Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
1) 1. EEn onderwijsinge Davids.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
In deze Psalm beschrijft David, als een algemene waarheid, de gelukzaligheid van de door het geloof gerechtvaardigde mens (vers 1 en 2), die hij verduidelijkt door zijn eigen ervaring vers 3—5. Vervolgens toont hij ons het nut zowel van de algemene leer als van zijn eigen ervaring:
- ten eerste, om de godvrezenden aan te zetten om in ellende tot God te gaan in gebed, vers 6;
- ten tweede om zijn eigen geloof te bevestigen, vers 7;
- ten derde om alle mensen te onderwijzen zich aan God te onderwerpen en niet met Hem te strijden wanneer Hij hen corrigeert of oefent, vers 8 en 9;
- ten vierde, om onder alle omstandigheden in God te geloven, vers 10;
- en ten vijfde om de Heere de vreugde en het genot te maken van de gerechtvaardigde mens, vers 11.
‘Maschil’ (zie kanttekening Statenvertaling) staat in het opschrift van deze Psalm, en betekent ‘onderwijs’; om ons te leren dat de leer van de rechtvaardiging door het geloof een les is die alle mensen moeten leren en steeds grondiger moeten leren, omdat de zaligheid en de dagelijkse vertroosting in alle oefeningen van onze ziel daarvan afhangen.
1. Welgelucksalich is hy, wiens overtredinge vergeven, wiens sonde bedeckt is.
2. Welgelucksalich is de mensche, dien de HEERE d’ongerechticheyt niet toe en rekent; ende in wiens geest geen bedroch en is.
Leer uit de leer, die in deze twee verzen beschreven is:
- Dat zonde een schuld met zich brengt die niemand kan betalen, zulk een schuld dat iemand omkomt, als ze niet vergeven wordt.
- Zonde is een vuil dat God niet kan aanzien zonder de zondaar te verafschuwen, en dat ook het schuldige geweten niet kan zien zonder verschrikking, tenzij ze bedekt is.
- Zonde brengt een schuldig-zijn met zich mee, die mensen kan brengen tot verdoemenis, als ze zal worden toegerekend.
- Er is voor een zondaar voor God geen rechtvaardiging door zijn goede werken, maar alleen door de vergeving van zijn kwade werken, zoals de apostel in Romeinen 4 vers 6—8 bewijst, waar hij deze plaats aanhaalt: welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven is.
- Rechtvaardiging door het geloof of vergeving van zonden wordt vergezeld door recht op zaligheid, want er is geschreven: welgelukzalig is de man, wiens overtreding vergeven is.
- Rechtvaardiging door het geloof of vergeving van zonden wordt ook vergezeld door de oprechte inspanning van heiligmaking. Want van de gerechtvaardigde wordt gezegd: welgelukzalig is de mens, in wiens geest geen bedrog is.
- Al leeft er niemand die niet zondigt, toch heeft God een middel om het geweten te reinigen van de oprechte, die eerlijk en zonder bedrog probeert te wandelen voor God, door hem te brengen tot het belijden van zijn schuld en het erkennen van zijn vuilheid en van zijn schuldig-zijn voor God. En hem dan omwille van Christus te vergeven, met Christus’ gerechtigheid te bedekken, en omwille van de bemiddeling van Christus de ongerechtigheid niet toe te rekenen.
3. Doe ick sweech, wierden mijne beenderen veroudert, in mijn brullen den gantschen dach.
4. Want uwe hant was dach ende nacht swaer op my, mijn sap wert verandert in somer-droochten, Sela!
Hij verklaart deze leer met zijn eigen ervaring, hoe Gods toorn nooit ophield hem te achtervolgen, totdat hij zover kwam om van deze leer gebruik te maken, door zijn zonde te erkennen en tot de weldaad van de vergeving van zonde te vluchten, omwille van het bloed van de Messias, het Lam, Dat van het begin van de wereld geslacht was, in het symbool van het zoenoffer, dat toen dagelijks werd geofferd voor de zonde. Leer hieruit:
- Die persoon is het meest geschikt om over de leer van ’s mensen zonde en ellende te spreken en van Gods vrije genade en barmhartigheid, die de bitterheid van zonde en toorn heeft gevoeld, en de zoetheid van Gods genade door de ervaring van Gods vergeving. Daarom wordt deze leer aan de kerk aanbevolen door David, die beide had gevoeld.
- Een gerechtvaardigd mens die de leer van de rechtvaardiging door het geloof in Christus kent, kan mogelijk, ja gemakkelijk, toch vergeten om van deze kostbare waarheid gebruik te maken wanneer hij ze het meest nodig heeft, omdat hij verkeert onder de schuld en ook de druk van Gods vaderlijke toorn daarover. Want toen David een poosje in deze omstandigheid was, zweeg hij en kwam hij niet tot de erkenning van zijn zonde, maar was hij alleen maar in beslag genomen door het gevoel van de roede.
- Wanneer de Heere Zijn kind gevoelig wil maken over zijn zonde en over de noodzaak van vrije vergeving daarvan door de Middelaar, kan Hij het bewustzijn van de zonde doen ontwaken door het gevoel van droevige verdrukking. En Hij kan de hitte van de oven doen toenemen en Zijn kind doen brullen van smart en pijn, en daardoor zijn natuurlijke kracht verzwakken en zijn geest en zijn vlees en zijn beenderen doen kwijnen, en hem tot de deur van de dood drijven, totdat hij gebruik maakt van de leer van de rechtvaardiging of de vergeving van zonde door het geloof in God de Verlosser. Dit was Davids geval, toen hij bleef zwijgen en zijn beenderen verouderden. Gods hand was zwaar op hem, nacht en dag, en het sap van zijn lichaam droogde op zoals een stuk vochtige aarde verdroogt in de zomerdroogte.
5. Mijne sonde maeckt’ ick u bekent, ende mijne ongerechticheyt en bedeckt’ ick niet: Ick seyde; Ick sal belijdenisse van mijne overtredingen doen voor den HEERE; ende ghy vergaeft d’ongerechticheyt mijner sonde, Sela!
Ten slotte leidde de Heere hem tot het rechte geneesmiddel, wees hem de weg van verootmoediging en zondebelijdenis en het zoeken van genade, zoals het in het Woord is voorgeschreven. En zo werd hij vertroost. Leer hieruit:
- Voordat de Heere Zijn kind onder de roede vandaan laat gaan, nadat Hij hem kennis van zichzelf heeft gegeven en van zijn eigen weg hoe onnuttig deze is, zal Hij hem brengen tot de rechte weg van vertroosting, zoals we hier zien.
- De enige manier om het geweten tot rust te brengen, om de toorn te blussen en het oordeel weg te nemen, is oprecht onze zonde te belijden die eerlijk te verzwaren (terwijl we verzachtende omstandigheden, verontschuldigingen en uitvluchten terzijde leggen, ter rechtvaardiging van Gods handelwijze met ons en ter verootmoediging van onszelf voor Hem), en om te vluchten tot Gods ontferming, terwijl we alles voor Hem openleggen als voor een genadig God, Die onenigheden van de Zijnen met Hem alleen achtervolgt met de bedoeling dat zij vrede met Hem zullen maken in de Middelaar, en zo verzoend worden. Zo deed David: hij erkende zijn zonde, en wel voor God. Hij verborg zijn ongerechtigheid niet.
- Verzoening met God en vernieuwing van onze vrede staan binnen handbereik, wanneer we – zoals gezegd – de juiste weg nemen om verlost te worden. Want zodra David besloot deze koers te nemen en zei dat hij belijdenis wilde doen, volgt: U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde.
6. Hierom sal u een yeder heylige aenbidden in vindens tijt; Ia in eenen overloop van groote wateren, sullen sy hem niet aenraken.
Het eerste gebruik van deze leer en van Davids ervaring is om anderen te onderwijzen hoe zich in hun moeite te gedragen. Leer hieruit:
- De leer van de rechtvaardiging door de ongerechtigheid genadig te vergeven is de grond van alle naderingen van de godvrezende tot God, en van de rechte aanbidding van Hem. Want om het gebruik van deze leer te tonen, door ervaring beproefd, zegt hij: iedere godvrezende zal tot U bidden.
- Er is een tijd dat God gevonden kan worden, namelijk zo lang als God genade aanbiedt en het uiterste van Zijn toorn inhoudt. Deze tijd moeten mensen te baat nemen, omdat ze niet weten hoe kort deze kan duren. Zij zullen bidden in een tijd dat U gevonden kunt worden.
- Het is mogelijk dat een godvrezende in het midden van wateren kan zijn van erge moeiten, en dat toch deze moeiten hem niet aanraken, omdat God hem een ark kan verschaffen in Christus, waardoor hij boven de zondvloed zal drijven. En wanneer God moeiten afweert, dat ze niet schadelijk blijken te zijn (en nog veel meer wanneer Hij voor iemand moeite tot een middel maakt van geestelijk goed en wanneer Hij hem ware vrede en tevredenheid in Hemzelf geeft), dan wordt bewaarheid wat hier wordt beloofd: zeker, in de overstromingen van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.
7. Ghy zijt my eene verberginge, ghy behoedt my voor benaeutheyt; ghy omringt my met vrolicke gesangen van bevrydinge, Sela!
Leer uit het tweede gebruik waardoor David zijn eigen geloof voor de komende tijd bevestigt:
- Ervaring van Gods verleden genade moet de beslissing vaster maken om in alle moeiten gebruik te maken van het geloof, zoals hier.
- De godvrezenden moeten zich na de ene moeite voorbereiden op een andere, en na de ene verlossing een andere verwachten, zoals hier.
- Wat God heeft bewezen voor ons te zijn in het verleden, dat mogen we onszelf beloven dat Hij hierna ook voor ons Dezelfde zal blijken te zijn, omdat Hij door verbond en belofte dát voor ons is, wat wij in de praktijk hebben bevonden dat Hij is. Want David redeneert als volgt: U zijt voor mij een Verberging; U behoedt mij voor benauwdheid, dat is: ik zal door de moeite geen schade lijden, zoals gezegd is.
- Een gerechtvaardigde ziel die besluit om in overeenstemming met het verbond gebruik van God te maken in elke omstandigheid die zich aan hem kan voordoen, mag zich een troostrijke uitkomst beloven uit al zijn moeiten; en stof tot lof en vreugde van God, op allerlei manieren. Ja, hij kan vol vertrouwen met David zeggen: U zult mij omringen met gezangen van bevrijding.
8. Ick sal u onderwijsen, ende u leeren van den wech, dien ghy gaen sult; Ick sal raetgeven, mijn’ ooge sal op u zijn.
9. Weest niet gelijck een peert, gelijck een muyl-ezel, welck geen verstant en heeft, welckes muyl men breydelt met toom ende gebitt, op dattet tot u niet en genaecke.
Het derde gebruik is om anderen te onderwijzen om door zijn voorbeeld wijs te zijn. Leer hieruit:
- Het juiste gebruik van ervaring is anderen stichten, zoals onze roeping vraagt. Wanneer we bekeerd zijn, moeten we onze broeders sterken, want dit doet David: ik zal u onderwijzen, &c.
- Wanneer we hebben gehoord hoe anderen verdrukt werden, moesten wij wijzer zijn en uit hun voorbeeld een les leren om niet tegen God te strijden, maar ons onder Zijn hand te onderwerpen, onze zonden te erkennen en genade bij Hem te zoeken: wees niet als een paard of als een muilezel.
- Wie zich niet aan God wil onderwerpen en Zijn gunst wil zoeken, zal bevinden dat hij zoveel temeer hard zal worden behandeld, zoals paarden en ezels worden ingetoomd met bit en toom.
10. De godtloose heeft vele smerten; maer die op den HEERE vertrouwt, dien sal de goedertierenheyt omringen.
Leer uit het vierde gebruik om in alle omstandigheden de koers vast te houden om God aan te kleven, omdat het met de gelovige beter zal gaan dan met de goddeloze:
- Geen voordeel is te krijgen uit het mopperen op God, alleen de vermenigvuldiging van moeiten zal daarop volgen, zonde op zonde, toorn op toorn, oordeel op oordeel. En na alle tijdelijke kwaden zullen de eeuwige volgen: veel smarten zullen er voor de goddeloze zijn.
- Niet mopperen op God, onze kastijdingen aanvaarden, in onze verdrukkingen onze zonden erkennen, Gods genade zoeken en op Hem leunen, dit maakt het verschil tussen de goddeloze en de godvrezende. Want hier wordt de gelovige gezet tegenover de goddeloze en de man die als een paard of ezel is, want hij wordt genoemd: hij die op de HEERE vertrouwt.
- Wat voor verzoeking, moeite of tegenkanting maar op de gelovige zal aanvallen, genade zal voor de verdediging zorgen en zal aan alle kanten verlossing geven: want goedertierenheid zal hem omringen.
11. Verblijdet u inden HEERE, ende verheuget u, ghy rechtveerdige, ende singet vrolick, alle ghy oprechte van herten.
Leer van het laatste gebruik, namelijk om onze vreugde en ons vermaak in God te hebben:
- Zulke mensen die de weg van rechtvaardiging door genade verstaan en die tot God zijn gevlucht om vergeving van zonde en die zo dus gerechtvaardigd zijn, hebben veel reden om zich te verheugen, en zij moeten zich verplicht voelen om zich in God te verblijden. Want tegen hen wordt gezegd: verheug u, rechtvaardigen.
- De gerechtvaardigde is geen na-aper wat betreft de godsdienst en geen huichelaar wat betreft de uitwendige gehoorzaamheid aan de wet des Heeren: hij is een rechtvaardige, hij is oprecht van hart.
- De stof van zijn vreugde en gloriëren is de Heere Zelf, Zijn genade, Zijn goedwilligheid, Zijn verbond, Zijn belofte en constante vriendelijkheid en barmhartigheid, want tegen hen wordt gezegd: verblijd u in de HEERE.
