Website van Ds. W. Pieters

psalm 26

p

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. EEn Psalm Davids.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

Omdat David door de rechters van het land, zijn machtige tegenstanders, verdrukt wordt, en omdat hij van het huis Gods verjaagd wordt, doet hij een beroep op God, de hoogste Rechter, met de getuigenis van een goed geweten, dat voor hem getuigt,

  • eerst van zijn poging om oprecht te wandelen, zoals een gelovige betaamt, vers 1—3;
  • ten tweede dat hij zich bewaart van de besmetting van kwade plannen, zondige gangen en het voorbeeld van de goddelozen, vers 4, 5;
  • ten derde van zijn doel om zich nog steeds heilig en rechtvaardig te gedragen uit liefde om deelnemer te zijn van de publieke voorrechten van des Heeren volk in de samenkomst, vers 6—8;
  • waarna hij bidt om vrij te zijn van het oordeel, dat komt over de goddeloze, vers 9, 10;
  • in overeenstemming met zijn plan om hun zonden te schuwen, vers 11;
  • en hij sluit zijn gebed af met de troost en verzekering verhoord te worden, vers 12.

1. Doet my recht, HEERE, want ick wandele in mijne oprechticheyt; ende ick vertrouwe op den HEERE, ick en sal niet wanckelen.

2. Proeft my, HEERE, ende versoeckt my; toetst mijne nieren, ende mijn herte.

3. Want uwe goedertierenheyt is voor mijne oogen; ende ick wandele in uwe waerheyt.

Leer van Davids beroep van het onrechtvaardige vonnis van mensen tegen hem in hun rechtbanken en elders, waarin ze hem belasteren en hem onder zwartmakerij begraven, waarvan God én zijn eigen geweten wisten dat hij er vrij van was:

  1. Gods kinderen kunnen voor een tijd, onterecht in hun zaak en naam, zo met lasterpraat worden neergedrukt door rechters en anderen, dat zij zich tevreden moeten stellen met de goedkeuring van God en van hun eigen geweten, zoals David hier doet.
  2. Wanneer er op aarde geen redmiddel voor Gods verdrukte kinderen is te zien, kan er een redmiddel worden verkregen van God, de Hoogste Rechter, Die alle zaken overvloedig recht kan zetten. Dit deed David, toen hij zei: doe mij recht, HEERE, dat is: doe voor mij het werk van een rechtvaardige rechter, in deze onenigheid tussen mijn tegenstanders en mij.
  3. Wie zich op God beroept, moet een goede zaak hebben en een goed geweten voor zijn gedrag daarin, zodat hij met David kan zeggen: ik heb gewandeld in mijn oprechtheid.
  4. Ons goed te gedragen in een onenigheid is alleen dan aangenaam en aanbevelenswaardig wanneer het de vrucht is van geloof in God. Daarom voegt David erbij: ook heb ik op de HEERE vertrouwd.
  5. Wie zich in gehoorzaamheid aan God eerlijk gedraagt, mag er van verzekerd zijn dat hij staande zal blijven en zal overwinnen. Want deze conclusie baseert de profeet op deze gronden, zeggende: ik zal niet wankelen.
  6. Niet alleen moet iemands hand er vrij van zijn om zijn tegenpartij onrecht aan te doen, maar ook zijn genegenheden. In dit geval is de oprechte tevreden dat de Heere hem zou testen en hem zou vertellen wat er verkeerd is, zodat het hierna verbeterd kan worden. Want oprechtheid zegt hier: onderzoek mij en toets mijn nieren.
  7. Oprechtheid van gedrag kan de test van het geweten doorstaan en de goedkeuring van God verwachten, wanneer het Woord van God iemands regel is, en wanneer de vrees om het gevoel van de zoete gemeenschap met God te onderbreken, de ontzag-band is om hem aan Zijn regel te binden. Want zo bewijst David hier zijn oprechtheid: want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik heb gewandeld in Uw waarheid, namelijk ziende op Uw voorschriften, bedreigingen en beloften.

4. Ick en sitte niet by ydele lieden; ende met bedeckte lieden en gae ick niet om.

5. Ick hate de vergaderinge der boosdoenders; ende by de godtloose en sitt ick niet.

Dit is het tweede deel van het getuigenis van zijn geweten: dat hij de koers van goddelozen en hun slechte raad heeft verworpen, en dat hij de weg tegen zijn vijanden niet wil volgen die zij tegen hem volgden, en niet wil luisteren naar het zondige advies, dat goddelozen (onder welk voorwendsel van welwillendheid tot hem ook) hem gaven voor een zondige transactie of persoonlijke wraak. Leer hieruit:

  1. Hoewel het kan schijnen dat onschuld de godvrezenden een prooi maakt voor hun vijanden, toch zal het hun zaak voor God meer bevorderen en grotere tevredenheid aan het geweten geven dan sluwe en goddeloze plannen te beramen tegen sluwe en goddeloze vijanden. Want dit leert Davids voorbeeld ons.
  2. Een godvrezende kan de dienst van velen aanvaarden in een zaak van wet en burgerlijke dingen, wier advies hij moet verwerpen in morele plichten. Zoals toen Davids volgelingen hem aanraadden om de koning te doden toen hij hem in zijn macht had in de spelonk. In zo’n advies of debat wil hij niet zitten of omgaan met de goddelozen.
  3. Wie slechte raad geeft, onder welk voorwendsel van vriendschap of voordeel ook om de raad die hij aanbiedt, aan te bevelen, toch is hij op dat punt een valsaard en een huichelaar. Zo omschrijft de profeet hem hier.
  4. Het is noodzakelijk elke goddeloze koers te haten en te verafschuwen, opdat we niet – als we die niet haten, maar ernaar luisteren – overgehaald worden om die te omhelzen: ik haat, zegt hij, de vergadering der boosdoeners.

6. Ick wassche mijne handen in onschult; ende ick gae rontom uwen altaer, ô HEERE:

7. Om te doen hooren de stemme des lofs, ende om te vertellen alle uwe wonderen.

8. HEERE, ick hebbe lief de wooninge uwes huyses; ende de plaetse des Tabernakels uwer eere.

Het derde deel van de getuigenis van zijn geweten gaat over zijn besluit om zich rechtvaardig en godzalig te gedragen, uit liefde voor Gods eer, en om beter geschikt te zijn om God te aanbidden en te dienen, zoals hij dient te doen. Leer hieruit:

  1. De man wiens handen niet rein zijn van onrecht mensen aangedaan, zijn geweten moest hem vertellen dat hij niet geschikt is om God te aanbidden; en waar schuld is, moet deze worden weggedaan, opdat de eredienst niet afgewezen wordt. Zo besluit David: Ik zal mijn handen in onschuld wassen, en zo rondom Uw altaar gaan.
  2. Wat ook de plechtigheid was van de godvrezenden met hun vrienden, bij het gaan rondom het altaar met gezangen van lof wanneer zij hun vredeoffers brachten, het vormt een gepaste aanwijzing voor elke aanbidder en aanbieder van gebed of lofzang voor God, om het te doen met het oog op Jezus Christus, het ware Altaar Dat onze offers heiligt en onze personen en diensten aangenaam maakt. Want het gaan rondom het altaar, met het oog hierop, betekent deze plicht.
  3. De goedertierenheden des Heeren voor de Zijnen zijn wonderlijk in werking, wanneer alle omstandigheden goed worden overwogen. Daarom worden zij hier wonderlijke werken genoemd.
  4. De omgang met de heiligen in de openbare eredienst van God lief te hebben is een teken van ons aandeel in God; en het bewustzijn van deze liefde is verfrissend, zoals hier: HEERE, ik heb de woning van Uw huis liefgehad.
  5. De samenkomsten van de gemeente moeten de heerlijkheid des Heeren proclameren in de uitoefening van al Zijn verordeningen. En waar dit wordt ondernomen, daar wil God wonen. Want zulke heilige bijeenkomsten zijn de plaatsen waar Zijn eer woont; al zou het zijn dat velen van de leden van de kerk voor God zó zijn, zoals ze waren in de tijd van Saul, waarnaar onze Psalm verwijst.

9. En raept mijne ziele niet wech met de sondaren; noch mijn leven met de mannen des bloets:

10. In welcker handen schendelick bedrijf is; ende welcker rechter-hant vol geschencken is.

11. Maer ick wandele in mijne oprechticheyt; verlost my [dan], ende zijt my genadich.

Nu bidt hij te worden vrijgesteld van het gezelschap van de goddelozen in hun straf, omdat hij genade heeft gekregen om te besluiten niet te wandelen in hun zonde. Leer hieruit:

  1. De Heere heeft een oogst en ook een tijd van nalezing vastgesteld, om in de eenheid van oordelen Gods vijanden af te snijden en samen te binden, die dezelfde loop van zondigen hebben gevolgd. Want hier wordt ons te verstaan gegeven, dat God hun zielen zal verzamelen, en zo niemand zal laten ontsnappen.
  2. Zulken die zich afscheiden, niet van de wettige samenleving, maar van de zondige wegen van de wereld, zullen ook gescheiden zijn van het deel hebben in hun straf. De ziel van de ene en van de andere zullen niet bijeen vergaderd worden: vergader mijn ziel niet met de zondaren.
  3. Goddeloze mensen zullen nooit aarzelen om het leven van de godvrezenden te nemen. Als zij door een vlaag van verleiding ertoe worden aangezet, zal een steekpenning, of angst, wat allemaal hetzelfde is, het laten gebeuren. Want zondaars worden hier bloedige mensen genoemd, in wier handen een kwaad is, en wier rechterhand vol steekpenningen is.
  4. Het is het kenmerk van een verstandige en godvrezende ziel, niet te worden afgeleid van haar God of godzaligheid door de verleiding van verlies of winst, die de wereldse mens ten val brengt. Want David besluit, waarheen anderen ook gaan, wat mij betreft, ik zal wandelen in mijn integriteit.
  5. Iemand die zo heeft besloten, dat wil zeggen: die God heeft gekozen als zijn Verlosser, en Gods wegen als zijn regel, kan er zeker van zijn door alle moeilijkheden, alle problemen en verleidingen heen te worden gedragen, en barmhartigheid te ontmoeten gedurende de loop en aan het einde van zijn leven. Want David, na het besluit van het geloof in God, en het besluit eerlijk te proberen gehoorzaam te zijn aan God in zijn levensloop, bidt (wat voor ons net zo goed is als een belofte): verlos mij, en wees mij genadig.

12. Mijn voet staet op effener bane; Ick sal den HEERE loven in de vergaderingen.

Hij sluit de Psalm troostrijk af. Leer hieruit:

  1. De gelovige, vastbesloten God te gehoorzamen, en worstelend in gebed met God, zal het aan geen troostrijk antwoord ontbreken. Zijn geweten zal goed tot hem spreken, en God zal het getuigenis ervan met Zijn getuigenis bekrachtigen. Zo zal hij worden vastgesteld in die zoete gang van geloof en gehoorzaamheid, en reden hebben om te zeggen: mijn voet staat op een effen plaats.
  2. Zo iemand kan er zeker van zijn God werkelijk te prijzen voor de volvoering van de beloften, en dit in goed gezelschap, hetzij in dit leven of in het volgende of in beide; en zeker dat hij met David in dit leven zeggen: in de gemeente zal ik de Heere loven.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën