Website van Ds. W. Pieters

Psalm 30

P

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. EEn Psalm, een liedt der inwyinge van Davids huys.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

prijst God voor zijn verlossing, onlangs, uit de hand van Absalom, vers 2—4.

En in de tweede plaats spoort hij anderen aan God ook te prijzen voor Zijn ontfermingen, vers 5,6.

Ten derde belijdt hij zijn vleselijk vertrouwen en hoe hij ervoor rechtgezet is, vers 7,8.

Ten vierde vertelt hij hoe hij bad om genade, vers 9—11.

En ten vijfde prijst Hij de Heere voor Zijn genadig antwoord, vers 12,13.

Het opschrift van de Psalm toont ons dat deze was ingegeven bij de inwijding van Davids huis, nadat het verontreinigd was door de schandelijke daad van Absalom met de bijvrouwen van zijn vader, zoals Davids vertrouwen en problemen daarna, hierin beschreven, ons duidelijk maken. Leer hieruit:

  1. Geen voordeel of schepsel-troost is voor ons wettig of zuiver, tenzij deze is geheiligd door Woord en gebed, en tenzij wij ons en ook de schepselen toewijden aan de dienst van God. En meer in het bijzonder leert de inwijding van iemands huis met de plechtigheden van de wet, die voor de inwijding ervan gebruikt werden, ons om op te merken en te erkennen voor God dat we des Heeren huurders zijn zoals Hem belieft, door Hem toegelaten in Zijn verblijven om door Hem onderhouden te worden gedurende ons verblijf op aarde. Het leert ons ook dat onze huizen heilig moeten zijn, zowel voor de personen in ons gezelschap als voor de dagelijkse oefening van godsdienst daarin, voor en na onze wettige dagelijkse verfrissingen en bezigheden daarin. En dat de Heere alleen de Bewaarder is van ons en van onze huizen, tegen wat voor kwaad ons ook maar kan overkomen, door mensen of duivels of enig ander ongeval. En dat het huis bevuild is, in het bijzonder wanneer God er openlijk in is onteerd. In dat geval moeten we ontferming zoeken voor onszelf en voor ons gezin en God bidden om de voortduur van Zijn wacht rondom ons, en om Zijn genade om hierna een recht gebruik te maken van ons huis. Dit is het wezen van de plechtigheden die gebruikt werden in het inwijden van iemands huis.

2. Ick sal u verhoogen, HEERE, want ghy hebt my opgetrocken, ende mijne vyanden over my niet verblijdt.

3. HEERE, mijn Godt; ick hebbe tot u geroepen, ende ghy hebt my genesen.

4. HEERE, ghy hebt mijne ziele uyt het graf opgevoert; ghy hebt my by ’tleven behouden, dat ick inden kuyl niet ben nedergedaelt.

Hij prijst God voor een aantal ontfermingen die samenkwamen in zijn bevrijding uit het gevaar om zowel zijn leven als zijn koninkrijk te verliezen. Leer hieruit:

  1. Des te meer de Heere ons verhoogt, des te meer moeten wij ons voor Hem vernederen en Zijn mildheid grootmaken. Want David wil de Heere hier verhogen, omdat de Heere hem heeft opgetrokken.
  2. Wanneer onze vijanden teleurgesteld worden, is dat, naast onze bevrijding van hun wreedheid, een nieuwe genade; en een reden van dankzegging aan God, wanneer Hij ervoor zorgt dat onze vijanden zich over ons niet verblijden.
  3. Wanneer God ons schijnt te verlaten en ons aan gevaren schijnt bloot te stellen, wordt onze ziel het al gauw moe en doodsheid van geest (met onmacht om in ons beroep of in Zijn dienst nog maar één ding te doen) grijpt ons aan. Maar wanneer de Heere, na het geloofsgebed gegrond op het verbond, verademing stuurt, is het voor ons weer een herleving, zoals we in Davids geval zien: o mijn God, ik riep tot U, en Gij hebt mij genezen.
  4. Bewaring voor kwaad en verlossing uit kwaad zijn gelijkwaardige genadegaven. Iemand redden die op het punt staat door de dood om te komen moet gezien worden als een opwekking uit de dood en moet ook als zodanig worden erkend in onze dankzegging tot God. Want David zegt hier: De HEERE heeft zijn ziel uit het graf opgevoerd, omdat Hij hem levend had gehouden, zodat hij in de kuil niet neerdaalde.

5. Psalm-singet den HEERE, ghy sijne gunst-genooten, ende segget lof ter gedachtenisse sijner heylicheyt.

6. Want een oogenblick isser in sijnen toorn, [maer] een leven in sijne goetgunsticheyt: des avonts vernacht het geween; maer des morgens isser gejuych.

Het tweede deel van de Psalm, waarin hij anderen opwekt om God voor Zijn ontfermingen te prijzen. Leer hieruit:

  1. Als we een poosje de ontfermingen aan ons bewezen overwegen, brengt het ons tot verheuging in God en in een zingende gestalte. Hierbij denken we, als we eenmaal daartoe wakker zijn geworden en zijn aangespoord, dat één mond te weinig is om God te prijzen, zoals we hier in David zien, die niet alleen zelf God prijst, maar ook al de heiligen aan het werk zet met hetzelfde doel, zeggende: Psalmzing voor de HEERE, al Zijn heiligen.
  2. Al is het dat we op dit moment geen besef hebben van onlángs ontvangen opmerkelijke ontfermingen, toch moeten verléden ervaringen van de betrouwbaarheid en heiligheid van God ons bij alle gelegenheden stof tot danken en prijzen geven, in het bijzonder in de gemeente, waar Zijn werken in herinnering worden geroepen: zeg lof, zegt hij, bij de gedachtenis aan Zijn heiligheid.
  3. Al is het dat we niet aan het peinzen waren over een bijzondere ervaring, toch moeten de bekende volmaaktheden van God ons stof (tot lof) verschaffen, en in het bijzonder omdat Hij, hoe zondig we ook zijn en de Heere vaak tergen, toch, zo traag als Hij is tot toorn, zo snel wordt Hij tot verzoening gebracht: Zijn toorn duurt maar voor een ogenblik.
  4. Wanneer we het goed bezien zijn de tekenen van Gods misnoegen maar voor een moment, maar het bewijs van Zijn gunst voor gelovigen is levenslang, want in het midden van de toorn denkt Hij aan ontferming. En de tekenen van Zijn gunst zijn veel meer dan van Zijn ongenoegen. En toorn gaat spoedig weg, maar gunst schijnt daarna en is van de langste duur. Toorn is op zijn langst maar tijdelijk, maar gunst duurt eeuwig: Zijn toorn is maar voor een moment, maar in Zijn gunst is leven, ja, eeuwig leven.
  5. Wanneer de Heere Zich aan een ziel toornig vertoont, is het bij haar een donkere en koude nacht, en wat kan zij in dit geval anders doen dan wenen en zwaarmoedig zijn wanneer de Bruidegom als het ware afwezig is? Wenen kan een nacht duren.
  6. Voor de gelovige volgt op de langste winternacht een verandering ten goede: vertroosting is zeker na een treurvolle situatie: wenen kan een nacht duren, maar vreugde komt in de morgen.

7. Ick seyde wel in mijnen voorspoet; Ick en sal niet wanckelen in eeuwicheyt

8. [Want], HEERE, ghy hadt mijnen berch door uwe goetgunsticheyt vast gesett: [maer doe] ghy u aengesicht verberchdet, wierd’ ick verschrickt.

In de derde plaats komt hij tot de beleving die hij onlangs had en die aanleiding gaf tot en inhoud was van deze Psalm: hij misbruikte zijn voorspoed, niet eraan denkend dat zijn staan was door genade, en hij daarom in vrees had moeten staan en bang had moeten zijn om zichzelf te vergeten. En daarom werd hij ervoor gekastijd. Leer hieruit:

  1. Een kind van God kan na een lange tijd van moeite een tijd van uitwendige rust en voorspoed hebben. Hier erkent bijvoorbeeld David, die veel moeiten had, dat hij voorspoed had.
  2. Zoals mensen in moeiten bang zijn dat zij er nooit vanaf komen, zo ook, wanneer God een keer ten goede verleent, denken mensen nooit weer zo in moeiten te zullen zijn. Deze vleselijke zekerheid is een zielsziekte, die voorspoed vergezelt; en de heiligste mensen kunnen er gemakkelijk mee overvallen worden. Want David belijdt: ik zei wel in mijn voorspoed: “Ik zal nooit wankelen.”
  3. De overweging dat ons staan in een goede situatie alleen komt van Gods gunst en genade moet ons bevreesd en bevend doen zijn om God te beledigen, en moet verhoeden om in vleselijke gerustheid te vallen. Dit erkent David ter vergroting van zijn fout: HEERE, U had mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet.
  4. De Heere zal het niet toelaten dat de Zijnen in vleselijke gerustheid stil blijven liggen, maar zal het matras en het kussen van die weldaden waarop zij slapen, wegnemen, en daarbij zal Hij ook de zoete gewaarwording van verzoening wegnemen en de Zijnen in moeite brengen om hen wakker te maken. Davids ervaring onderwijst ons dit allemaal: U verborg Uw aangezicht, en ik werd verschrikt.
  5. Mensen zien de dwaasheid van hun zondige weg en van hun zorgeloos genieten van Gods gunst niet zo goed in tijdens een tijd van voorspoed als nadat zij om hun dwaasheid hebben geleden, en bemerkt hebben dat de vrucht van hun vergeten van God en van hun te veel koesteren van en rusten op voorspoed, niets anders is dan pijnlijke en droevige moeiten, zowel lichamelijk als geestelijk. Want dit wordt ons onderwezen door de rekening die David nu opmaakt om, zoals een stuurman die een rots ontdekt, anderen te waarschuwen zich te hoeden voor valse gerustheid. En deze rekening is er pas na zijn moeite en ook na zijn overwinning erover.

9. Tot u, HEERE, riep ick; ende ick smeeckte tot den HEERE:

10. Wat gewin isser in mijn bloet? in mijn nederdalen tot de groeve? sal u het stof loven? sal’t uwe waerheyt verkondigen?

11. Hoort, HEERE, ende zijt my genadich; HEERE, weest my een helper.

In het vierde deel van deze Psalm beschrijft hij zijn verlossing uit zijn moeite en uit zijn zondige gerustheid, die deze moeite op hem deed komen. Hij bad, redeneerde en onderhandelde met God totdat de Heere hem verloste. Leer hieruit:

  1. Zoals vuur, hamer en vijlen ertoe dienen om roest van ijzer af te halen, zo functioneert verdrukking om de godvrezende ziel op te wekken uit valse gerustheid en haar te drijven tot ernstig gebed. Want nadat er moeite kwam, riep David tot de Heere.
  2. Al is het dat iemand in zijn voorspoed zich heeft misdragen en zich ondankbaar bewees tot God, en nalatig is geweest in zijn voornemens en beloften die hij in zijn lage staat God had gedaan, nu hij tot voorspoed is gekomen, toch, wanneer er moeite komt om hem wakker te maken en hem roept om de rekening op te maken, dan moet hij niet wanhopen, ook niet in moedeloosheid neerzitten in het besef van zijn enorme schuld. Maar omdat de Heere toornig is en er geen andere oplossing is dan Gods genade, moet hij zich als smekeling aan Gods voeten neerleggen: tot de HEERE smeekte David.
  3. Geloof in God argumenteert sterk en zal goed redeneren voor iemands leven, omdat het geloof het verbond der genade als grond heeft om op te staan. Het zal om zich te sterken een reden nemen uit de natuur van God, Die geen lust heeft in de dood van een boetvaardige zondaar; en een reden hieruit dat zijn ondergang geen voordeel oplevert voor het recht, wanneer rechtvaardigheid voldoening kan vinden in de Verlosser en de mens daardoor ook verlost kan worden. Wat voor winst is er in mijn bloed, in mijn neerdalen tot de kuil? En een reden uit het doel van de mens om in zijn leven God te verheerlijken tot stichting van anderen, als hij gespaard zou worden. Terwijl als hij van deze genade zou worden afgesneden, het voor hem bitterder zou zijn dan de dood: zal het stof U loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
  4. Wanneer het geloof tegen God heeft gezegd wat het heeft te zeggen, zal het wachten op een goed antwoord. Het zal zich verlaten op Zijn genade en het zal verlichting van de Heere verwachten, zoals David hier doet: hoor, HEERE, wees mij genadig, weest U mijn Helper.

12. Ghy hebt my mijne wee-klage verandert in eene reye; ghy hebt mijnen sack ontbonden, ende my met blijtschap omgordet.

13. Op dat [mijne] eere u psalm-singe, ende niet en swijge: HEERE, mijn Godt, in eeuwicheyt sal ick u loven.

In het laatste deel van de Psalm prijst hij God dankbaar omdat Hij hem alles had geschonken wat hij had begeerd; en verplicht hij er zich toe om zich zorgvuldiger te gedragen en Gods glorie te verkondigen. Leer hieruit:

  1. Het past een kind van God te wenen wanneer hij wordt geslagen en zich te verootmoedigen in de oefening van gebed en vasten, want Davids weeklacht en rouwkleed tonen zijn oefening in zijn vroegere moeite.
  2. Zoals (valse) gerustheid al onze vreugde in moeite verandert, zo is oprecht zoeken van God in de moeite de weg om al onze moeite in vreugde te veranderen: U hebt voor mij mijn weeklacht veranderd in een rei-dans, enz., en groot is die vreugde die een verzoende ziel vindt in God, na opnieuw de onderbroken ervaring van genade te voelen.
  3. Een goed geordende tong, die alle gelegenheden te baat neemt om God te verheerlijken en anderen te stichten, is een belangrijk punt van des mensen uitnemendheid, niet alleen boven de beesten, maar ook boven allen die hun tong niet gebruiken voor God en ten goede van anderen. Daarom noemt David zijn tong zijn eer.
  4. Het eigenlijke doel van God om mensen genade te bewijzen is: hen te verplichten om voor de wereld Hem Zelf lof en eer te geven: U hebt mij met blijdschap omgord, zegt hij, met als doel dat mijn eer U prijst, en niet zwijgt.
  5. Het rechte gebruik van de ervaringen van Gods ontferming voor ons is: eerst om ons geloof vast te maken in God en om vast te staan in Gods verbond, met ons in Christus gemaakt; daarna, na te hebben erkend dat dit onze plicht is, om God dankbaar te zijn dat Hij ons hart constant tot de uitoefening hiervan aanzet. Het eerste doet de profeet hier door God te noemen, de HEERE mijn God; het tweede doet hij met deze woorden: voor altijd zal ik U danken.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën