Website van Ds. W. Pieters

Psalm 16

P

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. Een gouden kleynoot Davids.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

In deze Psalm, terwijl David zich in een staat van genade bevindt, bidt hij om bewaring in het algemeen, in relatie tot alle gevaren en rampen van lichaam en ziel en wat voor kwaad ook maar waarvoor een godvrezende – met toestemming van Gods Woord – mag bidden bewaard te worden. Zijn enige reden om zich ervan te verzekeren dat hij verhoord zal worden, is, omdat hij genade had ontvangen om op God te vertrouwen. De oprechtheid van dit vertrouwen op God toont hij met verscheidene bewijzen aan, vers 1—4.

In de tweede plaats klimt hij op tot de troost en de vreugde van het geloven. En al de gronden van vreugde waarop hij rust, dienen zowel om zijn geloof te bevestigen als om hem zekerheid te geven dat zijn gebed hem vergund zal worden, vers 6—11.

Bewaert my, o Godt, want ick betrouwe op u.

Hij bevindt zich in een goede omstandigheid en al de gebeden die hij bidt, zijn in één woord gericht op bewaring. Leer hieruit:

  1. Zoals ons zijn, ons leven en ons natuurlijk bewegen en ons in de geestelijke en gezegende staat van genade in te brengen, van de Heere is, zo is ook ons bewaard worden daarin van de Heere. En het is onze plicht God voor beide te erkennen en te leven voor en te bidden om Zijn instandhouding van ons, en niet te leunen op onze eigen wijsheid, kracht of heiligheid. Want David onderwijst ons zo te doen: bewaar mij, o God.
  2. Wanneer Gods genade ons een levend geloof heeft geschonken, dat zich op God grondt, is deze voldoende grondslag voor onze hoop en zekerheid te zullen volharden en steeds bewaard te worden. Want dit is de reden waarmee David zijn gebed versterkt: want ik betrouw op U.

2. [O mijne ziele] ghy hebt tot den HEERE geseyt, Ghy zijt de Heere; mijne goetheyt [en raeckt] niet tot u;

3. [Maer] tot de heylige, die op der aerden zijn, ende de heerlicke, in de welcke al mijn lust is.

Omdat hij zijn geloof in God tot reden heeft gemaakt voor zijn hoop op volharding en dat zijn bede hem verleend zou worden, daarom toont hij de oprechtheid van zijn geloof door vijf bewijzen of vruchten daarvan. Leer hieruit:

  1. Het eerste vaste bewijs van de oprechtheid van een waar geloof is het getuigenis van het geweten, dat tot iemand getuigt dat hij het verbond der genade heeft aangegrepen en God tot zijn Beschermer en Meester heeft gekozen, en dat hij vastbesloten is om op God te steunen en Hem te dienen, zoals David deed, toen hij zei: O mijn ziel, gij hebt tegen de HEERE gezegd: “Gij zijt mijn Heere”.
  2. Een ander bewijs van de oprechtheid van het geloof is de afwijzing van alle vertrouwen in iemands eigen werken en de verwerping van alle inbeelding van enige mogelijkheid van verdienste bij God, Die niet kan worden bevoordeeld door onze goedheid. Want wat we hebben, hebben we van Hem, en nooit kunnen wij op Hem een verplichting leggen door iets wat wij kunnen doen: mijn goedheid raakt niet tot U.
  3. Een derde bewijs en vrucht van geloof is liefde en vriendelijkheid voor de godvrezenden, en om onze goederen te besteden tot leniging van hun nood, gevoegd met een hoge achting van hun kostbaarheid boven de god-loze wereld, en behagen te scheppen in hun omgang. Zo rekent de profeet, zeggende: mijn goedheid raakt niet tot U, maar tot de heiligen die op de aarde zijn, en de heerlijken, in wie al mijn behagen is. Laten we ondertussen opmerken dat hij geen andere heiligen kende voor wie hij voordelig zou kunnen zijn dan alleen de heiligen die op de aarde zijn.

4. De smerten der gener, die eenen anderen [Godt] begiften, sullen vermenichvuldicht worden: Ick sal hare dranck-offeren van bloet niet offeren, ende hare namen op mijne lippen niet nemen.

Een vierde vrucht en bewijs van geloof is het haten van valse godsdienst en alle volgelingen van afgoderij of dienst aan een andere god dan de ware God, voor vervloekt te rekenen. Dit haten van valse godsdienst gaat samen met het afkeuren, openlijk onwaar noemen en verafschuwen van alle beeldendienst, zoals David hier in dit hele vers uit. Leer hieruit:

  1. Zoals mensen vanuit hun natuur afkerig zijn om de ware God en de ware godsdienst te volgen, zo zijn ze vanuit hun natuur geneigd tot alle afgoderij, en ijverig in het volgen van beelden en welke valse godsdienst ook maar: zij haasten2 zich achter een andere god aan.

2 Het Hebreeuwse woord voor ‘begiftigen’ betekent: ‘zich haasten’.

  • Des te meer men zich achter het geluk haast in de weg van afgoderij, des te slechtere voortgang men maakt, want de smarten van degenen die zich achter een andere god aan haasten, zullen vermenigvuldigd worden.
  • Des te meer de dwaze wereld achter afgoderij aan holt, des te meer zal de gelovige zijn afkeer daarover laten horen, zoals David hier doet: ik zal hun drankoffers van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen. Hij kan er niet zonder verachting over spreken.

5. De HEERE is het deel mijner erve, ende mijns bekers: ghy onderhoudt mijn lot.

Een vijfde vrucht en bewijs van geloof in God is vermaak en voldoening in en rusten op God als volkomen genoeg voor het volmaakte geluk van de gelovige, zoals het hele vers uitstalt. Leer hieruit:

  1. De gelovige heeft net zo’n zeker recht op God, als wie ook maar het heeft op het vaderlijk erfdeel waarin hij geboren is, of welke stam ook maar had als zijn deel in het land Kanaän. De HEERE is het deel van zijn erfenis.
  2. De Heere is het lot en het deel van de gelovige, wanneer de wereld of dit of dat tijdelijk goed zoekt. De Heere, en het licht van Zijn aangezicht, is het volkomen goed van de gelovige. Wat ook maar aan aardse goederen extra aan de godvrezende wordt gegeven, het deel van Levi is zijn deel (Deuteronomium 10 vers 9: “Levi heeft geen deel en geen erfenis met zijn broeders: de HEERE is zijn Erfdeel”): De HEERE is het deel van zijn erfenis.
  3. De Heere is het Levensonderhoud van de gelovige en Die hem zijn dagelijks brood verschaft: Hij is het deel van zijn beker.
  4. De Heere geeft Zichzelf aan de gelovige tot zijn gelukzaligheid, zoals Hij de gelovige ook in het recht op en het bezit van Zichzelf bewaart: Hij onderhoudt zijn lot. En net zoals de gelovige tot zijn recht dat hij op God heeft, niet door zijn eigen verdienste komt, maar door geestelijk geboorterecht, als een kind van Christus door het geloof, of door vrije gave van zijn erfenis, ontvangen van God door het geloof, zó mag hij ook zijn recht op God laten gelden en het bezit van God genieten, net zo vast als zijn erfenis; net zo volledig alsof God zijn privébezit en deel was; net zo aangenaam als zijn dagelijks voedsel en het deel van zijn huiselijke beker; en met net zulke grote kalmte en zekerheid, als de directe onderhorige van de machtigste koning, die gewillig en machtig is en er zich op de plechtigste manier toe verplicht heeft om zijn lot te onderhouden.

6. De snoeren zijn my in lieflicke-plaetsen gevallen; ja een schoone erfenisse is my geworden.

In de tweede plaats klimt hij op tot de vreugde van het geloof, die oprijst uit de zekere overtuiging en het aanwezige besef dat hij in de staat van genade is. Er zijn zes redenen of gronden van zijn vreugde. De eerste reden van zijn vreugde is gegrond op de eigenschappen en zelfgenoegzaamheid van God, vergeleken met een prachtige en aangename erfenis, die geen nuttig ding mist. Leer hieruit:

  1. Vermaak en genot en alle nuttige dingen van het leven zijn overvloedig in God te vinden. En wat ook maar kan worden voorgesteld door een prachtig erfdeel, dat in de mooiste omgeving is gelegen, is maar een schaduw van wat in Hem te vinden is, zoals de vergelijking genomen van lagere dingen hier betekent.
  2. Des te meer de gelovige overweegt wat de Heere is en wat Zijn volmaaktheden zijn, en wat het eigen aandeel van de gelovige in God is, des te meer is hij voldaan en verrukt in het aanschouwen van God en van zijn eigen gelukzaligheid in Hem. Geen wonder dus, als David zegt – om zijn deel hierin uit te meten – dat zijn snoeren hem in liefelijke plaatsen zijn gevallen.
  3. De gelovige heeft de vrijheid om God in zekere zin zich toe te eigenen, en om in vergelijking met het deel van wereldse mensen zijn eigen deel liever te hebben dan alle andere. Dit doet David wanneer hij God zijn eigen Liefelijke Plaats, en zijn eigen Erfenis noemt.

7. Ick sal den HEERE loven, die my raet heeft gegeven: Selfs by nachte, onderwijsen my mijne nieren.

De tweede reden en grond van blijdschap is, omdat God hem had overtuigd om in de Messias, de komende Christus, te geloven, zoals in het volgende vers duidelijk wordt, en God heeft hem daartoe geleid. Leer hieruit:

  1. Zoals ‘t het werk van God alleen is om iemand krachtdadig aan te raden om in Christus te geloven, zo is ook de manier waarop een ziel wordt overreed om op God te vertrouwen eigen aan God alleen. Want het maakt iemand net zo vrij in het daadwerkelijk geloven alsof Gods werk alleen in aanraden bestond. En toch werkt Hij het daadwerkelijk overreden zo onwederstandelijk, dat dit onfeilbaar tot het doel leidt. Want David noemt het schenken van zaligmakend geloof, of van genade om met het genadeverbond in te stemmen, ‘raad geven’: Hij heeft mij raad gegeven.
  2. De eer voor het geloofsvertrouwen in God is geen zaak van eer voor de gelovige, alsof hij zichzelf ervoor geschikt had gemaakt. Maar het is een zaak van dankzegging aan God en eer voor Hem Die aanraadt om te geloven, en deze raadgeving voor hem effectief maakt. Want David zegt: Ik zal de HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven, namelijk, krachtdadig. Want geloof komt niet uit ons zelf voort. Het is de gave van God, waarin buigende kracht en vrijwillige toestemming aangenaam samengevoegd zijn.
  3. Deze genade om een ziel krachtdadig te overreden om God te kiezen en met het verbond met Hem in te stemmen en Hem te vertrouwen, plaatst een blijvende verplichting op de gelovige om God te danken en om voor al de komende tijd en eeuwig te zeggen: ik zal de HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven.
  4. Met de gave van het zaligmakende geloof of het overredend aanraden om in God te geloven is de zoete leiding en sturing van des Heeren Geest gevoegd, hoe de wegen van de gelovige te ordenen. Want hier wordt onderwijs voor hem in de nacht gevoegd bij de vorige genade, en wordt dit als reden aangedragen om God te danken en te loven. Want hij voegt erbij: ook bij nacht onderwijzen mijn nieren mij.
  5. Het vormen van wil, verlangen, smaak, genegenheden, neigingen, gedachten en geheime overdenkingen is zo’n inwendig, verborgen en diep werk, dat het de Geest van God goed dacht om Zijn in het geheim leiding geven aan David, uit te drukken in termen van het onderwijzen van de nieren, omdat deze de meest verborgen delen van het lichaam zijn, en het dichtst bij de edelste delen van ons lichaam. En omdat het de eigenschap is van nieren, die veel overeenkomst hebben met de genegenheden, om het bloed, dat de natuurlijke benodigdheid is van het leven, in het verborgene te zuiveren: bij nacht onderwijzen ook mijn nieren mij.

8. Ick stelle den HEERE gedurichlick voor my: om dat hy aen mijne rechterhant is, en sal ick niet wanckelen.

De derde reden en grond voor vreugde is de gave van Gods genade, die hem altijd (om bijstand, aanwijzing en troost) zijn oog doet houden met een goede bedoeling op Jezus Christus, de Heere, met betrekking tot Wie deze Schriftplaats in Handelingen 2 vers 25 wordt uitgelegd. Leer hieruit:

  1. De plicht van de gelovige en de manier voor hem om altijd vreugde in de Heere te hebben en te houden, is het geloofsoog altijd en in alle omstandigheden te richten op de Middelaar, de beloofde Messias, de Heere Jezus Christus, om richting, bijstand, troost en verlossing. Want dit was Davids manier: ik stel de HEERE gedurig voor mijn aangezicht.
  2. Wie Jezus Christus voor alle dingen in alle omstandigheden aanroept, mag er zeker van zijn dat Zijn krachtige aanwezigheid nabij is om hem in tijd van nood te helpen, want Hij is gedurig aan de rechterhand van zo-iemand.
  3. Geloof dat in oefening wordt gehouden door gebruik te blijven maken van Jezus Christus, mag verzekerd zijn van de volharding en van gedurig de staat der genade te genieten. Wat er ook aan veranderingen en commoties komen, hun staat zal bevestigd staan. Zij zullen in de genade staande blijven, want op grond hiervan zegt de profeet: ik zal nooit wankelen.

9. Daerom is mijn herte verblijt, ende mijne eere verheugt haer: oock sal mijn vleesch seker woonen.

Een vierde reden tot overvloeiende vreugde in zijn hart die uitbreekt in zijn woorden, is zijn overwinning over dood en graf door het geloof in Jezus Christus. Leer hieruit:

  1. Geloof in Christus is bij machte niet alleen vrede te geven die het verstand te boven gaat, maar ook om het hart met vreugde te vervullen en te maken dat de tong die (boven alle andere schepselen) de eer van de mens is, soms uit doet breken in uitdrukkingen van vreugde: want daarom, zegt hij, is mijn hart verblijd, en verheugt mijn eer zich.
  2. Zo’n grote overwinning over dood en graf is er door geloof in Jezus Christus behaald, dat een gelovige zijn lichaam in het graf kan neerleggen, als in een bed om het daar te ruste te leggen in de hoop op de opstanding. En hier is er een voorbeeld van: ook zal mijn vlees rusten in hoop.

10. Want ghy sult mijne ziele in de helle niet verlaten: ghy sult niet toelaten dat uwe Heylige de verdervinge sie.

De vijfde reden van zijn vreugde is de zekerheid van de opstanding van Jezus Christus, zijn Hoofd, door Wie hij hoopt te worden opgewekt in zijn eigen orde en tijd. Leer hieruit:

  1. Een gelovige is zo nauw verbonden aan Christus dat hij Hem kan aanduiden met wat het meest nabij en het meest dierbaar is voor hem, en Hem zijn eigen Leven en Ziel kan noemen, zoals David hier zegt over Christus Die moest herrijzen (Handelingen 2 vers 25-28): U zult mijn ziel (of mijn leven) in het graf niet verlaten. En hierdoor is hij ook verzekerd van zijn eigen opstanding te zijner tijd. Want ons leven en onze ziel is met Christus verenigd. Ons leven is met Christus verborgen in God, in het bijzonder wat betreft die dingen waarin Hij in onze plaats staat, zoals Zijn lijden, herrijzen, regeren, als onze Borg en Voorspraak.
  2. Het lichaam van Christus moest niet alleen van de dood herrijzen, maar kon in het graf niet eens tot ontbinding overgaan, want over Christus zegt hij: U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving ziet.

11. Ghy sult my het pat des levens bekent maken: versadinge der vreuchden is by u aengesichte; lieflickheden zijn in uwe rechterhant eeuwichlick.

De laatste grond en reden van zijn blijdschap is de zekerheid die hij heeft van gelukzaligheid en van het eeuwige leven. Leer hieruit:

  1. De gelovige die door geloof op Christus is gevestigd, mag zeker zijn van zijn volharding in de weg die leidt tot het leven: U zult mij het pad des levens bekend maken. Dat is: U wilt de weg aanwijzen die ik moet bewandelen. U zult met mij gaan en zult ervoor zorgen dat ik Uw hulp krachtig bevind om erin te wandelen.
  2. De genieting van Gods onmiddellijke aanwezigheid is niet zoals de vreugden van deze wereld, die een mens niet voeden of vullen. Maar wanneer we Gods aanwezigheid ten volle zullen genieten, zullen we volledige verzadiging hebben en complete gelukzaligheid, want in Zijn aanwezigheid is verzadiging van vreugde. En het geluk van gelovigen is niet zoals de vermakelijkheden van deze wereld die plotseling voorbijgaan als een droom, maar blijft voor altijd:in Zijn rechterhand zijn liefelijkheden, eeuwig.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën