Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
Psalm 15
1) 1. EEn Psalm Davids..
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Om de ware leden van de kerk te kunnen onderscheiden van hen die alleen uitwendige belijders zijn, vraagt de profeet van de Heere hoe de één van de ander te herkennen is, vers 1; en ontvangt hij een antwoord op zijn vraag, vers 2—5.
1. HEERE, wie sal verkeeren in uwe Tente? wie sal woonen op den berch uwer heylicheyt?
Er wordt een vraag gesteld over de kenmerken van oprechte gelovigen, ware verbondmakers met God, ware belijders van de ware religie; zij die niet uitgeworpen zullen worden uit de gemeenschap van Gods ware kerk. Leer hieruit:
- De tabernakel door Mozes opgericht, en de berg Sion waar de tabernakel en de tempel ten slotte een plaats vonden, was een type van de ware kerk en de gemeenschap met God in Christus de Middelaar; een type van de mens-geworden God, wonend en al Zijn ambten uitoefenend in Zijn kerk; en van de hemelse toestand van Zijn uit de wereld geroepen en tot Hem opgeheven volk, afgebeeld onder de naam van Gods tabernakel en Gods heilige berg.
- Sommigen van hen die belijden dat ze bij deze gemeenschap horen, kunnen er weer uitgeworpen worden en van alle omgang met God worden uitgesloten, terwijl sommige anderen in deze staat zullen blijven en er niet uit zullen gaan. Want de vraag wordt gesteld: wat zijn de kenmerken van de leden van de onzichtbare kerk en wie zijn zij die zullen verblijven in Gods tent en wonen op Zijn heilige berg?
- Alleen de Heere Die de harten doorzoekt, kan het onderscheid tussen de ware en de valse (belijders) vaststellen. Om die reden wordt de vraag aan God gesteld: HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
2. Die oprecht wandelt, ende gerechticheyt werckt; ende die met sijn herte de waerheyt spreeckt.
3. Die met sijne tonge niet achterklapt, sijnen metgeselle geen quaet en doet; ende geen smaed-reden opneemt tegen sijnen naesten.
4. In wiens oogen de verworpene veracht is, maer hy eert de gene, die den HEERE vreesen; heeft hy gesworen tot [sijne] schade, evenwel en verandert hy niet.
5. Die sijn gelt niet geeft op woecker; noch geen geschenck en neemt tegen den onschuldigen. Die dese dingen doet en sal niet wanckelen in eeuwicheyt.
De Heere antwoordt in de rest van de Psalm door de vruchten van het geloof te laten zien die in het zicht van alle mensen openbaar komen in de gehoorzaamheid aan Gods geboden, zowel zedelijke als burgerlijke. De oprechtheid en waarheid van dat geloof kon alleen door God zeker gekend worden en door het geweten van een ieder persoonlijk. Dit was voldoende om de vraag te voldoen door de oprechten gerust te stellen en te troosten. Leer hieruit:
- De oprechte poging van algehele gehoorzaamheid in iemands levenswandel is een vrucht en bewijs van waar geloof, en een kenmerk van een waar lid van de onzichtbare kerk: hij wandelt oprecht en werkt gerechtigheid..
- Een andere vrucht van waar geloof is gewetensvol omgaan met wat iemand zegt, door zijn tong zo te regeren dat zijn hart en zijn tong overeenstemmen in de waarheid: hij spreekt met zijn hart de waarheid.
- Een derde vrucht van ongeveinsd geloof is om gewetensvol te zijn in al zijn handelingen, dat hij zijn naaste geen schade berokkent, niet in zijn naam en niet in zijn persoon en niet in zijn bezittingen; en om gewetensvol een vals bericht over zijn naaste niet snel te aanvaarden, wanneer het door een ander wordt verteld: hij achterklapt niet met zijn tong, ook doet hij zijn metgezellen geen kwaad, en hij neemt geen smaadrede op tegen zijn naaste.
- En vierde vrucht van gezond geloof is de lage achting voor welke aardse hoogheid ook maar, waarmee een goddeloze maar kan optreden. Hoewel de godvrezende in overeenstemming met zijn plicht hem burgerlijke eer zal bewijzen, zoals zijn positie vraagt, toch acht hij hem – ondanks al zijn eer en rijkdom – een arm, ellendig persoon, omdat hij wandelt in een weg zonder God. Maar waar hij iemand ziet die God vreest, acht hij hem in zijn hart hoog (op welke manier hij het ook goed vindt er uitwendig uiting aan te geven), vanwege de eervolle weg van heiligheid waarin de godvrezende wandelt, want In zijn ogen is de verworpene veracht, maar hij eert degene die de HEERE vreest.
- Een vijfde vrucht van gezond geloof is teer respect voor de Naam van God en zorg om wettige beloften, verbonden en eden te houden, welke burgerlijke ongemakken er ook maar zouden kunnen volgen op het nauwkeurig houden ervan: hoewel hij heeft gezworen tot zijn schade, toch verandert hij niet.
- Een zesde vrucht en bewijs van geloof is afstand doen van voordeel, wanneer God om een bijzondere reden daartoe roept om dit te doen, al zou iemand in andere omstandigheden redelijkerwijs meer winst kunnen nemen. Veel van dit soort gevallen vinden plaats in de handel en in het opeisen van renten en schulden, zoals omstandigheden kunnen leren, wanneer en waar God oproept om het meest matig te zijn. Zo was het afzien van voordeel de Joden opgelegd bij het vrijlaten van een slaaf die een Jood was, aan het einde van zes jaren; en het teruggeven van huizen en landerijen gekocht van een Jood, in het jubeljaar, hoeveel het de koper ook kostte; en geen rente te vragen van een Jood, waarin een Jood bevoorrecht was boven mensen uit andere landen.
Want in al deze drie situaties was het wettig voor de Joden om anders te doen met mensen van andere landen, namelijk in het kopen van een slaaf van een vreemdeling en hem al zijn dagen niet vrij te laten; en het kopen van land van een vreemdeling van een ander land, en het bij zijn eigen bezittingen te voegen; en het nemen van rente van een vreemdeling tegen een hoogte die aan alle kanten werd erkend als billijk. Als een Israëliet van dit voordeel geen afstand deed tegenover een Israëliet, dan schoot hij tekort in deze aanbeveling van de ware Israëliet: die zijn geld niet op woeker geeft.
- De zevende vrucht en bewijs van geloof is vrij te zijn van omkoping, met liefde tot rechtvaardigheid, die de gelovige niet wil verdraaien ten nadele van de persoon die een goede zaak heeft, wat men hem ook als beloning zou geven. Dit is de laatste eigenschap van de oprechte: hij neemt geen geschenk tegen de onschuldige.
Nu hij de bewijzen van een gezonde bekeerde en een ware gelovige heeft opgesomd, die nooit uit Gods omgang zal worden uitgeworpen, concludeert hij dat wie deze dingen doet, of zich inspant om ze te doen, nooit zal wankelen. Dat is: hij die zijn geloof in God toont door een oprechte poging om de plichten van de eerste en de tweede tafel van Gods wet te doen, zal uit Gods huis niet worden verwijderd, maar zal in Zijn tabernakel blijven en in Sion wonen, in de omgang met God en Zijn heiligen, voor eeuwig.
