Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
Psalm 41
1)1. EEn Psalm Davids: voor den Opper-sang-meester.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
David, als type van Christus, en als voorbeeld van Zijn verdrukte volgelingen, troost zich, na te hebben gebeden, tegenover het onvriendelijke oordeel, dat de goddelozen over hem velden in zijn verdrukking, vers 2—5.
In de tweede plaats klaagt hij over de vervloekte houding van zijn vijanden tegenover hem, en bidt hij om uit zijn moeite verlost te worden, vers 6—11.
In de derde plaats wordt hij troostrijk beantwoord en prijst hij God daarvoor, vers 12—14.
2. Welgelucksalich is hy, die sich verstandichlick draecht tegen eenen elendigen: De HEERE sal hem bevrijden ten dage des quaets.
3. De HEERE sal hem bewaren, ende sal hem by’t leven behouden, hy sal op aerden gelucksalich gemaeckt worden: En geeft hem oock niet over in sijner vyanden begeerte.
4. De HEERE sal hem ondersteunen op het sieck-bedde; in sijne kranckheyt verandert ghy sijn gantsch leger.
5. Ick seyde; ô HEERE, zijt my genadich; geneest mijne ziele, want ick hebbe tegen u gesondicht.
Om de godvrezenden in hun verdrukkingen te troosten en het algemene oordeel van de wereld over het verdrukte volk te corrigeren, geeft hij een reden aan, waarom het veilig is om vriendelijk te oordelen over iedereen die zich in zijn verdrukking voor God verootmoedigt. Leer hieruit:
- Al is het voor de wereld gewoon om allen die verdrukt worden, te oordelen als door God in toorn geplaagd, toch is het een gezegende gang om ons in te spannen om onze harten te voegen tot een wijs en verstandig oordeel over de toestand van andere mensen, door te zien hoe iemand zich in zijn moeite gedraagt; en om vriendelijk te oordelen over degene die verbroken is en zich in zijn verdrukkingen voor God verootmoedigt: welgelukzalig is hij die op de arme let, of aan de zwakke troost en onderwijs geeft.
- Het is een gelukkig iets voor een verdrukt mens, die zich voor God verootmoedigt, om positief over zijn eigen situatie te oordelen, net als over de situatie van een ander in een soortgelijke omstandigheid. Want welgelukzalig is hij die op de arme let is zo beschreven, dat het van toepassing is op de lijder in verdrukking die zichzelf beoordeelt, niet minder dan op degene die een ander in verdrukking gadeslaat. En tot bevestiging hiervan geeft hij zes redenen van troost aan de verdrukte en verootmoedigde, en om de vriendelijke toeschouwer en beoordelaar van hem die met hem lijdt, te bevestigen.
- De verdrukte en verootmoedigde zal verlost worden uit zijn moeite, wát die ook mag zijn: de HEERE zal hem bevrijden in de tijd van moeite. Dit is de eerste reden van troost en meteen een reden van bevestiging en bemoediging van degene die de verdrukte wijs beoordeelt.
- De Heere heeft een manier van verlossing, niet alleen vóór de moeite, zodat iemand er niet in valt, en niet alleen verlossing uít de moeite door de moeite weg te nemen, maar ook een manier van verlossing wanneer de moeite nog blijft, namelijk door hem te ondersteunen, hem te vertroosten, hem te beschermen tegen enigerlei schade door de moeite, door hem iets goeds te geven door die moeite, en door zijn gemoed tot rust te brengen door rustige onderwerping aan God onder de moeite, enz.: de HEERE zal hem bevrijden in de tijd van de moeite. En dit wordt in de volgende verzen in bijzonderheden uiteengezet als zovele redenen tot troost en om zijn eigen situatie en die van anderen positief te beoordelen.
- Al raakt de godvrezende erg uitgeput, toch zal hij niet vergaan: de HEERE zal hem bewaren, en hem bij het leven behouden. En dit is de tweede reden van troost. Al verliest hij de moed en heeft hij zo nu en dan zielenflauwten, toch zal het geestelijk leven in hem worden bewaard.
- Geen van de verdrukkingen van een godvrezende zal zijn begonnen gelukzaligheid hinderen of wegnemen, zelfs niet in deze wereld: hij zal op aarde gezegend worden. En dit is de derde reden voor de troost. Als het tot Gods glorie en ’s mensen goed zal zijn, zal dit tijdelijke leven bewaard worden en zullen bewijzen van Gods zegen op hem gezien worden.
- Geen vervolger zal de godvrezende van zijn standpunt afbrengen en hem zijn God of de weg van godzaligheid doen verzaken. Als hij al eens uitglijdt, zal God hem weer oprichten: U zult hem niet overgeven aan de begeerte van zijn vijanden. En dit is de vierde reden tot troost.
- De Heere zal de godvrezende sterken om te dragen wat Hij hem ook maar oplegt: de HEERE zal hem ondersteunen op het het bed waarop hij wegkwijnt. En dit is de vijfde reden van zijn troost.
- De Heere zal al de verdrukkingen van de godvrezende verlichten en matigen en het hem onder zijn moeite gemakkelijk maken, net zo voorzichtig en toegenegen als wanneer het bed van een zieke op de beste manier wordt opgemaakt tot zijn gemak: in zijn ziekte maakt U zijn hele bed gemakkelijk. En dit is de zesde reden voor zijn troost.
- De man die al deze vertroostingen mag verwachten en over wie gunstig geoordeeld mag worden, hetzij het hemzelf betreft of een ander, is degene die bij het besef van zijn zonden zich voor de Heere verootmoedigt, en in het bijzonder wanneer hij verdrukt wordt en tot Gods genade de toevlucht neemt, in de eerste plaats om vergeving voor zijn zonden te ontvangen en daarna om zijn moeite kwijt te raken, zoals God geschikt acht voor zijn behoud. Dit wordt aangeduid in Davids gedrag onder zijn moeite, met de uitdrukkelijke bedoeling dat hij het karakter van des Heeren arme aangeeft, aan wie de voorgenoemde vertroostingen behoren en van wiens staat een goede gedachte gevormd mag worden: ik zei: “HEERE, wees mij genadig, genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.”
6. Mijne vyanden spreken quaet van my, [seggende,] Wanneer sal hy sterven, ende sijn naem vergaen?
7. Ende so [yemant van hen] komt om [my] te sien, hy spreeckt valscheyt, sijn herte vergadert sich onrecht; gaet hy uyt nae buyten, hy spreeckter van.
8. Alle mijne haters mompelen t’samen tegen my, sy bedencken tegen my ’t gene my quaet is, [seggende]:
9. Een Belials stuck kleeft hem aen: ende hy die nederleyt, en sal niet weder opstaen.
10. Selfs de man mijnes vredes, op welcken ick vertrouwde, die mijn broot at, heeft de verssene tegen my grootelicx verheven.
11. Maer ghy, ô HEERE, zijt my genadich, ende richt my op: ende ick sal’t hen vergelden.
Leer van zijn klacht tegen zijn vijanden, hier in de tweede plaats neergeschreven:
- Kwaadspreken tegen de godvrezende zal door God worden opgemerkt en zal een onderdeel worden gemaakt van het aanklachtlied van de goddeloze: mijn vijanden spreken kwaad over mij.
- De kwaadaardigheid van de vijanden van godsvreze is zo tegen de godvrezenden, dat niets behalve hun totale omverwerping en uitroeiing van de aarde van zulk soort mensen hun tevreden kan stellen: wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?, zeggen ze.
- De godvrezenden hebben niet alleen met openlijke vijanden te maken, maar ook met geheime valse huichelaars, die met mooie woorden vriendschap zullen voorwenden, terwijl zij de weg van kwaadaardigheid volgen. Voor deze valsheid kunnen we niet méér schuilen dan voor de kracht van openlijke vijandschap, behalve door tot God te vluchten, de Rechter van alle verdrukten: als hij komt om mij te zien, spreekt hij valsheid; heel wat mooie woorden, maar niet een ervan is waar.
- Het doel van de zogenaamde vriendelijkheid van de goddeloze tegenover de godvrezenden en om binnen te dringen in hun omgang, is dat hij iets zou kunnen opmerken in hun gedrag of omstandigheid of gesprekken, waarmee hij tegenover hen zijn voordeel kan doen: als hij komt om mij te zien, dan vergadert zijn hart onrecht voor zichzelf; gaat hij uit naar buiten, dan vertelt hij het.
- Hoewel de goddelozen niet méér tegen de godvrezenden kunnen doen dan God wil toestaan ter oefening en ten goede van de godvrezenden, toch hebben de goddelozen veel plannen om de godvrezenden te beschadigen en te vernietigen: al mijn haters mompelen samen tegen mij. Ze bedenken tegen mij mijn kwaad.
- Wanneer de godvrezenden in benauwdheden vallen, oordelen de goddelozen dat de godvrezenden nooit meer uit hun moeite zullen komen. En met deze hoop verkwikken zij zich: een boosaardige kwaal kleeft aan hem vast; en hij die neerligt, zal niet weer opstaan.
- Het is het lot, voor Christus en voor al de ware leden van Zijn geestelijk lichaam weggelegd, zowel als voor David, om in de tijd van hun beproevingen een harde bejegening van de goddelozen te ontvangen in de wereld, hoeveel banden er ook liggen van natuur, vriendschap, vertrouwelijkheid of verplichtingen van de goddelozen jegens de godvrezenden, die anders een betere behandeling zouden vragen: ja, mijn eigen intieme vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.
- In de tijd van moeite moeten we niet bij onze ellenden blijven stilstaan, alsof we niets te doen hadden dan te huilen en te treuren, maar we moeten ons tot God wenden en Hem om genade bidden en verlossing verwachten, zoals de psalmist hier doet: maar o HEERE, weest U mij genadig, en richt mij op.
- Al is het niet voor iedere gelovige gepast om hun vervolgers en vijanden te vergelden, zoals het gepast was voor David als overheidspersoon – en voor Christus, Die Koning der koningen is en hier door hem wordt vertegenwoordigd – om tot vergelding te besluiten en die ook uit te oefenen tegen hun vijanden, toch mag elke gelovige hiervan verzekerd zijn, dat wat voor onrecht ook Christus in zijn persoon is aangedaan, Christus het zijn vervolgers zal vergelden. Want Hij zal nooit in Zijn geestelijke leden zó worden neergedrukt of Hij zal weer worden opgericht, zoals Hij Persoonlijk werd opgewekt na Zijn Persoonlijke lijden. Richt mij op, zodat ik het hun kan vergelden.
12. Hier by weet ick, dat ghy lust aen my hebt; dat mijn vyant over my niet en sal juychen.
13. Want my aengaende, ghy onderhoudt my in mijne oprechticheyt; ende ghy stelt my voor u aengesichte in eeuwicheyt.
14. Gelooft zy de HEERE, de Godt Israëls, van der eeuwicheyt, ende tot inder eeuwicheyt, Amen, ja Amen.
Het laatste deel van de psalm bevat zijn dankzegging; verondersteld is dat de psalm werd opgetekend na de verlossing uit de moeite, die in het eerste deel werd uiteengezet. Leer hieruit:
- Al dienen uiterlijke verlossingen van vijanden en uiterlijke voorspoed niet altijd als teken van Gods gunst (want een slecht mens kan in een slechte zaak voor een tijd voorspoed hebben;) maar wanneer iemand met God verzoend is en de zaak die deze verzoende persoon tegen zijn vervolgers verdedigt, is de zaak des Heeren…; als God aan Zijn dienaar óf een geestelijke overwinning geeft (zodat de vijand niet zó de overhand over hem heeft, dat hij hem van zijn rechtvaardige zaak verdrijft) óf daarbij een uiterlijke overwinning en verlossing van de macht van de tegenstander – dan is in zo’n geval (zeg ik) het samengaan van Gods woord en werk er een bewijs van dat God niet alleen die persoon begunstigt, maar ook diens zaak en zijn gedrag daarin. Zo mag hij zeggen: hierbij weet ik, dat U mij goedgunstig zijt, omdat mijn vijand niet over mij juicht.
- Oprechtheid is een bijzonder middel om iemand door moeilijkheden heen te brengen. En aan wat voor zwakheden de gelovige onderworpen mag zijn, hij zal geen troost missen, als hij gewetensvol omgaat met integriteit, oprechtheid en eerlijkheid. Want dit is de vreugde van de psalmist, wanneer hij op zijn vorige beproevingen onder moeite terugziet: mij aangaande, U onderhoudt mij in mijn oprechtheid.
- Aan de wijze worstelaar met verzoekingen wordt het uiteindelijk gegeven om te zien en door de ervaring die hij van zichzelf heeft en van God hulp in tijd van verzoeking te erkennen, dat al de eer van het staan-blijven en het volhouden in moeite-omwille-van-gerechtigheid, toekomt aan de Heere: U onderhoudt mij in mijn oprechtheid.
- Ervaring van Gods genadige ondersteuning van een gelovige in een tijd van beproeving dient als goed argument om hem vol vertrouwen te maken wat betreft de voortduur van Gods gunst voor hem voor eeuwig. Ja, na ervaringen van een overwinning geeft God gewoonlijk enige mate van overtuiging van Zijn eeuwigdurende liefde voor hen die overwonnen hebben, zoals hier: U stelt mij voor eeuwig voor Uw aangezicht.
- Wie zicht krijgt op Gods liefde voor hem, mag Gods gunst die hij voelde, vastknopen aan Gods eeuwige liefde die besloot deze gunst te tonen, en aan Zijn eeuwige liefde die zich aan hem meedeelt, en die de besluiten van liefde jegens hem uitvoert. En hij mag de gang van eeuwige zegeningen aanschouwen die loopt van eeuwigheid vóór de wereld/tijd, tot eeuwigheid ná de wereld/tijd. En wanneer de gelovige het heeft gezien, moet hij dit met lofprijzing en dankzegging erkennen, zoals hier: geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid!
- Wie de gang van Gods liefde tot hem ziet, ziet ook Gods liefde in verbinding met de rest van Gods volk, dat met hem in hetzelfde verbond aan God in Christus is verbonden: geloofd zij de HEERE, de God van Israël, zegt de psalmist, nu hij God wil loven voor zijn eigen persoonlijke genadebewijs.
- Nieuwe ervaringen van Gods liefde in een bijzondere beproeving, in het bijzonder wanneer de ziel werd opgeheven tot de eeuwige oorsprong en de eeuwige duur van deze liefde, zal een ziel hartelijk met al haar kracht de eeuwigdurende lof doen geven aan God, en dit keer op keer doen verzegelen: geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen.
