Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
1)1. EEn Psalm Davids voor den Opper-sang-meester, op Neginoth, op de Scheminith.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Een andere ervaring van David, nuttig dat alle kinderen van God, die aan dezelfde ervaring onderworpen zijn, deze zouden weten. Hierin bidt David, terwijl hij onder een gevoel is van Gods zware hand op zijn lichaam en geest, om wegneming van deze toorn, vers 2-4.
Vervolgens bidt hij om een vernieuwd gevoel en een vernieuwde ervaring van Gods barmhartigheid voor hem, en legt voor het medelijdende oog van God zijn beklagenswaardige situatie neer, vers 5-8.
Hierna tart en overwint hij al zijn vijanden, nadat hij, in de derde plaats, is verhoord en vertroost, vers 9-11.
2. ô HEERE, en straft my niet in uwen toorn, ende en kastijdt my niet in uwe grimmicheyt.
3. Zijt my genadich, HEERE, want ick ben verswackt; geneest my, HEERE, want mijne beenderen zijn verschrickt.
4. Ia mijne ziele is seer verschrickt; Ende ghy, HEERE, hoe lange?
Leer van zijn gebed om wegneming van toorn:
- Het is mogelijk dat van een ware gelovige, die al vaak met een gevoel van Gods gunst werd verkwikt, het geweten door de een of andere verdrietige oefening zo wakker is gemaakt tot een besef van zonde, dat hij niets kan voelen dan toorn en vrees om afgesneden te worden, zoals deze ervaring van David bewijst.
- In zo’n geval is er geen verlichting dan het geloof aan het werk te zetten – wat er ook gevoeld of gevreesd wordt – en matiging en verlossing te zoeken bij God, zoals de profeet hier doet.
- Zelfs de Vaderlijke toorn van God en, veel meer, het voorgevoel van heet misnoegen van een toornige Rechter, is onverdraaglijk voor een ziel die God kent en ooit tevoren Zijn gunst heeft geproefd: straf mij niet in Uw toorn, zegt hij.
- Er is in de Naam des HEEREN, Jehovah (die Zijn onveranderlijke Wezen aanduidt en Zijn standvastigheid in Zijn beloften), evenveel grond voor het geloof uitgestald, als er is om er een gebed op te gronden tot de verandering van iemands omstandigheid ten goede, in de moeilijkst denkbare situatie: O HEERE, of o Jehovah, zegt hij, straf mij niet in Uw toorn.
- Hoewel het gevoel toorn ervaart en niets anders ziet dan heet ongenoegen, kan het geloof toch door de wolken dringen en van genade getuigen: Wees mij genadig, HEERE, zegt David, midden in deze verdrietige situatie.
- Hoewel zonde toorn opwekt, is de aan God voorgestelde ellende en de onmogelijkheid om het eronder uit te houden het voorwerp van barmhartigheid, en een drijfveer voor het geloof om ontferming te verwachten: Wees mij genadig, zegt hij, want ik ben verzwakt.
- Als zonde ziekte of enig ander gevaar naar zich toe heeft gehaald, laat dan eerst vergeving van zonde worden gezocht en daarna de wegneming van de slag. Want hij zegt eerst: wees mij genadig, en dan: genees mij.
- De Heere kan het sterkste en meest ongevoelige deel van iemands lichaam gevoelig maken voor Zijn toorn, wanneer het Hem behaagt hem aan te raken. Want hier zijn Davids beenderen verschrikt.
- Zielensmart en gewetenswroeging zijn zwaarder dan welke lichaamskwelling ook, zoals ja, mijn ziel is zeer verschrikt inhoudt.
- De vrees van Gods afwezigheid in moeite en Zijn uitstel om de smekeling te antwoorden, plaatsen een gewicht bovenop een last en gaan alle uitingen in woorden te boven. Want hier is zijn rede afgebroken: en U, HEERE, hoe lang?
5. Keert weder, HEERE; reddet mijne ziele; verlost my om uwer goedertierenheyt wille.
6. Want in den doot en is uwer geene gedachtenisse; wie sal u loven in’t graf?
7. Ick ben moede van mijn suchten: ick doe mijn bedde den gantschen nacht swemmen: ick door-natte mijne bed-stede met mijne tranen.
8. Mijn ooge is doorknaecht van verdriet, is veroudt, van wegen alle mijne tegenpartijders.
Vervolgens bidt hij om een hernieuwde gevoelige ervaring van Gods genade voor hem, vanwege zijn beklagenswaardige situatie. Leer hieruit:
- Een hernieuwde glimp van het aangezicht van de Heere zal een ziel verzadigen in de grootste nood. Daarom hunkert David hiernaar als geneesmiddel van al zijn verdriet: Keer weder, HEERE.
- Als verlatenheid voortduurt, komt de vrees op om totaal te vergaan, zoals dit gebed suggereert: HEERE, red mijn ziel.
- De enige tijd om de lof van God te verspreiden, door melding van Hem te maken voor hen die Hem niet kennen, is de tijd van dit leven: Want in de dood is van U geen gedachtenis.
- De liefde van een christen om te leven zou moeten voortkomen uit zijn liefde om God in dit leven te eren (waar het Gods glorie kan vergroten voor hen die door de prediking van Zijn lof voordeel kunnen ontvangen); en dit zou moeten worden verkozen boven onze eigen genieting voor een tijd in de hemel, zolang als het God behaagt van onze dienst hier gebruik te maken. Want dit is de kracht van de redenering van de profeet: wie zal U loven in het graf?
- Onze plaats staat op ons te wachten, en niemand kan ons verhinderen om, terwijl we op aarde inspanning en moeite verduren om er meer met ons naar de hemel te brengen.
- Een ware begeerte en bedoeling om God in dit leven te verheerlijken, tot stichting van anderen, mag hoop geven op enige verlenging van het leven, en zekerheid om niet voor eeuwig te vergaan. Want Davids hoop om te worden verhoord is hierop gegrond.
- De meest blijvende, drukkende en doorpriemende smart die een ziel ooit voelde, is uit het gevoel van de zonde en van Gods ongenoegen daarover, zoals de uitdrukking van de profeet duidelijk maakt.
- De oefening van de godvrezenden onder het gevoel van Gods ongenoegen kan erg zwaar zijn en lang duren. De profeet is moe van zijn zuchten en zijn ogen zijn doorknaagd van verdriet.
- Geen uitstel van troost, geen gevoel van zonde, geen vrees voor Gods uiterste ongenoegen kan voor de gelovige een reden zijn om te stoppen met bidden en om met God te onderhandelen om genade. Want de profeet is moe, maar geeft het niet op. Alleen is zijn situatie voor hem het onderwerp van nieuwe smart, nacht en dag, en om tranen te vergieten in de boezem des Heeren: hij doet zijn bed de ganse nacht zwemmen; en doornat zijn bedstede met zijn tranen.
- Omdat de spot van de vijanden met de godvrezenden wanneer de hand des Heeren zwaar op hen is, tot oneer van religie en van Gods glorie strekt, is deze (spot) een voornaam onderdeel in de smart van de godvrezenden: Davids oog was oud geworden en dof van verdriet vanwege al zijn vijanden.
9. Wijckt van my, alle ghy werckers der ongerechticheyt; want de HEERE heeft de stemme mijns geweens gehoort.
10. De HEERE heeft mijne smeeckinge gehoort: de HEERE sal mijn gebedt aennemen.
11. Alle mijne vyanden sullen seer beschaemt ende verbaest worden: sy sullen te rugge keeren, sy sullen in een oogenblick beschaemt worden.
In de derde plaats trotseert David al zijn vijanden, nu hij is getroost door het licht van Gods aangezicht, en in zijn geest is opgebeurd. Leer hieruit:
- De Heere kan in korte tijd het gemoed van een nederige smekeling veranderen, en een ziel die sidderde uit vrees voor toorn, oprichten tot een triomferen over alle soorten van tegenstanders en over alle verleidingen tot zonde die daaruit voortkomen. Want het antwoord op het gebed van de profeet doet hem nu zeggen: wijk van mij, alle werkers der ongerechtigheid.
- Het offer van een verbrijzelde geest, opgezonden door een gelovige, zal de Heere niet verachten, want de HEERE hoorde de stem van het geween van de profeet.
- De verhoring van ons gebed moet dankbaar worden opgemerkt en gebruikt tot sterking van ons geloof bij het gebed later. Want nadat de profeet heeft gezegd: de HEERE heeft mijn smeking gehoord, voegt hij erbij: de HEERE zal mijn gebed aannemen.
- De vijanden van de godvrezenden zullen allemaal teleurgesteld worden in hun hoop, en beschaamd worden over hun pogingen tegen hen, en met kwelling vervuld worden vanwege hun inspanningen. Want dit gebed, vers 11 [Engels: laten al mijn vijanden beschaamd worden…], ingegeven door de Geest aan een van de godvrezenden tegen zijn goddeloze vijanden, is een profetie tegen al de rest van de vijanden van de godvrezenden in alle eeuwen.
