Website van Ds. W. Pieters

Psalm 24

P

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. EEn Psalm Davids.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

Nadat de psalmist in de eerste plaats Gods heerschappij in de wereld heeft beschreven, om daardoor het bijzondere voorrecht van de ware kerk aan te prijzen, vers 1,2, beschrijft hij in de volgende plaats de ware burgers van dit geestelijke Koninkrijk, vers 3—6; en spoort in de derde plaats alle onderdelen, en in het bijzonder de zichtbare kerk, aan om het aanbod van een vollediger gemeenschap met God in Christus aan te nemen, zodat zij de geestelijke voorrechten mogen genieten van de onderdanen van het onzichtbare en geestelijke Koninkrijk, vers 7—10.

1. De aerde is des HEEREN, mitsgaders hare volheyt; de werelt, ende die daer in woonen.

2. Want hy heeftse gegrondt op de zeen, ende heeftse gevesticht op de rivieren.

Leer van de heerschappij en regeermacht van God over de hele wereld:

  1. De macht en het gezag van de Heere over de heiligen, beschouwd in hun natuurlijke omstandigheid, is niet minder dan over de rest van de wereld; en de Heere is niets méér verplicht aan de ene dan aan de andere, als Hij het besluit van Zijn eigen goedwilligheid en welbehagen terzijde zou leggen: de aarde is des HEEREN, en haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
  2. De aarde is net zo vol van de rijkdommen van Gods vrijgevigheid voor de mensen als ze maar kan vatten. En het blijvende wonder van het droge land dat verheven is tegen de natuur ervan (om niet boven te zijn, maar beneden) en dat veel hoger is dan het element van het water, is een blijvend bewijs van Gods macht en zorg om aan de mens een bewoonbare aarde te geven:want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren, door aan het element van het water bevel te geven om onder de aarde te gaan en als het ware haar fundament te zijn.

3. Wie sal klimmen op den berch des HEEREN? Ende wie sal staen in de plaetse sijner Heylicheyt?

4. Die reyn van handen, ende suyver van herten is, die sijne ziele niet op en heft tot ydelheyt, ende die niet bedriechlick en sweert.

5. Die sal den segen ontfangen van den HEERE, ende gerechticheyt van den Godt sijns heyls.

6. Dat is ’t geslachte der gener die nae hem vragen, die u aengesichte soecken, [dat] is Iacob, Sela!

In de tweede plaats komt hij tot het speciale terrein van God en Christus in de gemeente. En hij vraagt naar de kenmerken en voorrechten van de ware onderdanen van dit Koninkrijk. Leer hieruit:

  1. God heeft een gemeente uit de hele aarde uitgekozen om Zijn bijzondere volk te zijn, met wie Hij in gesprek kan zijn en aan wie Hij het voorrecht kan geven van omgang met Hem voor eeuwig. Hij heeft Zijn eigen heilige en hoge berg. Hij heeft Zijn eigen heilige plaats, namelijk: een heilige wereldwijde kerk, afgebeeld door de berg Sion, verheven boven de laaggelegen valleien. Hij heeft Zijn heilige tabernakel waar Hij de tekenen van Zijn aanwezigheid geeft, afgescheiden van de algemene massa en de aardse beslommeringen. Wie zal op de berg van de Heere klimmen, en wie zal in Zijn heilige plaats staan? Hij vergelijkt de onzichtbare kerk met een berg of heuvel, en de heilige plaats, omdat Gods ware kerk inderdaad wat betreft stevigheid, langdurigheid en waardigheid boven elk ander gezelschap en geestelijke uitnemendheid lijkt op een berg boven de vlakte, opgeheven boven de hele wereld, een heilige vereniging, waarin het God behaagt te wonen.
  2. Niet iedereen die lid is van de zichtbare kerk, maar alleen de ware bekeerden die de onzichtbare kerk vormen, hebben de eer en het geluk op te stijgen tot het geestelijke gebruik, het doel, de bedoeling en het profijt van de inzettingen van God in Zijn gemeente, en om gedurig vertrouwelijke omgang met God in de hemel te hebben, afgebeeld door het staan in de heilige plaats. Daarom, om uitwendige belijders van de godsdienst aan te porren om zichzelf te onderzoeken, zodat zij zich niet vergissen en verloren gaan, wordt hier aan God de vraag gesteld te tonen wie zal klimmen op Zijn berg, en wie zal staan in Zijn heilige plaats.
  3. De kenmerken van een burger van de onzichtbare kerk en van Gods Koninkrijk zijn zo, dat alleen God en iemands eigen geweten er op de juiste manier over kunnen oordelen, namelijk geloof in God, getoond in een poging tot oprechte heiligheid van gedachten, woorden en daden, in de weg van gehoorzaamheid aan de eerste en tweede tafel. Want hij moet, nadat hij door geloof met God in een verbond is gekomen (hetwelk hem een onderdaan maakt), ook zorgen voor reinheid van handen of onschuld van leven, en dit uit een rein hart, gereinigd door het bloed der besprenkeling ter rechtvaardiging, en door het reine water van een beginnende heiliging. En daarom moet hij niet meer kijken naar het verleidelijke lokaas van de zonde, met een verlangende begeerte om daaraan toe te geven, want dat zou zijn het opheffen van zijn ziel tot ijdelheid/leegheid. Ook moet hij een eed niet minachten, niet terwijl hij zweert en niet daarna, want dat zou zijn vals zweren, schijnbaar eerbied voor God te hebben, terwijl hij Hem helemaal niet vreest.
  4. Iedere gelovige die zich ertoe zet om de vruchten van zijn geloof in gehoorzaamheid aan Gods wet voort te brengen, zal een genadige beloning krijgen: hij zal de zegen ontvangen van de HEERE.
  5. Het heilige leven van de ware gelovige is niet de oorzaak van zijn rechtvaardiging voor God, vanwege de onvolkomenheid ervan en de onmogelijkheid om daardoor de wet tevreden te stellen. Maar hij zal rechtvaardiging en eeuwig leven ontvangen als een vrije gave van God, uit kracht van het verbond der genade. Daarom wordt hier gezegd, dat hij gerechtigheid zal ontvangen van de God van zijn heil.
  6. Al wie in de zichtbare kerk de kenmerken hebben van de ware bondgenoten, zoals hier wordt beschreven, ja, wie maar God zoeken dat Hij hen zo maakt, wie maar verzoening met God zoeken en omgang met Hem, hetzij Joden of heidenen, slaaf of vrij, mannelijk of vrouwelijk, zij zijn het geslacht dat zal opgaan naar en zal wonen in Gods heilige plaats. Want dit is het geslacht van hen die Hem zoeken. Het geslacht, zegt hij tegen God, die Uw aangezicht zoeken. Dit is de ware Jakob, de ware erfgenaam van de beloften.

7. Heft uwe hoofden op, ghy Poorten, ende verheft u, ghy eeuwige deuren; op dat de Coninck der eeren ingae.

8. Wie is de Coninck der eeren? De HEERE, sterck ende geweldich; De HEERE, geweldich in den strijt.

9. Heft uwe hoofden op, ghy Poorten, ja heft op, ghy eeuwige deuren; op dat de Coninck der eeren ingae.

10. Wie is hy, dese Coninck der eeren? De HEERE der heyrscharen; Die is de Coninck der eeren, Sela!

Nadat hij de personen heeft beschreven die zeker met God in de hemel zullen wonen, spoort hij in de derde plaats al de leden van de zichtbare kerk aan, met de bedoeling dat zij gerechtigheid en zaligheid zouden ontvangen van God (Die met Zijn kerk een verbond sloot), Christus Jezus, de Koning der ere en de Heere der legermachten, van harte welkom te heten, Die in het midden van hen in de tabernakel woont, daar Zijn komst in het vlees aankondigt en aanduidt, door Godsspraken te geven vanaf de ark van het verbond, Die hen verdedigt, hen voedt, hun oorlogen strijdt en ten slotte triomfantelijk in de tijd van David de berg Sion bestijgt; Hij en de ark van het verbond, om hen in afbeelding te tonen hoe Hij, na Zijn grote veldslagen voor onze verlossing te hebben gestreden, zou opstijgen naar de hemel en de weg voor Zijn onderdanen zou banen om Hem achteraan te komen en bij Hem te wonen. Hij roept op dat er publieke deuren voor Hem zullen zijn, waar Hij Zich ook maar aanbiedt aan koninkrijken, steden, gemeenschappen, zichtbare kerken, gezinnen en in het bijzonder harten van mensen. Leer hieruit:

  1. De weg om mensen ware bekeerden te maken, ware gelovigen, ware heiligen en erfgenamen van de hemel, is om Christus hartelijk en eervol te ontvangen, om deuren open te werpen in hartelijke toestemming van geloof en liefde, als triomfbogen, om zo’n glorierijke Overwinnaar te verwelkomen om hun Gast te zijn: hef uw hoofden op, o poorten, enz.
  2. Wie maar het aanbod aanneemt en het hart voor Hem opent, die sluit een verbond met Hem [of: met die sluit Hij een verbond]: verhef u, o eeuwige deuren, en de Koning der ere zal binnenkomen.
  3. Hij is een onbekende Koning totdat Hij aan ons bekendgemaakt wordt. En zij die wijs zijn, zullen – wanneer zij over Hem horen – zoeken Hem te kennen: Wie is deze Koning der ere? zal hun vraag zijn.
  4. Zij die Christus zoeken te kennen, zullen inderdaad ervaringskennis van Hem hebben: dat Hij in staat is hen tot het uiterste zalig te maken, al hun werk voor hen te doen, hen te beschermen tegen hun tegenstanders en aan hen volkomen overwinning te geven: Hij is de HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in de strijd.
  5. We hebben het nodig keer op keer het aanbod van de genade van Christus te horen, en te worden opgewekt om acht te geven op Christus en Zijn heerlijkheid. We hebben het nodig keer op keer te worden aangespoord om onze harten wijd voor Hem te openen: hef uw hoofden op, o poorten, de tweede keer
  6. Christus is inderdaad in al de wegen van verlossing en zaligheid van Zijn volk glorieus en een glorierijke Koning. Al is het dat de onwetendheid en het ongeloof en de kruisen en moeiten die Zijn Koninkrijk in deze wereld volgen, voor het vleselijke oog Zijn glorie verduisteren. En daarom is het geen wonder dat mensen vaak over Zijn Koninkrijk en glorie de vraag stellen: Wie is de Koning der ere?
  7. Zoals Christus Jezus (Wiens hemelvaart was afgebeeld door de opgang van de ark de berg Sion op, door David en heel Israël begeleid) echt mens was, zo was Hij ook echt God de Almachtige, één met de Vader en de Heilige Geest, in Zijn Godheid, want de HEERE der legerscharen, Die is de Koning der ere.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën