Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
1) 1. EEn Psalm Davids.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
In deze psalm zet David uiteen welk nut hij van zijn geloof in God had, in de tijd van zijn moeite:
- en eerst, hoe hij zijn geloof sterkte, vers 1—6;
- en vervolgens, hoe hij op de bovengenoemde gronden bad, vers 6—12;
- en ten derde, welk voordeel hij had door te geloven in God, in de tijd van zijn oefening, vers 13;
- waarna hij al de godvrezenden aanspoort zijn voorbeeld te volgen, in de hoop te worden geholpen, zoals hij werd geholpen, vers 14.
1. De HEERE is mijn licht, ende mijn heyl, voor wien soud’ ick vreesen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien soud’ ick vervaert zijn?
De gronden tot versterking van zijn geloof zijn drie. De eerste is, dat God uit kracht van het verbond Zich heeft verplicht om richting te geven en troost in de problemen, en verlossing eruit. Hieruit leidt hij af, dat hij zijn vijanden niet hoeft te vrezen. Leer hieruit:
- Als we te worstelen hebben in gebed tegen de twijfels die ons moeite geven; en als er verzoeking kan rijzen in onze harten om ons vertrouwen in het gebed te verstoren, is het wijsheid om onszelf, voordat we bidden, door het geloof te wapenen tegen deze twijfels; want dat leert het voorbeeld van de profeet ons.
- Hij die in verbond is met God, heeft vaste grond om van God richting en troost te verwachten in elk probleem, en bevrijding eruit. Want uit kracht van het verbond der genade zegt David: de Heere is mijn Licht en mijn Heil.
- Wanneer we ons geloof op God hebben bevestigd, kunnen we vervolgens met rede onze vijanden tarten, en met de profeet zeggen: voor wie zou ik bang zijn?
- Wanneer onze vijanden sterk blijken, en we weten dat wijzelf maar zwak zijn, moeten we de kracht van de Heere stellen tegen onze verzoeking, zodat wij alle angst kunnen weerstaan. Want zo leert David ons: de Heere is de Kracht van mijn leven, voor wie zou ik bang zijn?
2. Als de boose mijne tegenpartijen ende mijne vyanden tegen my, tot my naederden, om mijn vleesch te eten, stieten sy selfs aen, ende vielen.
De volgende grond van vertrouwen is dat hij bewijs en ervaring had van de vrucht van het verbond, toen hij in het grootste gevaar was om door zijn vijanden te worden overvallen. Leer hieruit:
- Wanneer de woede van de goddelozen tegen de godvrezenden uitbreekt, kan niets behalve het kostbare leven van de godvrezenden hun beestachtige wreedheid verzadigen. Ze hongeren zelfs om hun vlees te eten.
- God kan er gemakkelijk voor zorgen dat de goddelozen, in hun heetste achtervolging van de godvrezenden, hun doel niet bereiken, zoals hier: te struikelen en te vallen.
- Ervaring van Gods kracht is heel sterk om ons geloof te bevestigen en om onze hoop op te richten, zoals deze Davids geloof deed.
3. Of my schoon een leger belegerde, mijn herte en soude niet vreesen; of schoon een oorloch tegen my opstonde, so vertrouw’ ick hier op.
Nadat hij zijn geloof had bevestigd, neemt hij het besluit om stand te blijven houden in het verzet tegen aanvallen van angsten, van welke verzoeking ook. Leer hieruit:
- Het is een middel om het geloof te versterken, om door Gods genade te besluiten om het geloof aan het werk te zetten, in welke moeilijkheid ook, en op zo’n manier dat we onszelf bemoedigen om dit schild op te houden tegen wat voor vurige pijlen ook, zij het misschien dat we, als puntje bij paaltje komt, niet net zo sterk blijken te zijn als dapper, zoals David hier doet.
- Als de Heere de onze is door het verbond, en als de Heere de onze bleek te zijn in de ervaring, is dit voor ons vrijmoedigheid en reden genoeg om een dergelijk besluit te maken: al zou er oorlog komen, hierin (dat wil zeggen, op de voornoemde grond) zal ik vertrouwen, zegt hij.
4. Een dinck heb ick van den HEERE begeert, dat sal ick soecken: Dat ick alle de dagen mijns levens mochte woonen in het Huys des HEEREN, om de lieflickheyt des HEEREN te aenschouwen, ende te ondersoecken in sijnen Tempel.
Een derde grond van vertrouwen is het bewustzijn van zijn voornemen om zich in te spannen voortdurend omgang met God te hebben, in het gebruik van de middelen; en het bewustzijn van zijn zeer ernstige verlangen om het voordeel te hebben van al de openbare inzettingen, in de eenheid met de kerk. Leer hieruit:
- Een hartgrondig besluit om ons te onderwerpen aan al Gods inzettingen, en de aangewezen middelen te volgen om gemeenschap met God te houden, is een gezond teken van een vast geloof. En het bewustzijn van dit besluit dient veel om ons vertrouwen in God te bevestigen, als we met de profeet kunnen zeggen: dit ene ding heb ik begeerd, enz.
- Door de middelen en verordeningen van Gods huis te gebruiken kan de heerlijkheid van de Heere worden gezien, kan raad en leiding in alle dingen worden ontvangen, met troost en geestelijk genot voor onze zielen. Want in die verordeningen zag David de schoonheid/lieflijkheid van de Heere, met vreugde, en onderzocht hij die in Zijn heilige tempel.
- De begeerte naar omgang met God en liefde tot Zijn inzettingen, waar ze oprecht is, moet de voornaamste plaats hebben in het hart, boven alle aardse verlangens en verrukkingen welke dan ook: één ding heb ik begeerd.
- Het mag niet worden geduld dat een oprecht verlangen weggaat, maar het moet resoluut worden voortgezet en dagelijks bij God worden aanbevolen: dit zal ik steeds zoeken, zegt hij. En het middel van omgang met God in de openbare gemeenschap van de kerk moet voortdurend worden voortgezet, zelfs al de dagen van ons leven.
5. Want hy versteeckt my in sijne hutte ten dage des quaets, hy verbergt my in ’t verborgen sijner tente; hy verhoogt my op eenen rotzsteen.
Hij geeft een reden van zijn zo ernstige verlangen naar omgang met God, te genieten door het gebruik van al Gods inzettingen, want op deze manier was hij er zeker van dat het geloof al de nodige vertroosting en bescherming zou halen van God, zoals de nood vereiste. Leer hieruit:
- Geloof houdt omgang met God en bevindt Hem algenoegzaam in alle noden om te voorzien in ieder gemis van het schepsel, waar de gelovige het nodig heeft. Hij zal een schuilhut zijn in de oorlog, en een schuilplaats en rots van toevlucht, dat wil zeggen: God zal iemand net zo gerust maken door het geloof, in Zichzelf, alsof er geen gevaar was: in de tijd van benauwdheid zal Hij mij in Zijn schuilhut verstoppen. In het verborgene van Zijn tent zal Hij me verbergen. Hij zal mij zetten op een rots.
- De godvrezenden kunnen zich in tijden van nood de invloed van Gods genade niet beloven, dan alleen door het volgen van de Goddelijke verordeningen, zowel persoonlijk als openbaar, voor zover zij kunnen worden gehouden. Want de profeet belooft zich deze bescherming, als vrucht van zijn geloof, gesteund door het gebruik van de verordeningen. Ik begeer, zegt hij, te wonen in Uw huis, en te onderzoeken in Uw heilige tempel, want in de tijd van moeite zal Hij mij verbergen, enz.
6. Oock nu sal mijn hooft verhoogt worden boven mijne vyanden die rontom my zijn, ende ick sal in sijne tente offerhanden des geklancks offeren; ick sal singen, ja psalm-singen den HEERE.
Na deze worsteling van het geloof verkrijgt hij de overwinning en de zekerheid van verzadiging van zijn verlangen, en de toekenning van alles wat hij zocht in zijn gebed. Leer hieruit, dat de Heere een gelovige zekerheid kan geven van wat hij wil hebben, en hem zo duidelijk het bezit van de belofte kan tonen, alsof het in zijn hand was, zoals hier de psalmist zeker is zijn vijanden te overwinnen, zeker is naar de tempel te komen, zoals hij wenste: en nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, ik zal offers van vreugde aanbieden in Zijn tent.
7. Hoort, HEERE, mijne stemme, [als] ick roepe; ende weest my genadich, ende antwoordt my.
8. Mijn herte seyt tot u; [Ghy segt], Soeckt mijn aengesichte: Ick soeck u aengesicht, ô HEERE.
In de tweede plaats, nadat hij zo zijn geloof gesterkt heeft, pakt hij zijn huidige probleem en verleidingen aan, en weerstaat die door gebed tot God op de genoemde gronden, in drie smeekbeden. In de eerste bidt hij voor de merkbare ervaring van Gods gunst, zoals zijn huidige toestand vereiste; waarin hij zijn geloof versterkt door drie overwegingen. De eerste is, omdat hij genade had gekregen om Gods Woord zich toe te eigenen, dat hem uitnodigde om te zoeken wat hij zocht (vers 8). Leer hieruit:
- Vertrouwen in God is ijverig in gebed, en veracht de middelen niet waardoor de genade waarop gehoopt wordt, kan worden genoten; maar door gebed maakt het een persoonlijke toepassing op zichzelf van de gunst des Heeren, die aan allen wordt aangeboden, dat het mag worden geholpen in de huidige behoefte, zoals David hier doet: hoor mij wanneer ik roep, wees mij genadig, antwoord mij.
- Zoals het Woord van de Heere ons aanmoedigt om de dingen van God te zoeken die we zonder bevel niet zouden durven te zoeken, zo mogen we ook – wanneer we genade hebben gekregen om Gods toestemming, door gebod of belofte aan ons gegeven, te omhelzen – met vertrouwen vragen om het te krijgen: hoor mij, antwoord mij. Waarom? Toen U zei, zoek mijn aangezicht, antwoordde mijn hart: “Ik zal Uw aangezicht zoeken, o Heere.”
9. Verbergt u aengesichte niet voor my, en keert uwen knecht niet af in toorne; ghy zijt mijne hulpe geweest, en begeeft my niet, ende verlaet my niet, ô Godt mijns heyls.
Hij ontmoet hier een tegenwerping van zijn zonden en onwaardigheden, en bidt die aan de kant door een andere overweging toe te voegen om zijn geloof te bevestigen met de verleden ervaring van genade, ondanks zijn onwaardigheid. Leer hieruit,
- Al is het, als we willen naderen tot de Heere, dat besef van zonde en onwaardigheid en angst voor toorn, ons in het gezicht vliegen, toch kan het geloof door vast te kleven aan Gods goedheid en aan de beloften van genade en aan onze relatie tot onze God, de verzoeking weerstaan: verberg Uw aangezicht niet, zet Uw knecht niet weg in toorn.
- De vroegere ervaringen, die wij hadden dat God ons genadig was volgens de inhoud van het verbond der verlossing, moeten ons geloof bevestigen, dat God ons nooit zal verstoten, en ook niemand die het niet kan verdragen van Hem gescheiden te zijn. Zo redeneert David: U bent mijn Hulp geweest, verlaat mij niet en begeef mij niet, o God van mijn behoud.
10. Want mijn vader ende mijne moeder hebben my verlaten: maer de HEERE sal my aennemen.
Een derde overweging om Davids geloof te versterken is de nauwere relatie tussen God en David dan tussen David en zijn ouders. Leer hieruit dat de banden tussen God en een gelovige ziel nauwer en intiemer zijn en sterker dan welke band ook, burgerlijk of natuurlijk, tussen haar en welk schepsel ook; en zij zijn bestemd om vast te houden wanneer natuurlijke banden het begeven, zoals hier wordt verklaard: wanneer mijn vader en mijn moeder mij verlaten, dan zal de HEERE mij aannemen.
11. HEERE, leert my uwen wech, ende leydt my in’t rechte pat, om mijner verspieders wille.
De tweede bede is om aanwijzing tot een heilig en wijs gedrag, zodat dit geen voordeel aan de vijanden verschaft tegen zijn gedrag of tegen hem als persoon. Leer hieruit:
- Er is het gevaar dat God ons overgeeft of overlaat aan de wil van onze vijanden, als we in een goede zaak ons niet wettig, heilig en teer gedragen. En daarom hebben we het nodig onze richting-aanwijzing van God te zoeken: om in Zijn weg onderwezen te worden en in een recht pad te worden geleid.
- Omdat de vijanden van de godvrezenden klaar staan hun zaak en hun bedoelingen te belasteren en er voordeel uit te halen om hen te belasteren bij de minste omstandigheid van een twijfelachtige praktijk, daarom hebben we het des te meer nodig voorzichtig te zijn en te bidden om in een recht pad te worden geleid vanwege onze vijanden.
12. Geeft my niet over in de begeerte mijner tegenpartijders: want valsche getuygen zijn tegen my opgestaen, mitsgaders die wrevel uytblaest.
De derde bede is om verlost te worden uit de macht van de vijand, die hun valse lasteringen vervolgen en in wreedheid woeden. Leer hieruit:
- De godvrezenden hebben reden om met onderworpenheid te bidden dat ze niet zullen vallen in de handen van mensen, vanwege hun wreedheid, en tegen God te zeggen: geef mij niet over in de begeerte van mijn vijanden.
- Want het is gemakkelijk voor de Heere om de woede van de vijanden te beperken, of om hun macht te breken, of om hun sluwheid en macht te ontwijken. Laten wij bidden: verlos, en laat God de manier van verlossing kiezen.
- Als het de goede zaak van de godvrezenden en ook hun personen wordt toegelaten beiden samen te lijden, is er grond voor dat God in dat geval Zelf op de juiste tijd tussenbeide zal komen. Want dit is Davids reden tot hoop om te worden geholpen, omdat valse getuigen vastbesloten waren om hem in zijn naam te onderdrukken, en zij die wreedheid uitblazen, erop gezet waren om zijn leven te nemen, door steeds tegen hem op te staan. En hier is hij een duidelijk type en voorbeeld van het lijden van Christus en Zijn volgelingen.
13. So ick niet en hadde gelooft, dat ick het goede des HEEREN soude sien in’t lant der levendigen; [ick ware vergaen.]
14. Wacht op den HEERE, zijt sterck, ende hy sal u herte verstercken; ja wacht op den HEERE.
In de derde plaats komt hij aan te wijzen en gebruik te maken van het nut dat hij had door te geloven, zodat hij anderen kan bemoedigen om in hun beproevingen zijn voorbeeld te volgen. Leer hieruit:
- Ontmoedigd te zijn in moeite is in zekere zin onze zaak en alle troost erin kwijt te raken, maar geloof houdt iemand dicht bij zijn zaak en weerhoudt hem ervan om door moeiten overwonnen te worden. Het richt zijn hart op in zijn plicht tot de Heere uitkomst stuurt. Hij zou niet in staat zijn hierin op een andere manier te blijven bestaan: als ik niet had geloofd, was ik vergaan.
- Onze ervaringen, hoe goed het is om in een tijd van benauwdheden te geloven, moeten verteld worden aan anderen, zoals onze roeping toelaat, om hen te bemoedigen. Want zo doet de profeet, zeggend: wacht op de HEERE, wees sterk.
- Wanneer we ons inspannen om uit de grond van het geloof bemoediging te nemen, zal het worden gevolgd met kracht van God om onder de moeite voort te gaan en om zo nu en dan troost te vinden en aan het einde volkomen verlossing: Hij zal uw hart troosten.
- Al is het dat de Heere de problemen laat blijven, en sterke verleidingen laat toenemen, en het verdriet van het hart laat toenemen, toch moeten we blijven wachten; voor op het goede moment zal de uitkomst komen: wacht, zeg ik, op de Heere.
