Website van Ds. W. Pieters

Psalm 21

P

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. EEn Psalm Davids, voor den Opper-sang-meester.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

Zoals de vorige Psalm een gebed was om de bewaring van het koninkrijk van Israël, in relatie tot het Koninkrijk van Christus, dat erdoor werd afgebeeld, zo is deze Psalm een vorm van dankzegging tot God door de kerk voor de zegen voor het koninkrijk van Israël, die de zegen en de oorzaak van dankzegging afbeeldt, die in Christus en Zijn Koninkrijk worden gevonden. Hierin wordt een aantal goede dingen genoemd, opgehoopt op de Koning, vers 2—8; en een aantal ellenden worden genoemd die op het hoofd van zijn vijanden worden opgehoopt, vers 9—13. Voor beide wordt de Heere geëerd, vers 14. De reden waarom de vorige Psalm en deze op zoveel onderdelen verwijzen naar Christus, is omdat de waarheid van de dingen die hier worden besproken, in Christus en Zijn Koninkrijk moeten worden gezocht, want, als we de hele historie bezien, was de schaduw van wat hier wordt besproken, maar in een paar koningen en in een enkele tijd van het koninkrijk te vinden.

2. ô HEERE, de Coninck is verblijdt over uwe sterckte; ende hoe seer is hy verheugt over u heyl?

3. Ghy hebt hem sijns herten wensch gegeven; ende d’ uytsprake sijner lippen en hebt ghy niet geweert, Sela!

4. Want ghy komt hem voor met segeningen van’t goede; op sijn hooft settet ghy eene Kroone van fijnen goude.

5. Het leven heeft hy van u begeert, ghy hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwichlick ende altoos.

6. Groot is sijne eere door u heyl; Majesteyt ende heerlickheyt hebt ghy hem toegevoegt.

7. Want ghy settet hem [tot] segeningen in eeuwicheyt; ghy vervrolickt hem door vreuchde met u aengesicht.

8. Want de Coninck vertrouwt op den HEERE, ende door de goedertierenheyt des Alderhoochsten en sal hy niet wanckelen.

Zeven of acht weldaden zijn er aan de koning en zijn koninkrijk geschonken, die even zovele redenen zijn tot dankzegging. De eerste is: vreugde in het hart van de koning voor de kracht en de verlossing aan hem gegeven. Leer hieruit:

  1. Zoals gebed nodig is, zo is ook dankzegging nodig. En zoals het onze plicht is deze beide aan God aan te bieden, zo is het ook Zijn recht. En zoals we de samenwerking van anderen in het gebed moeten zoeken, zo moeten we ook hun samenwerking zoeken in de lof. En wie de ene dag gebed opzendt, zal de volgende dag reden hebben om lof op te zenden, zoals ons hier wordt onderwezen.
  2. Christus en al Zijn ware onderdanen zijn er zeker van dat ze door God met kracht worden voorzien voor elk werk, en dat ze door God worden bevrijd uit elk gevaar en dat ze blijdschap en vreugde hebben in het bevindelijke gevoel ervan, want de koning zal verblijd zijn over Uw sterkte, o HEERE; en hoezeer zal hij verheugd zijn over Uw heil!
  3. Dit is de eerste reden van lof en dank voor deze eerste weldaad.
  4. De tweede weldaad aan Christus geschonken om aan Zijn ware onderdanen te doen toekomen, is deze: bevredigende antwoorden zullen worden gegeven op al de delen van Christus’ voorbede, en op al de delen van de terechte smeekbeden van de heiligen: Gij hebt hem de wens van zijn hart gegeven, en de uitspraak van zijn lippen hebt Gij niet geweerd.
  5. De derde weldaad is deze: er zal een directe uitdeling wezen van royale gaven en vruchten van Gods liefde voor de onderdanen van Christus, voordat de nood ervoor gevoeld of bemerkt wordt: Gij komt hem voor met zegeningen van het goede.
  6. De vierde weldaad is recht en aanspraak en bezit gegeven aan Christus; een naam van roem, of de gift van een glorierijk Koninkrijk, waarin Christus aan al Zijn onderdanen kronen vol heerlijkheid zal geven: op zijn hoofd zet U een kroon van puur goud.
  7. De vijfde weldaad is het recht op het eeuwige leven, als vrucht van Christus’ tussentreding: het leven heeft hij van U begeerd. U hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwig en altoos.
  8. De zesde weldaad aan Christus en aan Zijn onderdanen gegeven, is groeiende eer en een groeiend gewicht van glorie, een grote hoeveelheid ervan, ook voor de mensen. Want niets kan mensen glorierijker maken, zelfs voor de wereld, dan dat God hen voor de wereld erkent als de Zijnen en respect aan hen geeft. Ja, en de wereld zal meer en meer de glorie zien en bewonderen die God op Christus en Zijn Koninkrijk zal plaatsen: groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt U op hem gelegd.
  9. De zevende weldaad is het begin van het bezit van eeuwigdurende zegen en onuitsprekelijke blijdschap, gedeeltelijk vanuit het gevoel van de eerste vruchten, gedeeltelijk vanuit de hoop op de volle oogst, want God zal nooit stoppen te zegenen die Hij wil zegenen: U hebt hem en zijn volgelingen tot zegeningen gemaakt in eeuwigheid; U vervrolijkte hem door vreugde met Uw aangezicht.
  10. De achtste reden tot dankzegging, en de laatste weldaad, in relatie tot het geven van wat goed is, aan Christus en aan Zijn onderdanen (onder wie David en ieder van de godvrezenden mogen komen om erin te delen), is de onveranderlijkheid van Gods genade en Zijn krachtige liefde voor de gelovige, die met Hem in een verbond is getreden en Hem vertrouwt. Hij zal niet wankelen. En waarom? De koning vertrouwt op de HEERE. Wat dan? De verbondsgenade van de Allerhoogste is onveranderlijk en bevestigt alle zegeningen aan Christus en aan elke gelovige:door de goedertierenheid van de Allerhoogste zal hij niet wankelen. Het Koninkrijk van Christus zal, in Zijn Persoon en in Zijn onderdanen, blijven staan, wanneer alle koninkrijken van de aarde zullen waggelen en vallen.

9. Uwe hant sal alle uwe vyanden vinden; uwe rechter-hant sal uwe haters vinden.

10. Ghy sultse setten als eenen vyerigen oven ter tijt uwes [toornigen] aengesichts; De HEERE salse in sijnen toorn verslinden, ende het vyer salse verteeren.

11. Ghy sult hare vrucht van der aerde verdoen; ende haer zaet van de kinderen der menschen.

In de tweede plaats is er een profetie van Gods vergelding over de vijanden van Christus en Zijn kerk, onder het type van de vijanden van Davids koninkrijk. Leer hieruit:

  1. Alle vijanden van Christus en Zijn kerk zullen door God achtervolgd en achterhaald worden, en niemand van hen zal aan Zijn hand ontsnappen, geen openlijke vijanden en geen stiekem loerende verraders. De hand des Heeren zal al de vijanden van de Koning opsporen en Zijn rechterhand zal allen vinden die Hem haten.
  2. Voor alle vijanden van Christus en Zijn Koninkrijk, hoezeer zij ook mogelijk voor een tijd worden gespaard en verdragen, is er toch een bestemde tijd om hen te straffen, hier genoemd de tijd van Gods toorn.
  3. Wanneer de tijd is gekomen, is hun oordeel onvermijdelijk, vreselijk en volkomen: U zult hen zetten als een vurige oven, wanneer het vuur extreem heet is en de hitte alles wat er in is, aangrijpt, van alle kanten, van boven en van beneden, en rondom aan alle kanten, en dat de deur dicht is, zodat niemand er uit kan en ook geen koelte of verfrissing binnen kan komen.
  4. Het is onmogelijkheid de gruwelijke straf van Christus’ vijanden te bevatten. Want nadat zij in de vurige oven zijn geworpen, wordt hier over hen gezegd dat ze als brandstof zijn om te lijden wat het inhoudt dat God in toorn is ontstoken als een verterend vuur, dat hen verslindt en in Zijn onbegrijpelijke toorn verteert.
  5. Nadat de vergelding des Heeren is gekomen op de vijanden van Christus’ Koninkrijk, zal Zijn vloek volgen op het werk van hun handen en op datgene waardoor zij zich in hun leven ook maar gelukkig zochten te maken. En Zijn vergelding zal volgen op hun nageslacht, totdat Hij hun nagedachtenis heeft uitgeroeid onder de mensen: hun vrucht zal Hij van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.

12. Want sy hebben quaet tegen u aengeleyt; sy hebben een schendelicke daet bedacht, [doch] sullen niets vermogen.

Om de rechtvaardigheid des Heeren te tonen geeft hij er een reden van door het plan dat de vijanden hebben om Gods gezalfde en zijn zaad uit te roeien, vers 12. Leer hieruit:

  1. De kwaadaardige vijanden van Christus’ Koninkrijk (behalve al de hatelijkheid die ze hebben getoond en kwaad dat ze hebben gedaan) zijn er nog steeds op uit om Christus’ Koninkrijk en werk omver te werpen: zij hebben kwaad tegen U bedoeld. Het kan zijn dat de vijanden van Christus menen alleen hen tegen te staan als die menselijke belangen bemoeilijken, en niet als kinderen van God, toch wordt het zo bevonden dat wat zij tegen hen doen, zij dit tegen de Heere doen, omdat zij het doen tegen Zijn kinderen en onderdanen, vanwege Zijn zaak en dienst.
  2. Wat de goddelozen ook tegen Christus en Zijn kerk wensen te beramen, ze zullen niet in staat zijn hun bedoeling of begeerte te bereiken: zij hebben een schandelijke daad bedacht, maar zullen niet in staat zijn die uit te voeren.
  3. Het kwaad dat de goddelozen wilden doen en waar zij zich voor hebben ingezet, zal een spotlied over hen worden en de reden van hun doem en ondergang, net zoals het kwaad dat zij hebben gedaan, als ze geen berouw hebben. Want zij hebben aangelegd wordt hier aangeduid als reden voor hun veroordeling.

13. Want ghy sultse setten tot een wit, met uwe pezen sult ghy op haer aengesicht toeleggen.

Hij maakt hun spotlied en oordeel nog meer duidelijk, vers 13, en onderwijst ons:

  1. Dat de Heere Zijn vijanden vaak toelaat zich in openlijke tegenstand te manifesteren, voordat Hij op hen aanvalt. Want hier worden zij bevonden in de gestalte van achtervolgers en tegenstanders van God, die hun gezichten tegen Hem stellen wanneer Hij komt om het oordeel over hen te voltrekken: U zult hen zetten tot een doelwit [Engels: Gij zorgt ervoor dat zij zich omkeren].
  2. Wanneer God op Zijn vijanden aanvalt om aan hen gewroken te worden, doet Hij hen en de toeschouwers gewoonlijk zien dat Hij hen heeft opgesteld als een doelwit om op te schieten, want Hij zal Zijn pijlen toeleggen, de een na de ander, op hun aangezicht.
  3. Des Heeren toorn zal Zijn vijanden zó radicaal tegenstaan, waar zij zich ook keren, dat ze gedwongen zullen zijn om hun achtervolging van de kerk op te geven: U zult ervoor zorgen dat zij zich omkeren.

14. Verhoogt u, HEERE, in uwe sterckte; so sullen wy singen, ende uwe macht met Psalmen love.

Hij sluit de Psalm af door eer aan God te geven, waarbij hij ook een gebed voegt. Leer hieruit:

  1. Wanneer des Heeren kerk tegen vervolgers wordt beschermd, dan wordt de Heere verhoogd: Verhoog U, zegt hij.
  2. Wanneer de kerk verlost wordt, is het niet door haar eigen kracht, maar door de kracht des Heeren: Verhoog U in Uw eigen sterkte.
  3. Al worden de godvrezenden voor een tijd tot treuren gebracht, toch, wanneer de Heere voor hen verschijnt, ontvangen zij voor zichzelf stof tot vreugde en prijzen zij God: zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën