Website van Ds. W. Pieters

Psalm 5

P

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1. 1)EEn Psalm Davids, voor den Opper-sang-meester op de Nechiloth.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

David – als afbeelding van Christus en één van het getal van Zijn verdrukte volgelingen, voorgesteld in zijn verdrukking, en als voorbeeld van een oefening voor anderen in later eeuw – bidt voor zichzelf en tegen zijn vijanden. Hierbij gebruikt hij diverse argumenten om zichzelf te sterken in zijn hoop op verhoring:

  • het eerste (ontleent hij) aan de genade van God aan hem bewezen, om de middelen te gebruiken (vers 2-4);
  • het tweede aan de gerechtigheid van God tegen zijn goddeloze vijanden (vers 5-7);
  • het derde aan zijn eigen standvastige opzet en begeerte om in de dienst van God te blijven en om zo oprecht te wandelen dat geen vijand voordeel op hem zal behalen door zijn misdragingen (vers 8-9);
  • het vierde aan het rijp zijn van de zonde bij zijn tegenstanders, wat hen klaar maakt voor plotseling verderf (vers 10-11);
  • het vijfde aan de vaste hoop op vreugde en bescherming én geestelijke zegen die aan hem en alle gelovigen zal worden bewezen uit de vrije liefde en gunst van God voor hen (vers 12-13)

2. ô HEERE, neemt mijne redenen ter ooren, verstaet mijne overdenckinge.

3. Merckt op de stemme mijns geroeps, ô mijn Coninck, ende mijn Godt; want tot u sal ick bidden.

4. ’Smorgens, HEERE, sult ghy mijne stemme hooren; ’smorgens sal ick [my] tot u schicken, ende wacht houden.

Leer uit het feit dat David zijn hoop om te worden gehoord, versterkt uit de genade van God aan hem bewezen, om de middelen te gebruiken om een goed antwoord te ontvangen:

  1. Wanneer de Heere ons een mond geeft om tot Hem te spreken, is er reden om te hopen dat Hij ons een oor zal vergunnen. Want zo redeneert David: o HEERE, neem mijn redenen ter ore.
  2. In een tijd van moeite heeft het hart meer tegen God te zeggen dan woorden kunnen uiten. En God zal kennis nemen van wat iemand niet kan uitspreken, niet minder dan van zijn woorden. Hier hoopt de profeet op, zeggende: versta mijn overdenking.
  3. Wanneer een uiterst gevaar een weg baant naar de Heere, heeft de nood van de gelovige een stem die luider is dan zijn uitgesproken woorden, en waaraan de Heere gehoor zal geven: merk op de stem van mijn geroep.
  4. Het is een punt van geestelijke wijsheid tot hulp van ons geloof om de relaties aan te grijpen die we tot God hebben, waardoor we kunnen verwachten wat we bidden, zoals David hier doet, wanneer we bescherming en bevrijding wensen, zeggend: mijn Koning en mijn God.
  5. Geloof weet tot niemand anders te bidden om hulp, dan tot God alleen; en geen andere weg om geholpen te worden, dan door volharding in bidden: want tot U zal ik bidden, zegt hij.
  6. Vastbesloten vrijmoedigheid in het gebed moet worden verenigd met het aangrijpen van de eerste en beste gelegenheid om te bidden: des morgens, HEERE, zult U mijn stem horen, zegt hij.
  7. In moeite God aanroepen in afhankelijkheid van Hem geeft, in de weg van overtuigend redeneren, hoop op gehoor en verlossing door Hem. Hierbij is de belofte van verlossing voor zulke mensen die in de dag van moeite Gods Naam aanroepen, de eerste stelling. Het bewustzijn om vastbesloten Hem aan te roepen is de tweede veronderstelling, en concluderend verwacht het geloof de verlossing. Want de redenering van de profeet gaat uiteindelijk zo: wie het ook maar zijn die tot de Heere bidden in hun moeite, zult U horen. Welnu, ik bid tot U en ben vastbesloten met bidden door te gaan. Daarom zult U, o Heere, mij horen.

5. Want ghy en zijt geen Godt, die lust heeft aen godtloosheyt; de boose en sal by u niet verkeeren.

6. De onsinnige en sullen voor uwe oogen niet bestaen; ghy haett alle werckers der ongerechticheyt.

7. Ghy sult de leugen-sprekers verdoen; van den man des bloets ende bedrochs heeft de HEERE eenen grouwel.

In de tweede plaats redeneert hij vanuit de rechtvaardigheid van God tegen zijn vijanden. Leer hieruit:

  1. De slechtste hoedanigheden in de tegenstanders van de godvrezenden, verschaffen goede stof voor geloof en hoop in de gelovige dat hij hen kwijt zal raken. Want dit gebruik maakt David in deze drie verzen van de goddeloosheid van zijn vijanden.
  2. Wie in zonde vermaak hebben en wie van zonde niet willen scheiden, die zal God afscheiden van Zijn gezelschap, want hij zegt: U bent geen God, Die lust hebt aan goddeloosheid. De boze zal bij U niet verkeren.
  3. Laten goddelozen nog zulke wijze politici zijn onder de mensen, toch zullen zij voor God grote dwazen bevonden worden, die de hemel verkopen voor prullen van de aarde, die oorlog blijven voeren met de Almachtige, en die hun eigen ondergang tegemoet draven met hun zelf-behagende dromen, tot verlies van hun leven en staat, tijdelijk en eeuwig. Want de dwazen, zegt hij, zullen voor Uw ogen niet bestaan.
  4. Zij die van ongerechtigheid hun werk maken, zullen de gevolgen van Gods haat tot hun loon hebben, want: U haat al de werkers van ongerechtigheid.
  5. Terwijl de vijanden van Gods volk door laster en leugen de onschuldigen vermoorden, halen zij snel het doemvonnis van God over zichzelf: U zult de leugensprekers verdoen, zegt hij.
  6. Valsheid en wreedheid, die het karakter zijn van de vijanden van de godvrezenden, zijn afschuwelijk voor de Heere, die Hij niet kan verdragen: U zult de bloedige en bedrieglijke man verafschuwen.

8. Maer ick sal door de grootheyt uwer goedertierentheyt in u huys ingaen; ick sal my buygen nae het palleys uwer heylicheyt, in uwer vreese.

9. HEERE, leydt my in uwe gerechticheyt, om mijner verspieders wille; richt uwen wech voor mijn aengesichte.

In de derde plaats neemt hij zich voor om – wat ook de vijand zal doen – te wandelen zoals God hem heeft bevolen: vastbesloten om God in oprechtheid te dienen, alsook met de belijdenis van hoop om het gezelschap van Zijn heiligen te genieten in Gods openbare eredienst. En met dit doel bidt hij dat hij in zijn levenswandel recht gehouden zal worden, zodat de vijand niets zal hebben om hem te verwijten. Leer hieruit:

  1. Hoewel het de godvrezenden niet ontbreekt aan besef van hun eigen zonden, wanneer zij spreken over de zonden van hun vijanden, toch is er een verschil tussen hen en de goddelozen wat betreft dat de godvrezenden door een gevoel van hun zonden zijn verootmoedigd en dat zij zijn gebracht tot de erkentenis van hun behoefte aan genade, en dat zij vluchten tot God om genade te ontvangen, en tot de menigte van goedertierenheid, net zoals zij de menigte van hun zonden zien. En daarom zegt hij over zichzelf, in tegenstelling tot de goddelozen: Maar ik zal in Uw huis ingaan, in de menigte/grootheid van Uw goedertierenheid.
  2. Het geloof dat de godvrezenden hebben in de goedertierenheden van God, bemoedigt hen om de dienst van God te volgen en geeft hun in sommige gevallen hoop verlost te zijn van de beperkingen die hen verhinderen om de openbare instellingen te genieten: ik zal in Uw huis ingaan, in de menigte/grootheid van Uw goedertierenheid.
  3. De juiste gesteldheid van hart van een ware aanbidder is vrees voor God: Ik zal mij buigen in Uw vreze.
  4. Onder het gevoel van zondigheid en onwaardigheid moet het geloof worden ondersteund door te zien op Jezus Christus, voor-afgebeeld in de tabernakel en tempel: in Uw vreze, zegt hij, zal ik mij buigen naar Uw heilige paleis.
  5. Wanneer de godvrezenden in problemen zijn door hun vijanden, zijn zij er niet minder bevreesd voor om zich te misdragen en de Heere te beledigen, dan dat ze bevreesd zijn voor wat hun vijanden tegen hen kunnen doen. Daarom zegt hij: HEERE, leid mij in Uw gerechtigheid.
  6. Des te meer de godvrezenden hun eigen blindheid en zwakheid beseffen en hoe gauw ze geneigd zijn om van de rechte weg af te wijken, des te meer roepen zij om en verlaten zij zich erop dat God hen zal leiden. Leid mij, zegt hij, als iemand die niet ziet, of als iemand die niet in staat is zonder gids een rechte koers te houden.
  7. Als de godvrezende een zondige koers vaart om van zijn moeite verlost te worden, wordt de vijand gestijfd in zijn goddeloze koers om hierdoor de belijdenis van de vromen te lasteren als alleen maar toneelspel, en zo wordt God uitgedaagd om de vijand de overhand te laten hebben, omdat het wangedrag van de godvrezende de weg voor hem heeft gebaand. Om deze onaangenaamheid te vermijden bidt hij: Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijn verspieders.
  8. De bedrieglijkheid van de zonde, de onwetendheid wat in een speciaal geval nuttig en wettig is, de mist van persoonlijke genegenheden, en het voorbeeld van een slecht advies van de wereld, zorgen er zomaar voor dat iemand zich vergist in de juiste weg, tenzij de Heere duidelijk maakt wat zijn opdracht is. Daarom zegt hij: maak Uw weg voor mijn aangezicht recht.

10. Want in haren mont en is niet rechts, haer binnenste is enckel verdervinge, haer kele is een open graf, met hare tonge vleyen sy.

11. Verklaertse schuldich, ô Godt, laetse vervallen van hare raetslagen; drijftse henen om de veelheyt harer overtredingen, want sy zijn wederspannich tegen u.

In de vierde plaats sterkt hij zijn hoop om geholpen worden, omdat de zonden van zijn vijanden rijp waren voor het oordeel. Leer hieruit:

  1. Dit is onder andere motieven er één om de godvrezenden op hun gedrag te doen letten in een tijd van beproeving: zij hebben te maken met een valse wereld en met mensen met een leeg hart die valse voorwendsels opgeven voor hun bedoelingen. Zij beloven wat ze van plan zijn niet te volvoeren. En ze zullen geen andere adviezen geven dan verrotte en vergiftigde, vernist met valse vleierij; en dit alles om de godvrezenden te misleiden en hen in een strik te lokken. Dit is het, zegt hij: want in hun mond is niets betrouwbaars, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij. En dit is de natuur van alle vleselijke mensen, wanneer het erop aan komt Gods zaak te verdedigen in een tijd van beproeving.
  2. Hoewel dit gebed door ons – die niet een onfeilbare openbaring hebben van iemands staat voor God – niet mag worden toegepast op specifieke personen, toch is het een profetie tegen alle onverzoenlijke vijanden van God en van Zijn volk, tegen wie Gods Geest een vervloeking uit, zeggende: verklaar hen schuldig [vernietig hen1)], o God.

1) Kanttekening: Dat is, veroordeeld en bestraf hen, als die het verdiend hebben. Anders: verwoest hen. Omdat het Hebreeuwse woord beide betekent.

  • Geen enkel ander middel is nodig om de vijanden des Heeren te vernietigen dan hun eigen plannen. Juist de koers die zij inslaan om zichzelf te bevestigen, zal tot hun eigen ondergang leiden. Laat hen vervallen, zegt hij, door hun eigen raadslag.
  • De zekere oorzaak van de ondergang van de vervolgers van Gods volk is de rijpheid en volle maat van hun zonden. Werp hen uit, zegt hij, om de veelheid van hun overtredingen.
  • Tegenstand tegen de waarheid en tegen de inzettingen van God in de persoon van Zijn knechten die deze voorstaan, is niet simpelweg tegenstand tegen sterfelijke mensen, maar tegenstand tegen God, Wiens twistzaak het is. Daarom zegt hij: zij zijn weerspannig tegen U.

12. Maer laet verblijdt zijn alle die op u betrouwen, tot in eeuwicheyt laetse juychen, om dat ghyse overdeckt; ende laet in u van vreuchde opspringen die uwen Naem lief hebben.

13. Want ghy, HEERE, sult den rechtveerdigen segenen; ghy sult hem met goetgunsticheyt kroonen, als met eene rondasse.

Ten slotte doet hij een gebed voor al de godvrezenden, die net als hij in deze strijd betrokken zijn, dat zij samen mogen delen in Gods gunst. Leer hieruit:

  1. Vervolging vanwege gerechtigheid is een zaak die alle gelovigen gemeen is, waarin zij allen één moesten zijn en ieder voor de ander moest bidden en een blijde uitkomst moest zoeken voor de ander op hun tijd. Om deze reden zegt hij, na gebed tegen de vijanden: maar laat allen die op U vertrouwen, verblijd zijn.
  2. De duidelijke zorg van God voor Zijn volk door hen te beschermen tegen en te bevrijden van hun vijanden, is zaak van buitengewone blijdschap voor Zijn volk, omdat Hij hierin verheerlijkt wordt en Zijn kerk bewaard: laat hen steeds juichen, omdat Gij hen beschermt.
  3. Zulke gelovigen die genade hebben gekregen om Gods Naam lief te hebben, al is het dat hun nog niet is gegeven om voor Zijn Naam te lijden, mogen toch delen in de vreugde van overwinnende lijders. Laat ook hen die Uw Naam liefhebben, zegt hij, van vreugde opspringen in U.
  4. De persoon die door het geloof gerechtvaardigd is en zich inspant tot heiligheid, is erfgenaam van Gods zegen, of hij minder of meer door de wereld wordt opgemerkt, of hij wel of niet in conflict kwam met vervolgers: want U, o HEERE, zult de rechtvaardige zegenen.
  5. De gunst en goede wil van God voor de Zijnen is een sterke en glorierijke verdediging van hen. Het is een kronend schild – een schild dat iemand rondom omringt als een koninklijke diadeem –, een schild dat erg mooi is en sterk. De gelovige behoort het goed aan te grijpen en vast te houden en voorzichtig te hanteren, en het tegen elke aanval van de tegenstander te houden. Een kronend schild, dat iemand omringt en de slag afweert van het wapen van de tegenstander, zelfs wanneer de vervolgde gelovige het niet gewaar is: U zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een schild.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën