Website van Ds. W. Pieters

psalm 34

p

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

1) 1. [EEn Psalm] Davids: Als hy sijn gelaet verandert hadde voor het aengesichte van Abimelech, die hem wech joech, dat hy doorginck.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

In deze Psalm

  • prijst David God voor zijn verlossing van de koning van Gath, en spoort hij anderen aan om God met hem te prijzen voor zijn ervaring van Gods barmhartigheid, vers 2—7.
  • Dan geeft hij, om verder van deze barmhartigheid gebruik te maken, algemene leringen aangaande Gods bescherming en verzorging van Zijn kinderen, met het gebruik daarvan in vers 8—11.
  • Ten derde geeft hij raad hoe een gezegend leven te leiden, vers 12—15.
  • In de vierde plaats bekrachtigt hij zijn raad met beloften aan de godvrezenden die Gods raad gehoorzamen, en bedreigingen voor de goddeloze die niet gehoorzaamt, vers 16—23.

Van het opschrift leren we:

  1. Dat het goed is om bijzondere barmhartigheden op een bijzondere manier op te merken, en de omstandigheden ervan te beschrijven, zoals hier gebeurt.
  2. En mensen die in een onredelijke vrees van het ene gevaar vluchten, kunnen in een ernstiger gevaar vallen, zoals David overkwam: toen hij uit vrees voor Saul naar een onheilige plaats vluchtte, onder Gods vijanden, viel hij in de handen van Abimelech of Achis.
  3. En dat God medelijden heeft met de zwakheid van Zijn kinderen en soms een goed gevolg schenkt aan zwakke en onverstandige vluchtpogingen, zoals hier toen David zijn gedrag veranderde, toen ontsnapte hij.
  4. Dat God over het hart van de mens kan beschikken en dat Hij dit ook doet, zoals Hij van plan is door hen te werken. Want Hij bewoog het hart van Achis om aan David geen aandacht te geven dan als een verward mens.

2. Ick sal den HEERE loven t’aller tijt; sijn lof sal geduerichlick in mijnen mont zijn.

3. Mijne ziele sal haer roemen in den HEERE; de sachtmoedige sullen’t hooren, ende verblijdt zijn.

Hij belooft hier wat hem betreft God te prijzen voor de ontvangen genadegift. Leer hieruit:

  1. Zoals geen genadegift miskend moet worden, zo moeten opmerkelijke genadegiften bijzonder herdacht worden en God daarvoor geprezen.
  2. Het is een punt van dankbaarheid om alle gelegenheden te baat te nemen om tot anderen over God te spreken: Zijn lof zal gedurig in mijn mond zijn.
  3. Wat ook onze toestand in onszelf mag zijn, stof tot roemen in God zal er voor de gelovige nooit ontbreken. En dit roemen is een plicht en een zaak om God te prijzen: mijn ziel zal zich beroemen in de HEERE.
  4. Alleen ootmoedige zielen, die hun eigen zwakheid beseffen, zijn het volk dat nut ontvangt uit Gods barmhartigheden, aan anderen en aan henzelf verleend: de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.

4. Maeckt den HEERE met my groot, ende laet ons sijnen Naem te samen verhoogen.

5. Ick hebbe den HEERE gesocht, ende hy heeft my geantwoordt, ende my uyt alle mijne vreesen gereddet.

Hij spoort anderen aan om met hem God te prijzen, Hem grootmakend voor Zijn grootheid en Hem verhogend voor Zijn hoogheid. Leer hieruit:

  1. De heiligen zijn verplicht elkaar te helpen in het prijzen zowel als in het bidden, hoewel het voorkomt dat velen de hulp van de gebeden van anderen verlangen, die niet roepen om hun hulp in het prijzen. Want hier is het: laat ons Zijn Naam samen verhogen.
  2. Door gebed wordt de Heere gezocht en gevonden, en het is geen kleine zaak van troost voor ons, en van glorie voor God, dat ons gebed wordt opgemerkt: ik zocht de HEERE, zegt hij, en Hij hoorde mij.
  3. De vrees voor wat zou kunnen gebeuren, mag het gebed niet verhinderen, want de vrees van de godvrezenden is geen zekere profetie. Want God kan ze uit die alle redden: Hij redde mij uit al mijn vrezen.

6. Sy hebben op hem gesien, ja [hem] als een waterstroom aengeloopen; ende hare aengesichten en zijn niet schaem-root geworden.

7. Dese elendige riep, ende de HEERE hoorde; ende hy verloste hem uyt alle sijne benaeuwtheden.

Hij is blij en looft Gods goedheid voor hem vanwege de vrucht van deze ontferming voor andere gelovigen. Leer hieruit:

  1. De ervaring van de ene kan een bemoediging zijn voor velen om zich tot God te haasten voor gelijksoortige aalmoezen. Dit, zo voorziet David, zal de vrucht zijn van Gods ontferming voor hem, wanneer men, ziende dat hij gered is, tot God zal opzien en troost en vertrouwen zal halen uit dit middel: zij zagen op hem, dat is: op David. En zo mogen wij zien op Christus (door hem afgebeeld) en op de volheid van de Godheid, die in Christus woont. Zo werden zij verlicht en dus vertroost in het midden van de donkerheid van hun moeiten: en hun aangezichten werden niet beschaamd, vanwege het vertrouwen dat door deze ervaring werd verwekt, dat zij gelijksoortige ontferming zouden vinden wanneer zij het nodig zouden hebben.
  2. De manier om het beste gebruik te maken van het voorbeeld van Gods barmhartigheid voor iemand – beschreven in de Schrift, of voorgevallen in onze tijd, of op de een of andere manier aan ons met zekerheid bekendgemaakt – is om op hen te zien, niet zoals zij van ons of van onze omstandigheid verschillen, maar zoals zij het meest op ons lijken, in de nederige omstandigheid waarin wij zijn. Want zo kijken de heiligen naar David en zeggen niet: deze zeldzame heilige David, of deze grote profeet David, of deze godzalige man David, die de man was naar Gods hart – maar: deze arme man David riep, en de HEERE hoorde hem, en verloste hem uit al zijn benauwdheden.

8. De Engel des HEEREN legert sich rontsom de gene, die hem vreesen, ende rucktse uyt.

9. Smaeckt, ende siet, dat de HEERE goet is: welgelucksalich is de man, [die] op hem betrouwt.

Vervolgens worden algemene leringen neergeschreven aangaande Gods zorg voor gelovigen om hen te beschermen en te voeden; en het nuttige gebruik daarvan: om God te vertrouwen en te vrezen. Leer hieruit:

  1. Een recht zicht op Gods handelingen met iemand zelf zal hem groot inzicht geven in de manier waarop de Heere met andere kinderen van Hem omgaat, zoals hier.
  2. Hoewel de godvrezenden onder vijanden wandelen en in een gedurige oorlog zijn verwikkeld, toch worden zij goed verzorgd en beschermd: de Engel des HEEREN legert Zich rondom hen.
  3. De ervaring van Gods genade en goedheid is het zoetste dat ooit gevoeld werd, en ze is in staat om de bitterste beker die ooit een gelovige dronk, te verzoeten: smaak en zie, dat de HEERE goed is.
  4. De ondervinding van deze zoetheid wordt door het geloof verkregen, want welgelukzalig is de man, die op Hem vertrouwt.
  5. Al wat een gelovige in dit leven kan bereiken aan geestelijke vertroosting, hetzij door geloof hetzij door ervaring, veraangenaamd met levendige vertroostingen van de Heilige Geest, is slechts een voorsmaak in vergelijking met wat hiernamaals zal worden ontvangen. En toch, o wat een zoete, onuitsprekelijke vreugde, vol van heerlijkheid is die voorsmaak! Smaak en zie, dat de HEERE goed is.
  6. Verdrukking reinigt de smaak van de gelovige, en een ziel, van alle aardse hulp afgebracht, is geschikt om geestelijke zintuigen te oefenen, zoals we hier zien dat Davids smaak, na moeite, goed gereinigd is.
  7. Zoals God heel mededeelzaam is uit Zijn goedheid en Zich aan mensen aanbiedt zodat Hij kan worden ‘geproefd’, zo wensen ook begenadigde zielen dat anderen mét hen delen in de genade, welke ook maar, die de Heere hen bewijst; en zij nodigen hen er ook toe uit, zoals David hier doet, terwijl hij tegen allen zegt: o, smaak en zie.
  8. Al wordt dit zoete niet bij de eerste oefening van het geloof ervaren, laat geloof echter rusten op God en het zal dit op zijn tijd voelen, want gelukzalig is hij die zijn vertrouwen op God stelt. Ja, geloof is zelf smaken van die genade die er in God is.

10. Vreest den HEERE, ghy sijne heyligen; want die hem vreesen en hebben geen gebrec.

11. De jonge leeuwen lijden armoede, ende hongeren; maer die den HEERE soecken hebben geen gebreck van eenich goet.

Een andere leer aangaande Gods zorg om de gelovige te voeden en in al het nodige te voorzien, met het nut hieruit, namelijk God te vrezen. Leer hieruit:

  1. Ware gelovigen in God moeten zich inspannen heilig te zijn als toonbeeld van hun geloof, want daarom worden zij heiligen genoemd, en Zijn heiligen.
  2. De vreze des HEEREN is het kenmerk van de heiligen, waardoor zij aan het werk worden gezet om te doen wat de Heere beveelt, en af te zien van wat Hij verbiedt. En geen banden van neiging, raadgeving, voorbeeld, wetten, vrees voor schaamte of straf door mensen zijn in staat om iemand in het gareel te houden wanneer hem een geschikte verzoeking om te zondigen ontmoet. Maar de vreze Gods houdt de mens in toom, zowel uitwendig als inwendig, in het geheim en in het openbaar, altijd en overal. En tot welke mate van heilige vreze de heiligen zijn gekomen, toch kunnen zij worden aangespoord – en moeten zij aan deze aansporing ook gehoor geven – om in deze genade te groeien: o, vrees de HEERE, Zijn heiligen.
  3. Zulken die God vrezen, hoeven in het dienen van God geen enkel gebrek te hebben aan dat wat ze nodig hebben: want voor hen die Hem vrezen, is er geen gebrek.
  4. Trotse verdrukkers, rijke en machtige prinsen, die op hun eigen kracht vertrouwen, zullen er niet zo zeker van zijn dat zij blijven staan en verzorgd zullen worden, als de geringste van de ware gelovigen het zijn: leeuwen lijden armoede en hongeren, maar die de HEERE zoeken, zullen geen gebrek hebben. Hoewel de godvrezenden aan veel aardse dingen gebrek kunnen hebben, zullen zij toch voedsel en kleding hebben en zal het hen niet ontbreken aan enig goed.
  5. De juiste soort van Godsvreze en de inzet voor meer en meer omgang met Hem zijn onafscheidelijke eigenschappen van de heiligen, want zij die heiligen worden genoemd, worden hier godvrezenden genoemd, en ook zoekers van Hem.

12. Komet ghy kinderen, hoort nae my; Ick sal u des HEEREN vreese leeren.

13. Wie is de man, die lust heeft ten leven? Die dagen lief heeft, om het goede te sien?

14. Bewaert uwe tonge van het quade, ende uwe lippen van bedroch te spreken.

15. Wijckt af van het quade, ende doet het goede; soeckt de vrede ende jaechtse na.

In de derde plaats geeft hij aanwijzing hoe iemand gelukzalig zal leven: door de oprechtheid van de vrees van God in zich, te tonen. Dit is een genade die onafscheidelijk is van geloof in God en die zich openbaart in gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Leer hieruit:

  1. Er moet wederkerig zulke liefde en respect zijn tussen de leraar en het volk dat onderwezen wordt, zoals er is tussen ouders en kinderen, ja God biedt Zichzelf in Zijn dienaren aan als een Vader, Die klaar staat om Zijn zichtbare kerk als Zijn kinderen te onderwijzen: kom kinderen, zegt Hij, en luister naar Mij.
  2. De ware vreze Gods is de weg om gelukzalig te leven in dit leven, waarin meestal ellende overheerst. En dit moest een motief zijn om deze genade te zoeken, want hier wordt gevraagd: wie is de man, die leven begeert? Enz. En dan wordt de weg om dit te bereiken beschreven in enige bijzonderheden van de vreze Gods, als de onafscheidelijke metgezellen van geloof in God.
  3. De ware vreze Gods moet zich tonen in haar vruchten, zoals het beheersen van zijn tong en van de rest van de uitwendige mens, schuwend wat de Heere verbiedt en zich inspannend voor elke goede plicht die God beveelt, en vrede te houden met alle mensen zover het van ons afhangt, want dat bedoelen de woorden van de profeet in de verzen 14 en 15. Dit is het bewijs van de vreze Gods in praktijk, wanneer zulke uiterlijke werken voortkomen uit de inwendige beginselen van zaligmakende genade.

16. De oogen des HEEREN zijn op de rechtveerdige; ende sijne ooren tot haer geroep.

17. Het aengesichte des HEEREN is tegen de gene die quaet doen; om hare gedachtenisse van der aerden uyt te roeyen.

In de laatste plaats benadrukt hij deze leer door de voorrechten te tonen van de rechtvaardigen en de ellendige staat van de goddelozen, door drie keer de ene te stellen tegenover de andere. Leer uit de eerste (tegenstelling):

  1. Het is een goed middel om onze harten in de vreze Gods te houden om de winst van godzaligheid en het nadeel en gevaar van goddeloosheid te overwegen, zoals ze hier tegenover elkaar worden gesteld.
  2. Zulken die hun oog op God en Zijn Woord hebben om gerechtigheid en leven, mogen zeker zijn van het wakende oog van God op hen tot leiding in hun weg, tot hun vertroosting in hun verdriet en tot verlossing uit de ellende, want de ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen.
  3. Zoals de rechtvaardigen hun oren neigen tot Gods Woord, tot Zijn beloften en voorschriften, zo neigt de Heere Zijn oor tot hun smekingen en verlangens: Zijn oren zijn open tot hun geroep.
  4. Aan de andere kant: zoals de goddelozen, die God niet vrezen, hun aangezicht ertoe zetten om kwaad te doen en Gods geboden te overtreden, zo zal God Zijn aangezicht tegen hen keren om Zich op hen te wreken: het aangezicht des HEEREN is tegen degenen die kwaad doen.
  5. Het enige geluk dat de goddeloze zoekt, is rijkdom, eer en genot op aarde, en dat zijn naam bij het nageslacht in achting zal zijn. En ook deze dingen, naast het verlies van de hemel, zullen van hem afgenomen worden met daarbij zijn tijdelijke leven: want het aangezicht des HEEREN is tegen hen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.

18. Sy roepen, ende de HEERE hoort; ende hy redtse uyt alle hare benaeutheden.

19. De HEERE is nae by de gebrokene van herten; ende hy behoudt de verslagene van geeste.

20. Vele zijn de tegenspoeden des rechtveerdigen? maer uyt alle die reddet hem de HEERE.

21. Hy bewaert alle sijne beenderen? niet een van dien en wort gebroken.

22. De boosheyt sal den godtloosen dooden; ende die den rechtveerdigen haten, sullen schuldich verklaert worden.

(Hier is) een andere tegenstelling van het goede bestemd voor de godvrezenden, en het kwade bestemd voor de goddelozen. Leer hieruit:

  1. De Heere brengt de godvrezenden in moeite en door moeite brengt Hij hen tot hun gebeden, en Hij stelt het antwoord uit totdat de nood groot is. En dan roepen zij tot de Heere en geeft Hij hen een teken dat Hij hen hoort, en zendt Hij verlossing, want de rechtvaardigen roepen, en de HEERE hoort, en redt hen uit al hun benauwdheden.
  2. Het is net zo waar als dat het vreemd schijnt te zijn, dat de Heere de Zijnen net zo lang met moeite verdrukt, totdat Hij hun hart breekt en hun natuurlijke moed en vertrouwen doodt. Want hier worden de godvrezenden omschreven als mensen van een verbroken hart en een verslagen geest.
  3. Hoewel de Heere het natuurlijke vertrouwen van de Zijnen door moeite zo verbreekt en hen zo leeg maakt van alle inbeelding van hun eigen waardigheid, wijsheid of mogelijkheid om zichzelf uit de moeite te verlossen, dat zij zich op God alleen verlaten, toch zal Hij Zich niet van hen onttrekken en ook niet toelaten dat zij in moedeloosheid omkomen: de HEERE is nabij hen die van een gebroken hart zijn, en behoudt zulken die van een verslagen geest zijn.
  4. Hoewel de rechtvaardigen de enige mensen zijn in de wereld die God hartelijk liefheeft, toch zal Hij hen niet alleen niet vrijwaren van moeite, maar zal Hij hen juist oefenen met een veelheid en verscheidenheid van moeiten, onmiddellijk uit Zijn eigen hand, door satans verzoekingen, door de boosaardigheid van de goddelozen van de wereld, enz.: vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardige, want zo wil de Heere de verlosten gelijkvormig maken aan hun Hoofd, hen beproeven en opvoeden in geloof en de geduldige onderwerping aan Gods wil; hen onderwijzen om te bidden en te wachten, en bewijzen te geven van de oprechtheid van de aan hen gegeven genade.
  5. De godvrezenden worden nét zo vaak bevrijd als dat ze in moeite zijn, óf door de moeite te verwijderen, óf door kracht en geduld te geven om het te dragen, óf troost eronder en een vaste hoop van uitkomst eruit, óf door alle moeiten voor hen ineens te beëindigen: vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardige; maar uit die alle redt de HEERE hem.
  6. De Heere bestuurt, weegt en meet al de moeiten van de Zijnen—wat zij in hun leven en dood zullen lijden—, en laat het niet over aan de wil van de instrumenten van hun moeite: Hij bewaart al zijn beenderen; niet één van die wordt gebroken. Dit was waar van Christus onze Heere, van Wie veel dingen in de Psalmen zijn voorafgebeeld en geprofeteerd, en onder andere ook dit. Dit toont aan dat in de Psalmen, als de zaak het kan lijden, veel op Christus moet worden gezien, meer dan op David, over wie de Psalm in het eerste vooral lijkt te spreken.
  7. Wat betreft de tegenovergestelde staat van de goddeloze leren we dat de goddeloosheid van de goddeloze zowel de verdienende oorzaak als het middel is van de verwoesting van de goddeloze: want kwaad zal de goddeloze doden.
  8. Het is kenmerkend voor een goddeloze de rechtvaardige te haten om zijn rechtvaardigheid. En zo wordt het hier beschreven.
  9. Wie de rechtvaardige of het beeld van God in zijn naaste haat, zal schuldig staan aan al de gevolgen van de vijandschap, en hij zal verstoken zijn van troost wanneer hij die het meest nodig heeft: die de rechtvaardige haat, zal schuldig verklaard worden [Engels: zal troosteloos zijn].

NB: Het woordenboek geeft voor het Engelse woord desolate de volgende betekenissen:

  • uitgestorven, woest en ledig, verwaarloosd, troosteloos;
  • diep bedroefd, ongelukkig, eenzaam, van God en alle mensen verlaten, ellendig.

23. De HEERE verlost de ziele sijner knechten; ende alle die op hem betrouwen, en sullen niet schuldich verklaert worden.

De derde tegenstelling tussen de rechtvaardigen en de goddelozen heeft betrekking op wat in vers 22 is gezegd. Leer hieruit:

  1. De goddelozen zullen omkomen in hun zonde en voor hun zonde, maar de rechtvaardigen zullen niet omkomen in hun zonden en niet voor hun zonden, want het kwaad zal de goddeloze doden, maar de HEERE verlost de ziel van Zijn knechten, namelijk uit zonde en ellende.
  2. Zoals de goddelozen dienaren van de zonde zijn, en een slechte meester dienen, en een slechte beloning krijgen, zo zijn de godvrezenden dienaren van de gerechtigheid, en hebben God als hun Meester, en zullen verlossing en zaligheid als hun beloning krijgen; zoals de hier beschreven vergelijking toont.
  3. Zoals de goddelozen, die zonder geloof in God zijn, wanneer zij in moeiten geraken, troost missen, zo zullen al de rechtvaardigen, die geen anderen zijn dan oprechte gelovigen in God, goed gezelschap en vertroosting hebben in al hun moeite, en nooit alleen gelaten worden, want de haters van de rechtvaardigen zullen als schuldigen verwoest worden, maar geen van hen die op God vertrouwen zal schuldig verklaard of verlaten worden.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën