Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
Psalm 44
1)1. Een onderwijsinge: voor den Opper-sang-meester, onder de kinderen van Korah.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
De kerk, onder zware vervolging
- sterkt eerst haar geloof in God, voordat zij begint met haar klacht, vers 2—9;
- in de tweede plaats zet zij haar verdrietige lijden onder de hand van wrede vervolgers uiteen, vers 10—17;
- in de derde plaats belijdt zij haar voortdurende toewijding aan God en belijdt plechtig Zijn waarheid voor de verleden tijd en haar bedoeling om te volharden voor de komende tijd, vers 18—23;
- in de laatste plaats bidden zij tot de Heere om op te staan en hen van hun wrede vervolgers te verlossen tot de glorie van Zijn gerechtigheid en barmhartigheid, vers 24—26.
Leer uit het opschrift – aangezien de canon van de hele Hebreeuwse Bijbel door Christus en Zijn apostelen ons is aanbevolen als het ontwijfelbare Woord van God, en de ontwijfelbare Schriften, gegeven door de Heilige Geest aan de heilige mannen Gods, de schrijvers ervan, ongeschonden zijn bewaard en niet door de Joden zijn bezoedeld (wier eer voor het trouw bewaren van de woorden Gods aan hen toevertrouwd onbevlekt is [Romeinen 4 vers 2]) – dat wij onszelf niet hoeven te bekommeren over de naam van de schrijver of de tijd dat enig deel ervan geschreven werd, in het bijzonder omdat God met een bedoeling soms de naam van de schrijver verbergt en de tijd wanneer het werd geschreven, met de bedoeling dat wij bij elk boek meer zien op de Ingever ervan dan op de schrijver ervan, en opdat het nut van een oefening van iemand van de heiligen die daarin beschreven wordt, des te groter zou zijn, terwijl de overweging van bijzondere omstandigheden van tijd en personen (waarop het alleen zou schijnen te passen) terzijde werd gesteld. Want deze Psalm die de naam van de schrijver mist, en ook de tijd van schrijven, wordt door de apostel in Romeinen 8 vers 36 beschouwd niet alleen als een ervaring van de kerk vóór onze tijd, maar ook als een profetie van het martelaarschap van christenen ten tijde van het evangelie en als bemoediging om vast te staan in het geloof in het midden van de heetste vervolgingen.
2. O Godt, wy hebben’t met onse ooren gehoort, onse vaders hebben’t ons vertelt: ghy hebt een werck gewrocht in hare dagen, in de dagen van outs.
3. Ghy hebt de Heydenen met uwe hant uyt de besittinge verdreven, maer haerlieden geplantt; ghy hebt de volcken geplaecht, haerlieden daer en tegen doen voortschieten.
4. Want sy hebben het lant niet ge-erft door haer sweert, ende haren arm heeft hen geen heyl gegeven: maer uwe rechterhant, ende uwen arm, ende het licht uwes aengesichts; om dat ghy een welbehagen in hen haddet.
Voor de bevestiging van hun geloof geven zij drie argumenten aan. Het eerste is genomen van het machtige werk des Heeren in het uitdrijven van de Kanaänieten en het inplanten van hun voorgeslacht in Kanaän, waar de Heilige Schrift melding van maakt. Leer hieruit:
- De informatie die de Schrift ons geeft van Gods werken voor Zijn volk, is net zo zeker en moet door ons zo worden beschouwd alsof het volk van God dat leefde in de dagen toen deze werken werden gedaan, en die ooggetuigen ervan waren, ook van de dood zouden verrijzen, wanneer de Schriften worden gelezen, en het ons zouden betuigen, zeggende: “Van deze dingen waren wij ooggetuigen en we vertellen ze aan u als ontwijfelbare waarheden.” Want zoveel betekenen deze woorden: wij hebben het met onze oren gehoord, o God, onze vaders hebben ons verteld, wat Gij in hun dagen deed.
- De Schrift bewaart de verklaring van Gods werk en wil zo vers en schoon en zo rein van alle vermenging en overtolligheid en onvolmaaktheid van menselijke overlevering, dat God haar erkent als precies Zijn eigen getuigenis, wanneer we het voor Hem neerleggen: onze oren hebben gehoord, o God, wat U deed in de dagen van ouds.
- Gods oude werken hebben in alle eeuwen nieuw nut tot bevordering van het geloof, het geduld en de troost van de gelovigen: wij hebben gehoord wat U deed in de dagen van ouds, zeggen de heiligen die nu in moeite zijn en ondervinding nodig hebben van gelijke werken van God voor hen.
- Hoewel het vergelijken van verleden betere tijden met de onze de smart en verzoeking vergroot, maar als zij goed beschouwd worden in hun bedoeling en nut, dienen ze ons tot troost, en bevestigen ze ons geloof, zoals hier het gebruikmaken door de vervolgde kerk van de vergelijkbare omstandigheid van des Heeren volk vóór hen, ons leert.
- Hoewel gezinnen en volken in een land waren geworteld als oude eikenbomen, en heel lang bezitters ervan waren, toch kan God hen er uit verdrijven door welk middel Hem ook maar behaagt dit te doen. Het werk van volken te verslaan en hen te onderwerpen en hen uit te werpen, is des Heeren werk: U hebt de heidenen met Uw hand verdreven. En zo is ook het planten van een volk in een land of het continueren van gezinnen in opvolging: U hebt onze vaderen geplant en het volk uitgeworpen.
- Het aandeel van de Heere in een werk wordt het beste gezien, wanneer het aandeel van de mens en alles wat hij als middel heeft gedaan of kon hebben gedaan, allemaal voor een nul wordt verklaard, gezien als afgescheiden van God, Die de middelen bewoog en daardoor werkte wat Hem behaagde:zij kregen het land niet in bezitting door hun eigen zwaard, enz.
- De Bron van al het goede dat aan of door de kerk gedaan wordt, is alleen de pure gunst van God en Zijn welbehagen. Dat zij een gezelschap/organisatie zijn, een kerk geplant, verzorgd, zo lang bewaard, bewaterd, zo lang gespaard, is allemaal vrije gunst: hun arm verloste hen niet, maar Uw rechterhand, enz., omdat U een welbehagen in hen had.
- Wanneer God het licht van Zijn aangezicht aan een volk of persoon toont, zal Hij voor hen ook Zijn macht tonen: Uw arm, en het licht van Uw aangezicht gaven hun het land in bezitting. Deze twee gaan samen op.
5. Ghy selfs zijt mijn Coninck, ô Godt; gebiedt de verlossingen Iacobs.
Het tweede argument ter bevestiging van de kerk is genomen van de relatie tussen God en haar: U bent mijn Koning, o God, enz., Leer hieruit:
- Moeite maakt geloof dorstig en onderwijst de gelovige om gebruik te maken van zijn recht en belang en van de relaties tussen God en hem, die anders mogelijk werkloos in zijn koffer hadden gelegen, ja, ook wordt geloof door moeite wijs gemaakt om die relatie uit te kiezen die het meest dient voor zijn tegenwoordig nut: U bent mijn Koning.
- De relaties tussen God en Zijn volk blijven in stand, in tegenspoed zowel als in voorspoed. De godvrezenden hebben in vervolging God als Koning om tot Hem te gaan, van Wie zij alle weldaden mogen verwachten die onderdanen kunnen verwachten van een machtige koning, zoals de kerk hier tegen God zegt: “Al acht U het gepast om ons onder de voeten van vervolgers te plaatsen, toch bent U mijn Koning, o God.”
- Wat ook maar de bijzondere situatie van enig lid van de kerk is, zijn gebed moet worden opgezonden voor het hele lichaam, in het bijzonder wanneer de vervolging het geheel betreft: gebied verlossing voor Jakob.
- Het zal de Heere maar een woord kosten om Zijn volk te verlossen: laat Hem bevel geven en het zal gebeuren. De kerk verlangt niet meer dan gebied verlossing.
6. Door u sullen wy onse wederpartijders met hoornen stooten: in uwen Name sullen wy vertreden die tegen ons opstaen.
7. Want ick vertrouwe niet op mijnen boge; ende mijn sweert en sal my niet verlossen.
8. Maer ghy verlost ons van onse wederpartijders; ende ghy maeckt onse haters beschaemt.
9. In Godt roemen wy den gantschen dach: ende uwen Naem sullen wy loven in eeuwicheyt, Sela!
Het derde argument om hun geloof te sterken is het bewustzijn van hun oprechte bedoeling om God de eer te geven dat Hij hen tot alle plichten in staat stelt, waartoe Hij beloofde hen in staat te stellen. Leer hieruit:
- De gelovige mag zichzelf beloven al wat God hem heeft beloofd. Heeft God beloofd aan Zijn eigen volk de overwinning over hun vijanden te geven? Dan mag de gelovige zichzelf beloven dat hij zijn vervolgers zal overwinnen en door Gods kracht meer dan overwinnaar over hen zal zijn: door U zullen wij onze vijanden neerstoten. Als de vijand na een nederlaag zich opnieuw tegen hen stelt, mag de gelovige zeggen: in Uw Naam zullen wij hen vertreden die tegen ons opstaan.
- Des te minder vertrouwen we in onszelf hebben of in iets naast God, des te meer bewijs hebben we van de oprechtheid van ons geloof in God: want ik zal niet op mijn boog vertrouwen, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
- Het is een bewijs van de oprechtheid van het geloof om God net zoveel vertrouwen te geven voor de tijd die komt, als Hij voor Zich heeft verdiend door in verleden tijd Zijn waarheid te bewijzen: mijn zwaard zal mij niet verlossen, maar U hebt ons verlost, en daarom zullen wij door U onze wederpartijders neerstoten.
- Al wie het volk des Heeren haten, zullen gedwongen worden om op een dag met schaamte aan hun vijandschap te denken: U hebt hen die ons haatten, beschaamd maakt.
- Dezelfde eer die we in voorspoed aan God geven, moeten we Hem ook geven in onze tegenspoed. Verandering van tijden en bedélingen moeten Zijn eer en ons vertrouwen in Hem niet veranderen. Hoewel de kerk onder de voet van mensen is, de God van de kerk is boven allen: In God zullen wij heel de dag lang roemen, en Uw Naam in eeuwigheid loven.
10. Maer [nu] hebt ghy ons verstooten, ende te schande gemaeckt; dewijle ghy met onse krijchs-heyren niet uyt en treckt.
11. Ghy doet ons achterwaerts keeren vanden wederpartijder: ende onse haters berooven [ons] voor sich.
12. Ghy geeft ons over als schapen ter spijse: ende ghy verstroyt ons onder de heydenen.
13. Ghy verkoopt u volck om geene weerdye; ende ghy en verhoogt haren prijs niet.
14. Ghy stelt ons onsen nabueren tot smaet; tot spot ende schimp den genen, die rontom ons zijn.
15. Ghy stelt ons tot een spreeckwoort onder de heydenen: tot eene hooft-schuddinge onder de volckeren.
16. Mijne schande is den gantschen dach voor my: ende de schaemte mijns aengesichts bedeckt my:
17. Om de stemme des hooners, ende des lasteraers; van wegen den vyant, ende den wraeck-gierigen.
Na op deze manier een besluit te hebben genomen om voortdurend in God te geloven, stelt de psalmist de beklagenswaardige situatie van de kerk aan God voor, met de verleiding die Zijn volk aanvecht in hun lijden. Leer hieruit:
- Het kan bestaan met de standvastige liefde van God voor Zijn volk om hen door een afwisseling van moeiten in zulke harde oefeningen te plaatsen, dat Hij niet alleen Zijn vorige gang van vriendelijkheid tegen hen schijnt af te breken, maar hen ook schijnt weg te werpen en Zich tegen hen schijnt te keren door ernstige oordelen tegen hen te zenden, die gewoonlijk het menselijk gevoel doen denken aan toorn, ja uiterste toorn: U hebt ons verstoten; en zij kunnen teleurgesteld schijnen te worden in hun gehoopte bescherming en bijstand van God: U hebt ons te schande gemaakt; en zij kunnen hart en hand verliezen wanneer zij om een goede zaak tegen hun vijanden ten strijde trekken: U trekt met onze legers niet uit (vers 10); en zij kunnen op de vlucht worden gejaagd in de oorlog en een buit worden voor hun gemene vijanden: U doet ons achterwaarts keren van onze vijanden; en onze haters beroven ons voor zich (vers 11); en terwijl zij verstoken zijn van menselijke hulp op herstel, kan het schijnen dat zij in de hand van de vijand worden gelaten om met hen te doen zoals het hem goed lijkt: U geeft ons over als schapen ter spijze; en al is het dat niet alle gelovigen uitgeroeid kunnen worden, toch kunnen we het aanzijn van een kerk of gemeente verliezen: U verstrooit ons onder de heidenen (vers 12); en zij kunnen onderworpenen en slaven worden voor verdrukkers met geen merkbaar voordeel voor de eer des Heeren, maar juist met schijnbaar verlies: U verkoopt Uw volk voor niets; en vermeerdert Uw rijkdom niet met hun prijs (vers 13); en zij kunnen beroofd worden, niet alleen van gewone medemenselijkheid, die van buren verwacht kan worden, maar zij kunnen door hen ook veracht worden, door hen bespot en versmaad worden: U stelt ons voor onze buren tot smaad, tot spot en schimp voor degenen die rondom ons zijn (vers 14); en, met één woord, zij kunnen de meest verachte mensen onder de hemel zijn, die zoals het de juiste straf is voor een schandalig gedrag van de zichtbare kerk, wanneer zij Gods Naam verachtelijk maken onder afgodendienaars en heidenen, zo is het ook de scherpste beproeving en verzoeking voor de werkelijk godvrezenden, die er maar kan zijn: U stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken (vers 15).
Leer ook:
- Zoals Gods aanwezigheid, gebleken onder Zijn volk, en voor hen in het zicht van de wereld, hen het meest beroemde, wijze, dappere, voorspoedige en gezegende volk in de wereld maakt, zo ook – wanneer God, door het goddeloze gedrag van Zijn belijdend volk beledigd, hen verlaat, Zijn bescherming aan hen onttrekt en Zich toornig aan hen vertoont – worden zij dwaze en zwakke schapen, een verachtelijk en veracht volk, meer dan alle anderen: wij keren achterwaarts van de vijand. U hebt ons gegeven als schapen bestemd tot spijs, een smaad, een spot, een spreekwoord.
- Wat voor ramp ons ook overkomt, hoe ook en om welke reden ook, we kunnen veilig God de Bewerker van al onze ellende achten. Hoewel de verdienende oorzaak in onszelf is, is toch het opleggen van de ramp van de Heere. Want er is geen moeite in de stad waarvan de Heere niet wil erkennen dat Hij de Toediener ervan is. Want hier legt de profeet alles op God: U hebt het gedaan, vijf of zes keren.
- Wanneer de zichtbare kerk ellende over zich heeft gehaald en God terecht rampspoed over haar heeft gebracht, is het veiliger tot God te gaan en voor Hem neer te leggen al Zijn werk van rechtvaardigheid en de ellende die op ons ligt, dan om het voor onszelf te houden of het over Hem aan anderen te vertellen. Alleen Hij Die ons heeft verwond, is in staat ons te helen, zoals dit voorbeeld ons onderwijst te doen.
- Wanneer de zichtbare kerk met droevige rampen wordt bezocht, delen de ware leden ervan in de moeite, en het verdriet en de schaamte van die situatie: mijn schande is gedurig voor mij, zegt de psalmist.
- Het is niet erg gauw dat de kerk uit haar moeite wordt verlost, wanneer ze er eenmaal in valt. Er is een tijd dat het wordt gecontinueerd: mijn schande is steeds voor mij, en de schaamte van mijn gezicht bedekt mij (vers 16).
- Wanneer de vijand godsdienst en gerechtigheid bespot vanwege de rampspoed van de godvrezenden: des te meer er wordt gesproken over Gods achting voor de godvrezenden en hun zaak, des te meer bespot de vijand de godvrezenden en brengt hij hen tot schaamte. En dus, terwijl Gods handelwijze schijnt het tegenovergestelde te zeggen, schijnt het alleen maar tot hun eigen verwarring te zijn voor de godvrezenden om over God te spreken of over godzaligheid en over de gerechtigheid van hun zaak. Dit is een droevige situatie: de schaamte van mijn gezicht bedekt mij om de stem van hem die hoont en lastert, vanwege de vijand en de wraakgierige (vers 17).
18. Dit alles is ons overgekomen, nochtans en hebben wy uwer niet vergeten; nochte valschelick gehandelt tegen u verbont.
19. Ons herte en is niet achterwaerts gekeert; noch onse ganck geweken van u pat.
20. Hoewel ghy ons verplettert hebt in eene plaetse der Draken; ende ons met eene doots-schaduwe bedeckt hebt.
21. So wy den Naem onses Godts hadden vergeten; ende onse handen tot eenen vreemden Godt uytgebreydt;
22. Soude Godt sulcx niet ondersoecken? want hy weet de verborgentheden des herten.
23. Maer om uwent wille worden wy den gantschen dach gedoodt; wy worden geacht als slacht-schapen.
In de derde plaats belijden de godvrezenden met alles wat er gezegd is, hun standvastigheid in de belijdenis van hun geloof waarvoor ze worden vervolgd. Leer hieruit:
- Het is de plicht van des Heeren volk, in wat voor moeite of vervolging ze ook zullen raken, om standvastig te zijn in de belijdenis van de ware religie en in elk punt van de omstreden waarheid: dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten.
- Zoals het vasthouden aan een omstreden waarheid moet vloeien uit het geloof in God en liefde tot Hem, koesterend de liefdevolle herinnering aan Gods vriendelijkheid, wat voor verandering in behandeling zij ook zullen voelen, zo is ook het verlaten van een punt van de waarheid in een tijd van moeite, het vergeten van God, Die Zich alleen maar voor een tijd verbergt, totdat de beproeving voltooid is. Daarom zeggen de getrouwen: dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten.
- Zoals het de Heere heeft behaagd met Zijn kerk in een verbond te treden en om dat verbond te maken tot een geheiligd middel om Zijn volk standvastiger te doen zijn in hun taak, zo moet Zijn volk er een gewetenszaak van maken om het verbond, met God gemaakt, te houden en om standvastig te blijven in het onderhouden van elke taak waartoe zij daarin verplicht zijn, zodat, wanneer zij daarvan rekening afleggen, zij met gerustheid mogen zeggen: wij hebben niet vals gehandeld in Uw verbond.
- Zulke verbonden die mensen maken om vast te kleven aan de ware religie en aan morele plichten, in Gods Woord bevolen, hebben niet de natuur van menselijke verbonden, waarin mensen onderling de partijen zijn en God alleen Rechter en Getuige is, maar die verbonden zijn van die aard dat God daarin ook Partij is, aan Wie een volk des te meer verbonden is, omdat zij gezworen hebben Zijn wet te houden. En daarom worden zulke verbonden Gods verbond genoemd: wij hebben niet vals gehandeld tegen Uw verbond.
- Geen verontschuldiging uit gevaar van moeite of vervolging kan het geweten vrijwaren om van het verbond met God af te wijken. Niets kan ons een gerust besef geven van ons gedrag wat betreft het verbond, dan alleen oprecht en eerlijk voor God handelen: wij hebben niet vals gehandeld tegen Uw verbond (vers 18).
- De Heere kan meer eer voor Hemzelf verkrijgen in de tijd dat Zijn verstrooide volk vervolgd wordt, door de standvastigheid van Zijn martelaren en Zijn lijdende heiligen, in hun openlijke belijdenis en handhaving van Zijn waarheid voor hun vervolgers, dan wanneer de zichtbare kerk in voorspoed leefde en aan hun buren ergernis gaf door hun slecht gedrag, zoals deze ervaring van het verstrooide Israël duidelijk maakt.
- Een goed geweten verzoet in een tijd van beproeving verdrukking zeer, zoals hier blijkt.
- Om iemand standvastig te maken in de uitwendige belijdenis van de waarheid in een tijd van vervolging, is het nodig dat zijn hart bevestigd is door genade, dat zijn hart onbeweeglijk is, vertrouwend op de Heere. Die zullen er doorheen gedragen worden die kunnen zeggen: ons hart is niet achterwaarts gekeerd.
- Het is nodig over onze verscheidene acties de wacht te houden, opdat we niet stukje bij beetje in bijzondere gangen terzijde worden getrokken van ons wandelen met een rechte stap volgens het evangelie, en opdat het hart niet stukje bij beetje wordt weggestolen van de waarheid. Daarom moeten deze twee samengevoegd worden in onze onderneming: dat én ons hart niet achterwaarts gekeerd is, én onze voetstappen niet afwijken van de weg des Heeren (vers 19).
- Al zou het zo zijn dat de Heere – om de volle beproeving van het geloof van Zijn volk te voltooien – hen in de macht van de meest wrede tirannen zou geven en in een dagelijks gevaar om hun leven te verliezen, toch moeten zij liever de allerergste martelingen lijden, dan van de waarheid afwijken. Want zo deden des Heeren beproefde getuigen vóór ons: hoewel God hen verpletterde in een plaats der draken, en hen met een doodsschaduw bedekte (vers 20).
- In een tijd van beproeving aangaande de dienst van God moeten twee soorten zonden worden vermeden. De ene is weggaan van een punt van de waarheid der leer of der Goddelijke instellingen. De ander is het praktiseren van enig punt van valse godsdienst van een andere instelling dan die van de Heere is, hetzij onder een dekmantel van het aan te bieden aan de ware God, hetzij met een belijdenis aan een ander god. Want deze beide moeten vermeden worden, omdat de eerst soort zonde is het vergeten van de Naam van God, de andere is een uitstrekken van onze handen tot een vreemde god.
- De Heere, Die de diepte van des mensen hart onderzoekt, is in het bijzonder op zoek naar bedervers van de dienst van God en bedervers van de Goddelijke leer, eredienst of ordeningen, en alle soort van afgoderij, wat voor verontschuldigingen of uitvluchten ook gebruikt worden om deze te camoufleren: als wij de Naam van onze God hadden vergeten, en onze handen tot een vreemde God hadden uitgebreid, zou God dit niet onderzoeken? (vers 21-22).
- In een tijd van vervolging om de dienst van God kan niets opwegen tegen de verschrikkingen en verleidingen van de vervolgers, en kan niets de mensen standvastig maken in de zaak van God, dan de in het hart bevestigde vrees voor God en liefde voor God. Want de reden van de standvastigheid van de heiligen in deze psalm is, omdat God hun zonde onderzocht zou hebben, als zij anders hadden gedaan: want Hij weet de verborgenheden van het hart (vers 22).
- Zulken die verklaren de belijdenis van de waarheid te staven, moeten vastbesloten zijn hun leven te geven om ze te handhaven: wij worden heel de dag gedood.
- Het is voor de wereld gewoon om de dienaren van God en de ware heiligen méér te haten om hun trouw aan God en hun oprechtheid in Zijn dienst, dan om enige andere oorzaak: omwille van U worden wij gedood.
- Het is voor ons een weldaad, dat, wanneer God ons kon straffen voor onze zonden, Hij onze correctie eerbaar maakt en onze moeiten laat zijn om een goede zaak: omwille van U worden wij gedood.
- Al zouden de vervolgers alle uren van de dag sommige van onze broeders, de heiligen, nemen en om hun geloof in God en hun trouw in Zijn dienst doden, toch moet dit de rest niet weerhouden om de waarheid te volgen en de ware religie te belijden. Hoe lang de Heere de vervolging en onze moeite voor Zijn zaak ook laat voortduren, we moeten vastbesloten zijn steeds te verdragen tot het einde toe: ja, omwille van U worden wij heel de dag gedood (vers 23).
24. Waeckt op, waerom soudt ghy slapen, Heere? Ontwaeckt, en verstoot niet in eeuwicheyt.
25. Waerom soudt ghy u aengesicht verbergen? onse elende, ende onse onderdruckinge vergeten?
26. Want onse ziele is in’t stof nedergebogen; onse buyck kleeft aen d’aerde.
27. Staet op, ons ter hulpe, ende verlost ons om uwer goedertierenheyt wille.
In het laatste deel van de Psalm bidt de psalmist in naam van de kerk om van de wreedheid van de vervolgers te worden bevrijd. En terwijl hij in bitterheid van geest is om de smart en het leed, geeft hij, maar gecorrigeerd door geloof, lucht aan zijn tegenwoordige gevoel van Gods omgang met hen. Leer hieruit:
- Al is het waar dat de Heere Die over Israël waakt, zeer waakzaam is over een ieder van Zijn kinderen, en nooit sluimert of slaapt, maar steeds aan het werk is, Zijn heerlijk werk om Zijn juwelen klaar te maken voor het eeuwige leven, zelfs al plaatst Hij Zijn volk in de oven van verdrukking door de heetste vervolging (want dan is Hij in het bijzonder bezig om Zichzelf en ook Zijn heiligen te verheerlijken in de beproeving van hun kostbare geloof, en dan is Hij bezig om voor mensen en engelen aan het licht te brengen dat Hij een volk heeft dat Hem meer liefheeft dan hun eigen leven, en dat liever elke ellende wil verdragen dan enig punt van Zijn waarheid – aan hen toevertrouwd – te verloochenen); toch is de kracht van de natuurlijke zintuigen en gevoelens zodanig en ook het vooroordeel van zelfliefde in vleselijke redeneringen over Gods voorzienigheid, wanneer Hij Zijn volk in zulk verdrietig lijden plaatst zonder dat zij hun vervolgers iets hebben misdaan; en zodanig is de kracht van satans verzoekingen, geholpen door menselijke zwakheid en verwarring van gevoelens, dat God wordt beschouwd alsof Hij de zaak van Zijn eigen volk zou veronachtzamen en niet méér zorg voor hen zou hebben, dan een slapende heeft voor zijn zaken. En dit is de betekenis van deze uitdrukking: word wakker, waarom zou U slapen, HEERE?
- Geloof staat vleselijk gevoel niet toe en onderschrijft het ook niet, maar door de tegenwerpingen ervan aan God voor te stellen, verwerpt het dit juist. In de eerste plaats hierin dat het door gebed tot God gaat, Die de Hoorder is van de meest verborgen zuchten van smekelingen, die op welke tijd ook, nacht of dag, of in welke plaats ook, tot Hem worden opgezonden. Ten tweede door Hem te smeken om de laster en aantijging, die het vleselijke gevoel en de ingefluisterde verzoekingen op Hem leggen, te weerleggen: word wakker, sta op. Dat is: laat het gezien worden door de openbaarmaking van Uw gerechtigheid en barmhartigheid, zoals U gewoon bent te doen door openlijk voor ons te werken, dat U aandacht hebt voor ons lijden en voor het geweld van onze vervolger. Ten derde door te erkennen dat zulke veronachtzaming van Zijn eigen zaak en dienaren, zoals gevoel en verzoeking uitten, onverenigbaar is met Zijn natuur, verbond, beloften en handelwijze met Zijn volk. Want waarom slaapt U, is zoveel als: het is niet mogelijk dat U slaapt. En ‘waarom’ is hier niet een woord van kritiek, maar een woord van ontkenning, dat er enige reden gegeven kan worden voor zulk een gedachte, als dat God slaapt. Ten vierde door geloof en hoop op God te betuigen dat Hij Zich op Zijn tijd zal openbaren om de strijd tussen hen en hun vervolgers te beslechten. Want hij gelooft te ontvangen, waar hij om bidt. Zijn gebed is immers in overeenstemming met de geopenbaarde wil van God. En ontwaak, waarom slaapt U, o Heere, is zoveel als: “Ik geloof, Heere, dat U inderdaad ons en de wereld zult laten zien dat U in al dit zware lijden van ons omwille van U, niet slaapt, en daarom bid ik U om Uzelf spoedig te tonen.
- Zoals verzoeking, als ze geen gedachte in ons kan vasthechten van Gods zorgeloze onachtzaamheid voor ons in ons smartelijke lijden, toch verdachtmaking zal influisteren over Gods toorn, ongenoegen, haat, afwijzing en verwerping jegens ons, zo zal geloof zich inspannen om deze mist te verdrijven en ook deze vurige pijl te blussen door gebed: verstoot ons niet voor altijd, verzekering gevend dat al zou er toorn zijn in hun beproeving, toch zal het maar voor een korte tijd zijn en het zal niet altijd duren.
- Zoals beproeving, als ze bij ons geen verdachtmaking kan vasthechten van Gods haat jegens ons en van Zijn bedoeling om ons voor altijd weg te werpen, zal ze toch suggereren dat God ons achtervolgt om enige zonde, waarvan we ons niet bewust zijn, en dat Hij kwaad op ons is in het toelaten dat vervolgers de overhand over ons hebben en ons verdrukken (terwijl Hij ondertussen Zichzelf en Zijn waarheid in ons verheerlijkt, door anderen te bouwen door onze standvastigheid in zo’n punt van de waarheid, en door ons geduld in het dragen van het kruis, tot voordeel van zowel deze eeuw als de toekomstige), zo moet het geloof zich inspannen om ook deze mist te verdrijven en deze vurige pijl te doven, net als de vorige, door de gedachte te verwerpen dat dit oorzaak zou zijn van het lijden. Want het is er geen teken van, dat God de zonde in toorn vervolgt, wanneer God ons genade geeft, niet alleen om in Hem te geloven, maar ook om te lijden om Zijn Naam en om het evangelie; wanneer Hij ons maakt tot Zijn openbare martelaren en getuigen voor Zijn waarheid, sommigen in deze maat van martelaarschap, sommigen in een andere; wanneer Hij de Geest van heerlijkheid en van God op ons doet rusten (1 Petrus 4:14), en ons zo zegent dat wanneer er van de kant van de vervolger kwaad over Hem wordt gesproken, Hij van onze kant wordt verheerlijkt. Dit is, zeg ik, geen teken van toorn, geen teken dat Hij ons om onze zonde vervolgt. Daarom al noemt het gevoel dit de verberging van Zijn aangezicht, toch wil het geloof deze zaken die toorn zouden kunnen veronderstellen, niet toestaan. Want Waarom verbergt U Uw aangezicht? is in de taal van het geloof zoveel als: “Al is het zo dat wij hebben gezondigd en dat U Uw aangezicht schijnt te verbergen, toch kan ik de gedachte niet toestaan dat deze omgang van U met ons in toorn is. Ik zie geen reden waarom ik Uw bediening zo zou uitleggen. Ja, juist de vraag waarom? houdt in dat de psalmist niet kan afdalen tot enige gesuggereerde reden van dit soort, om te bewijzen dat God Zijn aangezicht verborg, zoals het gevoel wilde zeggen. En daarom verwacht hij dat de Heere op het juiste moment tekenen van Zijn liefde en goedwilligheid tot hen zal tonen.
- Wanneer deze aanvechtingen door het geloof zijn verworpen, houdt langdurende moeite samen met het zwakke vlees de klacht van de arme broze mens overeind. Omdat de zwakke natuur niet in staat is lang moeite te verdragen, staat zij klaar om te denken dat ze vergeten is of aan de kant is geschoven, en speelt ze nog steeds op haar eigen snaar van jammerklacht, wát het geloof er ook maar tegenover stelt, of ze er reden toe heeft of niet. Daarom moet het geloof zijn taak doen, en dat is: wanneer het ‘t klagen niet kan doen ophouden, dat het dan de klager en zijn jammerklacht in het gebed moet voorleggen aan God, om barmhartigheid te vinden: waarom vergeet U onze ellende en onze onderdrukking?
- Al de redenen die een arme, vervolgde en verdrukte uit zichzelf kan voortbrengen om op barmhartigheid te pleiten, wanneer hij zijn zaak voor de Heere klaagt, is zijn eigen zwakheid, leegheid, ellendige toestand, naderend tot moedeloosheid, bezwijkend en stervend: want onze ziel is in het stof neergebogen.
- De godvrezende ziel onder vervolging besluit om nooit toe te geven aan de wil van de vervolgers en de zaak des Heeren niet te verlaten, maar als smekeling van dag tot dag aan Gods voeten te liggen en daar te sterven als het Zijn wil is om uitwendige verlichting uit te stellen of te weigeren. Zoveel zegt de houding van de smekeling: onze buik kleeft aan de aarde.
- Hoewel de gelovige geen reden in zichzelf vindt voor zijn gebed om verlichting, toch vindt hij genoeg redenen om hem hoop op God te geven, zoals, in de eerste plaats: de vrijmachtige kracht des Heeren, en de gelegenheid om zulke zwakke schepselen die in hun nood tot Hem komen, te helpen: sta op tot onze hulp, sta op als onze Helper. Ten tweede: het ambt van Verlosser, waarmee Hij Zich in de Messias Christus Jezus heeft bekleed. In het verbond van Diens verlossing en betaling van de prijs daarvan en in de begonnen en voltooide verwerving daarvan, heeft elke gelovige ongetwijfeld deel, en heeft hij, recht op alle bijzondere verlossingen uit alle benauwdheden als vertakkingen en onderdelen van de grote verlossing van hun zielen tot het eeuwige leven. En dit wordt in deze woorden aangeduid: sta op tot onze hulp, en verlos ons. Ten derde: de verworven, beloofde en gedurig tevoorschijn komende en aangeboden genade van God aan gelovigen, lost alle tegenwerpingen en twijfels op die uit onze zonden, onwaardigheid en strafwaardigheid oprijzen. Want verlos ons omwille van Uw goedertierenheid betekent zoveel.
