Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
Psalm 19
1) 1. EEn Psalm Davids, voor den Opper-sang-meester.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes, 1562) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
Deze Psalm is een zoete overdenking van
- de glorie van Gods wijsheid, kracht en goedheid die in de werken van de schepping schijnen, vers 2—7;
- en van de glorie van Zijn heiligheid en rijke genade, die door Zijn Woord en instellingen in Zijn gemeente schijnen, vers 8—11.
Nu de profeet hiervan het bewijs heeft, bidt hij om er het juiste gebruik en nut van te hebben, vers 12—15
2. De hemelen vertellen Godts eere, ende het Uytspansel verkondicht sijner handen werck.
Hoewel de hele aarde vol is van de glorie van de Heere, toch stelt de profeet zich tevreden om zijn meditaties te richten op de hemelen alleen, en de afwisseling van dag en nacht, en op de gang van het zonlicht. Leer hieruit:
- Hoewel de glorie van de Heere in al Zijn werken schijnt, zal toch elk deel ervan de meditatie van een mens in beslag nemen wanneer hij er over begint te denken, zoals hier de hemelen het thema en onderwerp van de meditatie van de profeet zijn.
- De onzichtbare dingen van God, namelijk Zijn eeuwige kracht en Godheid, en glorierijke eigenschappen van wijsheid en goedheid en majesteit zijn vanaf het begin van de wereld in de werken van de schepping te zien: de hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen.
- Hoewel Zijn glorie aan alle mensen wordt getoond, is het alleen het verlichte kind van God dat deze kan opmerken. Want hij die ze aan anderen voorstelt, doet het door de inspiratie van de eigen Geest des Heeren. Hij is een profeet die hier wordt opgewekt om ons te wijzen op deze les, die onze opmerkzaamheid zeer waard is. Want in wezen verklaren de hemelen dat zij hun eigen maker niet zijn, maar dat zij gemaakt zijn door een oneindige, onbevattelijke, almachtige, eeuwige, goede, vriendelijke en majesteitelijke God. En het uitspansel (als we dit nemen voor het gebied van de lucht en de plaats van de sterren) verklaart hoe prachtig Hij het werk van Zijn handen kan versieren en hoe machtig Hij overvloedige glorie aan de schepping kan schenken, hoewel het in zichzelf geen materie heeft om het glorierijk te maken.
3. De dach aen den dach stort overvloedichlick sprake uyt; ende de nacht aen de nacht toont wetenschap.
4. Geene sprake, noch geene woorden zijnder, daer hare stemme niet en worde gehoort.
5. Haer richt-snoer gaet uyt over de gantsche aerde, ende hare redenen aen ’t eynde der werelt; hy heeft in de selve eene tente gestelt voor de Sonne.
Vervolgens kijkt hij naar de afwisseling van nacht en dag, en zoals hij zag wat de hemelen hem te lezen gaven, zo merkt hij op en hoort hij wat dag en nacht spraken. En hij vat al hun spraak samen in de leer van kennis. Leer hieruit:
- Op de juiste manier de afwisseling van nacht en dag observeren kan ons instructie geven om wijs te worden. want dag aan dag, in hun omwenteling, stort spraak uit voor het opmerkende oor. En nacht aan nacht geeft, in hun afwisseling, kennis aan de verstandige. Want in wezen dient de afwisseling van dag na dag ertoe de mens te onderwijzen dat hij in de tijd leeft; en dat zijn dagen geteld zijn, dat zijn dagen snel voorbijgaan en dat de tijd kostbaar is en niet meer kan terugkeren wanneer die gegaan is. En zo lang de tijd duurt, zal het de mens dienen om de werken des Heeren te zien en uit te gaan tot zijn noodzakelijke werkzaamheden. En dit soort spraak spreekt de tijd. Zo zegt ook de nacht dat de mens in zichzelf zwak is, en dat hij langdurig zwoegen in zijn werk niet kan verdragen; dat zoals een beetje rust en ontspanning voor de arbeider nodig is, zo is die ook voor hem beschikbaar, dat hij onder een gordijn kan liggen en een poosje kan slapen en zo geschikt zal zijn voor meer werk, als hem meer tijd uitgeleend zal worden. En dat hij nu zich rustig kan onderzoeken wat hij heeft gedaan, kan praten met zijn hart en stil zijn. En als hij niet doet wat hij in de tijd heeft te doen, komt de nacht, wanneer niemand werken kan. Door deze en andere soortgelijke spraak kan de mens kennis leren.
- Er is geen volk of land, of er is van de taal van de schepping overtuigend zoveel tot hen gesproken, dat het hen onverontschuldigbaar kan maken. En al is het dat niet allen wijsheid leren, toch is de stem van de werken van schepping en voorzienigheid overal in enige mate gehoord: hun richtsnoer is uitgegaan over de aarde.
6. [Hy heeft in de selve eene tente gestelt voor de Sonne.] Ende die is als een bruydegom, uytgaende uyt sijne slaep-kamer; sy is vrolick als een helt, om ’t pat te loopen.
7. Haren uytganck is van ’t eynde des hemels, ende haren ommeloop tot aen de eynden des selven; ende niets is verborgen voor hare hitte.
Hij trekt zijn gedachten weg van de hoogheid van de hemelen en richt ze op de zon en hij ziet Gods glorie erin. Leer hieruit:
- Al de glorie die in de zon te zien is, hoort God toe, want Hij maakte die en zette die in zijn plaats, als in een tent, voor een tijd, zo lang als Hij die nodig heeft en er dienst voor heeft.
- De pracht van de zon wanneer die in de morgen opgaat, de wonderlijke snelheid en regelmatige beweging ervan, die door de geweldige afstand tot de aarde zo is getemperd dat het niet gezien kan worden dat de zon beweegt wanneer deze heel snel in een cirkel in de hemel rent; de constante snelheid van de zon van dag tot dag, van jaar tot jaar, zonder moe te worden of te falen; de grote cirkel die de zon elke 24 uur maakt; de hitte en het nut en de krachtige werking op alle mindere schepselen… Al deze dingen zijn bewonderenswaardig en tonen de glorierijke volmaaktheid van God, Die de zon heeft gemaakt en hem beweegt: als een bruidegom gaat hij op, gaat om de cirkel van hemel en aarde en niets is verborgen voor zijn hitte.
8. De Wet des HEEREN is volmaeckt, bekeerende de ziele: de getuygenisse des HEEREN is gewis, den slechten wijsheyt gevende.
9. De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het herte: het gebodt des HEEREN is suyver, verlichtende de oogen.
10. De vreese des HEEREN is reyn, bestaende tot in eeuwicheyt: de rechten des HEEREN zijn waerheyt, t’ samen zijnse rechtveerdich.
11. Sy sijn begeerlicker dan gout, ja dan veel fijn gout; ende soeter dan honich, ende honich-seem.
Het volgende deel van zijn overdenking gaat over de glorie van de Heere zoals verklaard in Zijn Woord en Schrift. Zoals dit licht voor ons nodiger is om gezegend te zijn dan het licht van de zon voor onze lichamen, zo beveelt hij dit punt van Gods glorie aan boven alles wat in het werk van de schepping schijnt, vanuit de volmaaktheid, kracht, onfeilbaarheid en verscheidene eigenschappen van dit Woord. Leer hieruit:
- De leer van leven en zaligheid, in Gods Woord ons beschreven, als wet voor ons en als een regel van geloof en gehoorzaamheid, heeft geen versiering van menselijke tradities nodig. Ze is genoegzaam in zichzelf en mist niets wat nodig is tot zaligheid: want de wet des HEEREN is volmaakt.
- Geen leer, geen woord, behalve deze Goddelijke waarheid, geplaatst in de Schrift, is in staat de zonde en de ellende van de mens bekend te maken of het geneesmiddel en de verlossing ervan. Geen leer, behalve deze alleen, kan effectief een ziel verootmoedigen en haar tot God bekeren, of een ziel besef geven van het verlies dat zij lijdt door de zonde, en haar herstellen in een betere conditie dan door de zonde werd verloren. Want het is de eigenschap van deze wet of leer, dat zij zielen bekeert.
- Wie naar dit Woord luistert, zal tevredengesteld worden met betrekking tot wat des Heeren gedachte en wil is in alle zaken van de godsdienst, aangaande de dienst van God en de zaligheid van de mens, want het is de getuigenis des HEEREN, waarin Hij Zijn wil bekend maakt aangaande wat Hij goedkeurt en wat Hij afkeurt.
- Op dit Woord, als het recht wordt verstaan – zoals het kan worden verstaan wanneer het met zichzelf wordt vergeleken, het ene deel met het andere, en wanneer ook andere middelen worden gebruikt die God heeft verordend –, kan veilig worden vertrouwd. Het zal niemand teleurstellen, want de getuigenis des HEEREN is gewis.
- Al is het waar dat er veel diepe geheimen in dit Woord zijn die de knapste mensen druk bezig kunnen houden, toch is het wat betreft de punten die nodig zijn tot de zaligheid van iedere ziel, zo eenvoudig en duidelijk, dat het door mensen met weinig verstand kan worden verstaan en dat het hen die in andere dingen heel dom zijn, wijs kan maken tot zaligheid, want het is een getuigenis die onwetenden wijs maakt.
- Door God wordt in Zijn Woord niets geboden dan wat de verlichte ziel moet onderschrijven als billijk in zichzelf en nuttig voor ons, want de bevelen des HEEREN zijn recht.
- Gods aanwijzingen die ons in Zijn Woord zijn gegeven, goedkeuren en opvolgen is een zeker middel om troost en vreugde in ons geweten te doen rijzen, want de bevelen des HEEREN verblijden het hart.
- Er is geen mengsel van dwaling, geen rommel- of vuilnis-leer, geen bedrog in het Woord des Heeren, want het gebod des HEEREN is zuiver.
- Door het Woord van God kan iemand duidelijk aangaande zichzelf zien dat hij in zichzelf blind is en naakt en ellendig en jammerlijk, en door te komen tot de genade en de ontferming die in de Messias Christus wordt aangeboden, kan hij aangaande zichzelf zien dat hij in de enige veilige weg van zaligheid is binnengegaan. Door het Woord van God kan iemand elk ding in zijn eigen kleuren zien, dat deugd deugd is en dat ondeugd ondeugd en waardeloosheid is, want het Woord verlicht de ogen.
- De manier om God te aanbidden, te vrezen en te dienen, zoals beschreven in Zijn Woord, is heilig en in wezen dezelfde in alle eeuwen, en nooit door mensen te veranderen. De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid.
- De leerstellingen die in Gods Woord staan, zijn allemaal besluiten van de almachtige Wetgever, uitgevaardigd in Zijn eigen hof met oneindig gezag. Ze zijn allemaal waar, en waard gehoorzaamd te worden, want de rechten des HEEREN zijn waar, samen zijn zij rechtvaardig.
- Het Woord van God is in staat een mens meer te verrijken dan alle rijkdommen in de wereld, want het is in staat hem tot een eeuwig Koninkrijk te brengen, omdat Gods oordelen als rechterlijke uitspraken – om alle nodige waarheden en verschillen over zaligmakende waarheid te beslissen – begeerlijker zijn dan goud, ja, dan veel fijn goud.
- In des Heeren Woord is meer zoete vertroosting en waar genoegen te vinden, dan in welk aangenaam ding in deze wereld ook: zij zijn zoeter dan honing en honingzeem.
12. Oock wort u knecht door de selve klaerlick vermaent; in’t houden van dien is grooten loon.
De profeet ondertekent deze aanbeveling van Gods Woord met zijn eigen ervaring en zoekt er een goed gebruik van te maken. Leer hieruit:
- Die persoon is van alle anderen het meest geschikt om het Woord van de Heere aan te bevelen, die in zichzelf de ervaring van de gevolgen en het goede gebruik ervan heeft gevoeld, zoals het voorbeeld van de profeet toont.
- Zoals het Woord van God in staat is iemand wijs te maken tot zaligheid, zo ook om hem verstandig te maken in zijn gedrag, om niet alleen zonde te schuwen, maar ook ongemakken, en om hem voor strikken te waarschuwen waarin hij door onverstandigheid kan vallen. Want behalve de vorige aanbeveling voegt hij erbij: ook wordt Uw knecht daardoor gewaarschuwd.
- Als iemand alles heeft gezegd wat hij kan ter aanbeveling van Gods Woord, zal hij toch niet in staat zijn alles te zeggen, maar moet hij afsluiten met iets algemeens, omdat het nut van het bewaren van des Heeren inzettingen en bevelen zijn bereik overstijgt. Want zo eindigt de profeet: in het houden ervan is groot loon.
13. Wie soude de afdwalingen verstaen? reynigt my van de verborgene [afdwalingen].
Opdat hij niet zou schijnen te spreken als één die zoekt gerechtvaardigd te worden door zijn werken, erkent hij zichzelf als een man die niet aan zijn eigen gerechtigheid kleeft, maar aan de fontein van vrije genade, en aan de verzoening van zonde gemaakt door Christus, afgebeeld onder de schaduw van ceremoniële reiniging. Leer hieruit:
- De meest heilige moet na bekering nog steeds gebruik maken van de wet voor zijn verootmoediging en om hem continue tot Christus te drijven. En wanneer hij zichzelf met de wet van God vergelijkt, zal hij gedwongen zijn te blozen en te erkennen dat hijzelf en iedere ander onbekwaam is om in details te treden van de veelheid zelfs van zijn daadwerkelijke zonden. Daarom zegt hij: wie kan zijn dwalingen verstaan?
- Zonden van onwetendheid, vergeten zonden, laten een schuld na op iemand, en moeten ten slotte in het algemeen worden beleden; en genade door het bloed der reiniging moet er voor worden afgesmeekt, zoals hier: reinig mij van verborgen zonden.
14. Houdt uwen knecht oock te rugge van trotsheden, laetse niet over my heerschen; dan sal ick oprecht zijn, ende reyn van groote overtredinge.
Hij stelt een andere smeking voor, namelijk dat hij bewaard mag worden voor brutale zonden. Leer hieruit:
- De heiligste mensen zijn het meest gevoelig wat betreft hun verleden zonden en zo ook wat betreft hun natuurlijke zondigheid en dat ze zomaar kunnen vallen. Hier vreest de profeet voor, wanneer hij zegt: houd Uw knecht ook terug van brutale zonden.
- Zelfs de wedergeborenen, als de Heere hen niet bewaart voor verzoeking, of als Hij hen in verzoeking overlaat aan hun eigen wil en kracht, kunnen, tegen het licht van hun geweten, in de meest schandelijke zonden vallen en er slaven van zijn. Daarom bidt hij van brutale zonden te worden teruggehouden en dat God niet zou toelaten dat zulke zonden over hem zouden heersen; hiermee zijn eigen zwakheid te kennen gevend, als God het niet zou voorkomen en hem niet zou bijstaan, er niet tegen zou helpen.
- Oprechtheid en integriteit in het gehoorzamen van God kunnen samengaan met zonden van zwakheid en zonden van onwetendheid, maar kunnen niet bestaan met brutale zonden, tegen het licht van het geweten. Want als de Heere hem zal verlossen van brutale zonden, dan, zegt hij, zal hij oprecht zijn.
- Brutale zonden en toe te laten dat zonde heerst in ’s mensen sterfelijk lichaam, is de snelweg naar de ‘zonde tot de dood’, of het zondigen met boos opzet, met verachting van God. En hij die gewetensvol omgaat met verborgen zonden en bevreesd is om in brutale zonden te vallen en die vlucht tot God om gereinigd te worden van de ene en bewaard te worden om in de andere te vallen, mag er zeker van zijn niet in de zonde tegen de Heilige Geest te vallen. Want nadat de profeet heeft gebeden om van zijn verborgen zonden te worden gereinigd en van brutale en heersende zonden te worden teruggehouden, verzekert hij zichzelf: dat hij op deze manier oprecht zal zijn en rein van de grote overtreding.
15. Laet de redenen mijns monts, ende de overdenckinge mijns herten welbehaeglick zijn voor u aengesichte; ô HEERE, mijn rotzsteen ende mijn verlosser.
De derde bede is voor de aanvaarding van zijn dienst in zijn gebed, en het doel van zijn hart. Leer hieruit:
- Zoals er om vergevende genade en bewarende genade en terughoudende genade moet worden gebeden, zo moet ook krachtige en heiligende of bekwaam makende genade worden gezocht in gebed van God, zowel voor de inwendige als de uitwendige dienst; ja, en genade dat de dienst wanneer die is aangeboden, wordt aanvaard. Want zoals de profeet heeft gebeden om de eerste daden van genade, zo bidt hij hier ook om de laatste soort, zeggende: laat de redenen van mijn mond, en de overdenking van mijn hart welbehaaglijk zijn.
- Zoals al onze gebeden en al onze heilige verrichtingen en bekwaamheden om God te dienen ons verschaft moeten worden door onze Verlosser, dat is, Jezus Christus, zo moet ook iedere andere genade en de acceptatie van onze persoon en dienst door Hem komen. En we mogen dit alles verwachten uit kracht van het verbond der genade, waardoor Christus in alle opzichten onze Sterkte en Verlosser is gemaakt. Daarom legt hij al het gewicht hierop: o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!
