Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
Psalm 43
Deze Psalm heeft dezelfde bedoeling als de vorige, want David klaagt in zijn verbanning over zijn vervolgers en bidt om verlossing en betreurt zijn droevige omstandigheid, vers 1, 2; hij bidt om hersteld te worden in de vrijheid van de openbare godsdienstoefeningen en belooft God te prijzen wanneer hij verheugd terugkeert, vers 3, 4; en hij worstelt met zijn moedeloosheden, zoals hij in de vorige Psalm deed, vers 5.
1)1. DOet my recht, o Godt, ende twist ghy mijne twist-sake: bevrijdt my van het ongoedertieren volck, van den man des bedrochs ende des onrechts.
2. Want ghy zijt de Godt mijner sterckte; waerom verstoot ghy my [dan]? waerom gae ick steeds in’t swart, van wegen des vyants onderdruckinge?
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
Leer uit deze klacht en dit gebed tegen zijn vijanden:
- Zoals de godvrezenden gewoonlijk veel sterke, sluwe en wrede vijanden hebben, die hen omwille van de gerechtigheid onderdrukken, zo missen zij ook niet een onpartijdige Rechter, Die voldoende is om hun tegenstanders aan te pakken, tot Wie zij zich mogen en moeten richten in hun verdrukking, zoals David hier doet: richt mij, o God, en bepleit mijn zaak tegen een goddeloos volk.
- De wreedheden en valsheden en mooie voorwendselen waardoor de vijanden hun wrede bedoelingen camoufleren, zijn gevaarlijker dan hun openlijke wreedheid. Hiervoor kan geen wijsheid dan Goddelijke aanwijzing iemand bewaren: bevrijd mij van de man van bedrog en onrecht.
- Wat de verdrukte kerk of een gelovige persoonlijk mist, dat heeft God en dat zal tevoorschijn komen tot nut en voordeel van de gelovige, zoals hij nodig heeft, om hem daardoor staande te houden en hem te troosten en hem te verlossen en hem te zegenen: want U bent de God van mijn sterkte.
- Hoewel de Heere alles in allen voor ons is door het verbond, toch kan Hij, ons ten goede en Hem ter eer, ons zo oefenen dat we voor een tijd het bezit missen van wat we in de belofte hebben, en ook schijnen uit ons recht uitgeworpen te zijn. In dat geval zullen we, als we eenmaal ons geloof zullen vaststellen, vrijheid hebben om tegen alle verzoekingen in ons recht te beargumenteren, en het gevoel van onze situatie aan God voor te stellen zonder misverstaan te worden, zoals David hier doet, wanneer hij zegt (niet voordat, maar nadat hij zijn geloof heeft vastgesteld): waarom verstoot U mij? Waarom ga ik treurend vanwege de onderdrukking van de vijand?
3. Sendt u licht, ende uwe waerheyt, dat die my leyden; datse my brengen tot den berch uwer heylicheyt, ende tot uwe wooningen:
4. Ende dat ick ingae tot Godts altaer, tot den Godt des blijtschaps mijner verheuginge, ende u met de harpe love, o Godt, mijn Godt!
Leer van dit gebed en van de belofte tot dankzegging:
- Geen verzoeking tot moedeloosheid en geen schijnbare verlating moet de gelovige afleiden om zijn verlangen naar verademing te vervolgen, maar ze moeten juist zijn drang in het gebed ontsteken: o, zend Uw licht.
- Wanneer troost, verlossingen van moeiten en vervulling van beloften het meest verdwijnen, worden ze voor ons in voorraad gehouden en goed opgeborgen, om voor ons uitgelaten te worden op de juiste tijd: o, zend Uw licht en Uw waarheid.
- Aanwijzingen hoe we ons hebben te gedragen tot we onze begeerten hebben verkregen, en opmerkzaamheid op de stappen van Gods voorzienigheid waardoor Hij ons brengt tot het bezit van de beloofde genade, zijn noodzakelijke voorbereidingen voor de genade die we zoeken, waar we om moeten bidden als een genade die in orde voorafgaat aan die bijzondere genade die we graag willen hebben: laten die mij leiden; laten die mij brengen tot Uw heilige berg.
- Geestelijke smart moet geestelijk getroost worden. Droefheid naar God vanwege de afstand van God en het gebrek aan het troostvolle gebruiken van Zijn inzettingen, staat geen troost toe behalve een troost van dat soort. Want David verlangt er méér naar om vrij gebruik te maken van de openbare godsdienstoefeningen, dan het koninkrijk te hebben. Daarom zegt hij: laten die mij brengen tot Uw heilige berg, en tot Uw woningen.
- Het eerste wat een ziel aan de orde moet stellen in haar spreken tot God, is het middel tot verzoening van haar zonde, en dat is: Christus, vertegenwoordigd door het altaar, Die Zichzelf offert als losprijs voor de zondaar, en Die de offeraar heiligt, en de aanbidding en dienst van de man die door Hem tot God komt: dan zal ik gaan tot Gods altaar.
- Deze manier om God aan te spreken door Christus, geeft ons directe toegang tot God, en het geeft vrede aan de ziel van degene die op deze manier tot God gaat: dan zal ik tot God gaan.
- God in Christus aangegrepen verschaft de gelovige niet alleen vrede, maar ook onuitsprekelijke vreugde. Ja, God door Christus verzoend is het Leven van de blijdschap van de gelovige: ik zal tot God gaan, mijn alles-overtreffende Verheuging.
- Zoals het verlangen van de ziel naar God is, wanneer ze op een afstand van Hem is, zo zijn de vertroosting en verzadiging die zij vindt na vernieuwde toegang. En zoals de smekeling aandringt op een vernieuwd gevoel van omgang, zo bedoelt hij ook dat de lofprijzingen van God hartelijk zullen zijn, wanneer hij dat ontvangt waar hij naar verlangde, en ook, dat zijn geloof sterker zal zijn door de sterkere bevestiging van de band van het verbond tussen hem en God: ik zal U loven met de harp, o mijn God.
5. Wat buycht ghy u neder, o mijne ziele, ende wat zijt ghy onrustich in my? hoopt op Godt, want ick sal hem noch loven; hy is de menichvuldige verlossinge mijns aengesichts, ende mijn Godt.
Hij sluit dit gebed af, zoals het vorige door zijn geloof en hoop aan het werk te zetten om te worstelen met moedeloosheid. Leer hieruit:
- De sterkste gelovige kan overvallen worden met vlagen van neerslachtigheid en moedeloosheid. Want deze kampvechter bevindt dat zijn ziel neergebogen is.
- Een biddende ziel, die door Christus in God gelooft, heeft geen reden om neerslachtig en moedeloos te zijn, wat voor reden tot verootmoediging zij ook heeft: waarom buigt je je neer, o mijn ziel?
- Het is een heiligend middel om ons uit moedeloosheid te ontworstelen, om wantrouwen de deur uit te argumenteren of onszelf uit neerslachtigheid uit te argumenteren door redenen genomen uit Gods Woord. En het is wijs om het geweten tot onze vriend te krijgen, wanneer het gemoed en het hart in een verkeerde stemming zijn in deze situatie. Het is noodzakelijk om Gods kant te kiezen tegen wantrouwen en ongegronde onrust, en om zowel Zijn zaak als de onze te beargumenteren tegen verzoekingen: waarom ben je onrustig in mij?
- Er is voor een gekwelde en verontruste geest geen rust, dan door het anker uit te werpen op de Rots en te hopen op God: hoop op God.
- Hoop kan zich in moeiten niet opheffen dan door een belofte aan te grijpen: hoop op God, want ik zal Hem nog loven.
- Al is het geloof in het donker, toch ziet het ver. Zo gauw het geloof het vooruitzicht van het verbond der genade voor zijn ogen zet, ontdekt het dat het gepaste geneesmiddel tegen aanwezige kwaden, en het goede dat het geloof zou willen hebben en dat ermee gepaard gaat, in God is. En het geloof is er net zo zeker van alsof het al in bezit was: Hij is de Gezondheid van mijn aangezicht, en mijn God.
