Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
Psalm 22
1) 1. EEn Psalm Davids, voor den Opper-sang-meester, op Aijeleth hasschachar.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
Deze Psalm is een profetie van het diepste lijden van Christus, waarvan Davids beproeving een type is. De strijd van de geest in Christus en de worsteling van Davids geloof als een type, wordt beschreven tot vers 23, en de overwinning en de uitkomst tot het einde van de Psalm.
In de beproeving zijn drie conflicten tussen gevoel en geloof:
- het eerste conflict, waarin het gevoel van ellende wordt beschreven, vers 2,3, en de worsteling van het geloof daartegenin, vers 4—6;
- het tweede conflict, waarin de tweede aanval is van het gevoel, vers 7—9, en de worsteling van het geloof daartegenin, vers 10—12;
- het derde conflict, waarin de derde aanval is van het gevoel, vers 13—19, en de worsteling van het geloof daartegenin, vers 20—22.
Dan volgt de overwinning, beschreven:
- eerst in een belofte van lofprijzing, vers 23;
- ten tweede in een aansporing aan al de godvrezenden om de Heere te prijzen, met een reden genomen uit Zijn ervaring, vers 24, 25;
- ten derde in een vernieuwde belofte van lof en dank tot opbouw van de kerk, vers 26;
- ten vierde in een profetie van de toename van Gods glorie op de aarde, als vrucht van het lijden en de overwinning van Christus, vers 27—32.
2. Mijn Godt, mijn Godt, waerom hebt ghy my verlaten? verre zijnde van mijner verlossinge, [van] de woorden mijns brullens?
3. Mijn Godt, ick roepe des daegs, maer ghy en antwoordt niet; ende des nachts, ende ick en hebbe geene stilte.
In deze beproeving van David als type, en van Christus hier afgebeeld, stemmen Beiden in deze vier dingen overeen:
- Beiden zijn onder een gevoel van toorn en van verdrukkende moeite;
- Beiden worden verzocht tot twijfel en wanhoop;
- Beiden worstelen tegen de verzoeking en tegen de moeite die er de aanleiding toe is;
- Beiden behalen de overwinning.
Maar zij verschillen in deze vier dingen:
- Ten eerste in de maat van de moeite: Davids moeite was klein in vergelijking met Christus’ moeite. David legde zijn leven niet af onder de moeite, maar Christus’ moeite was onvergelijkelijk veel meer en Zijn ziel was beangst tot de dood en de moeite nam Zijn leven van Hem.
- Ten tweede in de manier van moeite verschilden zij. Want Davids moeite was alleen een beproevende oefening zonder straffende toorn; geen vloek, maar een kruis om hem te testen en om hem te trainen te geloven tegen gevoel in. Deze moeite van hem betaalde geen schuld, niet van hemzelf en niet van iemand anders. Maar Christus’ moeite was een straffende en wrekende straf, want echte toorn ging tegen Hem uit, toen Hij onze zonden droeg, en de bittere vloek van de wet werd op Hem geworpen. Want Hij werd voor ons een vervloeking gemaakt; en Zijn straf betaalde onze schuld en was verzoenend en aan de gerechtigheid voldoening gevend.
- Ten derde, al is het dat zowel David als Christus verzocht werden tot twijfel en wanhoop, toch kon Davids verzoeking niet zondeloos zijn vanwege zijn zondige onvolkomenheid, gemeenschappelijk aan hem en al de andere godvrezenden. De verzoeking kreeg enig vat op hem vanwege de onvolkomenheid van zijn kennis, geloof, liefde en bekwaamheden; en vanwege de kracht van het lichaam van de oorspronkelijke zonde in hem. Maar Christus’ passieve verzoeking was helemaal zondeloos en kon wat Hem betreft geen enkele zonde hebben. Want al werd Hij in alle dingen verzocht net als wij, toch wordt er gezegd: zonder zonde. Want toen de vorst van deze wereld, satan, kwam en Hem aangreep, vond hij niets van zichzelf in Christus. Hij had niets in Hem om vat op te krijgen. En het was onmogelijk dat er in Hem zonde kon zijn, omdat Hij de Heilige van Israël was, onze Heiligmaker, de heilige Heere, almachtige God en ook mens, in één Persoon, Jesaja 6 vers 3; Johannes 12 vers 41.
- Ten vierde verschillen zij in hun worsteling en overwinning. Want David worstelde niet in zijn eigen kracht, behaalde de overwinning niet in zijn eigen kracht, maar in en door Christus’ kracht, Die aan David slechts de smaak gaf, of eigenlijk de reuk, van de beker die Hij tot op de droesem moest drinken, ja, mét de droesem; en Die hem hielp in geloof te worstelen. Maar Christus worstelde en behaalde de overwinning in Zijn eigen kracht, die één is met de kracht van de Vader, want Hij is Jehovah onze Gerechtigheid.
In heel de Psalm zullen we elk onderdeel bezien, niet zozeer zoals het David, het type, aangaat, als wel zoals het Christus, de Waarheid, aangaat. Leer van het eerste conflict tussen het gevoel van ellende en het geloof, uit de woorden zoals zij Christus’ woorden zijn:
- God is de God van Christus: als God en mens beschouwd in één Persoon trad Hij als Middelaar en Borg voor de mensen met de Vader in een verbond van verlossing met als doel dat Hij aan de gerechtigheid genoeg zal doen en dat Hij de hele wil van de Vader zal doen ten behoeve van de uitverkorenen, en dat God Zijn God zal zijn en de God van al de door Hem uitverkoren verlosten. Daarom zegt Hij hier: Mijn God, Mijn God.
- Geloof, zoals het een deugd is en volkomen vertrouwen geeft aan Gods beloften, gemaakt aan Zijn Zoon de Verlosser, is een onderdeel van die oorspronkelijke heiligheid in de mens Christus, en een punt van Zijn persoonlijke volmaaktheid, geschikt voor Zijn werk. Dit geloof belijdt Hij wanneer Hij zegt: Mijn God, Mijn God.
- Christus was als mens liggend onder de vloek der wet voor ons, werkelijk voor een tijd verlaten en in de steek gelaten wat betreft alle gevoelige vertroosting. Want het paste Hem werkelijk de toorn te dragen, of de gevolgen van de toorn, die onze zonden verdienden, zover als het voor ons genoeg zou doen en ons van de toorn zou verlossen. Het is waar dat de mens Christus niet méér verlaten kon zijn wat betreft de Goddelijke aanwezigheid om Hem te ondersteunen, dan de personele eenheid van de twee naturen ongedaan gemaakt kon worden. Maar wat betreft de gevoelige vertroosting was Hij als mens, op de manier van straf voor onze zonden en op de manier van onze zonden vervloekend in Hem, werkelijk in onze plaats voor een tijd beroofd van het gevoel van de troost van Zijn eigen Godheid. Het gevoel van de toorn vulde nu de ziel van deze Mens tot de rand, en liep eroverheen. Daarom spreekt Hij over Zijn verlaten-zijn: waarom hebt U Mij verlaten?
- Zoals gevoel en rede zich kunnen uiten in schijnbaar tegenstrijdige termen en toch zonder tegenstrijdigheid kunnen overeenkomen in hun schijnbaar tegengestelde en strijdende uitdrukkingen, zo kunnen geloof en gevoel zich in schijnbaar tegenstrijdige termen uiten en toch heel goed overeenkomen. Want zoals gevoel en pijn en ziekte in een patiënt in hun eigen taal en stijl van natuurlijk gevoel kunnen zeggen tegen de chirurg die het vlees snijdt en openlegt en tegen de dokter die hem een bitter drankje heeft gegeven: “U hebt mij verwond, u hebt mij ziek gemaakt”; terwijl de stijl van rede en verstand zegt: hij heeft die mens geheeld en hem van ziekte genezen; zo kan het gevoel van verdriet, smart, pijn en verdrukking, verlating en toorn in de termen van het natuurlijke gevoel zeggen, wat het geloof schijnt tegen te spreken, al doet het dit niet in werkelijkheid, dat spreekt in termen en taal van bovennatuurlijke theologische waarheid. Daarom kunnen de woorden Mijn God, Mijn God, gesproken in de volmaaktheid van de taal van het geloof, heel goed overeenstemmen met Waarom hebt U Mij verlaten? Waarom bent U zo ver van Mijn hulp en van de woorden van Mijn kermen? die hier gesproken worden in de taal van het volkomen natuurlijke gevoel. Want volmaakt geloof en volmaakt natuurlijk gevoel waren in onze Heere Christus: waarlijk God en waarlijk mens, volmaakt heilig.
- Bitter was de drinkbeker van Goddelijke toorn die Christus dronk; hoog was de prijs die onze Verlosser betaalde om ons los te kopen, toen het gevoel hiervan zulke uitdrukkingen tevoorschijn perste uit Zijne Majesteit. Zo kunnen geloof en gevoel beide, ieder hun eigen taal spreken tot God in één adem, zoals zij hier doen.
Leer nu, zoals dit Davids woorden zijn, die in zich een zondige verdorvenheid van natuur had:
- Gevoel en verzoeking en een verdorven natuur kunnen God in Zijn omgang met Zijn eigen kinderen voorstellen alsof Hij hen totaal had verlaten en geen rekening hield met hun harde omstandigheid, zoals zich hier in Davids ervaring vertoont.
- Geloof moet gevoel corrigeren, verzoekingen afweren en emoties intomen; en het moet niet toelaten dat hun woorden uitgaan en uiting geven aan het gevoel of de schijn van twijfel aan Gods gunst, totdat geloof eerst spreekt en voorop gaat en zijn grip op het verbond bevestigt; zoals geloof hier voorop gaat en de Heere noemt Mijn God, mijn God, voordat gevoel een woord uit.
- Op dezelfde tijd en in dezelfde situatie kunnen deze drie zaken aanwezig zijn:
- verlating wat betreft troost;
- groeiende moeite zonder zichtbare hulp;
- en schijnbare verwerping van het gebed.
En wanneer deze drie samenkomen, maken ze het heel pijnlijk voor een kind van God om te geloven. Want voortdurend in moeite zijn is een pijnlijke verzoeking, ook al is er zo nu en dan vertroosting onder gemengd. Het ontbreken van gevoelige vertroosting, terwijl er wel moeite is, verdubbelt de last en verontrust het gemoed zeer. Maar als gebed om hulp of vertroosting verloren moeite schijnt te zijn, is dat het zwaarste deel van de beproeving: ik roep dag en nacht en U hoort niet, is een verdrietige omstandigheid..
- In dit geval is het ‘t beste geneesmiddel om onze ergste gedachten eenvoudig voor de Heere neer te leggen en Hem te vertellen al wat ons wordt ingefluisterd, en om geen helpers van de satan te zijn, maar om ons volledig aan God te openbaren en ons op het verbond der genade te richten, waarin we ons aan Hem hebben verbonden, ja, en onze grip op mijn God te verdubbelen en te verdrievoudigen.
4. Doch ghy zijt heylich, woonende [onder] de lofsangen Israëls.
5. Op u hebben onse vaders vertrouwt; Sy hebben vertrouwt, ende ghy hebtse uytgeholpen.
6. Tot u hebben sy geroepen, ende zijn uytgereddet; op u hebben sy vertrouwt, ende en zijn niet beschaemt geworden.
Nadat zowel het geloof als het gevoel hebben gesproken en de verzoeking hebben overmeesterd, spreekt het alleen, zodat het zal overwinnen. Leer hieruit:
- Al waren verzoekingen nog zo donker, geloof zal niet luisteren naar een kwaad woord over God gesproken, maar zal God altijd rechtvaardig verklaren. Het moet in een tijd van de grootste verbijstering ons werk zijn te zeggen: Maar U bent heilig.
- Het is voor een ziel in een moeilijke beproeving wijs om partij te kiezen voor geloof, om argumenten te verzamelen om het te sterken, om de geest af te leiden van het steeds denken aan zijn ellende, en om zich te zetten tot de overdenking van Gods volmaaktheden in Zichzelf en voor ons in Zijn Evangelie, en van de wegen van Zijn voorzienigheid voor Zijn volk, waardoor Hij de gedurige lofprijzingen van hun hand heeft verdiend. God heeft besloten Zich in het recht op deze lofprijzing en het bezit ervan te houden, en daarin te wonen als in een woning waarin Hij graag verblijft. O U, Die woont onder de lofzangen van Israël.
- Het is wijs om te letten op het gedrag van de godvrezenden in vorige tijden: onze vaderen hebben op U vertrouwd. Te letten op hun vertrouwen, op hun gedurig vertrouwen op God in hun ellende: zij vertrouwden op U; zij vertrouwden; en de derde keer: zij vertrouwden. En om te letten op hun geduldig rusten op God, terwijl zij hun ijver om Hem aan te roepen verdubbelden, naar dat de benauwdheden toenamen: zij riepen, zij vertrouwden. En om te bedenken dat zij God nooit tevergeefs zochten, maar dat een ieder van hen werd gered en niet werd beschaamd. Want deze aanwijzing wordt ons in dit voorbeeld voorgehouden, die onze Heere Jezus goed kon gebruiken tot onze vertroosting; en waarvan David gebruik maakte tot zijn eigen aanmoediging.
7. Maer ick ben een worm, ende geen man; een smaet van menschen, ende veracht van den volcke.
8. Alle die my sien, bespotten my; sy steken de lippe uyt, sy schudden den kop; [seggende:]
9. Hy heeft [het] op den HEERE gewentelt, dat hy hem [nu] uythelpe, dat hy hem redde, dewijle hy lust aen hem heeft.
Het tweede conflict, waarin het gevoel van ellende wordt beschreven als een nieuwe aanval op het geloof. Leer hieruit:
- Nooit was enig kind van God vóór Christus onder zoveel ellende als Christus Zelf was: Zijn eigen hemel, Zijn eigen Vader, Zijn eigen Godheid verborgen hun gezicht en vertroosting voor Hem, nu Hij onze zonden gewillig op Zich had genomen en nu Gods toorn het gewicht van de straf, met de volle kracht van gerechtigheid, zowel op Zijn ziel als op Zijn lichaam drukte. Zij voor wie Hij stierf, verachtten Hem, nu Hij Zelf werd ontledigd van alles wat een mens gerespecteerd maakt voor de wereld, en Hij lager werd neergedrukt dan ooit iemand, als een worm om vertrapt te worden, nu werd Hij het voorwerp van praatjes en spotternij in ieders mond; als van generlei waarde geacht door de minderwaardigsten van het volk, belachelijk gemaakt en bespot om Zijn heiligste gedrag; Zijn lijden werd tot tijdverdrijf gemaakt en men lachte erom; boosaardigheid voedde zich met genoegen, met Zijn pijn en ellende; en uitte zich met de gemeenste tekenen van afkeuring die minachting maar kon bedenken om Hem te beledigen door te spotten met Zijn reddende leer en met de geloofwaardige getuigenis die ervan was gegeven. Hem smadend alsof Hij nooit Gods Zoon was geweest en ook geen eerlijk mens. En dit allemaal werd weinig genoeg geacht om Gods gerechtigheid te voldoen, terwijl zij als de terechte straf op onze zonden van Hem eiste, wat verder maar wordt verondersteld in de droeve uitdrukking beschreven in het tekstgedeelte.
- Des te meer Gods kinderen onder ellende zijn en des te meer de verzoeking hun ellende zwaarder schijnt te maken, zodat hun vertrouwen op God afneemt, des te meer moeten zij – naarmate de ellende schijnt te groeien en de wereld haar rug schijnt te keren naar Gods kinderen in hun beproevingen – tot God vluchten en hun zaak voor Hem uiteenzetten, zoals ons hier door dit voorbeeld wordt geleerd.
- Laat niemand er zich over verwonderen om door mensen veracht en bespot te worden voor de godsdienst. Want zo gebeurde de man naar Gods eigen hart én, meer dan iemand anders, Christus onze Heere in Zijn droevig lijden: laat God Hem redden, omdat Hij lust aan Hem heeft!, zeiden Zijn vijanden.
10. Ghy zijt het immers, die my uyt den buyck hebt uytgetogen; die my hebt doen vertrouwen, zijnde aen mijner moeder borsten.
11. Op u ben ick geworpen van de baermoeder af; van den buyck mijner moeder aen zijt ghij mijn Godt.
12. So weest niet verre van my, want benaeuwtheyt is nae by; want daer en is geen helper.
Hier stelt het geloof zich tegenover wat de klacht ook maar kon voortbrengen om het vertrouwen te ondermijnen, en het spant zich in om zich te sterken door allerlei argumenten. Leer hieruit:
- Zoals satan aanval op aanval lanceert op het geloof, door nieuwe voorbeelden van ramp en ellende, zo moeten wij bolwerk op bolwerk opwerpen ter verdediging. En nadat we de ervaringen van anderen hebben gezien die vóór ons leefden, moeten we onze eigen ervaringen van Gods zorg voor ons opsommen, en moeten we tot onze versterking gebruik maken van alles wat de Heere voor ons heeft gedaan. Want zo leert dit voorbeeld ons.
- Al is het ook dat mensen in een opwelling van ongeloof geen bewijs van Gods zorg voor hen willen accepteren, behalve buitengewoonheden, en al is het dat zij ook de bijzondere genade wanneer die aan hen is gegeven, willen betwijfelen, dan is de ootmoedige gelovige toch zó wijs dat hij van de meest gewone weldaad die een mens van God heeft ontvangen, gebruik maakt tot bevestiging van zijn eigen geloof: zelfs het gewone werk van onze ontvangenis, lichaamsgroei, geboorte en onderwijzing kan voldoende zijn om ons te trekken tot God Die ons maakte en zo veel voor ons heeft gedaan (nog voordat we Hem konden aanroepen of voor onszelf iets konden doen), dat het ons kan bemoedigen om tot Hem te komen en Zijn gunst te zoeken, wát voor tegenwerping er ook tegenin gebracht kan worden. Want dit voorbeeld leert ons zo te doen.
- Omdat de Heere veel dingen voor ons doet, die we niet opmerken ten tijde wanneer Hij ze voor ons doet, daarom is het onze plicht om er later op terug te zien, zodat ze ons stof leveren tot lof van God en geloof in Hem. Want zo leert dit voorbeeld ons.
- Van welke instrumenten en middelen de Heere ook gebruik maakt, het geestelijke oog dringt daardoor heen en ziet op God als de Bewerker van alle dingen, voor en in hen, vanaf de wieg: Gij hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald.
- Kinderen die in het verbond geboren zijn, hebben vanaf hun geboorte God tot hun God; en zij mogen dit ook als zodanig beschouwen. En wanneer zij maar tot God willen naderen om van het verbond gebruik te maken, mogen ze zeggen: van de buik van mijn moeder aan bent U mijn God.
- Het naderen van moeite en de nabijheid van gevaar zouden ons dichter bij God moeten brengen, Die in een ogenblik Zichzelf tussen ons en het kwaad kan plaatsen. En des te minder hulp we behalve de Heere Zelf hebben, des te meer hoop mogen we hebben door God geholpen te worden. Daarop pleit de profeet: Wees niet ver van mij, want benauwdheid is nabij, enz.
13. Vele varren hebben my omcingelt; stercke [stieren] van Basan hebben my omringt.
14. Sy hebben haren mont tegen my opgesperret; [als] een verscheurende ende brullende leeuw.
Van vers 13 tot en met 23 zien we het derde conflict tussen verstand en geloof, bij de beschouwing van de menigte, de macht en de wreedheid van zijn vijanden, vergeleken met zijn eigen zwakte, nu hem alle kracht ontnomen is om hen te weerstaan; en deze twee aspecten zijn met elkaar verweven. Eerst wordt de verschrikkelijkheid van de vijand beschreven, vervolgens afwisselend zijn leegte en zwakte tot vers 20; tegen dit alles verzet het geloof zich door gebed tot God tot vers 23. Hij vergelijkt zijn vervolgers in vers 13 en 14 met stieren, vele stieren, sterke, wrede, gapende, brullende, verslindende leeuwen. Leer hieruit:
De vervolgers van Christus en Zijn volk zijn slechts beestachtige, zinnelijke wezens, verkocht aan deze wereld, en verstoken van genade en ootmoed; in hun woede meer gelijkend op wilde beesten dan op verstandige mensen. Het zijn doorgaans ook rijke en machtige mannen, goed gevoede en vette stieren, en talrijk, allemaal tot kwaad in staat en zo wreed dat niets minder hen tevreden zal stellen dan bloedvergieten en slachting, zoals ze hier beschreven worden. En het is geen wonder dat Christus’ dienaren dit in hun situatie ook zo zullen ervaren, aangezien Christus Zelf en Zijn dienaren vóór ons ervaring hebben met zulke vijanden.
15. Ick ben uytgestort als water, ende alle mijne beenderen hebben sich van een gescheyden; mijn herte is als was, ’t is gesmolten in’t midden mijns ingewants.
16. Mijne kracht is verdroogt als een pot-scherf, ende mijne tonge kleeft aen mijn gehemelte; ende ghy legt my in het stof des doots.
Wat de Heere werkte op Zijn lichaam en natuurlijke geest en kracht, wordt hier beschreven. Leer hieruit:
- Door God was bepaald dat, mét de uitwendige vervolging van Christus door Zijn wrede tegenstanders, ook de Vader Hem zou verbrijzelen en inwendig verbreken en Hem met alle gestrengheid zou straffen. Want hier is Zijn lijden in lichaam en gemoed, in vlees en beenderen, in Zijn natuurlijke geest en natuurlijke moed, in het hart en heel de kracht, zodat Hij in niets ongestraft zou zijn, waarin wij als zondaren besmet worden bevonden; met de bedoeling dat, terwijl Hij volledig ontledigd zou zijn, de losprijs volkomen zou zijn: Hij is uitgestort als water, en leeg gemaakt van alles wat de geschapen menselijke natuur kon verschaffen.
- De verschrikking van de Goddelijke gerechtigheid en toorn maakten in zekere zin al de beenderen van Zijn lichaam los van elkaar, zodat voor de angstaanjagende wreker van de zonde de natuurlijke moed het begaf: Zijn hart was zacht gemaakt als was, om de indruk van de Goddelijke verschrikking te ontvangen en te bewaren totdat gerechtigheid tevreden zou zijn; en het was als was gesmolten, wat betreft het besluit om haar te weerstaan.
- Het is gesmolten in het midden van Zijn ingewand. Zijn natuurlijke kracht is verdroogd, verschroeid als een potscherf, in het vuur gebakken. Zijn mond werd helemaal gestopt om Zich te verdedigen of te verontschuldigen, want Hij was tevreden om voor schuldig gehouden te worden, omdat Hij in onze plaats stond: daarom kleefde Zijn tong aan Zijn gehemelte.
- En in één woord: de hand van God eist de volle prijs van Hem en brengt Hem zo naar beneden dat niet één deeltje van Hem vrij is van straf: U, zegt Hij, hebt Mij gelegd in het stof des doods. Hiervan had David in zijn diepste moeite alleen maar de smaak. De werkelijkheid en het gewicht hiervan worden alleen in Christus gevonden, over Wie het geprofeteerd was dat het zou komen en inderdaad is gekomen, gedaan en volbracht; en zo hoorde het ook.
17. Want honden hebben my omcingelt, eene vergaderinge der boosdoenders heeft my omgeven; sy hebben mijne handen ende mijne voeten doorgraven.
Opnieuw stelt hij het aandeel van zijn vijanden aan de orde om ons te tonen dat de vijanden van Christus niet anders waren dan bloeddorstige honden, wanneer ze op Hem zouden worden losgelaten. Niets kon hen tevreden stellen dan Kruisig Hem, kruisig Hem. En zo zullen zij die Zijn kerk vervolgen, steeds zijn.
In de tweede plaats om te tonen dat – hoewel Zijn vijanden, wat betreft hun openbare belijdenis leden van de vergadering van de zichtbare kerk waren – zij toch, door Zijn genade te verwerpen en Hem in Gods aangezicht en waardering tegen te staan, gehouden werden voor de vergadering van de goddelozen.
Ten derde om de dood van het kruis aan te kondigen als bestemd voor Christus, wordt er gezegd: zij doorboorden Mijn handen en Mijn voeten.
18. Alle mijne beenderen soud’ ick konnen tellen; sy schouwen’t aen, sy sien op my.
19. Sy deylen mijne kleederen onder hen, ende werpen het lot over mijn gewaet.
Een ander en nader punt van het tevoren geprofeteerde lijden van Christus is Zijn naaktheid aan het kruis en de tentoonstelling van Zijn magere lichaam, dat door de vastgestelde moeiten vermagerd was; en dat Zijn vijanden naar Hem staarden, terwijl Hij aan het kruis hing; en de verdeling van Zijn kleding onder de soldaten; en het werpen van het lot over Zijn opperkleed, omdat het geweven was en niet verdeeld kon worden. Leer hieruit:
- Alles wat onze Heere Jezus leed, was tevoren bepaald en was door de Vader en de Zoon overeengekomen en was door Christus Zelf voorspeld lang vóór Zijn vleeswording, want Hij sprak door Zijn Geest door de profeten, zoals hier blijkt uit de beschrijving van de dood en het lijden van onze Heere, zo duidelijk en gedetailleerd alsof het een geschiedenis was en niet een profetie.
- Behalve lichamelijke pijn, magerheid van vlees, met dagelijkse smart en moeite van geest, is ook de minste smaad, onze Heere aangedaan, het minste ongelijk, een blik op Hem, het minste onrecht wat betreft Zijn kleding, allemaal in Zijn lijden begrepen, allemaal opgeteld in de prijs van verlossing, zodat er niets zou ontbreken in de straf van onze Borg, waardoor Gods gerechtigheid zou worden voldaan of ons geweten zou worden gerustgesteld, tot verzoening van onze zonde, door Zijn lijden in lichaam, ziel, eer, uiterlijk en elk ander ding, waarin gerechtigheid de schuldige zou kunnen aangrijpen.
20. Maer ghy, HEERE, en weest niet verre; mijne sterckte, haest u tot mijner hulpe.
Tegenover deze laatste aanval stelt het geloof gebed, om Goddelijke bijstand, om kracht om vol te houden, en om verlossing. In al deze dingen werd Hij verhoord. Leer hieruit:
- Geloof overwint alle aanvallen door zijn aanvechtingen open te leggen voor God en gebed op te zenden tot Hem om hulp, zoals hier te zien is.
- Als God Zijn zoete aanwezigheid tot ondersteuning niet aan een ziel zal onttrekken, hoewel zij Zijn aanwezigheid niet ervaart tot haar troost, kan ondersteunende aanwezigheid voldoende zijn in een tijd van verdriet. Want dit stelde onze God tevreden in Zijn strijd: Wees niet ver van Mij, o HEERE.
- Het geloof ondervindt God als zijn Kracht wanneer de gelovige leeg is gemaakt van zijn eigen kracht. O, mijn Sterkte, zegt David, het type, en Christus als mens, door hem afgebeeld.
- Als de haast van onze nood het vereist, mogen we zonder beperkingen de Heere vragen Zich te haasten: haast U om mij te helpen.
21. Reddet mijne ziele van den sweerde; mijne eensame van het gewelt des honts.
22. Verlost my uyt des leeuwen muyl; ende verhoort my van de hoornen der eenhoornen.
Hij bidt om bevrijd te worden van de gewelddadige bloedvergieter en bloeddorstige hardnekkige achtervolger en van de wrede leeuw-achtige verdrukker. En dan zegt hij op dit moment dat hij is verhoord en bevrijd van de macht van de vijanden die op hem aanhielden als oerossen. Nu wat David betreft is de zaak duidelijk, want hij werd zo van zijn vijanden bevrijd dat zij zijn leven niet kregen. Maar met betrekking tot Christus kan de vraag zijn hoe Hij werd bevrijd, aangezien Zijn leven werd weggenomen. Tot antwoord dient dat Christus hier zegt dat Hij bevrijd werd. En zo was het inderdaad. Want toen Hij de prijs had betaald, werd Hij niet vastgehouden door de banden van de dood en het graf, maar verrees Hij weer op de derde dag. Leer hieruit:
- Christus werd door Zijn opstanding na de dood niet minder werkelijk bevrijd van honden, leeuwen, oerossen, Zijn achtervolgende vijanden, dan wanneer Hij uit hun handen verlost zou zijn toen zij kwamen om Hem in de hof te arresteren. Ja, deze bevrijding uit het graf was een veel grotere bevrijding dan wanneer Hij helemaal nooit gedood zou zijn geweest. Want dan had Hij alleen Zichzelf bevrijd en ons niet, maar nu heeft Hij door Zijn leven af te leggen Zichzelf gekweten van Zijn borgtocht voor ons en heeft Hij mét Zichzelf ook ons bevrijd; en zo heeft Hij zowel Zichzelf als ons verlost. Ja, door Zijn opstanding uit het graf is Hij krachtiger bewezen de Zoon van God te zijn dan door enige van Zijn wonderbaarlijke ontsnappingen uit de handen van de menigte wanneer zij op het punt stonden om Hem te grijpen: U hebt Mij verhoord, dat is: Mij bevrijd.
- Een overwinning behalen over moeite is geen kleinere bevrijding van moeite dan ervoor bewaard te worden om in moeite te geraken, ja, het is een heerlijker bevrijding. Want moeiten breken stuk door op de gelovige te vallen, zoals golven van de zee op een rots; en de gelovige blijft overwinnaar en gegrond als een rots.
- Het is een opmerkelijk argument van vertrouwen verhoord te zullen worden tot bevrijding, wanneer iemand kan zeggen dat hij in uiterst gevaar heeft gebeden en als smekeling werd verhoord: verlos mij, want U hebt mij verhoord van de hoornen van de oerossen.
23. So sal ick uwen Naem mijnen broederen vertellen; in’t midden der gemeynte sal ick u prijsen.
Na het conflict worden, tot het einde van de Psalm, bij wijze van dankzegging, de overwinning en de uitkomst beschreven, waarbij het aandeel van David maar een kleine afschaduwing is, die hier verzwolgen wordt in de glorie van Christus, die in de vruchten van Zijn lijden en opstanding straalt. Leer uit het aandeel van David dat een bevrijding die door het geloof tevoren gezien wordt, op de een of andere manier effect bewerkt alsof de bevrijding al verleden tijd is, namelijk rust, vrede, vreugde en dankzegging, zoals hier te zien is. Leer van het aandeel van Christus waarin de vruchten van Zijn dood en opstanding worden beloofd en geprofeteerd:
- Al is Christus de almachtige God, toch schaamt Hij Zich niet om vanwege Zijn vleeswording en omwille van de verlosten, hen broeders te noemen.
- De prediking van het evangelie van Christus’ genoegdoening voor onze zonden door Zijn dood en van Zijn opstanding tot onze rechtvaardiging is een zaak van grote lof voor God en troost voor de verlosten: Ik zal Uw Naam, zegt Christus, aan Mijn broeders vertellen.
- In de rechte prediking van het evangelie zijn de dienaren in wezen maar de stem van Christus. Christus Zelf is de eigenlijke Profeet en Prediker: want Ik, zegt Hij, zal Uw Naam in het midden van de grote gemeente verkondigen; namelijk van de hele wereldwijde kerk op aarde.
24. Ghy die den HEERE vreeset, prijset hem, al ghy zaet Iacobs, vereert hem; ende ontsiet u voor hem, al ghy zaet Israëls.
25. Want hy heeft niet veracht, nochte verfoeyt de verdruckinge des verdruckten, noch sijn aengesicht voor hem verborgen; maer hy heeft gehoort, als die tot hem riep.
Hij spoort allen die God vrezen, aan om God te prijzen en te eren vanwege de overwinning van Christus; en omdat God naar Zijn voorbede luistert die Hij voor de verlosten doet. Leer hieruit:
- Vooral zij die deelgenoot zijn gemaakt van de weldaad van het lijden en de opstanding van Christus, worden opgeroepen en zijn verplicht om God te prijzen voor hun verlossing en om God meer en meer te vrezen, zodat zij meer en meer geschikt zijn om Hem te prijzen en te eren. Want alleen van een geheiligde mond zal God lof aanvaarden. U die de HEERE vreest, prijs Hem; al het zaad van Jakob, vereer Hem; en ontzie u voor Hem, al het zaad van Israël!
- Dat de Vader Christus’ voorbede verhoorde en dat Hij Hem van onze zonde verloste en van onze verdiende straf op Hem gelegd, is het algemene nut voor al de verlosten, de inhoud van hun algemene dankzegging en lofprijzing, en de inhoud van hun zekerheid dat ze van zonde en dood verlost zijn. Van de zekerheid van deze verlossing is de verlossing van Christus Zelf zowel de oorzaak als de garantie: want Hij heeft Zijn aangezicht voor Hem niet verborgen; maar Hem gehoord, toen Hij riep.
- Zowel het gevoel van ‘s mensen eigen geringheid en verachtelijkheid, als de minachting die de wereld van hem heeft, zullen voor hem niet nadelig zijn wanneer hij aan de hand des Heeren een smekeling is, want Hij heeft de verdrukking van de verdrukte niet veracht en niet verfoeid.
26. Van u sal mijn lof zijn, in eene groote gemeynte; ick sal mijne geloften betalen in tegenwoordicheyt der gener die hem vreesen.
Hij vernieuwt de belofte van dankzegging, die – voor zover het David betreft – ons leert:
- Dat de bedoeling om God te prijzen geen lichtvaardige opwelling in het hart van Zijn kinderen is, wanneer de Heere hen de ervaring heeft gegeven van Zijn aandacht voor hen, maar een vastbesloten en stevig voornemen om de goedheid van God uit te stallen voor anderen. Want hier ontvangt Hij zijn belofte om te loven.
- De Heere, en de Heere alleen, is het thema dat de gelovige ter hand neemt op het punt van lof. Geen ander voorwerp van lof erkent hij: mijn lof zal zijn van U, enz.
- De gelegenheid van tijd, plaats en personen, ons geboden om God te prijzen, moet door iedereen worden waargenomen en gebruikt, in overeenstemming met hun roeping: mijn lof zal van U zijn in een grote gemeente.
- Plichten, in het bijzonder wanneer die op ons liggen door beloften of eden, moeten temeer worden behartigd en gewetensvol gehouden: ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid van degenen die Hem vrezen.
Voor zover dit Christus’ onderneming betreft leert het ons:
- Zoals de Zoon van God en beloofde Zoon van David, Christus Jezus, door al het werk van verlossing Zich er voor inspant om zaligheid te brengen aan Zijn uitverkorenen, zo ook om de Vader te eren, zeggende hier: Mijn lof zal van U zijn in een grote gemeente.
- Al is het waar dat onze Heere heel Zijn onderneming tot het betalen van de prijs en het losgeld der vrijkoping heeft volbracht, toch heeft Hij nog niet alles afgerond wat Hij ondernomen had om gebruik te maken van Zijn verworven zaligheid tot de vermeerdering van de heerlijkheid van Zijn Vader, en om al Zijn verlosten te vergaderen tot de grote gemeente om aanbidders in geest en waarheid te zijn van de Vader. Maar zoals Hij nog steeds van geslacht tot geslacht met dit werk bezig is, zo is Hij ook gewillig om nog steeds onder deze verplichting en deze eden te liggen, totdat Hij ze volkomen vervult: Ik zal Mijn geloften betalen in tegenwoordigheid van degenen die Hem vrezen.
27. De sachtmoedige sullen eten, ende versadicht worden, sy sullen den HEERE prijsen, die hem soecken; u lieder herte sal in eeuwicheyt leven.
Hij zinspeelt op de manier van het offeren van een vredeoffer, waarbij de godvrezende vrienden, verenigd in dankzegging, deelden in het feest van wat werd geofferd. Leer hieruit:
- De genade aan één van de godvrezenden bewezen dient om de zielen van de rest te verfrissen. En in het bijzonder is er door de verdienste van het offer van Christus een banket klaargemaakt voor de zielen van de verlosten, waarvan de verootmoedigde gelovige deelgenoot is gemaakt: de zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden.
- Al is het zo dat een gelovige niet altijd de zoetheid van dit feest smaakt, maar na een maaltijd te hebben ontvangen weer aan het werk wordt gezet, na een feest weer moet vechten, en weer honger krijgt naar een nieuwe maaltijd, en ervoor moet gaan bidden en de Heere moet zoeken in de weg der middelen, toch zal hij op zijn tijd weer eten en verzadigd worden. Want zij zullen de HEERE prijzen, die Hem zoeken betekent zoveel als: zij die Hem zoeken, zullen zoveel vinden dat zij zowel réden hebben om Hem te prijzen als ook om Hem metterdáád te prijzen.
- Wat voor veranderingen en wisselingen er in de omstandigheid van ootmoedige gelovigen ook zijn, toch mogen zij, wanneer zij meer en meer omgang en eenheid met God zoeken, van het eeuwige leven zeker zijn; behalve wat zij al als vooruitbetaling krijgen in dit leven. Want de Geest des Heeren heeft, terwijl Hij Zijn rede tot hen richt, gezegd: uw hart zal in eeuwigheid leven.
28. Alle eynden der aerde sullen’t gedencken, ende haer tot den HEERE bekeeren; ende alle geslachten der heydenen sullen voor u aengesichte aenbidden.
29. Want het Coninckrijcke is des HEEREN; ende hy heerscht onder de heydenen.
Nu volgen speciale profetieën over de uitbreiding van Christus’ Koninkrijk, waarin de profeet door de Geest der profetie spreekt en ons onderwijst:
- Dat de roeping van de volken na Christus’ opstanding een vast besluit was bij God, dat Hij lang voordat deze zou gebeuren, aankondigde. Maar hoewel het nu gebeurt, toch gebeurt het niet in zo’n grote mate als nog mag worden verwacht. Want om deze woorden nog duidelijker tot vervulling te zien komen, zal het gebeuren dat alle einden der aarde het zullen gedenken.
- Zo lang als mensen onbekeerd zijn, weten ze niet wat ze aan het doen zijn. Ze zijn als slapende of afgeleide mensen, die zelfs geen gebruik maken van de eerste beginselen van de waarheid, die bij het licht van de gezonde rede kunnen worden geleerd uit het observeren van de schepselen, aangaande de onzichtbare dingen van God. Maar wanneer het licht van Christus’ evangelie in hun hart schijnt, zorgt dit ervoor dat zij zullen gedenken, en zich tot de HEERE bekeren.
- Zij die bekeerd zijn, maken God het Voorwerp van hun aanbidding, omhelzen Zijn inzettingen en onderwerpen zich aan Zijn wetten en tucht. Want zij aanbidden voor Zijn aangezicht, zij worden onderdanen van Hem en dat door de krachtige onderwerping van hen aan Zichzelf: want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.
30. Alle vette op aerden sullen eten, ende aenbidden, alle die in’t stof nederdalen sullen voor sijn aengesichte nederbucken; ende die sijne ziele by’t leven niet en kan houden.
31. Het zaet sal hem dienen; ’t sal den Heere aengeschreven worden tot in geslachten.
32. Sy sullen aenkomen, ende sijne gerechticheyt verkondigen den volcke, dat geboren wort; om dat hy ’t gedaen heeft.
Een verdere verheldering van deze profetie van Christus’ Koninkrijk, vergroot onder de heidenen. Leer hieruit:
- Dat koningen, bestuurders en overheden geen reden zullen hebben om Christus’ Koninkrijk en Zijn regering over de naties te benijden. Want zovelen van hen als die Jezus Christus omhelzen, mogen niet alleen hun plaatsen, eer, rijkdommen en alle wettige voordelen, waarin hun weelde en wereldlijke welvaren schijnt te bestaan, behouden, maar zij zullen ook deelgenoten worden gemaakt van de lekkernijen van des Heeren huis, die hun zielen zo zullen verzadigen, dat zij Zijn evangelie als hun uitgelezen vermaak zullen rekenen en God zullen zegenen voor Zijn vertroostingen. Want het wordt aan al Christus’ ware onderdanen die in hoge plaatsen zijn, beloofd: alle vetten op aarde zullen eten en aanbidden.
- Zoals de hoogste wereldlijke positie niet beschadigd zal worden door gehoorzaamheid aan Christus, maar bevorderd tot nut van de ware gelovige, zo zullen gelovigen in de laagste positie waarin zij op aarde kunnen zijn, verademing vinden, troost en vergoeding voor al hun gebrek, in Jezus Christus, en zij zullen neervallen en hun rijke en milde Heere aanbidden: allen die in het stof neerdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbukken.
- Wie niet tot Christus zal komen om door Hem gered te worden, zal vergaan. En zij die tot Hem komen, zullen gedrongen worden te erkennen dat hun zaligheid van Hem is, want niemand kan zijn ziel bij het leven houden. Dit is het eigenlijke werk van de enige Zaligmaker Jezus.
- Al is het waar dat niet iedereen in elke natie en in elk koninkrijk tot Christus wordt bekeerd, toch zullen er zoveel mensen uit alle standen en uit alle naties bekeerd worden, dat het Christus’ macht en soevereiniteit om onderdanen voor Zich te overwinnen zoals het Hem behaagt, duidelijk zal maken, en wel zovelen dat het ervoor zal zorgen dat Zijn Koninkrijk zal voortbestaan en dat aanbidders van Hem van geslacht tot geslacht er zullen zijn: Want het zaad zal Hem dienen; het zal de HEERE aangeschreven worden tot in geslachten. Hij zal amper rekening houden met de rest die Hij niet bekeert.
- Al lijkt het dat er weinig te zien is van de vervulling van de profetieën en de beloften van de voortzetting van Christus’ Koninkrijk van eeuw tot eeuw, toch zal de belofte en de profetie vervuld worden: er zullen er komen die de leer van Christus’ gerechtigheid door het geloof in Hem aannemen en zij zullen deze gerechtigheid van het geloof verkondigen en Gods betrouwbaarheid in het houden van Zijn belofte, aan de volgende generatie, aan een volk dat geboren zal worden.
- Het hele werk van verlossing, het bekeren van zielen, het troosten van zielen, het bekendmaken van de leer van gerechtigheid en de openbaring van Gods glorie daardoor, zal van eeuw tot eeuw verklaard worden het werk van God Zelf te zijn, dat Hij doet door Zijn instrumenten en middelen: zij zullen het verkondigen aan hun kinderen en opvolgers, dat God dit heeft gedaan, namelijk als wat hier of elders in Zijn Woord besproken is: aan het volk dat geboren wordt, dat Hij dit gedaan heeft.
