Website van Ds. W. Pieters

Psalm 2

P

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

Dat deze Psalm voornamelijk, of zelfs alleen, op Christus betrekking heeft, blijkt hieruit:

  • dat Davids naam niet in het opschrift staat, hoewel hij hem heeft geschreven;
  • en uit Handelingen 4 vers 25-26, waar hij op Christus wordt toegepast.

Deze Psalm heeft twee delen:

In het eerste deel wordt de vastheid van Christus’ koninkrijk beschreven, tegen al zijn vijanden, vers 1-3.

  • Ten eerste, omdat God de Vader partij kiest voor Zijn Zoon tegen al Zijn vijanden, en ondanks hen allen Christus’ koninkrijk zal bevestigen, vers 4-6.
  • Ten tweede, omdat de Vader in het verbond der verlossing aan de Zoon uitbreiding van Zijn koninkrijk en overwinning op al Zijn vijanden heeft beloofd, vers 7-9.

In het tweede deel van de Psalm houdt de profeet ons het gebruik van deze leer voor in een aansporing voor groot en klein om zich van hun zonden te bekeren (Engels: to repent of their sins = berouw te hebben van hun zonden) en in Christus te geloven, vers 10-12.

11. WAerom woeden de heydenen, ende bedencken de volcken ydelheyt?

2. De Coningen der aerden stellen sich op, ende de Vorsten beraetslagen te samen, tegen den HEERE, ende tegen sijnen Gesalfden [seggende]:

3. Laet ons hare banden verscheuren, ende hare touwen van ons werpen.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

De profeet toont dat Christus’ vijanden tevergeefs Zijn koninkrijk zullen tegenstaan. Leer hieruit:

  1. Dat de goddeloze wereld, omdat ze vervreemd is van het leven van God, in woede is ontstoken tegen de kerk en het koninkrijk van Christus in de wereld. De heidenen woeden, zegt hij, namelijk: tegen de zichtbare regering van Christus in Zijn zichtbare kerk, zoals blijkt uit vers 2 en 3.
  2. Hun tegenkanting is totaal onterecht, zonder oorzaak, onredelijk, want wanneer aan hen wordt gevraagd ‘waarom?’, kunnen zij geen reden geven.
  3. Hoewel de vijanden van Christus zichzelf succes beloven in hun tegenkanting tegen Christus, en dat zij zeker Zijn koninkrijk omver zullen werpen, toch zullen hun inbeeldingen dwaas blijken te zijn; zij zullen het niet winnen, want zij bedenken ijdelheid, die onmogelijk verwezenlijkt kan worden.
  4. De belangrijkste instrumenten die satan ophitst om hoofden te zijn en leiders voor heidenen en goddelozen in de tegenkanting tegen en de vervolging van het koninkrijk en de kerk van Christus, zijn overheden, bestuurders en staatslieden, met de bedoeling zijn boos opzet te camoufleren met de schijn van gezag en wet, want de koningen der aarde en de vorsten stellen zich op, namelijk in tegenkanting tegen Hem.
  5. In deze poging stemmen de groten onder de mensen gemakkelijker overeen, dan in wat ook maar; zij bevestigen hun besluiten, communiceren hun beraadslagingen en verbinden hun krachten: De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen tezamen.
  6. Hoewel de vervolgers van de kerk zich inbeelden zich niet tegen God, maar alleen tegen mensen zich te kanten wanneer zij Zijn volk en dienaren lastig vallen vanwege de gerechtigheid, toch wordt hier verklaard – omdat de onenigheid met de Heere is – dat hun tegenkanting istegen de HEERE en Zijn Gezalfde, of Zijn Christus, Die hier van de Heere wordt onderscheiden wat betreft Zijn vleeswording, middelaarswerk en ambten, hoewel Hij wat betreft Zijn Godheid één in Wezen is met de Vader en de Heilige Geest.
  7. Hoewel de wet en de ordeningen van God volkomen heilig zijn, volkomen rechtmatig, volkomen onschadelijk, ja, ook volkomen nuttig, toch achten de goddelozen ze, zoals zij ze hier noemen, ‘banden en touwen’, omdat die hun vleselijke wijsheid en losbandige leven inperken en dwarsbomen.
  8. Het is voor goddelozen niet genoeg om zelf aan de wet en ordeningen van Christus ongehoorzaam te zijn en die te verwerpen, maar zij willen ook dat ze vernietigd worden, zodat God in Christus helemaal geen kerk zou hebben, tenminste niet in hun gebied, of waar zij het voor het zeggen hebben: Laten we hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.

4. Die in den hemel woont, sal lacchen; de Heere salse bespotten.

5. Dan sal hy tot hen spreken in sijnen toorn, ende in sijne grimmicheyt sal hyse verschricken.

6. Ick doch hebbe mijnen Coninck gesalft over Zion, den berch mijner heylicheyt.

De eerste reden van de vastheid van Christus’ koninkrijk is, omdat God lacht om de tegenkanting van mensen, en Zijn vijanden verschrikken, en het koninkrijk van Christus in Zijn zichtbare kerk zal bevestigen voor de ogen van Zijn vijanden. Leer hieruit:

  1. Hoewel de zichtbare kerk en de ordeningen van Christus door machtige overheden worden vertreden, en het de onderdanen van Christus aan wijsheid en macht ontbreekt om zichzelf te verdedigen, toch is hun Bewaarder de almachtige God, de Rechter van allen, en wel Hij Die in de hemel woont.
  2. Alle plannen en complotten van mensen tegen het koninkrijk van Christus (hoe vreeswekkend voor Gods volk ook) zijn in Gods ogen maar een belachelijke en dwaze onderneming: de Koning, Die in de hemel woont, zal hen allen uitlachen, en hen blootstellen aan bespotting voor de mensen: Hij zal hen bespotten.
  3. Nadat de Heere de bedoeling van Zijn vijanden heeft openbaar gemaakt, en hun dwaze en zotte bedoelingen aan het licht heeft gebracht, zal Hij niet nalaten Zijn gedachte en Zijn terechte verbolgenheid tegen hen openbaar te maken: want dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn.
  4. De Heere heeft Zijn bestemde tijd waarin Hij zal opstaan, en de vijanden van Zijn kerk zal verschrikken, ten dele door hun verwachtingen teleur te stellen en ten dele door hen met zware plagen te verdrukken: dan zal Hij in Zijn grimmigheid hen verschrikken.
  5. Wanneer de Heere opstaat om de vijanden van Zijn kerk te oordelen, maakt Hij Zijn bedoeling verder bekend om Zijn kerk en het zichtbare koninkrijk van Christus te bevestigen in de wereld, ondanks alle tegenkanting: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Zion, Mijn heilige berg.
  6. Hoewel alle koningen en koninkrijken de Heere toebehoren, verklaart Hij toch dat de kerk (afgebeeld door de berg Zion) én de Koning daarvan, Zijn Zoon Christus, op een bijzondere manier Zijn eigendom zijn, waarin Hij meer glorieert dan in al Zijn werken. Daarom zegt Hij: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Mijn heilige berg. Dit zegt God de Vader, door Zijn Geest, door middel van de profeet, aangaande Christus Zijn Zoon.

7. Ick sal van het besluyt verhalen: De HEERE heeft tot my geseyt; Ghy zijt mijn Sone, heden heb ick u gegenereert.

8. Eyscht van my, ende ick sal de heydenen geven [tot] u erfdeel, ende de eynden der aerde [tot] uwe besittinge.

De tweede reden van de vastheid van het Koninkrijk van Christus is de vastbesloten overeenstemming tussen God de Vader en de Zoon in het verbond der verlossing, waarvan Christus hier door Zijn profeet enige artikelen openbaart. Want hier spreekt Christus, de Zoon van God, Die vlees zal worden, door Zijn Geest over de vastheid van de kerk en van Zijn Koninkrijk over haar. Hieruit leren we:

  1. Het geloof van de heiligen mag en moet, in een tijd dat de kerk wordt vervolgd, rusten, overtuigd zijnde van de vastheid van de kerk en van Christus’ Koninkrijk in haar, want deze is gegrond op het verborgen en onveranderlijke besluit van God, dat hier aan het licht wordt gebracht. Christus, als nog niet in het vlees gekomen, zegt: Ik zal het besluit verhalen.
  2. Het is het ambt van Christus om de geheime raad van de Drie-enige te openbaren, zijnde het wezenlijke Woord van de Vader, Die voordat de wereld was geschapen, met God was en Zelf God was, Johannes 1 vers 1-2. Ik zal het besluit verhalen, zegt de Zoon van God.
  3. Zoals de Zoon van God als Persoon betrokken is bij het besluit om de kerk en het koninkrijk van God daarin te bevestigen, zo is Hij ook in het verbond der verlossing verbond-sluitende partij. En zoals Hij de Belover en Borg is om de prijs van de verlossing voor Zijn volk te betalen, zo is Hij ook de Ontvanger van de beloften die ten gunste van Zijn kerk en koninkrijk zijn gemaakt. Tot Hem in de eerste plaats en op de meest directe manier, spreekt de Vader Zijn belofte over Zijn kerk. Want wanneer de Zoon het besluit verhaalt, zegt Hij: de HEERE zei tegen Mij.
  4. Het is een van de artikelen van het verbond der verlossing dat het beloofde Zaad der vrouw, de Loskoper van Zijn volk, het beloofde Zaad van Abraham, de Messias en Zaligmaker van de uitverkorenen, de beloofde Zoon van David en ware Koning van Israël, na Zijn vleeswording niet door de Vader zal worden verloochend. Maar in en na Zijn diepste vernedering en lijden zal Hij, zoals Hij werkelijk de echte Zoon van God zal zijn en blijven, ook werkelijk op de bestemde dag door de Vader worden erkend als de eniggeboren Zoon van God. Deze dag is de dag van de opstanding van Jezus Christus uit de doden, zoals de apostel in Romeinen 1 vers 4 ons leert, zeggende: Hij werd verklaard de Zoon van God te zijn, met kracht, door de opstanding uit de doden. Want de opstanding van Jezus Christus was een werkelijke verklaring, uiteindelijk zeggende tegen Christus ten aanhore van heel de wereld: Ik verklaar U deze dag Mijn Zoon te zijn, Mijn eniggeboren Zoon, eeuwig één in Wezen met Mij.
  5. Het verhalen van het besluit om te openbaren dat Christus de Zoon van God is, is een genoegzame demonstratie van de onoverwinnelijke vastheid van de kerk, ondanks al de tegenkanting van alle machten in de wereld. Want juist met dit doel is het besluit om te openbaren dat Christus de Zoon van God is, hier verhaald. Gij zijt Mijn Zoon, Die Ik heb gegenereerd, is een overvloedig bewijs. Want dit is de rots waarop Christus het onderneemt om Zijn kerk te bouwen, die de poorten der hel niet zullen overweldigen, Mattheüs 16 vers 16,18. En wie is het die de wereld overwint, zegt Johannes, dan die gelooft dat Jezus de Zoon van God is, 1 Johannes 5 vers 5.
  6. Een ander artikel van het verbond der verlossing dat hier wordt verhaald, is dat Christus – na Zijn opstanding en de verklaring van Zijn vroeger versluierde Godheid – zou blijven in Zijn ambt van Middelaar en Voorbidder. En uit kracht van Zijn betaalde losgeld zou Hij roepen om de vergroting van Zijn verworven Koninkrijk onder de heidenen. Want dit is de overeenkomst tussen de Vader en de Zoon: eis van Mij, en Ik zal de heidenen aan U geven.
  7. De tegenkanting die de wereld tegen het Koninkrijk van Christus zal ondernemen, zal de vergroting en verspreiding ervan niet verhinderen, maar door de voorbidding van Jezus Christus zullende heidenen Zijn erfdeel zijn, en de einden der aarde Zijn bezitting; niet de Zijne voor een korte tijd of lening voor een paar jaar, maar een blijvend erfdeel en een gedurige bezitting.
  8. De noodzaak van het gebed wordt al Gods volk hiermee duidelijk gemaakt, dat het bezit van wat de Heere door Zijn dierbaar bloed had verworven, pas tot Hem tevoorschijn kon komen door een gebed en een voorbede zoals die Christus passen. Eis van Mij, zegt de Vader, en Ik zal de heidenen geven, &.

9. Ghy sultse verpletteren met eenen yseren scepter, ghy sultse in stucken slaen als een potte-backers vat.

Een derde artikel van het verbond der verlossing is een belofte, gegeven aan Christus, van volkomen overwinning op al de vijanden van Hem en van Zijn kerk, vers 9, waarin we kunnen opmerken:

  1. Dat het Christus aan geen vijanden zal ontbreken, die niet alleen wat henzelf betreft de door Hem aangeboden zaligheid zullen weigeren, en de onderwerping die Hem gegeven moet worden, maar zij zullen Hem ook tegenstaan en zich tegen Hem verzetten, totdat Hij ze verdoet. Want deze koningen en regeerders, over wie vers 2-3 het heeft, zullen niet ophouden, totdat Hij ze verbreekt en in stukken slaat, en over deze gaat het, zoals wordt herhaald uit vers 1-3.
  2. Hoewel de kerk van Christus zwak is en niet in staat is zichzelf te helpen tegen vervolging, toch zal Christus deze onenigheid tot Zijn zaak maken en Zelf tegen al haar vijanden vechten, waarvoor Hij voldoende is toegerust, want Hij zal hen in stukken breken met een ijzeren scepter.
  3. Hoewel de vijanden, vergeleken bij de godvrezenden, die zij vervolgen, talrijk en sterk zijn, toch zijn ze vergeleken bij Christus of zoals Hij ze ziet, maar zwakke, broze en nietswaardige dingen. Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.

10. Nu dan, ghy Coningen, handelt verstandichlick, laet u tuchtigen, ghy Richters der aerden.

11. Dient den HEERE met vreese, ende verheugt u met bevinge.

12. Kusset den Sone, op dat hy niet en toorne, ende ghy [op] den wech vergaet, wanneer sijn toorn maer een weynich soude ontbranden: welgelucksalich zijn alle, die op hem betrouwen.

Dit is het laatste deel van de Psalm, waarin het nut van de voorafgaande leer is neergelegd. Leer hieruit:

  1. Des te duidelijker de zonde en het gevaar van de tegenkanting tegen het Koninkrijk, de zaak, het werk of het volk van Christus zijn uiteengezet, des te voorzichtiger moesten alle mensen zijn, en voornamelijk overheden, als zij hun positie en hun ziel liefhebben, om dit kwaad te schuwen. Want Hij heeft gezegd: Nu dan, koningen en rechters der aarde, wees verstandig.
  2. Hoewel het verstandiger schijnt te zijn om wetten te maken en uit te voeren ten nadele van Christus en Zijn zaak, dan om kwaadaardigheid te uiten zonder voorwendsel, toch is het nog verstandiger om te stoppen met tegenkanting, en om wetten van Christus te aanvaarden, want zo beschouwt de Heere het: nu dan, handel verstandig, laat u tuchtigen.
  3. Als iemand schuldig is aan deze zonde en er nog geen berouw over heeft, biedt de goedheid van God hem op tijd genade aan. Ze stapt tijdig in om de strikken weg te nemen van vleiers, die gewoonlijk mensen (en vooral aanzienlijke mensen) in deze zonde doen verharden. Handel nu verstandig, zegt de Heere, o koningen.
  4. Het is geen vernedering voor de grootste monarchen (maar een middel voor hen om de toorn van God te ontwijken) om aan Christus Jezus onderdanig te zijn, ontzag voor Hem te hebben, zichzelf aan Hem te onderwerpen, en Zijn dienst met alle macht te bevorderen. Want tot allen (en speciaal tot hen) is het bevel: dien de HEERE met vrees.
  5. Zoals er voor Christus’ onderdanen reden is om te vrezen, om Hem niet te verzoeken, zo is er voor hen ook reden om zich te verheugen dat zij onder Zijn regering zijn. En deze twee gevoelens kunnen in Zijn dienst best samengaan: verheug u met beving. Ja, er is geen rechte verheuging in iets, zonder enige vermenging met vrees om Hem te beledigen.
  6. Omdat Christus Jezus, de Zoon van God, een lieflijke Koning is, Die aan al Zijn ware onderdanen gerechtigheid en eeuwig leven geeft, hoort men zich heel hartelijk aan Hem te onderwerpen en, wanneer Hij Zijn genade aanbiedt, Hem te omhelzen. Met dit doel wordt eraan toegevoegd kus de Zoon, of vereer Hem. Want het kussen is een teken van godsdienstige eer, Hosea 13 vers 2 [de mensen die offeren, zullen de kalveren kussen], en een teken van eerbied en hartelijke onderwerping, 1 Samuël 10 vers 1 [Toen nam Samuel een oliekruik, en goot ze uit op Sauls hoofd, en kuste hem].
  7. Waar genade, door Christus Jezus aangeboden, wordt verworpen, zal het verwerpen van de genade meer toorn bewerken dan alle vorige zonden: kus de Zoon, opdat Hij niet toornt.
  8. Wanneer Christus een weigering ontvangt van iemand aan wie genade werd aangeboden, zal er toorn volgen en de weigeraar zal worden afgesneden van alle middelen tot geluk, zowel tijdelijk (waarnaar hij jaagt), als eeuwig (dat hem was aangeboden in Christus); en hij zal totaal ten verderve worden gebracht. Want er wordt gezegd: kus de Zoon, opdat Hij niet toornt, en gij vergaat van de weg van alle mogelijke zaligheid.
  9. Onuitsprekelijk moet de toorn van God zijn wanneer deze volledig ontbrandt, aangezien verderf al komt wanneer deze maar een weinig ontbrandt.
  10. Vergeving van zonde, verlossing van de toorn, gemeenschap met God en eeuwig leven zijn de vruchten van Christus te omhelzen, met Christus een verbond te sluiten en op Christus te rusten, want welgelukzalig zijn allen die op Hem hun vertrouwen stellen.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën