Website van Ds. W. Pieters

psalm 31

p

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. EEn Psalm, voor den Opper-sang-meester.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

Een andere oefening van David, waarin hij, terwijl hij in groot gevaar is om door zijn vijanden gevangengenomen te worden, bidt om verlossing, vers 2—7.

Ten tweede sterkt hij zijn geloof door zijn verleden ervaring, vers 8,9.

Ten derde legt hij in gebed zijn beklagenswaardige situatie voor God neer, vers 10—14.

Ten vierde worstelt hij in gebed verder om troost en veiligheid voor zichzelf, en om verwarring voor zijn vijanden, vers 15—19.

Ten vijfde maakt hij, wanneer hij bevrijd en vertroost is door een nieuwe ervaring van Gods genadige bewaring van hem, er een goed gebruik van door God ervoor te prijzen, en wekt hij de godvrezenden op om God te loven en zich op Hem te verlaten, vers 20—25.

2. Op u, ô HEERE, betrouw ick, en laet my niet beschaemt worden in eeuwicheyt; helpt my uyt door uwe gerechticheyt.

3. Neycht uwe oore tot my, reddet my haestelick, weest my tot eenen stercken rotzsteen: tot een seer vast huys, om my te behouden.

4. Want ghy zijt mijn steenrotzse, ende mijne burcht; Leydt my dan, ende voert my om uwes Naems wille.

Uit zijn aandeel in God door het verbond sterkt hij zichzelf in gebed om verlossing. Leer hieruit:

  1. Geloof dat wordt erkend en vastgehouden, verschaft gebed en geeft hoop op verhoord te worden. Want nadat David eerst heeft gezegd: in U, Heere, stel ik mijn vertrouwen, voegt hij er aan toe: laat mij nooit beschaamd worden. Want zoveel mag een gelovige verwachten, al is het dat hij zijn hoofd een tijdje moet laten hangen, dat hij uiteindelijk toch niet beschaamd zal worden.
  2. Zoals de Heere in Zijn wijsheid moeite op moeite op een gelovige doet komen, zo geeft Hij in Zijn rechtvaardigheid en getrouwheid beloofde bevrijding op bevrijding van verdrukkers: bevrijd mij door Uw gerechtigheid.
  3. Waar het gevaar groot is en de genegenheden vurig zijn, mag de smeking herhaald worden zonder dat het omhaal van woorden is; en een spoedige hulp mag zonder begrenzing van God worden gesmeekt. Ook mag er worden gebeden dat er naar een arme smekeling wordt geluisterd met – als het ware – een toegeneigd oor, zonder Gods majesteit te verlagen, zoals hier: neig Uw oor tot mij, red mij haastig.
  4. Als er maar een moment tussen ons en het verderf zou zijn en als onze vijanden – sterker dan wij – klaar zouden staan om ons te grijpen, dan ziet geloof toch dat God er Zich haastig tussen kan stellen en ons kan opheffen boven het bereik van onze vijanden: wees mijn sterke Rots, tot een Huis van verdediging, om mij te behouden.
  5. Wat de Heere Zich door het verbond heeft verplicht voor ons te zijn, dat mogen we bidden en verwachten te bevinden dat Hij werkelijk zal zijn: wees mijn sterke Rots, zegt hij, Want U bent mijn Rots.
  6. Wanneer moeite en ongemakkelijke gebeurtenissen onze onkunde, onze blindheid en zwakheid voor ons open leggen, hebben we een God, Die Zich omwille van Zijn glorie ertoe heeft verplicht om voor ons zorg te dragen en ons door te helpen. Want de bede van de gelovige is: leid mij en voer mij om Uws Naams wil.

5. Doet my uytgaen uyt het net, dat sy voor my verborgen hebben; want ghy zijt mijne sterckte

6. In uwe hant beveel ick mijnen geest, ghy hebt my verlost, HEERE, ghy Godt der waerheyt.

7. Ick hate de gene, die op valsche ydelheden acht nemen; ende ick betrouwe op den HEERE.

Hij komt meer in het bijzonder tot zijn gevaar en bidt met verscheidene redenen om verlossing en om versterking van zijn geloof. Leer hieruit:

  1. Omdat de kinderen van deze wereld wijzer zijn in hun geslacht dan de kinderen van het licht, daarom jagen en achterhalen zij de godvrezende door hun sluwe plannen tegen hem: zij legden in het verborgen hun netten tegen David en verstrikten hem.
  2. Hoewel de godvrezenden zwak zijn en naïef, toch hebben ze een wijze en sterke God om aan te roepen, Die machtig is de strik te breken en de Zijnen vrij te maken, Wiens hulp David hier afsmeekt: doe mij uit het net uitgaan, want U bent mijn Sterkte.
  3. De weg om in de gevaren van ons sterfelijke leven (dat spoedig en gemakkelijk wordt weggenomen; en we kunnen onszelf niet bewaren) ons gemoed gerust te stellen, is onze ziel aan Gods zorg en bewaring toe te vertrouwen: in Zijn handen onze geest te bevelen.
  4. Het woord van God dat aan de gelovige zekerheid geeft van zijn verlossing, is voldoende grond om hem zijn ziel vol vertrouwen te doen bevelen in Gods bewaring. Want hij mag met reden zeggen: U hebt mij verlost, o God der waarheid!
  5. Wereldse mensen die niet in God geloven, hebben iets anders waarin zij vertrouwen, zoals rijkdom, vriendschap, hun eigen scherpzinnigheid. Deze vleselijke toevluchten zijn maar liegende leegheden, waarvoor de gelovige op zijn hoede moet zijn en hij moet de weg van hen die dit allemaal volgen, haten. Want David haatte hen die op valse ijdelheden acht namen, want hij vertrouwde op de HEERE.

8. Ick sal my verheugen ende verblijden in uwe goedertierenheyt, omdat ghy mijne elende hebt aengesien, [ende] mijne ziele in benautheden gekent.

9. Ende en hebt my niet overgelevert inde hant des vyants: ghy hebt mijne voeten doen staen in de ruymte.

In de volgende plaats sterkt hij zijn geloof door zijn vorige ervaring, en belooft hij zich na zijn tegenwoordige zorg: vreugde en blijdschap, waar hij nu al enig gevoel van heeft, opgewekt door zijn ervaring in herinnering te roepen. Leer hieruit:

  1. In het midden van moeite zal het geloof vreugde verschaffen en zichzelf blijdschap beloven, in het bijzonder uit de herinnering van verleden ervaringen van Gods genade, zoals hier: ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid.
  2. Wanneer een gelovige in tegenspoed verkeert, zal de Heere Zich niet vreemd van hem houden. Hij zal hem laten weten dat Hij zelfs dán een oog op hem heeft en vriendelijke genegenheden voor hem: U hebt mijn ziel in benauwdheden gekend.
  3. Vijandige krachten zullen bij een bevestigde gelovige niets bereiken, maar hij zal ervan bevrijd worden en ze overwinnen, óf tijdelijk óf geestelijk óf allebei. Want hier is de ervaring ervan: U hebt mij niet overgeleverd in de hand van de vijand. U hebt mijn voeten doen staan in een ruime plaats.
  4. De grond van onze blijdschap, wanneer we een bewijs van Gods vriendelijkheid voor ons hebben ervaren, moet niet zozeer in de gave zijn als wel in de bron van de gave. Want dit geeft ons hoop om opnieuw van een gelijksoortige ervaring te drinken uit de bron die deze gave uitzond. Daarom zegt David: ik zal mij voor altijd verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid.

10. Zijt my genadich, HEERE, want my is bange: van verdriet is doorknaecht mijn’ ooge, mijne ziele, ende mijn buyck.

11. Want mijn leven is verteert van droeffenisse, ende mijne jaren van suchten; mijne kracht is vervallen door mijne ongerechticheyt: ende mijne beenderen zijn doorknaecht:

12. Van wegen alle mijne wederpartijders ben ick, oock mijnen nabueren, grootelicx tot eenen smaet geworden, ende mijnen bekenden tot eenen schrick: die my op der straten sien, vlieden van my wech.

13. Ick ben uyt het herte vergeten, als een doode; Ick ben geworden als een bedorven vat.

14. Want ick hoorde de nasprake van velen; vreese is van rontsomme, dewyle sy t’samen tegen my raetslaen: sy dencken mijne ziele te nemen.

In de derde plaats stalt hij zijn beklagenswaardige omstandigheid uit met betrekking tot de verwarring van gemoed en het verval van zijn natuurlijke kracht, door verdriet en zorg van hart, en met betrekking tot de verachting door zijn vijanden en de verwaarlozing door zijn vrienden en het gevaar van zijn leven, verbonden met het gevoel van Gods ongenoegen over zijn zonden. Hierin is hij een type van Christus, Die leed voor onze zonden, die Hem werden aangerekend, en hij is een voorbeeld van de harde oefeningen van de heiligen. Leer hieruit:

  1. Groot en langdurig kunnen de moeiten van de godvrezenden zijn; groot kan hun smart en bezwaardheid van hart zijn, voordat zij troost ontvangen, zoals het voorbeeld van deze zachtmoedige man — zo heilig in zijn weg en zo onderworpen in zijn verdrukkingen — door verschillende uitdrukkingen toont.
  2. Al heeft de Heere geen woorden nodig om Hem over onze situatie te informeren of om Zijn genegenheid voor Zijn kinderen in hun ellende in beweging te zetten, toch heeft Hij ons verordend, tot bewijs van ons geloof in Hem en onze afhankelijkheid van Hem voor onze verlossing, om te komen en Hem te vertellen wat ons scheelt. En inderdaad is het een opluchting voor het godvrezende hart om tot de Heere te spreken en hun zaak voor Hem neer te leggen, zoals we hier zien.
  3. De bewustheid van zonde, verenigd met moeite, is een extra gewicht op een last, en is méér in staat om iemands kracht te breken dan welke moeite ook. Want hier zegt hij: mijn kracht vervalt vanwege mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn verteerd.
  4. Wanneer de godvrezenden veel machtige vijanden hebben, dan zullen hun bekenden en buren en de menigte van het volk gauw geloven dat alle slechte dingen die over hen verteld worden, waar zijn. En dit maakt het verdriet van de godvrezenden des te groter, zoals hier: ik was een smaad onder al mijn vijanden, maar in het bijzonder onder mijn buren.
  5. Wanneer de godvrezenden terechtkomen onder vervolging en moeite, zullen hun wereldse vrienden, uit angst voor gevaar of dat zij voor hen een last zijn, zich van hen afkeren en vergeten dat ze hen kennen, ja, en ook natuurlijke banden met hen. En dan moeten de godvrezenden steunen op God en troost van Hem verwachten. Dit wordt duidelijk in dit type van Christus en voorbeeld van de gelovigen onder beproevingen: mijn bekenden ben ik tot schrik.
  6. Lang in moeite te zijn zal veroorzaken dat iemand door zijn vrienden vergeten wordt, alsof hij dood is. En het zal hem alle achting van hen doen verliezen, alsof er in hem in het geheel geen waarde zou zijn: ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben als een gebroken vat.
  7. Het is satans beleid om aanzienlijke mensen en raadslieden van de overheid tot afkeer van de godvrezenden te brengen. Want over het algemeen gaat dat wat aanzienlijke mensen van de godvrezenden vinden, door voor waarheid. En het is satans beleid om de godvrezenden eerst te beladen met laster en hen dan te vervolgen tot de dood: ik heb de laster van velen gehoord; zij beraadslaagden samen om mijn leven weg te nemen.
  8. Tijdens een scherpe beproeving kan een ziel van alle kanten worden aangevallen met vreselijke verzoekingen en kan zij vanbinnen en vanbuiten schrik en strijd voelen: vrees, zegt hij, was van rondom.

15. Maer ick vertrouw’ op u, o HEERE; ick segge, Ghy zijt mijn Godt.

16. Mijne tijden zijn in uwe hant; reddet my van de hant mijner vyanden, ende van mijne vervolgers.

17. Laet u aengesicht over uwen knecht lichten; verlost my door uwe goedertierenheyt.

18. HEERE, laet my niet beschaemt worden, want ick roep u aen; Laet de godtloose beschaemt worden, laetse swijgen in’t graf.

19. Laet de valsche lippen stom worden, die hardt spreken tegen den rechtveerdigen, in hoochmoet ende verachtinge.

In de vierde plaats worstelt hij ondertussen in geloof om bevrijding en troost, totdat er voor hem bevrijding komt en voor zijn vijanden teleurstelling. Leer hieruit:

  1. Het is de aard van het geloof en het is de plicht van de gelovige om de hulp van God te stellen tegenover alle verzoekingen, al zouden die nog zo veel zijn, zoals David hier deed: maar ik vertrouwde op U, o HEERE.
  2. Tenzij wij de grip op ons verbond met God vasthouden en het voor Hem belijden, zal vertrouwen falen en zullen verzoekingen gemakkelijk de overhand hebben. David maakte in zijn benauwenis veel gebruik van het verbond: ik zei: U bent mijn God.
  3. Geloof kan blij gebruik maken van de algemene gronden van Gods voorzienigheid door deze toe te passen op de tegenwoordige situatie. De uitdelingen voor alle mensen van vertroostingen en moeiten, leven en dood, zijn in Gods hand en niet in de macht van mensen: mijn tijden zijn in Uw hand, zegt David.
  4. Omdat alle macht in Gods hand is, zal gebed tot Hem meer bereiken tot bevrijding van vijanden dan welke andere middelen daarnaast ook: red mij van de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
  5. Wanneer een wolk van moeite des Heeren gunst verbergt, weet geloof dat deze weer kan lichten, en bidt daarom door de wolk heen om die weg te vagen: laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten.
  6. Zoals we ons best moeten doen om ons als dienaren van de Heere te bewijzen door ons in te spannen om Hem te gehoorzamen, zo moeten we ook van de genade, en niets anders dan van genade, de grond maken van onze hoop om geholpen, getroost of gezaligd te worden: laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten, zegt hij, verlos mij om Uw goedertierenheid.
  7. Zoals de ootmoedige bede van de vervolgde godvrezenden zal worden verhoord en goed gevolg zal hebben, zo zullen het trotse snoeven, de bevooroordeelde lasterpraat en de bedreigingen van kwaadsprekende en wrede vijanden schandelijk worden afgewezen en teleurgesteld. En als de vijanden niet tijdig zullen stoppen te vervolgen, zullen zij in hun graven tot een einde worden gebracht: laat mij niet beschaamd worden, want ik heb U aangeroepen. Laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf. Laat de valse lippen tot zwijgen worden gebracht, die hoogmoedig en verachtend harde dingen spreken tegen de rechtvaardige.

20. O hoe groot is u goet, dat ghy wechgeleyt hebt voor de gene die u vreesen! [dat] ghy gewrocht hebt voor de gene die op u betrouwen, in de tegenwoordicheyt der menschen kinderen!

21. Ghy verberchtse in’t verborgene uwes aengesichts voor de hoochmoedicheden des mans; ghy versteecktse in eene hutte voor den twist der tongen.

22. Gelooft zy de HEERE, want hy heeft sijne goedertierenheyt aen my wonderlick gemaeckt, [my voerende als] in eene vaste stadt.

Nu vertroosting en bevrijding het antwoord zijn op zijn gebed, prijst hij God, en wekt hij de godvrezenden op om hun harten op God te stellen en altijd op Hem te vertrouwen. Leer hieruit:

  1. De gulheid van de Heere voor Zijn eigen volk, zoals in de wereld gezien en in de gewone handelingen van de Heere met hen opgemerkt, en in iemands eigen ervaring gevoeld, is in staat om het hart te verrukken met bewondering van de gelukzaligheid van God volk, zoals hier: o, hoe groot is Uw goedheid!
  2. Behalve de vertroosting van geest die de Heere de Zijnen geeft, wil de Heere soms in Zijn voorzienigheid zoveel zorg aan Zijn dienaren betonen dat niet alleen de godvrezenden, maar ook zij die maar mensenkinderen zijn, gedwongen zullen zijn om des Heeren uitzonderlijke zorg voor hen te erkennen. En behalve wat de Heere zowel inwendig als uitwendig aan de Zijnen verleent in dit leven, ligt er nog meer klaar voor later, ter voltooiing van de gelukzaligheid in het toekomstige leven: hoe groot is Uw goedheid, die U weggelegd hebt voor degenen die U vrezen; dat U gewerkt hebt voor degenen die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!
  3. Wat een grote vrede van geweten voor God en troost in de Heilige Geest, kan de Heere een gelovige geven wanneer hij te maken heeft met trotse, openlijke vervolgers en heimelijk fluisterende lasteraars! Het is een geheim en een grote verborgenheid voor de wereldse mens. Dit beschrijft David in een beeldspraak, ontleend aan de oorlogvoering: U zult hen verbergen in het verborgene van Uw aanwezigheid voor de hoogmoed van een man. U zult hen heimelijk bewaren in een hut voor de twist der tongen.
  4. Zoals elke gelovige, wanneer hij enige ervaring heeft ontvangen van Gods goedheid, dit moet opvatten als een bijzonder bewijs van een algemene belofte, aan de godvrezenden gedaan, zo moet hij de waarheid van die belofte onderschrijven ten gunste van alle gelovigen, en God prijzen voor zijn eigen bijzondere ervaring ervan. Want zo doet de profeet hier, nu hij zegt: Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij bewezen. Dat is: welk een vriendelijke God Hij is voor de Zijnen, als in een sterke stad. Dat is: Hij beschermde mij in de wildernis alsof ik in de best ommuurde stad van de wereld was, voorzien van mensen, leeftocht en munitie in overvloed.

23. Ick seyde wel in mijn haesten; Ick ben afgesneden van voor uwe oogen: dan noch hoordet ghy de stemme mijner smeeckingen als ick tot u riep.

Hij belijdt de grote benauwdheid waarin hij was, en hoe zwak zijn geloof was onder de verzoeking. Dit erkent hij tot zijn eigen schaamte zo, dat hij des te grotere eer kan geven aan God. Leer hieruit:

  1. Het geloof van de godvrezenden kan geschud worden en het sterkste geloof kan soms zijn zwakheid tonen: ik zei in mijn haast: “Ik ben afgesneden van voor Uw ogen.”
  2. Hoewel geloof geschud kan worden, is het toch bevestigd in de wortel. Net zoals een boom die door de wind aangegrepen wordt, maar een stevige grip houdt op de goede grond. Hoewel geloof schijnt te zwichten, faalt het toch niet. En zelfs wanneer het op zijn zwakst is, uit het zich in de een of andere daad als een worstelaar. Want hier wordt de uiting van Davids zwakheid in geloof gericht tot God en zijn ernstig gebed wordt ermee verbonden: ik ben afgesneden van voor Uw ogen, toch hoorde U de stem van mijn smekingen.
  3. Biddend geloof zal, hoe zwak het ook is, door God niet miskend worden, want toch, zegt hij, hoorde U de stem van mijn smekingen.
  4. Er kunnen in een ziel op hetzelfde moment zowel verdrukkend leed zijn als bemoedigende hoop; zowel donkerheid van ellende als het licht van het geloof; zowel wanhopige twijfel als een sterk aangrijpen van Gods waarheid en goedheid; zowel bezwijken als strijden; zowel een schijnbaar zwichten in de strijd als toch een zich verzetten van het geloof tegen alle tegenstand; zowel een dwaas haasten als een gegronde standvastigheid van het geloof; zoals hier: ik zei in mijn haasten, enz.

24. Hebbet den HEERE lief, ghy alle sijne gunst-genooten; [want] de HEERE behoedt de geloovige, ende vergeldt overvloedelick den genen die hoochmoet bedrijft.

25. Zijt sterck, ende hy sal u lieder herte verstercken; alle ghy die op den HEERE hopet.

Nu maakt hij verder gebruik van zijn ervaring om al de godvrezenden aan te sporen om zijn voorbeeld te volgen door hen nog te bemoedigen met hoop op een gelijke uitslag. Leer hieruit:

  1. De gunstrijke behandeling door God van de gelovigen moet hun eigen hart en het hart van alle andere heiligen die erover horen, doen kleven aan God, in geloof en liefde: heb de HEERE lief, al Zijn heiligen. Hij schrijft ‘liefde’ in plaats van ‘geloof’ omdat ze onafscheidelijk is van het geloof; en geloof werkt door de liefde en liefde bewijst de oprechtheid van het geloof.
  2. De gelovige zal het niet ontbreken aan een Bewaarder, al zou hij geen vrienden hebben, want de HEERE behoedt de gelovigen.
  3. De hoogmoedige zal het niet ontbreken aan een Vervolger en Iemand Die zich op hem wreekt vanwege zijn hoogmoed en verdrukking, hoewel de hele wereld hem laat gaan, want de HEERE vergeldt overvloedig degene die hoogmoed bedrijft.
  4. Al kan het zijn dat een gelovige tegenstand ondervindt, toch moet hij alles weerstaan wat hem zou kunnen terughouden van vertrouwen op God, want het past een gelovige moedig te zijn: wees sterk.
  5. Wie zich richt op moed in de Heere, zal voorzien worden met kracht om zijn geloofsverrichtingen te verdubbelen: wees sterk, en Hij zal uw hart versterken.
  6. Hoop, gegrond op de belofte, moet vaststaan, zodat onze moed gefundeerd zou zijn, niet op onszelf, maar op het Woord van God: wees sterk, allen die op de HEERE hopen.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën