Website van Ds. W. Pieters

psalm 25

p

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. EEn Psalm Davids.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

In deze Psalm doet de psalmist, omdat hij in levensgevaar verkeert door vijanden van buiten en omdat hij met een gevoel van zonden van binnen wordt geplaagd, zijn gebed om verlossing van beide. Hij wisselt in het geheel van de Psalm overdenking af met gebed, tot versterking van zijn geloof. Zo bidt hij eerst van vers 1 tot 8. Dan overdenkt hij, vers 8—10. In de derde plaats bidt hij opnieuw, vers 11. In de vierde is een nieuwe overdenking, vers 12—15. In de laatste plaats is er een gebed van vers 16 tot het einde.

1. Aleph. Tot u, ô HEERE, hef ick mijne ziele o.

2. Beth. Mijn Godt, op u vertrouw ick, en laet my niet beschaemt worden; Laet mijne vyanden niet van vreuchde opspringen over my.

3. Gimel. Ia, alle die u verwachten, en sullen niet beschaemt worden: sy sullen beschaemt worden, die trouwlooslick handelen sonder oorsake.

Aan het begin van zijn gebed, keert hij zijn ogen van alle verkwikking af behalve alleen van God, en vestigt hij zijn vertrouwen op Hem, en dan bidt hij. Leer hieruit:

  1. Het is voor een smekeling nodig, als hij van God hulp wil krijgen, om zijn vertrouwen van alle schepsel-hulp los te maken en zijn oog en hart op God te zetten, zoals David hier zijn ziel opheft tot God.
  2. Geloof in God, gevestigd op het verbond, geeft vleugels aan de ziel, zoals ongeloof haar doet zinken: o mijn God, zegt hij, ik hef mijn ziel op, ik vertrouw op U.
  3. Het is niet genoeg om pas in een tijd van benauwdheid geloof te oefenen. Maar het is voordelig om ook de kleinste maat van geloof dat ons maar wordt geschonken, op te merken en te koesteren, al is het nóg zo klein, en om ons vast voor te nemen om het te gebruiken wanneer we gaan bidden. Want voordat David een gebed opzendt, schrijft hij eerst: ik hef mijn ziel tot U op, ik vertrouw op U. Want anders kan het gebed van een smekeling geen grond vinden om op te staan.
  4. De gelovige smekeling zal nooit teleurgesteld worden in de beloofde hulp. Ook zal de hoop en verwachting van de vijanden van God niet uitkomen: Hij zal niet toelaten dat de gelovige beschaamd wordt, of dat de vijand lang triomfeert.
  5. De godvrezenden zijn in hun gebeden niet egoïstisch. Ook zijn zij geen smekelingen om bijzonderheden voor zichzelf alleen, maar ze zijn ermee tevreden, ja ook verlangen zij ernaar dat alle andere gelovigen mogen delen in de barmhartigheden die zij ontvangen: Ja, laat geen van hen die U verwachten, beschaamd worden, zeggen ze.
  6. De godvrezenden zullen, al geven ze aan de wereld geen aanstoot, geen gebrek hebben aan vijanden. Want vleselijke hoop en verwachting om wereldse winst te verkrijgen door de godvrezenden tegen te staan, kan de goddelozen tegen hen actief maken, en dat gebeurt gewoonlijk ook. Maar wie op die manier voordeel zoeken te hebben, zullen zeer teleurgesteld worden, want de godvrezenden zullen aan hun strik ontsnappen en de vijanden zullen hun gewenste voordeel verliezen en zullen voor zichzelf niets anders winnen dan schaamte en onheil. Want laten zij beschaamd worden die trouweloos handelen zonder oorzaak is een blijvende smeking en een verhoorde smeking tegen deze vijanden.

4. Daleth. HEERE, maeckt my uwe wegen bekent; leert my uwe paden.

5. He. Vau. Leydt my in uwe waerheyt, ende leert my, want ghy zijt de Godt mijns Heyls; u verwacht ick den gantschen dach.

6. Zain. Gedenckt, HEERE, uwer barmherticheden, ende uwer goedertierenheden; want die zijn van eeuwicheyt.

Hier bidt hij om genade om zich heilig te gedragen onder zijn beproevingen en om nieuwe ervaringen te ontvangen van ontfermingen, zoals hij eerder had gevoeld. Leer hieruit:

  1. Inzicht in de weg hoe de Heere gewoonlijk met Zijn kinderen omgaat, dient er zeer toe om verdrukkingen geduldig te dragen. En de beste weg om de strik van tegenstanders te vermijden is om onszelf heilig te gedragen. Daarom bidt David vier keer om onderwezen te worden en krachtig geleerd te worden en in de wegen en paden van Gods waarheid of betrouwbare Woord geleid te worden.
  2. Omdat de Heere, Die met ons in een verbond staat, het werk van onze zaligheid ter hand neemt – niet om het neer te leggen totdat Hij het voltooid heeft –, daarom staat Hij Zijn kinderen toe, in alle bijzondere moeilijkheden, op deze grond te blijven staan en constant de vervulling ervan te verwachten, in welke engte ze ook maar terecht komen; en te wachten op een aanwijzing hoe zich te gedragen, totdat het voltooid is. Want David geeft dit op als reden voor zijn gebed: Gij zijt de God van mijn heil; U verwacht ik de ganse dag.
  3. Hoewel de voortgang van vriendelijkheid en barmhartigheid onderbroken schijnt te worden door verdrukking en tijdelijke verlating, en we wat God betreft vergeten schijnen te zijn, toch moet geloof gebruik maken van die ervaringen en ze opnieuw aan God voorlezen uit het register van een geheiligd geheugen, tot een herinnering voor Hem Die niets kan vergeten: Gedenk, HEERE, Uw barmhartigheden en Uw goedertierenheden.
  4. Genade en goedertierenheid die soms gevoeld worden, mogen en moeten worden terug gevolgd naar de fontein van eeuwige liefde en verkiezing, waaruit zij voortkwamen. Zo zal het kanaal worden geopend en des te eerder vrijuit doorstromen met verse vertroosting: Gedenk Uw goedertierenheden voor mij, want die zijn van eeuwigheid geweest.

7. Cheth. Gedenckt niet der sonden mijner jonckheyt, noch mijner overtredingen, gedenckt mijner nae uwe goedertierenheyt; om uwer goetheyt wille, ô HEERE.

Hij doet moeite om zijn zonden verwijderd te krijgen, als zijnde de grootste hindernis voor de verhoring van zijn gebed. Leer hieruit:

  1. Nieuwe verdrukkingen kunnen gemakkelijk het besef van oude zonden vernieuwen, zelfs van de tijd van de jeugd, al waren ze door God vergeven en door de gelovige vergeten. En de verleider kan in de dag van ellende daarvan gebruik maken tegen het geloof. In dit geval mag de gelovige zonder verlies de uitgewiste rekeningen herlezen, en smekingen om vergeving vernieuwen: denk niet, zegt David, aan de zonden van mijn jeugd, evenmin aan mijn overtredingen.
  2. God houdt in het geweten van een mens twee rechtszittingen met betrekking tot de zonde. De ene van rechtvaardigheid in overeenstemming met de wet of het verbond der werken; de andere van genade in overeenstemming met het evangelie en het verbond der genade, in de Middelaar aangeboden; die na de andere rechtszitting is. Hierin ontvangt de mens, die het recht heeft verheerlijkt en zijn zonde en verdiende straf heeft erkend, vergeving, omwille van de losprijs betaald door de Messias Christus Jezus de Middelaar, tot Wie de zondaar vluchtte om een schuilplaats. En zo heeft ook de gelovige twee rekeningen bij God over zijn zonden. De ene overeenkomstig het recht en de andere overeenkomstig de genade. En al is het waar dat de gelovige nooit weigert om de eerste rekening te lezen, te erkennen en om keer op keer te ondertekenen dat zij terecht is, toch hoeft hij die rekening niet te betalen, maar zal hij zich vast houden aan de laatste overeenkomst, namelijk van genade en ontferming en goedheid. Deze voldoet de eis van de eerste rekening. Want dit is hier Davids praktijk dat de eerste rekening vergeten mag worden: gedenk niet de zonden van mijn jonkheid; en dat de laatste rekening en berekening stand houdt en in gedachten gehouden wordt, zeggende: gedenk mij overeenkomstig Uw goedertierenheid.
  3. Als bewijs van de stabiliteit van de genaderekening tot vergeving van zonde, is de glorie van Gods goedheid gelegd als onderpand van het verbond. En dat houdt alles vast voor de gelovige. Daarom zegt hij: gedenk omwille van Uw goedheid, o HEERE.

8. Teth. De HEERE is goet ende recht; daerom sal hy de sondaers onderwijsen in den wech.

9. Jod. Hy sal de sachtmoedige leyden in’t recht; ende hy sal de sachtmoedige sijnen wech leeren.

10. Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheyt, ende waerheyt; den genen, die sijn verbont ende sijne getuygenissen bewaren.

In de tweede plaats begint hij, na te hebben gebeden, de genade en goedwilligheid van God voor een gelovige te overdenken, en Zijn genadige omgang met hem in alle omstandigheden. Leer hieruit:

  1. In de verborgen oefening van de heiligen kan in het gebed zinvol een rustpauze worden gehouden en kan begonnen worden met een overdenking of een alleenspraak, wanneer de Heere iets geeft om het geloof te voeden en het gebed te bevorderen, zoals we hier in Davids praktijk kunnen opmerken.
  2. De goedheid en betrouwbaarheid van God in Zijn beloften, en Zijn gereedstaan om zonder aanzien des persoons iedereen die tot Hem komt, genadig te zijn, zijn de fontein van de sterkte, hoop en vertroosting van de gelovige. De HEERE is goed en oprecht is hier een bron van troost voor de smekeling.
  3. Het bewustzijn van zonde moet de gelovige niet terughouden van vertrouwen dat hij in zijn gebed gehoord zal worden wanneer hij komt om aanwijzing te ontvangen. Want vanuit deze grondslag, dat de HEERE goed is, maakt de profeet deze gevolgtrekking: daarom zal Hij zondaars onderwijzen in de weg.
  4. Gods rechtvaardigheid zal niet verhinderen dat Zijn genade overvloedig is. Ook zal het de zondaar niet benadelen vroeger de geboden te hebben gebroken, wanneer deze zondaar, moe van zijn omzwervingen, hierna zoekt in de weg des Heeren geleid te worden: Hij zal zondaren onderwijzen in de weg.
  5. Als iemand door verdrukking verootmoedigd werd en ertoe gebracht werd om zich aan God te onderwerpen, zal hem geen Gids ontbreken om hem uit deze ellende te leiden en zijn paden te richten totdat er verlossing komt, want God zal de zachtmoedigen, volkomen wijs en voorzichtig, leiden in het recht, zoals zijn welzijn vereist, en hem zijn weg leren.
  6. Een kenmerkende eigenschap van gelovigen is aan het verbond te kleven en aan wat de Heere in Zijn Woord heeft neergeschreven: zij bewaren Zijn verbond en Zijn getuigenissen, en willen die niet verlaten, wat er ook gebeurt.
  7. Wie aan het verbond der genade vasthouden en gewetensvol Gods Woord gehoorzamen, mogen er zeker van zijn dat al hun moeiten en verscheidenheid van oefeningen niets anders zijn dan Gods weg om hun Gods beloften deelachtig te maken, want voor zulken zijn alle paden des HEEREN goedertierenheid en waarheid.

11. Lamed. Om uwes Naems wille, HEERE, so vergeeft mijne ongerechticheyt; want die is groot.

In de derde plaats: nadat hij zich heeft ingespannen om zijn geloof te sterken, begint hij weer te bidden, om vergeving van zonde. Leer hieruit:

  1. Het besef van zonde zal ons geloof vaker dan eens aanvallen, en zo vaak als het aanvalt, moet het beantwoord worden met vernieuwd gebed tot God: o God, zegt hij, vergeef mijn ongerechtigheid.
  2. De eer van de Heere is door het verbond verbonden tot vergeving van zonde voor de berouwhebbende gelovige, en de Heere acht het een glorie om genadig te zijn. Daarom zegt hij: vergeef omwille van Uw Naam.
  3. Geloof kan voordeel halen uit ongeloofsargumenten om ze daartegen terug te kaatsen, en het kan om vergeving pleiten juist om de veelheid en vreselijkheid van de zonde, zoals hier: vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. Want des te groter de zonde wordt erkend, des te duidelijker wordt het voorwerp van vergeving, want er kan door geen zondaar voor worden betaald. En des te meer bewijst de Heere Zijn barmhartigheid, opdat de zondaar het gewicht ervan zou beseffen.

12. Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hy sal hem onderwijsen inden wech, dien hy sal hebben te verkiesen.

13. Nun. Sijne ziele sal vernachten in ’t goede: ende sijn zaet sal de aerde be-erven.

14. Samech. De verborgentheyt des HEEREN is voor de gene die hem vreesen; ende sijn verbont, om hen [die] bekent te maken.

In de vierde plaats is er opnieuw een meditatie over Gods goedheid voor een gelovige, tot verdere versterking van zijn geloof, waarin hij drie algemene beloften neerschrijft, die gedaan zijn aan hen die in God geloven en bevreesd zijn om Hem te beledigen (vers 12—14). En op de manier van een sluitrede (conclusie-redenering) veronderstelt hij met betrekking tot zichzelf dat hij een gelovige is, op grond waarvan hij de conclusie trekt in vers 15. Leer hieruit:

  1. De vreze Gods (die zorgzaam is om God te dienen volgens Zijn Woord en bevreesd is om Hem te beledigen) is het noodzakelijke eigendom van een ware en levendige gelovige. Daarom wordt dit gemaakt tot het herkenningsteken en kenmerk van de gelovige om hem daardoor te onderscheiden: Wie is de man, die de HEERE vreest?
  2. De gelovige die in de vreze Gods wandelt, mag van de Heere aanwijzingen en licht verwachten hoe hij zich in alle verwarringen moet gedragen, zo vaak als hij in zijn nood dit van God zal zoeken, want in twijfelachtige gevallen zal God hem onderwijzen in de weg, die hij zal kiezen.
  3. Al is het dat een gelovige in moeite en in harde oefeningen wordt geplaatst, toch zal hij bij God altijd ruimte hebben, zoals zijn welzijn eist, als iemand die met Hem verzoend is en ook vrede in zijn geweten heeft. En hij zal tevreden zijn in zijn lot, want: zijn ziel zal wonen in het goede.
  4. De zekerste manier om iemands erfenis aan zijn kinderen na te laten en ervoor te zorgen dat huizen blijven bestaan en – hoe de zaken ook gaan – zeker te zijn van het Koninkrijk der hemelen (afgebeeld door een erfdeel in het land Kanaän), is dat de ouders God vrezen en dat de kinderen hun voetstappen volgen en ook God vrezen, want het zaad van de man die God vreest, zal het land beërven.
  5. Wie God vreest, zal meer van Zijn Gods gedachten weten dan anderen: hij zal de goede en aangename wil van God weten zowel tot zijn besturing in gevaarlijke onenigheden, als tot zijn voldoening over Gods bedelingen zowel wat betreft hemzelf als anderen, en ook tot zijn vertroosting in alle verdrukkingen, want de verborgenheid des HEEREN is met degenen die Hem vrezen.
  6. Al is Gods verbond met de zichtbare kerk openbaar en in zichzelf, voor alle mensen, in alle artikelen, eenvoudig, toch is het een verborgenheid om de inwendige, zoete omgang te kennen die een ziel met God mag hebben, uit kracht van dit verbond. En iemand die God vreest, zal deze verborgenheid kennen, terwijl zulken die alleen in de letter bondgenoten zijn, er onbekend mee zijn. Want alleen aan hen die God vrezen is deze belofte gedaan dat de Heere aan hen Zijn verbond zal bekend maken.

15. Ain. Mijne oogen zijn geduerichlick op den HEERE; want hy sal mijne voeten uyt het net uytvoeren

Nadat hij de grond van zijn redenering heeft gelegd in de vorige verzen, die, samengevat, deze is: voor elke gelovige zal God genadig zijn zoals hij nodig heeft. Nu, veronderstelt hij: ik ben een gelovige, want mijn ogen zijn gedurig op de HEERE. Daarom zal God mij in mijn nood genadig zijn en dus mijn voeten uit het net uitvoeren, zoals mijn nood nu vereist. Leer hieruit:

  1. De gelovige kan zijn eigen naam en zijn eigen gezegend-zijn lezen in de beloften, aan gelovigen gedaan. En hij kan het uittreksel van Gods besluit van vergeving, besturing, vertroosting en zaligheid eruit halen, in zijn eigen voordeel. Want waar het in het algemeen staat geschreven, daar staan feitelijk ook alle bijzonderheden geschreven. En zo kan de gelovige lezen dat zijn naam geschreven is in het boek des levens, zoals David hier zijn eigen verlossing leest in de oorkonde / het privilege van gelovigen: mijn ogen zijn gedurig op de HEERE, daarom zal Hij mijn voeten uit het net uitvoeren.
  2. Een gelovige wordt niet weinig geholpen om te geloven en zoete gevolgtrekkingen te halen uit de geïnspireerde Schrift, om zich te sterken door te getuigen dat hij een gelovige is of dat hij de ware eigenschap van een gelovige heeft, zoals David hier doet, door te zeggen: mijn ogen zijn gedurig op de HEERE. Eerst betuigt hij zijn geloof en dan trekt hij deze conclusie eruit: Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.
  3. Het is de eigenschap van het geloof om voor de voorziening in alle noodzakelijkheden en voor bevrijding uit alle benauwdheden op God te steunen. Want om te bewijzen dat hij een gelovige is en dat hij deel heeft aan de eerder (in vers 12-14) genoemde ontfermingen, zegt de profeet: mijn ogen zijn gedurig op de HEERE.
  4. Hoewel de godvrezenden wandelen midden tussen strikken en netten, voor hen gespannen door hun vijanden, zowel lichamelijk als geestelijk, om hen te vangen, toch zal God óf hun weg zo leiden dat zij deze strikken en netten ontwijken, óf hun voeten eruit trekken. Want dit is de troost van de profeet: Gij zult mijn voeten uit het net uitvoeren.

16. Pe. Wendt u tot my, ende zijt my genadich; want ick ben eensaem ende elendich.

17. Tsade. De benaeuwtheden mijns herten hebben haer wijt uytgestreckt; voert my uyt mijne nooden.

Na een overdenking sluit hij zijn oefening af met gebeden voor zichzelf en voor de kerk. Er zijn zes gebeden voor hemzelf, in evenzoveel verzen. Leer uit het eerste vers:

  1. Het natuurlijke gevoel en de influistering van satan zeggen dat God ons Zijn rug toekeert wanneer Hij niet merkbaar, door uitwendige werken, toont dat Hij voor ons is, zoals we zouden wensen. Maar geloof trekt voordeel uit de verzoeking door God aan te kleven in een tijd van schijnbare verlating, en bidt voor de openbaring van Hem aan ons: wend U tot mij, en wees mij genadig.
  2. Het voelen en erkennen van een ellendige, hopeloze en wanhopige situatie is voor de gelovige al half een belofte en helemaal een reden om verlichting van God te verwachten: wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. En zo ook in zijn tweede smeking: de benauwdheden van mijn hart zijn wijd uitgestrekt; o breng mij uit mijn noden. Naarmate zijn moeiten vermenigvuldigd en uitgestrekt waren, was zijn hart benauwd en waren zijn noden meer, en dit voert hij aan als een reden om erop te hopen dat hij uit deze benauwdheden zou worden uitgeleid.

18. Resch. Aensiet mijne elende ende mijne moeyte; ende neemt wech alle mijne sonden.

Leer uit deze derde bede:

  1. In hoe droevige en angstige moeiten een gelovige en geliefde ziel kan worden gebracht, kunnen geen woorden voldoende uitdrukken: hij is ellendig, verdrukt; de moeiten van zijn hart zijn vergroot. Hij is in meer benauwdheden dan één. Hij is in verdrukking en pijn, die geen oog kan zien en geen aanschouwer kan beoordelen dan God alleen. Daarom zegt hij tegen God: zie op mijn ellende en mijn moeite.
  2. Ernstige moeite zal het bewustzijn van de zonde weer vers oprakelen, en vergeven en begraven zonde in herinnering brengen. Deze nieuwe twijfelvraag kan niet worden beantwoord dan door gebed voor een nieuwe toepassing en bekendmaking van de vergeving der zonden, zoals hier: vergeef al mijn zonden.

19. Resch. Aensiet mijne vyanden want sy vermenichvuldigen; ende sy haten my met eenen wreveligen haet

20. Schin. Bewaert mijne ziele, ende reddet my; laet my niet beschaemt worden, want ick betrouw’ op u.

Leer van de vierde en vijfde bede aangaande het gevaar dat zijn leven liep van zijn lichamelijke vijanden:

  1. De menigte, macht, woede en wreedheid van de vijanden van des Heeren volk zijn een grond van hoop voor de gelovige om ervan verlost te worden: aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, enz.
  2. Er is geen zekerder bewijs van verlossing dan geloof in God, bevestigd op een belofte:laat mij niet beschaamd worden, want ik stel mijn vertrouwen op U.

21. Thau. Laet oprechticheyt ende vroomicheyt my behoeden; want ick verwacht’ u.

De zesde bede is om de vrucht van zijn onschuldig gedrag tegenover zijn vijanden. Leer hieruit:

  1. Hoewel iemand gedrukt kan zijn onder het gevoel van veel zonden tegen God, toch kan hij het bewustzijn hebben van onschuld tegenover zijn vijanden. En hier geeft een goed geweten grote vrijmoedigheid voor God om te hopen op verlossing: laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden.
  2. Oprechtheid van leven of een goed gedrag na het gebed is net zo nodig als ervoor. Toch moeten we niet op oprechtheid voor of na het gebed leunen, maar alleen op Gods goedheid en genade: laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden, redeneert David, want ik verwacht U.

22. O Godt, verlost Israël uyt alle sijne benauwtheden.

Hij sluit zijn oefening af met een gebed voor de kerk. Leer hieruit:

  1. Het is het algemene lot van al de heiligen om met een menigte moeiten te worden geoefend. En zoals de moeiten van ieder afzonderlijk lid niet het gevoel van de moeiten van de kerk moeten verzwelgen, maar juist de persoonlijke moeiten iedereen gevoelig moeten maken voor gelijke of grotere moeiten van de rest van de kerk, zo moet de verlossing van de hele kerk gezocht worden, net als onze eigen verlossing, ja, nog meer dan de onze, en moet zij onze laatste bede zijn. En hoe het ook met ons gaat, laten we bidden: O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën