Website van Ds. W. Pieters

psalm 40

p

Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf

Psalm 40

1)1. Davids Psalm: voor den Opper-sang-meester.

1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637

Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562

David, als type van Christus in heel de Psalm, en als voorbeeld van de beproevingen van de godvrezenden

  • geeft dank voor de ervaring dat God hem bevrijdde uit een opmerkelijke ellende, vers 2—5;
  • In de tweede plaats wordt hij in zijn dankzegging voortgeleid om God te prijzen voor het grote werk van verlossing door Christus de Zoon van God, komende in de wereld, wat de bron is van alle andere genadebewijzen aan de heiligen, vers 6—9;
  • In de derde plaats geeft David, als type, en Christus, in de volbrenging, een verslag van zijn profetische bediening, doet hij voorbede en bidt hij om een blijk van Gods gunst jegens hem, persoonlijk en figuurlijk (als afbeelding van de gemeente) beschouwd, vers 10—14;
  • en tot beschaming van zijn vijanden, vers 15, 16;
  • en tot vertroosting van alle godvrezenden die zijn beproeving en zijn verlossing gadeslaan, die hij vol vertrouwen verwacht, vers 17, 18.

2. Ick hebbe den HEERE lange verwacht; ende hy heeft sich tot my geneycht, ende mijn geroep gehoort.

3. Ende hy heeft my uyt eenen ruyschenden kuyl, uyt modderich slijck opgehaelt; ende heeft mijne voeten op eenen rotzsteen gestelt, hy heeft mijne gangen vast gemaeckt.

4. Ende hy heeft een nieuw liedt in mijnen mont gegeven, eenen lof-sanck onsen Gode: vele sullen’t sien, ende vreesen, ende op den HEERE vertrouwen.

5. Welgelucksalich is de man, die den HEERE tot sijn vertrouwen stelt; ende niet omsiet nae de hooveerdige, ende die tot leugen afwijcken.

Leer uit zijn dankzegging:

  1. Zoals de Heere met opzet het beantwoorden van de gebeden van de Zijnen uitstelt, en het nog even opschort om hen uit de moeite te helpen, om hun geloof te beproeven en tot een betere mate te oefenen, zo moet de gelovige besluiten om geduldig te wachten: ik wachtte geduldig op de Heere.
  2. Al zou het zijn dat wachten gedurende de tijd verbonden is met uitputting en verdriet, toch is de herinnering eraan zoet, en het mist niet de zegen die erop volgt: ik wachtte en Hij neigde Zich tot mij en hoorde mijn geroep.
  3. De godvrezenden kunnen in hun moeite worden gebracht tot een wanhopig schijnende omstandigheid, zoals iemand die in een verschrikkelijke, diepe en donkere kuil wegzinkt in modderig slijk, waaruit geen verlossing schijnt te zijn. Zoals nu in zulk geval de grootheid van het gevaar het geloof prijst van hem die tot God roept en op Hem wacht, zo prijst zij ook Gods wijsheid, macht, goedheid en trouw in het verlossen van hem, de geduldige wacht. Met die bedoeling zegt de psalmist: Hij bracht mij uit een verschrikkelijke kuil, uit het modderige slijk.
  4. Wie op de Heere vertrouwt, wanneer hij uit de ellende verlost is, wordt niet aan zichzelf overgelaten, maar de zorg des Heeren vergezelt hem om hem na zijn verlossing te leiden: Hij bracht mij uit het modderige slijk, en stelde mijn voeten op een rots, en maakte mijn gangen vast.
  5. Zoals het een deel van onze plicht is om God na elke genadeweldaad te verheerlijken, en op een speciale manier wanneer die weldaad heel opmerkelijk is, zo is het ook een nieuw geschenk van God om iemand in staat te stellen om dank te zeggen en te loven voor het ontvangen genadebewijs. Daarom wordt het gesteld als een punt van dankzegging: Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven.
  6. Zoals de ervaring van Gods genade voor iemand die met God in een verbond is, tot bemoediging is voor alle gelovigen, zo moet het ook de algemene zaak van lof voor God zijn van hen allen. Daarom noemt hij de lofprijzingen die hij zong, de lofzangen van onze God.
  7. De juiste waarneming van Gods goedertierenheid voor Zijn kinderen, in het bijzonder wanneer Hij Zich op een uitmuntende manier wil tonen, is in staat om iemand met veel ontzag en eerbied te vervullen voor God, Die zelfs in Zijn lofprijzingen ontzagwekkend is: velen zullen het zien, en vrezen.
  8. Dán merken we op de juiste manier Gods barmhartigheid voor Zijn kinderen op, wanneer we ons daardoor bemoedigen om uit te zien naar een gelijksoortig genadegeschenk, wanneer we in onze nood daar om roepen: velen zullen het zien en vrezen, en op de HEERE vertrouwen.
  9. Zoals de dierbaarheid van het geloof niet zo goed te zien is in een tijd van beproeving als na de overwinning, zo is de vrucht ervan, wanneer die gezien wordt, niet minder dan een ware zegen: gezegend is de man die de HEERE zijn vertrouwen maakt.
  10. Alle ware gelovigen zijn nederig jegens God, en onverbiddelijk jegens al wat met Hem in strijd komt, en zij zullen de weg verachten van een ieder die geen rekening met Hem houdt. Zo is de ongelovige trots ten opzichte van God en Zijn waarheid, maar een lage onderworpene van zijn eigen geest en van leugenachtige nietigheden. Want de gelovige wordt hier gesteld tegenover de trotsen, en hen die tot leugen afwijken.

6. Ghy, ô HEERE, mijn Godt, hebt uwe wonderen, ende uwe gedachten aen ons vele gemaeckt; men kanse niet in ordre by u verhalen: sal ickse verkondigen ende uytspreken, so zijnse menichvuldiger dan dat ickse soude konnen vertellen.

In de tweede plaats wordt hij voortgeleid tot de overweging van Gods wonderlijke zorg en voorzienigheid voor de mensen en in het bijzonder tot het werk van verlossing door de komst van Christus in de wereld. Leer hieruit:

  1. Wanneer we één van de wonderlijke werken des Heeren in de voorzienigheid goed overdenken, kan en moet dit ons leiden tot de overweging van vele andere van dat soort werken van Hem: vele zijn Uw wonderlijke werken die Gij, o HEERE, mijn God, gedaan hebt.
  2. De werken van Gods voorzienigheid jegens ons moeten ons opwaarts leiden tot de raad van God, om Zijn zorg voor ons te beschouwen, Zijn gemoed en bedoeling jegens ons, die met Hem in een verbond zijn gebracht, om zo ons geloof in Hem te bevestigen: vele zijn Uw gedachten jegens ons, o HEERE, mijn God.
  3. Al is het dat Gods diepe gedachten en wonderwerken voor Zijn eigen volk onuitsprekelijk, ondoorgrondelijk en ontelbaar zijn, toch moeten we niet ophouden er op te zien en er over te spreken. Wanneer we niet alles ervan kunnen verhalen, dan toch wel iets: ze kunnen niet in orde bij U verhaald worden. Als ik ze zou verkondigen en erover zou spreken, zijn zij meer dan dat ze geteld kunnen worden.

7. Ghy en hebt geenen lust gehadt aen slacht-offer ende spijs-offer, ghy hebt my de ooren doorboort: brand-offer noch sond-offer en hebt ghy niet ge-eyscht.

8. Doe seyd’ ick, Siet ick kome: in de rolle des boecks is van my geschreven.

9. Ick hebbe lust, ô mijn Godt, om u welbehagen te doen: ende uwe wet is in’t midden mijns ingewants.

Hij richt zich nader op een bijzondere zaak, die in zijn betoog en onderzoek nog niet waren genoemd, namelijk het verbond der verlossing tussen de Vader en de Zoon, komende in de wereld. Van dit verbond stipt hij enige artikelen aan, zoals ze door de Zoon, Die hier door Zijn Geest spreekt, worden aangehaald. Leer hieruit:

  1. Het werk van verlossing door Christus, het verbond tussen de Vader en de Zoon over onze verlossing, de vleeswording van de Zoon van God en de gang van de zaligheid van de verlosten, is een van de meest wonderlijke zaken waarover ooit iets gehoord is, waarin zo veel wonderlijke werken van God, zo veel wonderlijke gedachten van God jegens ons samenkomen, dat ze én niet verklaard kunnen worden, én niet geteld of in orde gezet. Want dit werk, hier aangestipt, wordt vermeld als een voorbeeld van wat in het vorige vers was gezegd. Nu, dat dit door Christus is gezegd, toont de apostel ons in Hebreeën 10 vers 5,6 enz.
  2. Al waren offers en spijsoffers ingesteld om voordat Christus kwam, geofferd te worden, toch waren zij niet in zichzelf acceptabel, maar vanwege het offer van Christus, daardoor aangeduid. Niet die offers, maar Christus, daardoor aangeduid, kon de zonde wegnemen: slachtoffers en spijsoffers begeerde U niet. Brandoffers en zondoffers eiste U niet, namelijk om enige waarde in zichzelf, of als werkelijke betalingen voor de zonde.
  3. De ceremoniële wet zou niet blijven, maar zou weggenomen worden wanneer Christus kwam om Zichzelf te offeren, Die vooraf-geschaduwd was door de slachtoffers en levitische ordeningen. Want slachtoffers en spijsoffers begeerde U niet, maar Mijn oren hebt U geopend. Dit veronderstelt: “U hebt voor Mij een lichaam gevormd”, zoals de apostel in Hebreeën 10 vers 5 toont. En zo is bij de vleeswording, of bij de vorming van het lichaam van Christus en het brengen van de Zoon in de wereld, de afschaffing van de ceremoniën.
  4. De vleesgeworden Zoon van God wordt vrijwillig een zeer geschikte, verstandige, bereidwillige en gehoorzame Knecht bij de Vader voor ons: Mijn oren hebt U geopend, namelijk om elk gebod te ontvangen. Of Mijn oren hebt U doorboord, zoals onder de wet de oren van de slaaf werden doorboord wanneer hij ervoor koos om steeds bij zijn meester in dienst te blijven, Exodus 21 vers 5.
  5. Door offeranden van brandoffers was God niet voldaan voor de zonde, maar alleen door Christus komende en Zichzelf aanbiedende als Offer, eens voor al: brandoffers en zondoffers hebt U niet geëist. Toen zei Ik: “Zie, Ik kom”, zegt Christus.
  6. Deze weg om de zonden der mensen weg te nemen was zowel in het boek van Gods eeuwige besluiten als in het boek van de Heilige Schrift bevestigd als de enige weg om dit te bewerken. Want dat het Zaad van de vrouw door Zijn lijden de kop van de slang zou vermorzelen, was door God voorzegd (Genesis 3 vers 15), en Christus was het Lam Dat in de vertegenwoordigende offers geslacht was vanaf het begin van de wereld: in de rol van het boek is over Mij geschreven.
  7. Jezus Christus, vleesgeworden God, is in verbond met God de Vader, zodat door dit middel ook gelovigen in verbond met God kunnen zijn. Daarom noemt Hij Hem o Mijn God, zoals onze Heere in Johannes 20 vers 17 zegt: “Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, tot Mijn God en uw God.”
  8. Alles wat Christus in onze naam voor ons geleden en gedaan heeft, werd door Christus zeer gewillig en hartelijk ondernomen en volbracht: Ik heb behagen om Uw wil te doen, dat is, zoals de apostel het in Hebreeën 10 vers 10 uitlegt: om te volvoeren wat ons ook maar geheel en al voor eeuwig zou heiligen.
  9. De weg van onze verlossing door het doen en het lijden van Christus voor ons is Gods eigen plan, precies Zijn wil en welbehagen. En de gehoorzaamheid van Christus juist tot in de dood van het kruis, in onze naam verricht voor de Vader, heeft de Vader volkomen behaagd: Ik heb lust om Uw wil te doen, o Mijn God.
  10. De vleesgeworden Zoon van God was volmaakt heilig, zodat Hij volkomen aan de wet kon beantwoorden en tegen de Vader kon zeggen: ja, Uw wet is in Mijn hart. Dat deze woorden op David kunnen worden toegepast, en door elke gelovige in hun eigen maat en wijze kunnen worden gebruikt, is geen vraag, maar dat zij in diepste wezen en hoofdbedoeling moeten worden toegepast op Christus, als sprekend over Zichzelf, bewijst de zaak zelf. Want wie dan Hij kan aan zichzelf de volbrenging toeschrijven van wat de afbeeldende offers voor-afschaduwden? Wie dan Hij kon voor de zonde voldoen, wat de offers niet konden? Opnieuw maakt de apostel Paulus de zaak zo duidelijk (Hebreeën 10 vers 5 en 6), dat er geen reden tot twijfel overblijft. Laat David in heel de Psalm de afbeelding zijn, maar laat Christus het wezen zijn.

10. Ick bootschappe de gerechticheyt in de groote gemeynte; siet, mijne lippen en bedwing’ ick niet: HEERE, ghy weet het.

11. Uwe gerechticheyt bedeck’ ick niet in ’t midden mijns herten; uwe waerheyt ende u heyl spreeck ick uyt: uwe weldadicheyt ende uwe trouwe en verhele ick niet in de groote gemeynte.

In de derde plaats: zoals Christus een verslag heeft gegeven van de uitvoering van Zijn priesterlijke bediening in het verzoenen van de zonde, zo geeft Hij hier een verslag van Zijn profetische bediening, om de weg te banen voor Zijn voorbede. Leer hieruit:

  1. Christus ondernam het niet alleen om te lijden tot verzoening voor onze zonden, maar Hij ondernam het ook om door de prediking de vruchten van Zijn lijden aan Zijn volk toe te passen, tot hun rechtvaardigheid en zaligheid, om de gekochten te rechtvaardigen, te heiligen en te verlossen: Ik heb gerechtigheid gepreekt in de grote gemeente.
  2. De manier die vastgesteld is om de verworven genade aan de verlosten toe te passen, is preken: Ik heb gerechtigheid gepreekt in de grote gemeente, in de zichtbare kerk en in alle bijeenkomsten van de verlosten waar gelegenheid werd geboden.
  3. Zoals Christus niet verborg wat zielen zalig kon maken, maar het zorgvuldig communiceerde, zo moeten zij aan wie door Hem het prediken wordt toevertrouwd, het zonder vrees en oprecht verkondigen, als zij aan God antwoord willen kunnen geven: ik heb mijn lippen niet bedwongen, o HEERE, U weet het.
  4. De ware weg van de rechtvaardiging van zondaren door het geloof is een juweel, zo kostbaar en noodzakelijk voor arme zielen, dat deze niet verborgen mag worden: Uw gerechtigheid heb ik niet bedekt in het midden van mijn hart.
  5. Eén preek over dit onderwerp is niet genoeg. Het is nodig deze verborgenheid duidelijk te maken, hoe door het geloof in Christus de mens die tot Hem de toevlucht neemt, van zijn zonden vrijgesproken is en verlost in overeenstemming met het verbond, gemaakt tussen de lijdende Middelaar en God de betrouwbare Belover, om te rechtvaardigen en om te verlossen op Zijn eigen manier: Uw betrouwbaarheid en Uw heil heb ik verklaard.
  6. De weg van gerechtigheid en zaligheid verdiend voor de gelovigen door Jezus Christus, is erg solide en compleet, want,

ten eerste: deze weg van vergeving van de zonden voor ons vanwege de voldoening door Christus voor ons volbracht in Zijn gehoorzaamheid aan de Vader, zelfs tot de dood van het kruis, is Gods eigen plan en Zijn vrije gift. Daarom, zoals ze wordt genoemd de gerechtigheid van God (Romeinen 3 vers 21 en 22), zo wordt ze hier genoemd Gods gerechtigheid: o Heere, Uw gerechtigheid heb ik niet bedekt. En de zaligheid of het eeuwige leven aan deze toegerekende en geschonken gerechtigheid verbonden, en aan de ontvanger ervan verleend, is ook Gods plan en Zijn vrije gift. Daarom wordt het ook genoemd Zijn zaligheid: ik heb Uw zaligheid verklaard.

Ten andere: de zekerheid en grond van de verzekering van de gelovige dat deze gerechtigheid en zaligheid voor hem zijn vastgesteld, zijn de waarheid en betrouwbaarheid van God, Zichzelf verplichtend om deze weg van de rechtvaardiging en de zaligheid door het verbond der verlossing, gemaakt tussen de Vader en de Zoon, onze Middelaar, waar te maken; zoals in de belofte van het verbond der genade in de Schrift is beschreven. Dit kan de gelovige net zo min teleurstellen als dat de waarheid en betrouwbaarheid van God kunnen falen: Uw waarheid en Uw heil heb ik uitgesproken.

En ten slotte: de fontein, de bron, de opgang en de onveranderlijke grond van gerechtigheid en zaligheid, verworven door de verlossing, die door Jezus Christus werd bewerkt, en aan ons werd toegepast door het geloof in Hem, is enkel en alleen de goede wil en het welbehagen van God, de vrije genade, de vrijmachtige liefde en de overvloed van God, zonder enige verdienste van de verlosten: Uw weldadigheid en Uw trouw heb ik niet verborgen voor de grote gemeente. Dit is werkelijk een vaste grondslag.

  • De eenvoudige prediking, afkondiging en openbaarmaking van dit evangelie, mét de grondslagen ervan, zijn – door de zegen van God – in staat om een bevende ziel te overtuigen om zich aan Jezus Christus over te geven en te rusten op de onveranderlijke waarheid en vriendelijkheid van God, die aan elke arme zondaar zonder uitzondering wordt aangeboden. Want de prediking van deze dingen, het niet bedwingen van de lippen, het niet verbergen van deze kostbare en zaligmakende waarheid, de afkondiging ervan en het niet wegstoppen ervan, wordt hier opgegeven als een voldoende middel om de door Christus verworven gerechtigheid en zaligheid aan de verlosten toe te passen. En deze uitoefening van Christus’ profetische bediening is door Hem trouw volbracht, niet alleen in de prediking door Hem persoonlijk in de dagen van Zijn vlees, maar ook in die van Zijn dienaren, zowel vóór als na Zijn vleeswording. En ze zal ook van geslacht tot geslacht worden gecontinueerd, tot aan het einde van de wereld, ondanks alle oppositie. Want Christus zal in staat zijn om een niet minder volkomen verantwoording af te leggen van Zijn andere ambten dan van het koninklijke ambt, wanneer Hij het koninkrijk zal overgeven aan Zijn Vader.
  • Wat in dit vers David als de afbeelding van Christus aangaat of als een van de dienaren van Christus, dat vatten we samen in één woord, namelijk dit:—des te meer de predikers getrouw zijn om het evangelie tot zaligheid van zielen te verkondigen, des te meer vertrouwen en vertroosting zal het getuigenis van hun geweten hun verschaffen in de dag van hun moeite, wanneer ze voor God verschijnen, zoals de profeet hier bij bevinding ervaart.

12. Ghy, ô HEERE, sult uwe barmherticheden van my niet onthouden: laet uwe weldadicheyt ende uwe trouwe my geduerichlick behoeden.

13. Want quaden tot sonder getal toe, hebben my omgeven, mijne ongerechticheden hebben my aengegrepen, dat ick niet en hebbe konnen sien; sy zijn menichvuldiger dan de hayren mijns hoofts, ende mijn herte heeft my verlaten.

14. Het behage u, HEERE, my te verlossen: HEERE, haest u tot mijner hulpe.

Nadat Christus verslag heeft uitgebracht dat Hij het werk dat Hij op Zich had genomen, had volbracht, treedt Hij tussen voor de beloofde genade voor Zijn geestelijk lichaam en voor Zichzelf, omdat Hij de plaats inneemt van de verlosten. Hierin heeft David, als type van Christus en als lid van het geestelijk lichaam van Christus, zijn eigen plaats. Leer hieruit:

  1. Omdat de prijs van de verlossing hier wordt voorgesteld als volkomen opgebracht en er niets door Christus onbetaald is gelaten, daarom moet de toepassing van de verworven genade worden toegestaan. Want Christus, Die hier spreekt, nadat Hij, van vers 7 tot vers 12, Zijn uitvoering van het verbond heeft verklaard, vraagt nu dat de beloofde vriendelijkheid en genade aan Hem en aan Zijn geestelijk lichaam wordt volbracht, zeggende: onthoud aan mij Uw barmhartigheden niet, o HEERE; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij gedurig behoeden. En dit is gedurende alle geslachten een blijvend gebed van de Middelaar, ten gunste van Zijn verdrukte geestelijk lichaam.
  2. De onveranderlijkheid van Gods vriendelijkheid en de waarheid van de beloften die in Zijn verbond zijn gemaakt, zijn hechte grondslagen voor de zekerheid dat de Heere aan de verdrukte gelovige Zijn barmhartigheden niet zal onthouden. Want hierop gronden de onderdelen van zijn smeekbede zich: onthoud Uw barmhartigheden niet van mij en laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij gedurig behoeden.
  3. Al is het dat moeiten die worden toegediend, door de zonde worden aangetrokken, en gevolgen zijn van de rechtvaardige toorn over de zonde, toch zijn ze ook het voorwerp van Gods barmhartigheden, wanneer de verdrukten zowel hun moeiten als hun zonden, die deze verdienden, voor Gods ontfermend oog voorleggen. Want hier wordt een reden om te hopen op barmhartigheid gehaald uit zowel de moeite als de zonde die op hen liggen:want ontelbare kwaden hebben mij omgeven en mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen.
  4. Uit kracht van de voorbidding van Christus mag iedere gelovige in Christus’ Naam dezelfde smeking opnemen en die, in de tijd van moeite en nood, voor eigen nut aan God voorhouden. Want omdat David als een van de leden van het geestelijke lichaam dit gebruik ervan maakt, daarom mogen ook al de andere gelovigen het zo doen. Want Christus, de Middelaar, eigent Zich al de zonden van al Zijn verlosten toe, als Zijn zonden gemaakt met Zijn toestemming, om ze aan Hem toegerekend te krijgen, en Hij heeft de straf ervan zo gedragen dat het ervoor kan voldoen en ook voldoet aan Gods gerechtigheid. Daarom mag Christus ten behoeve van Zijn verlosten, en elke gelovige in Christus als zodanig, gedurige bewaring verwachten door de goedertierenheid en waarheid van God, daarvoor in pand gegeven door het verbond, wanneer zij, in de tijd dat moeite en schuld beide tegelijk op hen aankomen, tot God toevlucht nemen. Want de reden van het gebed is zo geformuleerd dat het zowel de Middelaar past, Die voor Zijn geestelijk lichaam voorbede doet, alsook elke vermoeide ziel die tot God is gevlucht door Christus door geloof in Hem. Zodat hij deze uitweg en bevrijding mag vinden in, met en omwille van Christus: laten Uw weldadigheid en Uw trouw mij gedurig behoeden, want ontelbaar veel kwaden hebben mij omgeven. Mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen.
  5. Niets kan iemand zo leeg maken en laag neerleggen en met beschaamdheid van aangezicht vervullen, als zijn zonde, die hem achtervolgt: mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, zodat ik niet heb kunnen zien.
  6. Wanneer alles wat ons eigendom is, zoals natuurlijke kracht, inzicht of moed, ons in de steek laat/faalt/bezwijkt, laat God ons toch niet in de steek en ook geloof laat ons niet in de steek, want wanneer het zover is gekomen dat ‘mijn hart mij in de steek laat’, staat het geloof op en pleit het in gebed om genade en goedertierenheid, juist omreden dat het hart bezwijkt.
  7. Wanneer de strijd groot is en de last zwaar en het schepsel zwak, dan zijn de bevrijding en de hulp nabij: het behage U, HEERE, mij te verlossen. HEERE, haast U tot mijn hulp.

15. Laetse te samen beschaemt, ende schaem-root worden, die mijne ziele soecken, om die te vernielen: laetse achterwaerts gedreven worden, ende te schande worden, die lust hebben aen mijn quaet.

16. Laetse verwoestet worden tot loon harer beschaminge, die van my seggen, Ha, ha!

Leer van dit gedeelte van zijn gebed dat tegen zijn vijanden is gericht:

  1. Zoals de Heere om de voorbede van Christus niet zal falen om Zijn volk in moeite te helpen, zo zal Hij ook niet missen in het teleurstellen van de vijanden van Zijn volk en om ellende over hen te brengen; al zijn er nog zo velen en al zijn zij nog zo sterk: laten zij tezamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen.
  2. Niet alleen de openlijke vervolgers van de godvrezenden, maar allen die hen slecht en niet-vriendelijk gezind zijn, die ermee tevreden konden zijn om kwaad over Gods kerk te zien komen, zullen gestraft worden mét de openbare tegenstanders: zij zullen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die hun kwaad toewensen.
  3. Spotten met de godvrezenden en hen tot schande brengen, is in werkelijkheid schande voor de spotters en niet voor de godvrezenden, op wie in hun lijden de Geest van heerlijkheid rust (1 Petrus 4 vers 14). En daarom zullen de goddeloze spotters hun eigen schande en hun straf dragen: laten zij verwoest worden tot loon van hun schaamte, die tegen mij zeggen: “Ha, ha!”

17. Laet in u vrolick ende verblijdt zijn, alle die u soecken; laet de liefhebbers uwes heyls geduerichlick seggen, De HEERE zy groot gemaeckt.

18. Ick ben wel elendich ende nootdurftich, [maer] de Heere denckt aen my: Ghy zijt mijne hulpe, ende mijn bevrijder; ô mijn Godt, en vertoeft niet.

Leer van dit gebed, dat de rest van de godvrezenden troost kunnen hebben uit zijn bevrijding, welke bevrijding hij vertrouwensvol verwacht:

  1. Zoals elke genade aan elke gelovige een bewijs verschaft van Gods bereidwilligheid om een gelijksoortige genade te tonen aan alle gelovigen wanneer zij die nodig hebben, zo moest elke getoonde genade aan wie ook maar van het getal (gelovigen), wanneer die bekend is geworden bij de rest, de oorzaak en de gelegenheid gemaakt worden om de Heere groot te maken: laten allen die U zoeken, vrolijk en verblijd zijn in U.
  2. De godvrezenden, van wie het de eigenschap is om met anderen te delen in de verdrukkingen van Christus en God te zoeken en te wachten op des Heeren weg van verlossing, en de veiligheid van Zijn volk lief te hebben, zullen reden hebben om zich te verheugen en om God onophoudelijk te prijzen voor nieuwe bewijzen van Zijn barmhartigheid voor de Zijnen:laten allen die U zoeken, vrolijk en verblijd zijn in U. Laten zij die Uw heil liefhebben, gedurig zeggen: “De HEERE zij groot gemaakt!”
  3. Het is een gewone omstandigheid van de godvrezenden, voordat zij uit enige moeilijkheid bevrijd worden, een keer gevoelig te worden gemaakt van hun eigen zwakheid, leegheid en noden, zoals hier: ik ben ellendig en nooddruftig.
  4. Het is een gewone beproeving van de verdrukten om door de wereld te worden geminacht en veracht. En dit is ook een verzoeking om hen ertoe te bewegen om hun eigen situatie voor God verkeerd op te vatten. Want zo legt de psalmist de zaak aan God voor: maar, zegt hij, ik ben ellendig en nooddruftig.
  5. Wát de wereld of het gevoel en valse ingevingen ook zeggen over de verdrukten, het geloof geeft grond tot verzekering dat onze lage en minne omstandigheid zó ver ervandaan is om ons voor God verachtelijk te maken, dat het integendeel zo is: des te lager wij worden gebracht, des te meer wij in Zijn hart en waardering zijn: maar de HEERE denkt aan mij. En wanneer God ons aanziet, voorziet dat ruimschoots in het verlies aan aanzien onder de mensen.
  6. Wanneer de gelovige zijn geloof heeft vastgemaakt, kan hij spoedig zijn verlossing verwachten: U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder, zegt hij, en dan, O mijn God, vertoef niet.

Over de auteur

Ds. W. Pieters

Reageren

Website van Ds. W. Pieters

Over ds. W. Pieters

In 1957 werd ik in Ede op de Veluwe geboren. Na de middelbare school werd ik student theologie in Utrecht in 1976. In oktober 1979 ontving ik preekbevoegdheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en op 5 mei 1981 werd ik door ds. J. Catsburg bevestigd in het ambt van herder en leraar, te Genemuiden.
Na negentien jaar volgde, in september 2000, de Reformed Church in America in Springford, Ontario, Canada. Daarna, in januari 2005, de Hervormde Gemeente van Garderen (buiten de PKN). En in januari 2019 kwam ik in mijn laatste gemeente, Elspeet, die ik tot 1 mei 2025 mocht dienen.

Bij deze heeft een ieder toestemming gebruik te maken van alles wat op deze blog verschijnt (ook zonder bronvermelding – omdat het er niet om gaat wíe wat zegt, maar wát wordt gezegd), onder voorbehoud dat het niet tot afbreuk van Gods Koninkrijk zal zijn. Mijn verlangen is dat God dit communicatiemiddel zegent tot eer van Zijn Naam, tot stichting van Zijn gemeente, en tot nut van een ieder die (hoe toevallig ook) op deze pagina aanlandt.

Categorieën