Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
Deze Psalm heeft, in Gods voorzienigheid, geen opschrift, zoals vele anderen ook niet hebben, opdat we de Heilige Schrift zouden zien als geheel en al door God geïnspireerd, en niet waarde eraan zouden hechten vanwege de schrijvers ervan, of hun namen erbij staan of niet. In deze Psalm is:
- Ten eerste een aansporing, vers 1—3, om God te prijzen voor Zijn machtige, wijze en rechtvaardige regering van alle dingen in het algemeen, vers 4,5, en meer in het bijzonder voor Zijn machtige leiding van de scheppingsdaden, vers 6,7.
- Ten tweede een aansporing zowel om God te prijzen alsook om Hem te vrezen vanwege Zijn almacht en omdat Hij zo machtig alle plannen van mensen tegen Zijn kerk omverwerpt en doet mislukken, en heel Zijn eigen wil zo machtig uitvoert, vers 8—11.
- Ten derde een verkondiging van de gelukzaligheid van des Heeren kerk en volk, en van Gods lof dat Zijn voorzienigheid over heel de wereld reikt ten gunste van Zijn volk, vers 12—15. In het bijzonder dat Hij al het lege zelfvertrouwen van mensen, groot en klein, die niet op Hem vertrouwen, doet mislukken en verijdelt, vers 16,17, en dat Hij zorg draagt voor zulken die Hem vrezen en op Hem vertrouwen om hen van alle kwaad te verlossen, vers 18,19.
- Ten vierde wordt het nut beschreven dat de godvrezenden trekken uit deze leer en lofzang.
1) 1. GHy rechtveerdige, singet vrolick in den HEERE; Lof betaemt den oprechten.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
2. Lovet den HEERE met de harpe; Psalm-singet hem, met de luyte, [ende] het tiensnarich instrument.
3. Singet hem een nieuw liedt; spelet wel met vrolick geschal.
Leer uit de aansporing, tot de godvrezenden gericht, om God te prijzen:
- Zich in God te verheugen is een punt om Hem te prijzen, want het wordt hier uitgelegd als lofprijzing: wees vrolijk in de HEERE, zegt hij, want lof is betamelijk.
- Al zijn alle mensen verplicht God te loven, toch zal niemand dit blij en aanvaardbaar doen, dan de godvrezenden: zing vrolijk, rechtvaardigen.
- Geen werk betaamt de godvrezenden méér dan God prijzen, hetzij we letten op het Voorwerp van de lof, namelijk God, hetzij we letten op hun plicht boven alle mensen in de wereld: want lof is betamelijk voor de oprechten.
- Er is geen werk waarvoor we méér aangespoord moeten worden dan (God) te prijzen. Zo sloom zijn we en zo geweldig en nodig is dit werk, zoals het ceremoniële gebruik van muziekinstrumenten in de opleiding van Mozes betekende en veronderstelde. Al is het godsdienstige gebruik hiervan weggenomen net als de rest van de ceremoniële wet (terwijl het natuurlijke of burgerlijke gebruik ervan nog hetzelfde blijft, zowel vóór de tijd van de ceremoniële wet als daarná), toch is de aangeduide zaak, namelijk het besteden van alle krachten van onze ziel en van ons lichaam om God te prijzen, niet weggenomen. En deze noodzaak om aangespoord te worden, wordt verondersteld in een drievoudige aansporing.
- Als de lof des Heeren goed wordt overwogen, zal deze steeds nieuwe stof leveren én vers vermaak in het werk: zing voor Hem, zegt hij, een nieuw lied.
4. Want des HEEREN woort is recht, ende al sijn werck getrouw.
5. Hy heeft gerechticheyt ende gerichte lief; de aerde is vol van de goedertierenheyt des HEEREN.
Leer uit het argument van lof genomen van Zijn goede regering van alle dingen in het algemeen:
- De krachtige bestemming van wat in de wereld gebeurt en de uitvoering ervan is volkomen heilig, rechtvaardig en billijk; dat de schepselen zo zijn geordend als ze zijn: sommige hoger, sommige lager, sommige regerend, sommige dienend, sommige sterker, sommige zwakker, sommige overeenkomend met andere, sommige ervan verschillend van andere; sommige andere etend, sommige tot voedsel en prooi voor andere. Allemaal vormen ze een harmonie van goed bestuurde overeenstemming en verschil, alles is goed gedaan en billijk: want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
- De Heere kan niet anders dan recht doen, want Zijn natuur is zo: Hij heeft gerechtigheid en gericht lief.
- Er is geen deel van de wereld waarop wij onze ogen kunnen slaan, of het spreekt lof voor God voor Zijn milddadigheid voor Zijn schepselen, en in het bijzonder voor de mensen: de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
6. Door het Woort des HEEREN zijn de hemelen gemaeckt, ende door den Geest sijns monts al haer heyr.
7. Hy vergadert de wateren der zee als op eenen hoop; hy stelt de afgronden schat-kameren.
Leer uit de werken van de schepping:
- De almacht en wijsheid van God in het scheppen van hemel en aarde en alle dingen uit niets. Zoals zij God prijzen, zo bewijzen zij ook de macht en rechtvaardigheid van Zijn regering ervan: door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt.
- Hoe gemakkelijk het voor God is om de wereld goed te regeren en te leiden blijkt hieruit dat Hij alles maakte met een woord: Hij maakte heel de menigte ervan door de adem van Zijn mond, en het kan Hem niet méér kosten om ze naar Zijn welbehagen in stand te houden en te regeren.
- Hij is machtig af te wenden wat voor kwaad ons maar kan overkomen, want Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop, die natuurlijkerwijs de aarde zouden overstromen.
- Hij heeft meer banden boven onze hoofden om ons in vrees en ontzag voor Hem te houden; en onder andere stelt Hij voor de diepte schatkamers, om ze los te laten wanneer en waar en hoe ver Hem behaagt.
8. Laet de gantsche aerde voor den HEERE vreesen; laet alle inwoonders van de werelt voor hem schricken.
9. Want hy spreeckt, ende het isser; hy gebiedt ende het staetter.
10. De HEERE vernieticht den raedt der heydenen, hy breeckt de gedachten der volckeren.
11. [Maer] de raedt des HEEREN bestaet in eeuwicheyt; de gedachten sijns herten van geslachte tot geslachte.
In de tweede plaats spoort hij ons aan Hem te loven, en ook Hem te vrezen. Leer hieruit:
- Het juiste gebruik van de werken der schepping is te beseffen hoe glorieus en hoe ontzagwekkend de Schepper ervan is; en op te passen Hem te beledigen: laat heel de aarde voor de HEERE vrezen.
- Niemand op aarde is gevrijwaard van Gods oordeel, wanneer hij Gods wet overtreedt, al is het dat hij buiten de kerk is: laten alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
- Zijn almacht, geopenbaard in het vormen en vaststellen van het geheel van de wereld door een woord, moet de mensen bewegen Hem te vrezen. Want het wordt als reden opgegeven Hem te vrezen: want Hij sprak, en het was er; Hij gebood, en het stond vast.
- Mensen die God niet vrezen, hebben veel plannen vanuit zichzelf om zich gelukkig te maken en Zijn kerk en volk omver te werpen, maar God stelt hen in hun opzet teleur, zowel in het ene als in het andere: Hij brengt de raad der heidenen tot niet; en Hij maakt de gedachten der volken zonder effect, en daarom moeten allen Hem vrezen.
- Het hele werk van des Heeren voorzienigheid is, vanaf het begin der wereld tot het einde ervan, direct voor Zijn ogen, en al het werk des Heeren is bewust door Hem vastgesteld: de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid.
- De Heere gaat door met het uitvoeren van Zijn vastbesloten plannen, van de ene generatie tot de andere, zonder ooit in enig ding in Zijn bedoeling minder of meer gedwarsboomd te worden: de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten van Zijn hart van geslacht tot geslacht.
- Zij die Gods aanwijzing opvolgen, Zijn geopenbaarde wil gehoorzamen, de door Hem in Zijn Woord uitgezette koers tot hun verzoening met Hem door de Messias Christus inslaan, en Zijn Woord voor zich stellen om de regel te zijn van hun geloof en gehoorzaamheid, kunnen niet teleurgesteld worden in wat door God in Zijn geopenbaarde wil is beloofd: want de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten van Zijn hart van geslacht tot geslacht.
12. Welgelucksalich is’t volck, diens Godt de HEERE is; het volck, dat hy sich ten erve verkoren heeft.
13. De HEERE schouwt uyt den hemel, ende siet alle menschen kinderen:
14. Hy siet uyt van sijne vaste woonplaetse, op alle inwoonders der aerde:
15. Hy formeert harer aller herte; hy lett op alle hare wercken.
In de derde plaats toont hij de welgelukzaligheid van Gods volk, tot de lof van Hem Die hen heeft gekozen en Die in alle dingen die tot hun nut zijn, voorziet. Leer hieruit:
- Van alle mensen op de aarde is de Heere alleen met Zijn kerk in verbond getreden om op een bijzondere manier hun God te zijn, want hier is een volk welks God de Heere is.
- Zij die God aangrijpen als hun God, zijn de enige gelukzalige mensen in de wereld, want er staat: welgelukzalig is dat volk, welks God de HEERE is.
- Zij die in het besef van hun eigen zonde en ellende, en de overweging van de leegheid van alle dingen naast God, God hebben gekozen als hun God om in nauwe omgang met Hem te leven, hebben een bewijs van hun verkiezing. Want zij worden hier genoemd: het volk, dat Hij verkoren heeft.
- Zulke mensen, zoals gezegd, zijn dat bijzondere deel van de wereld dat God voor Zichzelf heeft afgezonderd, om de ‘rente’ van Zijn eer in de wereld door hen te ontvangen, en van hen op een bijzondere manier; en die Hij voor altijd als Zijn eigendom zal houden; en Hij zal het niet toelaten dat Hij van hen beroofd zal worden, want zij zijn het volk, dat Hij tot Zijn erfdeel verkoren heeft.
- Al is de kerk het enige erfdeel van God, toch is de rest van de wereld, niet minder dan de kerk, het voorwerp van Zijn wijze, heilige en krachtige voorzienigheid: de HEERE kijkt neer uit de hemel, en ziet alle mensenkinderen.
- Er kan geen complot tegen de kerk van God op aarde worden beraamd of God weet ervan en Hij weet het precies, want Hij ziet vanuit Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
- De Heere kan niet onwetend zijn van de meest geheime plannen van de mensen, goede of slechte, omdat Hij de Maker is van het hart van alle mensen: Hij formeert het hart van hen allen (dat is: het hart van de één zowel als van de ander), Hij let op al hun werken, zodat Hij ervan kan maken wat Hij wil.
- Mensen hebben het nodig te onderzoeken waar hun hart op is gericht, en welke koers zij varen en wat voor werk zij aan het doen zijn, want Hij kent het hart en let op ieders werk.
16. Een Coninck wort niet behouden door een groot heyr; een heldt wort niet gereddet door groote kracht.
17. Het peert feylt ter overwinninge, ende en bevrijdt niet door sijne groote sterckheyt.
18. Siet, des HEEREN ooge is over de gene, die hem vreesen, op de gene die op sijne goedertierenheyt hopen;
19. Om hare ziele van den doot te redden, ende om haer by’t leven te houden in den honger.
Hier maakt hij alle vleselijk vertrouwen van de mens teniet, zodat zijn volk hun vijanden niet zou vrezen én niet op hun eigen voorzieningen zou vertrouwen, en hij verkiest het vertrouwen in God in plaats van alle vleselijk vertrouwen, welke ook maar. Leer hieruit:
- Op middelen vertrouwen (zoals iemands kracht en de hulp van andere mensen of andere schepselen) is een vergissing, die zo natuurlijk is en zo vastgeroest, dat het nodig is dat dit door God wordt afgewezen, Die gezegd heeft dat zij zinloze voorwerpen van vertrouwen zijn om op te leunen, die niemand kunnen redden: geen koning wordt behouden door de grootte van een leger; een held wordt niet gered door veel kracht; en een paard is krachteloos tot veiligheid. En dat de hoop van mensen daadwerkelijk wordt verijdeld om geholpen te worden door gezag, kracht of uitwendige hulpmiddelen, moet hen leren er niet op te steunen, wanneer zij er gebruik van maken.
- Iemand die in God gelooft en Hem vreest, is in een veiliger situatie dan de goddelozen in al hun macht en rijkdom: zie, het oog des HEEREN is over degenen die Hem vrezen en op Zijn goedertierenheid hopen, om hen te redden.
- Het hele christenleven is in deze twee dingen compleet samengevat: op Gods genade vertrouwen en Hem vrezen. Want dit is hier de beschrijving van de uitverkoren en welgelukzalige mens.
- De godvrezenden kunnen er zich niet voor vrijwaren om in benauwdheden en nooddruftige omstandigheden te worden gebracht, maar zij mogen er zeker van zijn dat God in hun nooddruftige omstandigheden voor hen zorg zal dragen en hen uit die alle een gezegende uitweg zal geven, want Zijn oog is over hen om hen van de dood te redden, en om hen bij het leven te houden in de honger.
20. Onse ziele verbeydt den HEERE; hy is onse hulpe, ende onse schilt.
21. Want ons herte is in hem verblijdt, om dat wy op den Name sijner heylicheyt vertrouwen.
22. Uwe goedertierenheyt, HEERE, zy over ons; gelijck als wy op u hopen.
In de laatste plaats wordt het gebruik van deze leer beschreven, dat de godvrezenden ervan moeten maken. Leer hieruit:
- Al de punten van de lof des Heeren zijn steunsels voor het geloof van de heiligen en grondslagen van hun hoop, zoals deze conclusie toont, die getrokken wordt uit deze lofzang: onze ziel verwacht de HEERE, enz.
- Iedere gelovige mag zich verheugen en zich stof tot verheuging beloven, door het geloof in Zijn Naam: onze harten zullen in Hem verblijd zijn, omdat wij op Hem hebben vertrouwd.
- Geloof onderscheidt zich altijd van vrijpostigheid door te bidden voor wat beloofd werd: laat Uw goedertierenheid op ons zijn, zeggen de gelovigen.
- Omdat de hoop van de godvrezenden op Gods beloften is gegrond, daarom zal ze niet worden teleurgesteld, maar Gods goedertierenheid zal over hen zijn, zoals zij op Hem hopen.
