u Mijn redenen aanneemt, en Mijn geboden bij u weglegt, om uw oren naar wijsheid te doen opmerken, als u uw hart tot verstandigheid neigt, ja, als u tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid, als u haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten…, dan zult u de vreze des HEEREN verstaan, en de kennis van God vinden.

Hoe komt het dat we dan ook echt zullen vinden? De kanttekening luidt: “Door de genadige verlichting van God, Die het degenen die door de juiste middelen het goede proberen te bereiken, laat vinden.” En ze verwijst naar Mattheüs 7 vers 7, waar Jezus zegt: “Bid, en aan u zal gegeven worden. Zoek, en u zult vinden. Klop, en voor u zal er opengedaan worden.”

Ik denk in dit verband ook aan een prachtige kanttekening op 1 Kronieken 16 vers 10. Daar gaat het erover dat het hart van hen die de HEERE zoeken, zich mag verblijden. De kanttekening luidt: “Alsof David zei: Bedenk, dat dit een bijzondere genade van God is, dat het aan u gegeven is om de Heere te zoeken. Daarin mag u zich wel verheugen.”

Lezen: Johannes 12:31-36; zingen: Psalm 19:5

17 NOVEMBER

Want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.

Lukas 16:8

Hoe wijs of voorzichtig moeten wij zijn met betrekking tot de dingen van God en Zijn Woord? De schriftverklaarder Matthew Henry merkt onder andere op:

Wij moeten nauwkeurig letten op het Woord van God, want dat kan ons wijs maken tot zaligheid.

  1. Wij moeten ervan overtuigd zijn, dat de woorden van God de fontein en de maatstaf zijn van wijsheid en verstand, en dat wij niet hoeven te begeren wijzer te zijn dan zij ons zullen maken. Wij moeten ons oor en ons hart ertoe neigen, want de Goddelijke openbaring is één en al wijsheid.
  2. Wij moeten dus het Woord van God ontvangen met alle bereidwilligheid van hart en het welkom heten, zowel de geboden als de beloften, zonder mopperen of tegenspreken: “Spreek, Heere, want Uw knecht hoort.”
  3. Wij moeten ze nauwkeurig bewaren, zoals wij onze schatten opbergen, waarvan wij bang zijn beroofd te zullen worden. Wij moeten het Woord van God niet alleen maar ontvángen, maar we moeten het vásthouden in ons hart, met de bedoeling het altijd bij ons te hebben.
  4. Wij moeten iedere gelegenheid aangrijpen om het Woord van God te horen. We moeten er met ernst en aandacht naar luisteren, bang dat iets ervan ons zal ontglippen.
  5. Wij moeten veel in het gebed zijn. We moeten roepen, zoals iemand die op het punt staat van honger om te komen, dringend om brood vraagt. Flauwe verlangens zullen niet baten. Wij moeten dringend aanhouden als degenen die de waarde kennen van deze kennis. Wij moeten net als kinderen zeer begerig zijn naar de melk van Gods Woord (1 Petrus 2 vers 2).

Lezen: 1 Petrus 2:1-10; zingen: Psalm 119:65

18 NOVEMBER

Want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.

Lukas 16:8

Nog een stukje onderwijs van een van de meest invloedrijk schriftuitleggers van de laatste drie eeuwen, Matthew Henry, als het gaat om net zo voorzichtig of verstandig te zijn ten aanzien van geestelijke belangen als de mensen van de wereld verstandig en ijverig zijn ten aanzien van hun tijdelijke en lichamelijke belangen:

Op Spreuken 2 vers 4 (de wijsheid zoeken als zilver, en naspeuren als verborgen schatten) schrijft hij:

Wij moeten er moeite voor willen doen en wijsheid zoeken als zilver; haar verkiezen ver boven al de schatten van deze wereld (denk aan de onrechtvaardige rentmeester, WP). Ons inspannen in het zoeken ernaar, zoals zij doen die goud delven, die daarvoor zware arbeid verrichten en zich aan grote gevaren blootstellen. Zij zoeken met onvermoeide ijver en onoverwinlijke standvastigheid en vastberadenheid naar goud. Of, zoals degenen die rijk willen worden, en die daarom vroeg opstaan en laat opblijven. Die niets onbeproefd laten om maar geld te verkrijgen en hun schatkamers te vullen. Net zo ijverig moeten wij zijn in het gebruiken van de middelen om geestelijke kennis te verkrijgen en verder te komen om de Heere te kennen.

Onze moeite zal niet tevergeefs zijn, want wij zullen de vreze des Heeren verstaan zegt Salomo in vers 5. Wij zullen Hem op de juiste manier aanbidden en de kennis van God vinden die nodig is om Hem op de juiste manier te vrezen.

Dit alles kunnen we leren uit Jezus’ woorden in Lukas 16 vers 8: “De kinderen van deze wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen van het licht, in hun geslacht.”

Lezen: Spreuken 2:1-9; zingen: Psalm 119:36

19 NOVEMBER

Ik zeg u: “Maak voor uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon.”

Lukas 16:9

In vers 9 komen opnieuw iets tegen in de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester of manager wat ons bevreemdt. Het is eigenlijk in de toepassing die Jezus aan Zijn leerlingen (en aan u en mij) voorhoudt. Hij zegt: “Maak voor uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon (geldgod).” Wat betekenen deze woorden?

In hoofdstuk 15 sprak Jezus drie gelijkenissen uit tegen de farizeeën die kritiek hadden op het feit dat Jezus met tollenaren en openlijk-zondige mensen at. Nu vertelt hij aan die nieuwe discipelen die bij Hem aan tafel zitten, iets over het juiste gebruik van hun geld: “Jullie moeten verstandig met geld omgaan. Maak vrienden door je geld te gebruiken zoals God wil.”

De statenvertalers schrijven erover: maak door uw milddadigheid voor de armen, voornamelijk de gelovigen, dat die over u niet klagen, maar u zegenen voor God.

Zo schrijft ook Matthew Henry:

Het doel van Christus’ rede is ons allen op te wekken om deze wereld zó te gebruiken, dat we met onze bezittingen en genietingen hier zó handelen, dat zij in de andere wereld vóór ons zullen getuigen en niet tégen ons. Als wij er goed mee doen, en ze gebruiken voor werken van godsvrucht of van barmhartigheid, dan zullen wij er in de komende wereld de voordelen van inoogsten.

Meteen hierna vertelt Jezus aan dezelfde hoorders, zowel Zijn tafelgenoten als de mopperende farizeeërs, de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. En hierin gaat het over het verkéérde gebruik van geld. De rijke man heeft met zijn geld geen vriend gemaakt van de arme Lazarus. Wat doen wij met ons geld?

Lezen: Lukas 16:1-11; zingen: Psalm 49:2

20 NOVEMBER

Ik zeg u: “Maak voor uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon.”

Lukas 16:9

We gaan met elkaar verder denken over die toepassing op de gelijkenis: Maak voor uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon. Matthew Henry schrijft hierover:

Als wij, in plaats van goed te doen met onze aardse bezittingen, ze gebruiken om er onze lusten of onze zucht naar weelde en genot mee te voeden; en als wij dus hulp weigeren aan de armen, dan zullen wij zeker voor eeuwig omkomen. En de dingen van deze wereld, die zo misbruikt werden, zullen onze ellende en pijniging alleen maar vermeerderen.

Met de uitdrukking ‘onrechtvaardige mammon’ bedoelt Jezus het geld, de aardse bezittingen. Het woord mammon betekent volgens de kanttekeningen: rijkdom, winst of schatten, die de mensen vaak als een god eren en dienen.

Isaac da Costa, de in Jezus Christus gelovige Jood, die leefde van 1798 tot 1860, schrijft over de mammon:

De mammon is de geldgod, de afgod van de wereld; ook van de onrechtvaardige rentmeester. Hij bracht aan dit geld, deze mammon, zijn ziel ten offer. Niet dat het bezit van geld op zichzelf slecht zou zijn, want Abraham was een rijke man en een nog rijkere gelovige. En velen zijn er na hem geweest, die rijk waren in geld en nog rijker in God. Maar de Schrift noemt het geld een afgod, voor zover het als een macht tegenover God wordt gesteld. En dat doen de kinderen van de wereld. Zij stellen het geld in de plaats van God.

Al schreef Da Costa dit bijna tweehonderd jaar geleden, het is nog steeds zeer de moeite waard om hierdoor tot bezinning te komen. Vindt u niet? Wie heeft de hoogste plaats in ons hart?

Lezen: 1 Timotheüs 6:6-12; zingen: Psalm 106:3

21 NOVEMBER

Ik zeg u: “Maak voor uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon.”

Lukas 16:9

De Schrift noemt de geldgierigheid afgoderij, schrijft Isaac da Costa over dit vers.

Waarom wil ieder graag rijk zijn? Om niet van God afhankelijk te zijn. Liever neemt de mens zijn brood uit de kast, dan het uit Gods hand te ontvangen. Maar de rijke moet zijn geld en al zijn overige eigendommen zien als geléénd van God, die ieder ogenblik van hem teruggevraagd kunnen worden. En de arme moet zonder geld te bezitten geloven, dat God het hem niet zal laten ontbreken aan het nodige van het leven. Hij moet zeggen: “Heere, ik mag mij niets toe-eigenen, wat mij niet wettig toekomt, maar in mijn armoede bent U mijn Overvloedig Goud en mijn Krachtig Zilver” (Job 22 vers 25).

Beiden moeten zich dus afhankelijk weten van God, en zich vasthouden aan God. Wij moeten ons door niets laten beheersen dan alleen door Gods Woord. Als ik arm ben, en ik beschouw niet het geld, maar God als mijn hoogste Goed, dan sta ik boven het geld en ben ik een vrij man. En als ik rijk ben en beschouw mijn geld als een door God mij toevertrouwde schat, waarvan Hij de Heer en ik de rentmeester ben, dan geef ik Zijn geld uit in Zijn dienst.

Wij komen dus tot deze slotsom: het geld is de mammon, is een afgod, een duivel, zo dikwijls wij het niet als een schepsel onder God stellen, maar tegenover God als een macht op zichzelf. Met andere woorden: met Christus in het hart, is alles goed, maar zonder Christus in het hart is niets goed.

Heel wat om over na te denken, als we deze woorden van de christen-jood tot ons laten doordringen! O, wees toch eerlijk.

Lezen: 1 Timotheüs 6:13-21; zingen: Psalm 39:5

22 NOVEMBER

En Ik zeg u: “Maak voor uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer het u ontbreken zal, zij u ontvangen in de eeuwige tabernakelen.”

Lukas 16:9

Nog één keer over de onrechtvaardige rentmeester.

Bij 11 november schreef ik, dat het ons bevreemdt hoe de rentmeester zorgt voor de tijd na zijn ontslag. Ook dat zijn heer hem prees omdat hij voorzichtig gehandeld had, bevreemdt ons. Verder is ook het slot heel vreemd: zorg ervoor dat de onrechtvaardige Mammon u zal ontvangen in de eeuwige tabernakelen.

Wat is eigenlijk de les die Jezus uit deze gelijkenis ons voorhoudt?

Hij zegt: Wanneer u ontbreken zal… De kanttekening luidt: wanneer u zult bezwijken, namelijk door de dood, wanneer al uw aardse goederen u zullen begeven…

Het gaat dus over de tijd dat u uw geld moet achterlaten. De Heere Jezus leert ons dat het dan zaak is om in Gods eeuwige woning te komen, en door Hem liefdevol opgenomen te worden.

Wanneer u sterft, zal God u ontvangen in de eeuwige tabernakelen, als u de mammon hebt gebruikt zoals God het wil.

Betekent dit dat wij de hemel [de eeuwige tabernakelen] kunnen ‘kopen’ met goed geldbeheer of verdienen met goede werken? Nee, maar al is zalig worden een zaak van vrije genade alleen, en al kunnen wij de ingang tot de eeuwige zaligheid niet kopen, toch is het niet onbelangrijk wat wij doen met onze bezittingen. Dat kunt u lezen in Mattheüs 25 vanaf vers 31.

De onrechtvaardige rentmeester zorgt voor zijn aardse en tijdelijke toekomst. Laten wij zorgdragen voor onze hemelse en eeuwige toekomst. Laten we ons geld zo gebruiken, dat het ons in de dag van sterven niet zal kwellen!

Lezen: Mattheüs 25:31-46; zingen: Psalm 41:1

23 NOVEMBER

De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van die tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en een ieder doet geweld daarop.

Lukas 16:16

Het is God Zelf Die ervoor zorgt, als een ieder geweld doet op het Koninkrijk van God. Wat houdt dit dan in? Dat een grote menigte mensen het met ijver aannemen. Waarom zorgt God hiervoor? Omdat niemand van ons er naar verlangt om Zijn regeermacht te aanvaarden, om onder Zijn heerschappij te buigen.

Op welke manier komt het zover dat mensen met grote inzet deze Koning te voet vallen? Het staat er in dit vers bij: het Koninkrijk wordt verkondigd. Het Griekse woord voor ‘verkondigen’ is: als evangelie bekendmaken. Zo werkt de Heilige Geest het geloofsvertrouwen waardoor we ons niet langer willen scharen onder de banier van satan in het koninkrijk van leugen en geweld. Maar dat we ons gewillig voegen onder het vaandel van de Koning der koningen, Jezus Christus.

De kanttekening zegt niet alleen dat mensen het in menigte en met ijver aannemen, maar omschrijven ook wie dat dan doen: Die met grote ernst en ijver naar de zaligheid trachten/reikhalzen.

Mij treft dat er staat ‘een iegelijk’, iedereen. Zonder te proberen allerlei moeilijke vragen erover te beantwoorden, roep ik u, lezer, op om te doen wat Jezus hier zegt: Geweld doen op Zijn Koninkrijk. Want wat het ook allemaal misschien niet zou betekenen…, het betekent toch op zijn minst wel, dat een ieder, dat ú, nu, vandaag, op dit Koninkrijk geweld mag doen! Dat u er met grote ernst en ijver naar mag trachten of reikhalzen. Dat u mét Jakob zegt: ik laat U niet gaan, tenzij U mij in dit Koninkrijk binnenlaat.

Lezen: Lukas 16:12-18; zingen: Psalm 72:1

24 NOVEMBER

En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham.

Lukas 16:22

Het woord ‘schoot’ betekent niet waar wij aan denken, als we zeggen: Dat kind zit bij moeder op schoot. Het duidt de boezem van iemand aan. Maar ook dan weten we niet wat de Bijbel bedoelt met ‘in iemands schoot’ zijn of aanzitten. De discipel die op een bijzondere manier de liefde van Jezus genoot, zat aan in de schoot van Jezus, lezen we in Johannes 13 vers 23. Het woord ‘aanzitten’ is misleidend, omdat wij bij ‘zitten’ en ‘schoot’ denken aan dat kind bij moeder op schoot. Maar u moet het zich als volgt voorstellen: Jezus lag op oosterse wijze aan tafel, geleund op Zijn linkerarm. Rechts van Hem lag Johannes aan, ook geleund op zijn linkerarm. U voelt dat Johannes dan maar iets achterover hoefde te leunen om heel dicht bij Jezus te zijn en Zijn gefluisterde woorden te horen over de verrader Judas. Zo nu lag Lazarus aan de Tafel Hierboven aan, heel dicht bij Abraham, leunend op zijn linkerarm. Jazeker, het is beeldspraak, maar wel met Goddelijke waarheid gevuld, namelijk dat de verachte bedelaar vol zweren nu de beste plaats in de hemel kreeg. En de engelen zelf brachten hem daar. Dit had niemand, helemaal niemand van de luisteraars, ooit gedacht. En toch gebeurde het. Zo troost God allen die ‘Lazarus’ heten. Wat betekent deze naam? God helpt.

Bent u aangewezen op Gods hulp, zowel naar lichaam als ziel, zowel voor tijd als eeuwigheid? Hebt u leren leunen op deze God? Dan spreekt Psalm 146 u zalig, en Jezus bevestigt dit in deze gelijkenis. U krijgt in Gods hemel de ‘ereplaats’!

Lezen: Lukas 16:19-25; zingen: Psalm 146:3

25 NOVEMBER

Abraham zei tegen hem: “Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen.”

Lukas 16:29

Via Abraham zegt Gods Zoon ons dat wij Mozes en de profeten moeten horen. Hierbij zijn de evangelisten en apostelen natuurlijk niet uitgesloten.

‘Horen’ betekent: gehoorgeven, gehoorzamen, geloven. Laten we dit woord van Jezus, gesproken in het licht van hel en hemel, niet naast ons neerleggen. Laten we gehoorgeven aan het Woord van God door hen opgeschreven. Hoe? U mag bij het aandachtig en ernstig lezen van dit Woord en luisteren naar dit Woord gedurig smeken om de krachtige werking van de Eerste Schrijver van dit Woord, dat is de Heilige Geest. Andersom geldt ook: U mag bij het gedurig smeekgebed om de verlichtende en overtuigende en zaligmakende en vertroostende werking van deze Geest, niet lui en onachtzaam de Bijbel lezen en niet oneerbiedig en onnadenkend onder de prediking zitten. Laten we beseffen dat deze twee zaken, het lezen van de Schriften met een gehoorzaam hart, en het luisteren naar de Woordverkondiging met een gelovig gemoed, door de Heere Jezus worden aangewezen als de middelen die ons voor eeuwig welgelukzalig kunnen maken. Middelen waardoor wij de smartende pijn van de rijke man kunnen ontgaan!

Wat zeggen Mozes en de profeten dan? Ik noem alleen wat de Heere in Jesaja 45 zegt:

Vers 17: Israël wordt verlost door de HEERE met een eeuwige verlossing.

Vers 19: Ik heb tegen het zaad van Jakob niet gezegd: Zoek Mij te vergeefs.

Vers 22. Wend u naar Mij toe, word behouden, alle einden der aarde!

Nu roep ik u via dit dagboek toe: keer u nú om naar God, en u zult behouden worden.

Lezen: Lukas 16:26-31; zingen: Psalm 119:53

26 NOVEMBER

De apostelen zeiden tegen de Heere: “Vermeerder ons het geloof.”

Lukas 17:5

Als u met de apostelen of discipelen mee bidt om vermeerdering van het geloof, belijdt u dat u geloof hebt en dat de groei van het geloof niet in uw macht staat.

Dit geloof is als het oog, waarmee wij op Christus zien, zoals we lezen in Johannes 3 vers 14 en 15: “Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet zou verderven, maar het eeuwige leven zou hebben.”

Dit geloof is als de voet, waarmee wij tot Hem vluchten, zoals we lezen in Spreuken 18 vers 10: “De Naam des HEEREN is een Sterke Toren. De rechtvaardige zal daarheen lopen/rennen, en in een hoog vertrek gesteld worden.”

Dit geloof is als mond om Hem te eten en te drinken, zoals we lezen in Johannes 6 vers 51: “Ik ben dat levende Brood, Dat uit de hemel neergedaald is. Als iemand van dit Brood eet, die zal in eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik zal geven, is Mijn vlees, dat Ik zal geven voor het leven der wereld.”

Geloofswerkzaamheden worden in de Bijbel omschreven onder andere met ‘aandoen’, zoals we lezen in Romeinen 13 vers 14: “Doe aan de Heere Jezus Christus.” Ook met ‘aangrijpen’, zoals we lezen in Jesaja 27 vers 5: “Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.” Ook met ‘aanhangen’, zoals we lezen in Jozua 23 vers 8: “De HEERE, uw God, zult u aanhangen, zoals u tot op deze dag gedaan hebt.” Ook met hongeren en dorsten, zoals we lezen in Mattheüs 5 vers 6: “Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.”

Lezen: Lukas 17:1-5; zingen: Psalm 2:7

27 NOVEMBER

Zo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zeg dan: “Wij zijn onnuttige dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.”

Lukas 17:10

Hoe worden we zalig? De roomse kerk geeft als antwoord: Door geloof én onze goede werken. Dit antwoord sluit aan bij ons vleselijk begrijpen en begeren, dat de weg van vrije genade niet verstaat. Dit roomse antwoord is in overeenstemming met het licht van de natuur en met ons geweten. Ons geweten weet immers niet beter dan: We moeten er zelf iets aan toedoen, we moeten onszelf verdienstelijk maken. Maar dit is het tegendeel van hoe de Bijbel erover spreekt. Dit roomse antwoord (in ons hart) bewijst dat we van Gods gerechtigheid geen werkelijke notie hebben, maar denken dat God de zonden uiteindelijk wel ‘door de vingers zal zien’, als wij maar ons best(?) doen. Deze roomse leer en ons roomse hart zeggen dus dat er iets van de mens bij moet en bij kan. Maar deze weg is een dwaalweg. Onze gerechtigheid of deugdzaamheid voor God moet volkomen zijn, zoals een schip volkomen dicht moet zijn anders is het lek. Ook een klein lek maakt het lek! Onze béste werken echter zijn onvolkomen en met zonde bevlekt.

En dat leert Jezus ons in het tekstvers: Wanneer we gedaan hebben al wat ons opgedragen is, dan moeten we nog zeggen: ik ben nog steeds onnuttig, want ik heb alleen maar gedaan wat ik moest doen. En wie kan zeggen dat hij alles heeft gedaan wat hij móest doen? Zelfs niet eens alles wat hij kón doen…

We houden dus niets over om ons op te beroemen voor God. Wat een vernederende les. En toch: Zo wordt Christus in Zijn werk dierbaar!

Lezen: Lukas 17:6-10; zingen: Psalm 31:1

28 NOVEMBER

En Hij zei tegen hem: “Sta op, en ga heen. Uw geloof heeft u behouden.”

Lukas 17:19

Er is een groot verschil tussen waar geloof en geloof dat er op lijkt. Dat laatste is geen geloof, maar de Bijbel noemt het wel zo, omdat veel mensen zich verbeelden dat dit ‘geloof’ het ware is.

We onderscheiden drie soorten niet-zaligmakend geloof:

  • Historisch geloof, waardoor we alles van de Bijbel voor waar houden, terwijl ons hart, ons innerlijk, is er niet bij. We blijven er dezelfde onder. Dit ‘historisch geloof’ is ondertussen wel een onmisbaar onderdeel van het zaligmakend geloof, omdat we om in Christus te kunnen geloven, alles moeten geloven wat de Bijbel over Hem zegt. Het kan zelfs zijn dat we diep onder de indruk zijn van wat we voor waarheid houden, maar dat we er toch geen goed gebruik van maken… Dit doet het zaligmakende geloof wel!
  • Tijd- of schijngeloof, waardoor de prediking van het evangelie van Christus als onze Zaligmaker onmiddellijk met vreugde ontvangen. Dan menen we oprecht dat we het ware geloof hebben en dus zalig zullen worden, maar we vergissen ons! Denk aan Mattheüs 13 vers 20 en 21: Zij die in het steenachtige bezaaid zijn, horen het Woord en ontvangen dat direct met vreugde. Maar zij hebben geen wortel in zichzelf. Ze zijn maar voor een tijd. En als verdrukking of vervolging komt, om het Woord? Dan haken zij af.
  • Wondergeloof, waardoor we er vast van overtuigd zijn, dat God voor ons een wonder zal doen. Denk aan de geschiedenis die we vandaag overdenken. Allen gingen op weg, zonder iets te zien van de genezing. Ze geloofden het alle tien. Maar alleen van deze ene zegt Jezus: “Uw geloof heeft u behouden.”

Lezen: Lukas 17:11-19; zingen: Psalm 27:7

29 NOVEMBER

Maar eerst moet de Zoon des mensen veel lijden, en verworpen worden door dit geslacht.

Lukas 17:25

De woorden die Jezus in dit 25ste vers zegt, zijn een onderdeel van Zijn antwoord op de vraag wanneer het Koninkrijk van God zal komen. De mensen denken aan pracht en praal, overwinning en blijdschap. Maar het Koninkrijk van God komt in deze tijd, de tijd vóór de wederkomst van Christus, in de gestalte van het lijden. De Koning Zelf moet lijden, zelfs véél lijden. En dit niet zozeer door de Romeinen, de bezettende macht. Niet zozeer door de heidenen met hun goddeloze praktijken en afgoden. Maar Jezus zegt: “Door dit geslacht”, door het Joodse volk. Johannes omschrijft het zo: “Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.”

En wij? Verwerpt u Jezus? Hem verwerpen kan op een heel brute, brutale manier, waar fatsoenlijke kerkmensen schande van spreken. Maar het kan ook op een nette, fatsoenlijke manier, waarbij ons geweten ons helemaal niet aanklaagt, dat we iets verkeerds, iets ergs gedaan hebben.

Als kerkmensen doen we het vaak op die tweede manier. Door ons niet aan Hem toe te vertrouwen. Door Zijn woord van vergeving in twijfel te trekken. Door argwaan te koesteren, al zegt Hij door Zijn knecht dat God de wereld met Zichzelf verzoend heeft en hun zonde hun niet toerekent.

Ondertussen moet het ons smarten dat het verbondsvolk de Verlosser om Wiens komst zij gedurig baden en Die zij vurig verwachtten, verwierpen en zelfs kruisigden. Wat kunnen mensen zich toch vreselijk vergissen! Ja, wat kunnen ook wij ons erbarmelijk vergissen! Dat we denken naar Christus te verlangen, terwijl we Hem verwerpen…

Lezen: Lukas 17:20-25; zingen: Psalm 81:13

30 NOVEMBER

Gedenk aan de vrouw van Lot.

Lukas 17:32

Wat een indringende waarschuwing richt de Heere Jezus tot ons, op deze laatste dag van de maand! We moeten niet vergeten wat de vrouw van Lot is overkomen: Ze vlucht met haar man en dochters de stad Sodom uit. Ze is bijna veilig. Toch komt ze om. Hoe komt dit? Ze kijkt om.

We zouden daaruit kunnen afleiden dat haar hart niet ging waarheen haar voeten gingen, maar dat dit in Sodom was achtergebleven.

Waarom zou de Heere Jezus naar haar verwijzen en ons aan haar lot herinneren? Het kan ons allen duidelijk zijn dat Hij bedoelt dat wij zo niet moeten doen. Dat wij er niet mee tevreden moeten zijn om bijna gered te wezen. Maar dat het er op aankomt om helemáál gered te zijn.

We doen er goed aan onszelf te onderzoeken: Is mijn hart nog in ‘Sodom’? Ben ik nog in gevaar? En dan gaat het niet, zoals we allemaal beseffen, om lichamelijke gevaren, maar gevaren die onze ziel en zaligheid bedreigen. Hoe staat het ervoor?

Christus spreekt in de voorgaande verzen, waar we gisteren bij stilstonden, over Zijn lijden. Hoe komt Hij erbij om over dat lijden te spreken? Omdat de Joden denken aan uitwendige pracht en praal, maar Hij moet eerst lijden.

Hoe komt Hij ertoe om over het huiveringwekkende lot van deze vrouw uit Sodom, op weg naar het leven, te spreken? Omdat velen menen: Ik hoor bij het volk uit Abraham gesproten, dat zoveel gunsten heeft genoten – en dus komt het wel goed … Maar vergis u niet!

Wat kunnen wij ons toch erbarmelijk vergissen als we denken behouden te zijn, terwijl we verloren gaan… Daarom de bede: “Zie, of bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg!”

Lezen: Lukas 17:26-37; zingen: Psalm 119:60

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën