Website van Ds. W. Pieters

Psalm 28

P

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. EEn Psalm Davids.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

In het eerste deel van deze psalm hebben we het conflict van de profeet met zijn vijanden, zoals in de vorige psalm is te zien, waarin hij bidt om gehoord te worden, vers 1, 2, en verlossing voor zichzelf, vers 3, en dat God zijn eigen gerechtigheid zou verdedigen tegen zijn minachtende vijanden vers 4, 5. In het tweede deel verheerlijkt de profeet, nu hij troost in zijn gebed heeft gekregen, God, vers 6, en versterkt hij zijn eigen geloof en het geloof van de rest van de godvrezenden, vers 7, 8, en bidt hij om een zegen voor de kerk, vers 9.

1. Tot u roep ick, HEERE; mijn rotzsteen, houdt u niet als doof van my af: op dat ick niet, [so] ghy u van my stille houdt, vergeleken en worde met de gene die in den kuyl nederdalen.

2. Hoort de stemme mijner smeeckingen, als ick tot u roepe; als ick mijne handen opheffe nae de aenspraeck-plaetse uwer heylicheyt.

In zijn strijd met moeiten haast hij zich tot God om een troostrijk antwoord, met redenen om zijn hoop te helpen gehoord te worden. Leer hieruit:

  1. Het is goed in een tijd van moeite te bidden én vol te houden én te besluiten om vol te houden, want tot U zal ik roepen behelst deze drie zaken.
  2. Een ziel in grote benauwdheden kan geen uitstel lijden en lang troost missen. Ze moet enig troostrijk antwoord hebben, vanwege Wie God is in het Verbond: mijn Rotssteen, zwijg niet stil tegen mij.
  3. Het brengt doodsheid der ziel op een smekeling wanneer zijn gebed niet van zijn hand wordt aangenomen. En al is daarvoor geen reden, dan een slecht gegronde gevolgtrekking uit het feit dat de Heere ons niet antwoordt, toch zijn we aan dit kwaad onderworpen en moeten we bidden dat dit wordt voorkomen: wees niet stil, zegt hij, opdat ik niet word als degenen die in de kuil neerdalen.
  4. Hoewel het hart ten tijde van het gebed in banden kan zijn onder de moeiten, toch zal de Heere de stem niet verachten noch de gebogen knieën, noch de opgeheven handen, noch de minste uiting van het verlangen van de smekeling om door Hem geholpen te worden: hoor mijn stem, wanneer ik roep, en het opheffen van mijn handen, zegt hij.
  5. God zoeken in Christus en de volheid van de Godheid aan te grijpen in de Persoon van de Middelaar, afgebeeld door de tabernakel en de aanspraakplaats, beantwoordt al de tegenwerpingen van de onwaardigheid van de smekeling en geeft moed om een goed antwoord van God te verwachten. Want met deze bedoeling noemt hij het opheffen van zijn handen naar de heilige aanspraakplaats des Heeren.

3. En treckt my niet wech met de godtloose, ende met de werckers der ongerechticheyt, die van vrede spreken met hare naesten; maer quaet is in haer herte.

Nu bidt hij dat God hem zal bevrijden en hem niet zal behandelen als vijand. Leer hieruit: al is het dat er in de godvrezenden zonde is, toch zijn zij geen werkers van ongerechtigheid, ook zijn zij niet verraderlijk gezind tegen hun naasten wanneer zij beweren dat zij vriendschap met hen hebben. En daarom mogen de godvrezenden verwachten van God dat ze niet behandeld worden als hardnekkig goddeloze en onboetvaardige zondaren. Want dit bedoelt hij wanneer hij zegt: trek mij niet weg met de werkers der ongerechtigheid, enz.

4. Geeft hen nae haer doen, ende nae de boosheyt harer handelingen; geeft hen nae harer handen werck; doet hare vergeldinge tot haer wederkeeren.

5. Om datse niet en letten op de daden des HEEREN, noch op het werck sijner handen; so sal hyse afbreken ende en salse niet bouwen.

Hij bidt nu tegen zijn vijanden, niet uit persoonlijke wrok, maar geleid door de onfeilbare geest der profetie, terwijl hij door deze mensen heen ziet op de vijanden van Christus en van Zijn volk in alle eeuwen. Leer hieruit:

  1. Al mogen we beden om wraak niet tegen onze eigen vijanden gebruiken, ook niet om enig onrecht ons aangedaan, net zo min tegen wie dan ook in haat tegen hun persoon, ook niet tegen elke vijand van God, maar alleen tegen gruwelijke zondaren en dit meer in het algemeen dan met het oog op deze of die in het bijzonder (ten aanzien van wie we ons kunnen vergissen), toch roept de vervloeking door de Geest van God in de Schrift, nog steeds tegen halsstarrige zondaren, hoewel we niet in het bijzonder hun namen kunnen noemen: God zal ze geven overeenkomstig hun verdiensten.
  2. In het geschil tussen de godvrezenden en hun vijanden toont God niet alleen door Zijn Woord welke partij Hij kiest, maar ook uit Hij Zijn opvatting door de werken van Zijn voorzienigheid, ten gunste van de godvrezenden en tegen hun vijanden, volgens wat Hij in Zijn Woord heeft gezegd dat in acht genomen moet worden. Maar als deze beide worden miskend, zal Hij de goddelozen vernietigen, en niet toestaan hun doel te vervolgen. Want omdat ze op de daden van de Heere niet letten, noch op het werk van Zijn handen, zal Hij hen vernietigen en hen niet bouwen.

6. Gelooft zy de HEERE; want hy heeft de stemme mijner smeeckingen gehoort.

7. De HEERE is mijne sterckte, ende mijn schilt, op hem heeft mijn herte vertrouwt, ende ick ben geholpen; dies springt mijn herte van vreuchde, ende ick sal hem met mijn gesanck loven.

8. De HEERE is haerlieder sterckte, ende hy is de sterckheyt der verlossingen sijns Gesalfden.

Het tweede deel van de Psalm waarin hij gebruik maakt van het goede antwoord dat hem is gegeven: eerst eert hij God ervoor, dan versterkt hij zijn eigen geloof erdoor en in de derde plaats sterkt hij ook het geloof van anderen. Leer hieruit:

  1. De gelovige smekeling zal God niet tevergeefs zoeken. Hij zal niet feilen om op de juiste tijd die vrucht te vinden die hem God zal doen loven en prijzen voor het antwoord. Want aan het begin van de Psalm was het: wees niet stil o God, anders zal ik gelijk worden aan hen die in de kuil neerdalen. En hier is het: geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem van mijn smekingen gehoord.
  2. Wat geloof al worstelend tegen God zegt, zal het daarna ook in overwinning en bevinding mogen onderschrijven: mijn Rots, zei hij, hoor mij (vers 1); en hier: de HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; om mij van binnen en van buiten te voorzien.
  3. Het is een goed gebruik maken van bevinding, om ons geloof daardoor te bevestigen en om de koers van geloven in God aan te bevelen, zoals David hier doet: op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen.
  4. Soms zal aan de godvrezenden de vreugde van zowel het geloof als van het gevoel gegeven worden tot vermeerdering van hun vreugde, zoals hij hier toont: daarom verheugde mijn hart zich zeer.
  5. Al moeten we God in wat voor situatie we maar kunnen zijn, prijzen, toch roept geestelijke verheuging in het bijzonder om het zingen van een psalm voor God: daarom zal ik Hem met mijn gezang loven, zegt hij.
  6. Wat de Heere voor één van de godvrezenden is die Hem in het gevoel van nood aanroepen, hetzelfde is Hij voor hen allen: zoals Hij Davids Sterkte was (vers 7), zo is Hij ook hun Sterkte, namelijk de Sterkte van heel Zijn volk (vers 8).
  7. Al de zegeningen die gelovigen krijgen, behoren eerst tot Christus, als tot de Voornaamste Gezalfde van de Heere, en aan Zijn dienaren als deelgenoten aan Zijn zalving. Want de Heere is de reddende kracht, of de kracht van redding voor Zijn Gezalfde, of voor Zijn Christus, en voor hen die ware christenen zijn, deelgenoten van Zijn zalving, of Heilige Geest. Wat David aangaat, is maar een schaduw, als iemand die deelgenoot is van de heilige zalving door Christus.

9. Verlost u volck ende segent u erve; ende weydtse, ende verheftse tot inder eeuwicheyt.

Hij sluit zijn gebed af met voorbede voor de kerk. Leer hieruit:

  1. Zij die voor zichzelf toegang tot God vinden in het gebed, moeten ook een woord voor Zijn kerk spreken en bidden: Heere, verlos Uw volk.
  2. De voorrechten die de godvrezenden hebben, zijn gemeenschappelijk voor hen allen. De godvrezenden zijn allen Gods volk, Zijn erfdeel, Zijn kudde; en zoals de weldaden onder deze benamingen gemeenschappelijk zijn, zo zijn ook de plichten die we jegens God hebben, die daardoor verondersteld zijn, gemeenschappelijk. En zo moeten ze worden overdacht, dat we ze kunnen verrichten, als we van God de voordelen van bescherming en bevrijding zouden willen ontvangen, als onderdanen die Hij zal redden; om te worden gedrenkt en verwarmd, als Zijn erfdeel; gevoed en geleid als Zijn kudde, en verheven boven al onze vijanden, of opgetild te worden tot in eeuwigheid.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën