Website van Ds. W. Pieters

Psalm 18

P

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

Psalm 18

1) 1. VOor den Opper-sang-meester: [een Psalm] Davids des knechts des HEEREN, die de woorden deses liets tot den HEERE gesproken heeft, ten dage als hem de HEERE geredt hadde uyt de hant aller sijner vyanden, ende uyt de hant Sauls.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

In deze Psalm prijst David – als een type van Christus en deelgenoot in het lijden van Christus in Zijn geestelijk lichaam en in de verlossingen en overwinningen over Zijn en hun vijanden; nu hij in het koninkrijk    bevestigd is – God voor Zijn wonderlijke genadebewijzen; en als een type van Christus profeteert hij over de uitbreiding en bevestiging van zijn eigen koninkrijk en van het Koninkrijk van Christus dat daardoor wordt afgebeeld. En

  • ten eerste verplicht hij zich dankbaar om op God te steunen, met welke vijanden hij ook maar te maken zal krijgen, vers 2—4;
  • ten tweede geeft hij een reden van zijn besluit ontleend aan de ervaring dat de Heere hem verloste uit zijn diepste moedeloosheden, vers 5—20;
  • ten derde vergroot hij deze genade, erkennende dat dit een vrucht was van zijn geloof, en van zijn rechtvaardig handelen met zijn vijandige tegenpartij; ditzelfde mag elke gelovige verwachten, net als hij, voor de komende tijd, om reden van zijn grootse ervaring in verleden tijd, van vers 21—31;
  • ten vierde prijst hij God in het bijzonder voor de ervaring die hij in de afgelopen oorlog ontving en de overwinningen in de strijd, tot vers 44;
  • ten vijfde belooft hij zichzelf, als type van Christus, de uitbreiding van zijn eigen koninkrijk en profeteert hij over de uitbreiding van Christus’ Koninkrijk onder de heidenen, waarvoor hij God prijst tot het eind van de psalm, vers 44—51.

In het opschrift vertelt hij over de tijd en gelegenheid van het schrijven van dit lied. Leer hieruit:

  1. Dat de Heere na langdurige ellende Zijn kinderen ten slotte, op de een of andere manier, rust zal geven en bevrijding van al hun vijanden, zoals hier aan David werd gegeven van Saul en al zijn vijanden.
  2. Wanneer de gelovige verlichting van ellende ontvangt, moet hij zich ertoe zetten om God voor zijn bevrijding te verheerlijken en een bewijs van zijn dankbaarheid geven, zoals David hier doet in het schrijven van dit lied, toen God hem bevrijdde.
  3. Het is een grotere eer om, in welk beroep ook, een echte dienaar van de Heere te zijn, dan de eer te hebben om koning te zijn, terwijl we niet Zijn dienaar zijn. Zo schatte David het in, toen hij dit opschrift maakte: een psalm van David, de knecht des HEEREN.

2. Hy seyde dan: Ick sal u hertelick lief hebben, HEERE, mijne sterckte.

3. De HEERE is mijne steen-rotze, ende mijn borcht, ende mijn uythelper, mijn Godt, mijne rotze, op welcken ick betrouwe: mijn schilt, ende hoorn mijns heyls, mijn hooch vertreck.

4. Ick aenriep den HEERE die te prijsen is, ende wierde verlost van mijne vyanden.

In het eerste gedeelte van de psalm bevestigt hij zijn besluit nog meer om God te loven, in Hem te geloven en Hem steeds in alle moeilijkheden te vereren, omdat hij bij ervaring weet dat dit de weg is om van al zijn vijanden verlost te worden. Leer hieruit:

  1. De belangrijkste vrucht van het geloof en het doel van Gods genade aan ons is te groeien in waardering van en toegenegenheid tot God. Want zo doet David als hij zegt: Ik zal U liefhebben, HEERE.
  2. Wat een gelovige maar nodig heeft, daar zal de Heere zorg voor dragen; dat zal de Heere Zelf voor hem zijn, in overeenstemming met zijn nood, zoals Hij hier Davids Kracht in zwakheid; zijn Rots van toevlucht, wanneer hij achtervolgd wordt; zijn Kasteel, wanneer hij belegerd wordt; en zijn Bevrijder wanneer hij in uiterst gevaar is.
  3. Ervaring van de betrouwbaarheid van de Heere en Zijn vriendelijkheid voor ons moest ons bevestigen in het verbond der genade en ons besluit sterken om in Hem te geloven. Want om deze reden noemt David de Heere mijn God, mijn Rots, op Wie ik vertrouw.
  4. Met welke tegenstander de gelovige ook in gevecht wordt verwikkeld, hij zal zeker zijn daarin verdediging te hebben, daaruit bevrijd te worden, en daarna bescherming te ontvangen. Daarom glorieert David in God als Schild tegenover alle slagen en pijlenregens van tegenstanders, als de Hoorn van zijn zaligheid, Die krachtig voor zijn bevrijding en overwinning strijdt, en als zijn Hoge Toren, vanwaar hij kan neerkijken op al de scherpzinnigheid en boosaardigheid en kracht van zijn vijanden, en die kan verachten.
  5. Het gebed en het aanroepen van God moeten altijd samengevoegd zijn met lofprijzingen en dankzegging, en moeten gebruikt worden als een middel waardoor geloof het goede, waarvan het weet dat het in God is en waarvan Hij een belofte heeft gedaan, kan afleiden:Ik zal de HEERE aanroepen, Die het waard is geprezen te worden.
  6. Bevrijding, veiligheid en vrede mag de gelovige verwachten als antwoord op zijn aanroepen van God: zo zal ik verlost worden van mijn vijand.

5. Banden des doots hadden my omvangen, ende beken Bilials verschrickten my.

6. Banden der helle omringden my, stricken des doots bejegenden my.

In het tweede gedeelte stelt hij zijn ervaring aan de orde waardoor hij bemoedigd werd tot de al genoemde plichten. Leer hieruit:

  1. Hoewel Gods Woord oneindig zeker is en waar in zichzelf, toch helpt de ervaring van zijn waarheid veel om onze grip erop te sterken en de hoop te verlevendigen, zoals hij wordt verklaard.
  2. De gelovige kan heel erg verdrukt worden in deze oefening van het geloof, en gebracht worden tot in het zicht van schijnbaar verloren te gaan naar ziel en lichaam. Terwijl mensen hem naar het leven staan, verbergt God Zijn aangezicht. Want David voelde doodsvrees en allerhevigste zielensmart, zelfs kwamen banden van de dood, banden van de hel en strikken van de dood hem tegemoet, zodat hij er niet vrij van kon komen.

7. Als my bange was, aenriep ick den HEERE, ende riep tot mijnen Godt: hy hoorde mijne stemme uyt sijn paleys, ende mijn geroep voor sijn aengesichte quam in sijne ooren.

Hij had de benauwdheid uiteengezet waarin hij was. Nu zet hij uiteen het middel dat hij gebruikte om verlost te worden, namelijk gebed tot God, Die met hem in een verbond was. En hoe hij genadig was verhoord door Christus. Leer hieruit:

  1. Geen benauwdheid is zodanig of God kan eruit verlossen. Geen situatie is zo wanhopig dat die het gebed overbodig of zinloos maakt. Want David zegt in zijn diepste moedeloosheid: ik riep de HEERE aan.
  2. Het is nodig, niet op te geven wanneer hulp wordt uitgesteld. Ja, het is nodig, des te vuriger te worden en met dit doel het verbond der verzoening en God Zelf, Die met ons in verbond is, aan te grijpen. Want hij voegt eraan toe: ik riep tot mijn God.
  3. Uit de kracht van het offer van Christus en Zijn voorbede wordt Davids gebed genadig aangenomen. Zo komt er antwoord tot de gelovige. Want hij voegt er aan toe: Hij hoorde mijn stem uit Zijn tempel, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren. Hij wijst naar de tempel, wat betreft de ark en andere afbeeldingen die Christus in Zijn voorbede voor ons in de hemel vertegenwoordigen.

8. Doe daverde ende beefde de aerde, ende de gronden der bergen beroerden sich, ende daverden, om dat hy ontsteken was.

9. Roock ginck op van sijner neuse, ende een vyer uyt sijnen mont verteerde; kolen werden daer van aengesteken.

10. Ende hy booch den hemel, ende daelde neder, ende donckerheyt was onder sijne voeten.

11. Ende hy voer op eenen Cherub, ende vlooch; Ia hy vlooch snellick op de vleugelen des wints.

12. Duysternisse settede hy tot sijne verberginge; rontom hem was sijne tente, duysterheyt der wateren, wolcken des hemels.

13. Van den glantz, die voor hem was, dreven sijne wolcken daer henen; hagel, ende vyerige kolen.

14. Ende de HEERE donderde in den Hemel, ende de alderhoochste gaf sijne stemme; hagel ende vyerige kolen.

15. Ende hy sondt sijne pijlen uyt, ende verstroydese; ende hy vermenichvuldichde de blixemen, ende verschricktese.

16. Ende de diepe kolcken der wateren werden gesien, ende de gronden der werelt werden ontdeckt, van u schelden, ô HEERE, van het geblaes des wints uwer neuse.

Zijn bevrijding wordt voorgesteld in vergelijkende taal, met een verwijzing naar de glorierijkste openbaringen die God ooit van Zichzelf gaf op de berg Sinaï of in de dagen van Jozua of in de dagen van de richters of van Samuël. David acht dat al deze glorieuze openbaringen van God aan Zijn volk opnieuw werkten in het wonderlijke van zijn bevrijding. Daarom denkt hij dat hij terecht de wonderen die zijn getoond in zijn bewaring van zijn vijanden, mag vergelijken bij één of meer van Gods vorige wonderen bij het verlossen van Zijn volk. Leer hieruit:

  1. Hoewel onze natuurlijke stompzinnigheid, ons ongeloof en onze vijandschap tegen God, de werken van Gods voorzienigheid ten aanzien van Zijn kinderen, verdonkeren, toch moet de gelovige die bezien met een geestelijk en onderscheidend oog en die zo aan anderen voorstellen, zoals David hier doet.
  2. De meest merkbare veranderingen in hemel en aarde worden door de blinde wereld niet zó opgemerkt, als dat een geestelijk verlichte ziel Gods geestelijke voorzienigheid zal opmerken in Zijn werken voor Zijn volk en voor haarzelf, zoals Davids voorbeeld hier toont.
  3. De geschiedenis hoe de Heere Zijn gemeente verlost, zoals in de Schrift beschreven, en waarop David zinspeelt, kan in Gods bijzondere handel met Zijn kinderen worden gezien als heel gelijkend aan en als vervolg op hetzelfde werk dat steeds wordt herhaald. Dit veronderstelt David, nu hij in herinnering terugroept wat over de zelfopenbaring van de Heere staat in
  4. Exodus 9 vers 23 en 24: De HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland. En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar;
  5. Exodus 9 vers 18: Zie, Ik zal morgen ongeveer deze tijd een zeer zware hagel doen regenen;
  6. Jozua 10 vers 11: Het geschiedde nu, dat de HEERE grote stenen op hen wierp van de hemel;
  7. Richteren 5 vers 4: HEERE, toen U voorttrok van Seïr, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water;
  8. 1 Samuël 12 vers 18: De HEERE gaf donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk zeer de HEERE en Samuel.
  9. De vreselijkheid van God Die komt om Zijn vijanden te oordelen, is zaak van vertroosting voor de gelovige, en van het loven van God, zoals hier wordt beschreven.

17. Hy sondt van der hoochte, hy nam my; hy trock my op uyt groote wateren.

18. Hy verloste my van mijnen stercken vyant, ende van mijne haters, om datse machtiger waren dan ick.

19. Sy hadden my bejegent ten dage mijns ongevals, maer de HEERE was my tot een steunsel.

20. Ende hy voerde my uyt inde ruymte, hy ruckte my uyt; want hy hadde lust aen my.

Nu tekent hij zijn bevrijding met eenvoudiger gelijkenissen en in gewonere bewoordingen tot duidelijker begrip van de kerk, namelijk dat God hem bevrijdde als iemand in gevaar om te verdrinken, vers 17; als hulp biedend aan een zwak mens tegen een sterke tegenpartij, vers 18; als iemand bewarend die omsingeld wordt en op het punt staat te vallen en te falen, vers 19; en als iemand bevrijdend van alle gevaar, vers 20. Leer hieruit:

  1. Onze zwakheid ten tijde van onze bevrijding prijst Gods kracht. Zo wordt Davids bevrijding groter omdat het was alsof hij uit grote wateren werd getrokken, waarin hij zou verdrinken.
  2. Of God wel of geen middelen gebruikt wanneer Hij ons bevrijdt, altijd moet het werk aan Hem alleen worden toegeschreven: Hij zond van de hoogte, Hij nam mij.
  3. Kracht van tegenstanders zal Gods helpende hand niet verhinderen. Hij kan de Zijnen verlossen en doet dat gewoonlijk ook van hen die hun te machtig zijn.
  4. Een ziel die Gods genadig werk beseft, kan zich niet tevreden stellen met uitdrukkingen daarover. En evenveel nieuwe overdenkingen als een gelovige heeft van de omstandigheden van een genadewerk, zoveel nieuwe genaden ziet hij. Daarom herhaalt David hetzelfde verlossingswerk in steeds weer nieuwe uitdrukkingen en kan hij zich niet tot tevredenheid uiten in één woord.
  5. Wanneer iemand ingesloten is en aan de ellende niet kan ontsnappen, zou het geloof bezwijken en dan zou wanhoop volgen, als God niet Zelf tussenbeide kwam en in deze moeilijkheid geen kracht zou verlenen. David zegt, nu hij zo wordt omsingeld: maar de HEERE was mijn Steunsel.
  6. De Heere stopt niet met Zijn werk voor de Zijnen totdat Hij het klaar heeft, maar Hij voltooit hun bevrijding voordat Hij ophoudt, en kroont Zijn genade met blijdschap. Om dit tot uitdrukking te brengen zegt David: ook voerde Hij mij uit in de ruimte.

20. Ende hy voerde my uyt inde ruymte, hy ruckte my uyt; want hy hadde lust aen my.

21. De HEERE vergoldt my nae mijne gerechticheyt; hy gaf my weder nae de reynicheyt mijner handen.

22. Want ick hebbe des HEEREN wegen gehouden, ende en ben mijnen Godt niet godtlooslick afgegaen.

23. Want alle sijne rechten waren voor my; ende sijne insettingen en dede ick niet van my wech.

24. Maer ick was oprecht by hem, ende ick wachtede my voor mijne ongerechticheyt.

25. So gaf my de HEERE weder nae mijne gerechticheydt, nae de reynicheyt mijner handen, voor sijne oogen.

Het derde gedeelte van de Psalm, waarin hij voortgaat om genade op verscheidene manieren uit te breiden. En als eerste de oorzaak ervan, welke is enkel de goede wil en de liefde van God. Leer hieruit:

  1. Dat de oorzaak van enige genade aan ons bewezen niet in ons gevonden wordt, maar in Gods vrije liefde: Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
  2. Het geloof in Gods liefde verzoet heel bijzonder de genade en beveelt deze aan. De bevrijding hier is groot, maar dit woord want Hij had lust aan mij is veel en veel zoeter, vers 20.

Er is nog een punt om de genade uiteen te zetten, dat hij werd bewaard en bevrijd en dat zijn onschuld werd bewezen en dat hij werd bevrijd van de aantijgingen van ondankbaarheid, opstand en verraad tegen zijn schoonvader en vorst, Saul. Dit was de vrucht van een andere genade van God, aan hem gegeven, namelijk

  • rechtvaardigheid en onschuld met betrekking tot zijn vijanden, vers 21;
  • en een inspanning om Gods geboden te houden, vers 22;
  • en vreze Gods die hem vastbond aan Gods inzettingen, vers 23;
  • en oprecht en teer met God te wandelen en te waken tegen de zonde die hem het meest aankleefde, vers 24;
  • waar het een genadige beloning was bevrijd te worden van zijn vijanden en zijn onschuld gevrijwaard te worden van laster, vers 25.

Leer hieruit:

  1. In een goede zaak is het nodig dat we ons goed gedragen, zodat we niet onze zaak en troost beschadigen. Want David, toen hij het meest onterecht werd vervolgd, deed zijn best om rechtvaardig te zijn en reine handen te hebben in relatie tot zijn vijanden.
  2. Vroom gedrag in een goede zaak zal niet zonder vrucht blijven, want de genadige liefde van God beloonde David overeenkomstig zijn rechtvaardigheid.
  3. Het bewustzijn van een vroom gedrag in een tijd van vervolging is twee keer nuttig: eerst ondersteunt het onder de beproeving en de moeite; verder, na de bevrijding, troost het terugzien erop, zoals hier wordt bewezen.
  4. Al moeten we altijd op onze woorden letten, in het bijzonder wel wanneer we door vervolging in moeite zijn voor een goede zaak. Want nu worden we in ons geloof, geduld, wijsheid en andere genaden op de proef gesteld, zoals David. En wij moeten doen zoals hij deed.
  5. In het voorbeeld van David krijgen we speciale regels van goed gedrag:
  6. Ten eerste moeten we er zeker van zijn dat we zulke wegen volgen als Gods Woord toestaat, zodat we kunnen zeggen: ik heb de wegen des HEEREN gehouden.
  7. Ten tweede moeten we, als we ons op een zeker moment uit zwakheid hebben misdragen, niet in die verkeerde koers verdergaan, maar naar de wegen van gehoorzaamheid aan God terugkeren, zodat we kunnen zeggen: ik ben van mijn God niet goddeloos afgegaan; niet op het punt van het geloof en ook niet wat betreft gehoorzaamheid.
  8. Ten derde moeten we al Gods geboden en Zijn geschreven oordelen voor ons stellen om ons daaraan te houden, zowel aan het ene als aan het andere. En we moeten ook acht slaan op Gods gedreigde en uitgevoerde oordelen, zodat we met David kunnen zeggen: al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
  9. Ten vierde moeten we ons best doen om in ons gedrag oprecht te zijn, dat we goede daden goed doen, uit juiste beginselen en met de juiste bedoeling, zodat we kunnen zeggen: ik was oprecht bij Hem.
  10. Ten vijfde moeten we strikt wacht houden over onze goddeloze natuur en meest onstuimige passies en gevoelens, dat deze niet uitbreken, zodat ons geweten ons niet tegenspreekt, wanneer we zeggen: ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
  11. Het is wijs om, bij het rekenen, de ene genade met de andere te verbinden, zodat we kunnen zeggen dat we genade voor genade hebben ontvangen, zoals David erkent: zoals God hem genade had gegeven om zich in te spannen rechtvaardig en onschuldig te zijn, zo vergoedde Hij hem in overeenstemming met zijn gerechtigheid.
  12. Wanneer de wereld onze onschuld zou willen begraven onder laster, is het wettig en nuttig om onze goede naam te verdedigen en om ter verdediging ervan te spreken en te schrijven, zoals David hier doet.

26. By den goedertierenen houdt ghy u goedertieren, by den oprechten man houdt ghy u oprecht.

27. By den reynen houdt ghy u reyn, maer by den verkeerden bewijst ghy u eenen worstelaer.

28. Want ghy verlost het bedruckte volck; maer de hooge oogen vernedert ghy.

Vanuit zijn eigen ervaring concludeert hij tot een algemene leer aangaande des Heeren heilige, rechtvaardige en wijze manier van handelen met alle mensen, in overeenstemming met hun houding tot Hem. Leer hieruit:

  1. De ervaringen die één van de heiligen heeft van de uitwerking van Gods Woord, zijn bewijzen van de zekerheid van Gods beloften en bedreigingen, en garanties van gelijksoortige uitwerkingen voor anderen. Want hier concludeert David tot een algemene leer uit zijn persoonlijke ervaring.
  2. Als iemand een ontmoeting met God wil hebben, moet hij om Godswil zijn best doen om zich tegenover God en mensen goed te gedragen. Want Hij gaat met de gulhartige, barmhartige, oprechte en reine dienovereenkomstig om.
  3. Tegen hen die tegen God in willen leven en met Hem willen strijden of zich niet aan Hem willen onderwerpen, zal Hij handelen en hen zeven keer meer straffen, vanwege hun hardnekkigheid. Want bij de verkeerde bewijst U Zich een Worstelaar.
  4. Al is het zo dat de godvrezenden voor een tijd verdrukt worden, en dat de goddelozen voorspoed hebben, toch zal na de verdrukking van de godvrezenden zaligheid tot hen komen. En na de voorspoed en de lege, hoogmoedige praal van de goddelozen, zal hun verderf komen, want Hij zal het bedrukte volk verlossen, maar de hoge ogen vernederen.

29. Want ghy doet mijne lampe lichten, de HEERE, mijn Godt, doet mijne duysternisse opklaren.

Vanuit voorgaande ervaringen sterkt hij zijn hoop op verdere ervaringen hierna, zoals de nood vereist. Leer hieruit:

  1. Wanneer gelovigen uit veel verleden moeiten zijn gered, moeten zij zich geen vrijwaring beloven van nieuwe moeiten hierna, maar zich juist gereed maken voor een nieuwe ervaring en voor meer verdrietige gedeelten van Gods bedelingen met hen. Want David veronderstelt hier dat hij hierna in duisternis kan zijn, ja, dat hij erin zal zijn, en dat hij voor een tijd het lamplicht van vertroosting zal missen.
  2. Zoals de godvrezende kruisen kan verwachten, zo kan hij ook zeker zijn van veel vertroostingen en zoete verzachtingen in zijn moeiten, en verlossingen daaruit, zodat hij kan zeggen, zowel voordat de moeite komt, als er midden in: De HEERE zal mijn lamp doen lichten, en mijn God zal mijn duisternis doen opklaren.

30. Want met u loop ick door eene bende, ende met mijnen Godt spring ick over eenen muer.

Hier is een ander gedeelte van zijn ervaring met betrekking tot zijn overwinningen en successen in de strijd, waarvan hij de glorie helemaal aan God toeschrijft. Leer hieruit:

  1. Hoewel moed, kracht en succes bij alle soldaten van de Heere komen, toch geeft alleen de gelovige God de eer ervan, zoals David hier.
  2. Natuurlijke dapperheid, in welke mate iemand deze ook heeft, kan zo nu en dan helemaal bezwijken en falen, wanneer ze erg sterke tegenstand ontmoet, maar de geestelijke dapperheid die uit het geloof voortkomt, staat op een vastere grond en zal – wat ook maar de moeilijkheid is – niet falen, wanneer geloof ze in werking stelt. Want door geloof in God rende David door een bende, of sprong hij over een muur, in een stad vol van zijn vijanden, met zekerheid van de overwinning.

31. Godts wech is volmaeckt; de reden des HEEREN is doorloutert; hy is een schilt, allen die op hem betrouwen.

32. Want wie is Godt, behalven den HEERE? ende wie is een rotz-steen, dan alleen onse Godt?

Het vierde gedeelte van de psalm. Hierin prijst hij de Heere uitdrukkelijk voor wat hij in Hem had gevonden. En hierin is hij een bijzondere afbeelding van Christus in Zijn verovering en overwinningen. De vier redenen waarom hij God prijst, staan hier op volgorde. Leer hieruit:

  1. De constante, gelijkmatige en oude weg hoe God omgaat met hen die in Hem geloven, is een zaak van Gods lof, en een reden waarom de ervaring van de ene gelovige een grond kan zijn voor de hoop van de andere, om hetzelfde te ervaren, omdat hier gezegd wordt: Gods weg is volmaakt. Dit is een reden van zijn lofprijzing en de hoop van de gelovige.
  2. In al de voorbijgegane tijden heeft ervaring bewezen dat het Woord van de Heere zeer hecht en waar is. Dit dient als tweede reden om God te prijzen en onze hoop te gronden: het Woord des HEEREN is beproefd.
  3. Niemand van de gelovigen is uitgezonderd van het nut van Zijn beloften, wat een derde reden is om God te prijzen en, voor ons, om te hopen. Want Hij is een Schild voor allen die op Hem vertrouwen. Hij is een Verdediging Die we altijd met ons mee kunnen dragen waarheen we ook gaan, en we kunnen in alle conflicten gebruik maken van Zijn kracht en liefde als van een schild.
  4. Een vierde reden om God te prijzen en, voor ons, om te hopen is dat, zoals er geen ware religie is en geen waar geloof, behalve één, zo is er geen ware God dan Eén, Wiens ware en beproefde Woord met Zijn ware kerk en heiligen is, die in Hem geloven: want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
  5. Er is geen bron van troost of van kracht of bevrijding behalve de Heere, door Wie alleen alle dingen hun bestaan hebben: want wie is God behalve de HEERE?
  6. Er is geen grond om ons vertrouwen en onze gelukzaligheid op te bouwen dan God alleen, Die door Christus met ons in verbond staat: wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?

33. ’Tis Godt die my met kracht omgordet; Ende hy heeft mijnen wech volkomen gemaeckt.

34. Hy maeckt mijne voeten gelijck als der hinden, ende hy stelt my op mijne hoochten.

35. Hy leert mijne handen ten strijde, so dat een stalen boge met mijne armen verbroken is.

36. Oock hebt ghy my den schilt uwes heyls gegeven, ende uwe rechterhant heeft my ondersteunt, ende uwe sachtmoedicheyt heeft my groot gemaeckt.

37. Ghy hebt mijnen voetstap ruym gemaeckt onder my, ende mijne enckelen en hebben niet gewanckelt.

Hij gaat verder en noemt de benodigdheden en bekwaamheden die de Heere hem gaf om oorlog te voeren. Leer hieruit:

  1. Een man Gods moet vastbesloten zijn een man van oorlog te zijn en met tegenstanders van de een of andere soort te vechten, zoals David was, en Christus en Zijn volgelingen, door hem vertegenwoordigd.
  2. De man die God uitzendt om Zijn oorlogen te voeren, zal Hij compleet bewapenen van hoofd tot voet:
  3. Hij zal hem met kracht omgorden en zijn weg effen en volmaakt maken;
  4. Hij zal zijn voeten snel maken;
  5. Hij zal voor hem een rustplaats verschaffen in de Hoogte;
  6. Hij zal hem voorzien van een stalen boog en met aanvalswapenen en Hij zal hem met meer kunde en kracht bekwamen om er gebruik van te maken;
  7. Hij zal hem ook voorzien van een schild van zaligheid, dat hem daadwerkelijk zal behouden;
  8. En met alle verdedigingswapenen zal Hij hem vasthouden met Zijn rechterhand, wanneer hij op het punt staat overwonnen te worden;
  9. En door Zijn tere zorg voor hem zal Hij hem groot maken, een dappere soldaat en Hij zal hem op zijn voeten laten staan, zodat hij in Zijn dienst niet valt.

Hiervan heeft David ervaring in zijn oorlogvoering, lichamelijk en geestelijk.

  • Wat God voor iemand heeft gedaan, zal beter gezien worden nadat de moeite is geëindigd, dan in de tussentijd. Het terugzien op de hulp van de Heere is heel duidelijk, zoals David hier het duidelijkste verslag geeft van Gods hulp, wanneer hij op zijn ervaring terug ziet.
  • De hele geestelijke wapenrusting, in onze geestelijke strijd, waarover het hier vooral gaat, komt alleen van de Heere. Want Hij, ja Hij alleen, wordt hier verklaard te zijn Degene Die daarin voorziet, en zonder Hem is een mens totaal zwak, onwetend en naakt.

38. Ick vervolchde mijne vyanden, ende trofse aen; ende ick en keerde niet weder, tot dat ickse verdaen hadde:

39. Ick doorstackse, datse niet konden weder opstaen; sy vielen onder mijne voeten.

40. Want ghy omgorddet my met kracht ten strijde; ghy deedt onder my nederbucken, die tegen my opstonden.

41. Ende ghy gaeft my den necke mijner vyanden, ende mijne haters, die vernield’ ick.

Hier maakt hij melding van de overwinningen die God hem gaf, als een type van Christus over al Zijn vijanden. Leer hieruit dat het aan David was geopenbaard dat Christus veel vijanden zou hebben, net als hij zelf had, en dat Hij tegen hen zou vechten en over hen zou triomferen en al Zijn volgelingen overwinnaars over hen zou maken. Dat Hij Zijn en hun vijanden zou achtervolgen, in elke eeuw, en niet zou terugkeren totdat Hij hen verdaan had, zoals vers 38 zegt; totdat Hij ze had neergeworpen zodat zij niet weer konden opstaan, vers 39; totdat Hij ze allemaal onder Zijn en onze voeten had onderworpen, vers 40; totdat Hij ze gevangen had genomen en had vernield, vers 41. Want de overwinningen van Christus zijn gemeenschappelijk aan Hem en aan Zijn volgelingen, zover als hun oorlog van Hem afkomstig is en Hij Zich heeft verplicht onze oorlogen voor ons of door ons te voeren, zoals Hij goed vindt.

42. Sy riepen, maer daer en was geen verlosser; tot den HEERE, maer hy en antwoorddese niet.

43. Doe vergruysde ickse als stof voor den wint; ick ruymdese wech, als slijck der strate.

In de afbeelding van sommige passages van enig streng gericht dat David tegen zijn vijanden oefende, stelt hij de zekere vernietiging voor van de vijanden van Christus, in een onbarmhartig oordeel. Leer hieruit:

  1. Wie ook maar uitzien naar verlossing uit hun moeiten, en dit niet door Christus, zullen in het geheel geen verlossing hebben: hoewel zij roepen, zal er niemand zijn die hen verlost.
  2. Het kan zijn dat sommige denken dat ze vrienden van God zijn en dat God hun Vriend is; en dat zij tot Hem bidden, hoewel zij vijanden van Christus zijn. Maar dat gebed, dat tot God wordt opgezonden zonder verzoening door Christus te hebben gemaakt, zal worden verworpen: hoewel zij roepen tot de Heere, zal Hij hen niet antwoorden.
  3. Als mensen, door Christus achtervolgd vanwege hun vijandschap tegen Hem, niet uiteindelijk onder de roede tot Hem terugkeren, blijft er voor hen niets anders over dan dat zij totaal vernietigd worden en als het ware vergruisd worden als stof.
  4. De onverzettelijke vijanden van het Koninkrijk van Christus zullen op een schandelijke manier vergaan. En zoals zij het bloed van Christus en van Zijn knechten hebben veracht, zo zal de Heere hen verachten: Hij zal ze wegruimen als slijk der straten.

44. Ghy hebt my uytgeholpen van de twisten des volcks, ghy hebt my gestelt tot een hooft der heydenen; het volck, [dat] ick niet en kende, heeft my gedient.

45. So haest als [haer] oore [van my] hoorde, hebben sy my gehoorsaemt; vreemde hebben sich my geveynsdelick onderworpen.

In het vijfde en laatste gedeelte van de psalm belooft hij zichzelf de bevestiging en vergroting van zijn eigen koninkrijk, en profeteert hij ook over Christus’ Koninkrijk dat daardoor was afgebeeld. Leer hieruit:

  1. Net zoals Davids koninkrijk, is Christus’ Koninkrijk onderhevig aan interne beroeringen, ongeregeldheden en onenigheden. Zoals er in het ene, zo waren er en zo zullen er zijn in het andere, conflicten en twisten van het volk, door satan opgeworpen, en bevorderd door goddeloze schijngelovigen en door de verdorvenheid van des Heeren kinderen.
  2. Zulke twisten en onenigheden stellen het Koninkrijk van onze Heere in een soort gevaar, als we op tweede oorzaken letten, zodat er noodzaak zal zijn dat God helpt om ervan te verlossen. Maar het Koninkrijk van Christus zal ondanks dat alles voor eeuwig staan, niettegenstaande deze ongeregeldheden, zodat nog steeds van Zijn Koninkrijk gezegd kan worden, zoals hier wordt gezegd van het afbeeldende koninkrijk (van David), en wordt geprofeteerd van Christus’ Koninkrijk: U hebt mij verlost van de twisten van het volk.
  3. Aan de profeet was geopenbaard dat Christus’ Koninkrijk niet beperkt zou blijven binnen de grenzen van Judea, maar zou worden uitgebreid tot de heidenen, over wie Christus zou regeren en nu een lange tijd heeft geregeerd: de Vader zoals Hij David het type maakte, zo heeft Hij Christus Hoofd der heidenen gemaakt.
  4. De goddeloosheid van een persoon of van een volk, van wie de werken allerwalgelijkst zijn geweest voor de Heere, kan Hem niet verhinderen genade aan hen te bewijzen door Christus, wanneer het Hem behaagt hen te bekeren. Want Hij heeft gezegd: het volk, dat Ik niet kende, zal Mij dienen. Dit is vaak gebeurd en zal nog vaker krachtig gezien worden.
  5. Het Woord des Heeren is de regeerstaf van Zijn Koninkrijk, het zwaard waarmee Hij Zijn volk aan Zichzelf onderwerpt: zo haast als zij van Mij horen, zegt de Heere door de mond van Zijn type en profeet, zullen zij Mij gehoorzamen.
  6. Des te meer ruimte het Woord in iemand krijgt en des te eerder het wordt geloofd en gehoorzaamd, nadat Gods wil in Zijn Woord hem duidelijk is geworden, des te vriendelijker is de bekering en des te meer wordt des Heeren kracht openbaar, zoals hier wordt aangeduid in zo haast als zij van Mij horen.
  7. Wanneer Christus door Zijn Woord volken aan Zich onderwerpt en de uitverkorenen of Zijn eigen verlosten bekeert, zullen ook vreemdelingen van hart uitwendig tot de samenkomst van Zijn gemeente en Koninkrijk komen, hoewel geveinsd: vreemden zullen zich geveinsd aan Mij onderwerpen.
  8. Zelfs de uitwendige aanbieding van onderwerping aan Christus’ Koninkrijk, door vreemdelingen die tot de zichtbare gemeente komen, wordt niet verworpen, maar als zodanig geaccepteerd en gemaakt tot een zaak van eer voor Christus: vreemden zullen zich geveinsd aan Mij onderwerpen. Want het is geen kleine eer voor Christus dat de majesteit van Zijn Woord en instellingen zorgt dat voor Hem zovelen zich buigen die niet waarlijk tot Hem bekeerd zijn. Ondertussen, hoewel iemand door binnen te komen in en zich te onderwerpen aan het uitwendige verbond wordt toegelaten tot de zichtbare gemeente en de voorhof van Gods huis, toch wordt niemand zonder werkelijke bekering lid van de onzichtbare gemeente en toegelaten tot het binnenhof van de hemel.

46. Vreemde zijn vervallen, ende hebben gezittert uyt hare sloten.

Hij profeteert wat uiteindelijk van de vijanden van Christus zal terechtkomen. Leer hieruit:

  1. Zoals sommige vreemdelingen in een uitwendige verbinding met Christus’ Koninkrijk zullen komen, zo zullen anderen van hen uitgesproken vreemdelingen blijven en niet verbonden aan Zijn Koninkrijk. En of zij nu vreemdelingen binnen of buiten zijn, zij zullen toch vreemdelingen blijven, beiden zullen vergaan, want vreemden zullen verwelken.
  2. Al kan het zijn dat Christus eerst, waar Hij komt om Zijn Koninkrijk op te zetten, veel vijanden heeft en onvriendelijke mensen, maar waar en wanneer het Hem behaagt te blijven en Zijn Koninkrijk te bevestigen, daar zullen Zijn openlijke vijanden minder in aantal worden: de vreemden zullen verdwijnen, namelijk waar Hij van plan is te blijven en het Hem met die bedoeling goed dunkt om hen te verminderen.
  3. Of het de Heere behaagt vreemdelingen te bekeren of niet, hun sterkten (of het hun hoge inbeeldingen zijn of hun aardse macht) zullen niet in staat zijn voor Hem stand te houden. Laat Hem komen om hen uitwendig of ook inwendig te bekeren, of hen te vernielen, zoals het Hem belieft, Zijn verschrikking zal hen doen sidderen. Want de vreemden zullen voor Hem vrezen uit hun verborgen plaatsen.

47. De HEERE leeft, ende gelooft zy mijn rotz-steen; ende verhoocht zy de Godt mijns heyls:

48. De Godt, die my volkomene wrake geeft, ende de volcken onder my brengt:

49. Die my uyt helpt van mijne vyanden; ja ghy verhoocht my boven de gene die tegen my opstaen; ghy reddet my van den man des gewelts.

Hij sluit de Psalm af met dankzegging, en prijst de Heere voor zijn persoonlijke bewaring tot het eeuwige leven, vers 47; voor het omverwerpen van zijn vijanden, vers 48; dat Hij hem van hen verloste, vers 48-49; en in Christus’ Naam zet hij des Heeren glorie uiteen voor de heidenen, voor de genadebewijzen die het Koninkrijk van Christus, en zijn eigen koninkrijk, dat er een type van is, volgen, vers 50-51.

Leer hieruit:

  1. Het doel van al onze toespraken aangaande de dingen waarbij we betrokken waren en die we hebben gedaan of waarin we voorspoed hadden, moet zijn om de glorie van God te laten zien aan anderen, en om aan Hem lofprijzing en dankzegging aan te bieden. Want het geloofd zij mijn Rotssteen, enz., is het doel waarheen Davids voorbeeld drijft.
  2. Leven en gezegend leven, levendmakend leven, de enige Bron van leven, dit alles hoort alleen bij God, over Wie wij volkomen terecht mogen zeggen: de HEERE leeft.
  3. Omdat God de Bron is van alle zegeningen voor engelen en mensen, daarom moeten we Hem erkennen en Hem geprezen noemen, zodat de hoorder zegen alleen zal zoeken in Hem.
  4. De volmaaktheid van God in Zichzelf en de uiting van Zijn goedheid voor het schepsel, Zijn onveranderlijkheid in Zijn liefde tot de Zijnen, Zijn bekendmaking van Zichzelf als het ware het eigenlijke Goed van de gelovige in het verbond, en dat Hij zekerheid geeft van de zaligheid voor de gelovige, bevestigd door het verbond…, deze en andere volmaaktheden moesten de Heere zeer verhogen in de waardering en genegenheid van de gelovige, en de gelovige hartelijk doen wensen dat de Heere bekend zal worden, tot Zijn lof. Om deze reden zegt de profeet: de HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God van mijn heil.
  5. David als type van Christus geeft in Naam van en met het zicht op Christus aan God de eer dat Hij met zijn vijanden heeft afgerekend, dat Hij zijn koninkrijk heeft bewaard en bevorderd en dat Hij zijn volk heeft bevrijd van wrede vervolgers. Het is God, zegt hij, Die mij wreekt, en de volken onder mij brengt. Hij bevrijdt mij van mijn vijanden. Ja, U verhoogt mij boven degenen die tegen mij opstaan. U hebt mij gered van de man van geweld.

50. Daerom sal ick u, ô HEERE, loven onder de heydenen; ende uwen Naem sal ick psalm-singen:

Behalve tegenwoordige lofprijzing voor God belooft hij in lof en dank te zullen volharden. De apostel toont in Romeinen 15 vers 9 aan dat Christus dit zegt en dat het een profetie is van de bekering der heidenen. Leer hieruit:

  1. Behalve al de overwinningen die in Davids tijd aan de gemeente zijn gegeven, als een onderpand van de beloften, werd voorzegd dat de heidenen veel overwinningen zouden zien over de vijanden van de kerk van Christus, na Zijn komst, en dat zij daarvoor met de Joden zouden samenstemmen in dank aan God. Want vanwege de verhoging van Christus door de Heere boven Zijn tegenstanders en wrede vervolgers zal dank worden gegeven aan de Heere onder de heidenen.
  2. In zekere zin is het offer van lof, in de gemeente gezongen, het werk van de heiligen, en zo is het ook in zekere zin het werk van Christus, omdat Hij door Zijn Geest de zang in hun harten doet rijzen, en aan de Vader het offer van dank geeft. Want het is Christus Die hier zegt: Ik zal U, o HEERE, loven onder de heidenen; en voor Uw Naam zal Ik psalmzingen.

51. Die de verlossingen sijns Conincks groot maeckt, ende goedertierentheyt doet aen sijnen gesalfden, aen David, ende aen sijn zaet, tot in eeuwicheyt.

David geeft als type van Christus een reden voor het voortdurend prijzen van God, namelijk de constante koers van Gods goedertierenheden aan hem betoond en aan zijn huisgezin, en te betonen aan Christus en Zijn kinderen en huisgezin voor eeuwig. Leer hieruit:

  1. Zoals de moeilijkheden, de vijanden en de gevaren van de kerk veel en groot zijn, zo zullen hun overwinningen over deze kwaden ook groot zijn: want grote verlossing geeft Hij, in een continue rij en koers, als het ware, de ene na de andere, zoals nodig is.
  2. Al de verlossingen zijn voornamelijk aan Christus gegeven, en in Hem aan Zijn gemeente en afzonderlijke zielen door Hem, want er wordt gezegd: grote verlossing geeft Hij aan Zijn Koning.
  3. De keus van iemand voor een dienst, zal door de roeping ertoe en de bekwaammaking ervoor en de bewaring erin, voor hem bevestigd worden. Zo ook door de gang van goedertierenheid die hem volgt in al zijn moeilijkheden die hem in zijn roeping zullen ontmoeten. Daarom zegt hij betekenisvol: een grote verlossing geeft Hij aan Zijn koning, aan David, een gekozen type, en aan Zijn gezalfde Christus, Die door David werd vertegenwoordigd: Hij toont goedertierenheid aan Zijn Gezalfde, aan Christus, zijn Zaad.
  4. De volgelingen van Christus, Zijn kinderen en zaad hebben alleen maar goedertierenheid nodig. En goedertierenheid zal hen gedurig volgen, niet voor een korte tijd maar tot in alle eeuwigheid. Want de Heere toont goedertierenheid aan David en aan Zijn zaad tot in eeuwigheid.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën